Schadevergoeding en de Wet werk en bijstand – Kan de gemeente claimen?

Samenvatting:

Met enige regelmaat krijgen wij de vraag voorgelegd wat ‘de gemeente gaat doen met de schadevergoeding’. Bedoeld wordt of de gemeente op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en/of de Wet werk en bijstand (WWB) een claim op de te betalen letselschadevergoeding kan leggen.

Dat kan inderdaad, maar de mate waarin hangt sterk af van de feitelijke omstandigheden. In deze bijdrage willen wij aan de hand van een praktijkzaak de (on)mogelijk­heden schetsen. Hoewel dit soort zaken casuïstisch zijn, niet in de laatste plaats omdat de benadering per gemeente verschilt, kan er wel een lijn worden geschetst. 

Wat is het geval? Betrokkene zit in de bijstand en krijgt een ongeval met ernstig letsel en blijvende beperkingen als gevolg daarvan. Na jaren procederen en onderhandelen, hangt er een fors bedrag als schadevergoeding boven de markt. De bedoeling is vooral dat daarmee in de toekomst de zorg wordt betaald en de voorzieningen ­worden ingekocht waarin de gemeente (WWB en Wmo), het zorgkantoor (AWBZ) en zorgverzekeraar (zorg­verzekeringswet) niet voorzien. Anderzijds heeft de ­gemeente informeel al laten weten zich op het standpunt te stellen dat zij de bijstand over de afgelopen periode­volledig wil terugvorderen. Het gaat dan om ongeveer € 100.000. Heeft de gemeente een punt?

 

Dat hangt er van af. Indien de schadevergoeding ook een deel inkomensschade behelst, dan wel. Vanaf de datum ongeval kan dan worden teruggevorderd. Als het gaat om schadevergoedingen wegens een ongeval wordt in het kader van art. 58 lid 2 sub f WWB naar vaste jurisprudentie de aanspraak op de middelen toegerekend aan de datum van het ongeval of, indien dit later is, de datum waarop de bijstand is aangevangen, tenzij uit de schadevergoeding zelf blijkt dat deze voor een andere periode is bedoeld. De mate waarin hangt af van de hoogte van het bedrag en de periode waarover het is berekend.

 

In deze zaak kan gesteld worden dat er geen sprake is van een verlies aan verdienvermogen zodat er om die reden geen sprake kan zijn van een terugvordering. Maar daarmee zijn we er nog niet, er kunnen ook nog, afhankelijk van de casus, andere redenen voor terugvordering zijn.

 

Maar hoe zal de gemeente zich opstellen als er een hoog bedrag aan schadevergoeding wordt betaald? Moet dat aan het levensonderhoud worden besteed, zodat de WWB wordt beëindigd of kan het zodanig worden afgeschermd dat er toch WWB moet blijven worden verleend? Hoe het ook wordt aangepakt, het eerste vereiste is transparantie. Daarbij moet worden bedacht dat geen enkele benadering op voorhand als waterdicht of WWB proof kan worden bestempeld. Ook is steeds medewerking van de gemeente nodig. Dat neemt niet weg dat het heel denkbaar is dat de gemeente akkoord gaat, bijvoorbeeld als voor de toekomst geen aanspraak meer op WWB wordt gedaan, omdat de gedachte dat iemand gaat uitstromen uit de WWB aantrekkelijker kan zijn dan de gedachte dat er een lastige terugvorderingsactie gedaan kan worden. Daarbij speelt een rol dat terugvordering ex art. 58 lid 2 WWB niet verplicht is voor het college (wat het in andere gevallen wel is). Daarbij is met name hetgeen is geregeld in het kader van de immateriële schadevergoeding relevant. Dan wordt het de lezer meteen duidelijk dat hij nog wel voor terugvordering om een andere reden moet vrezen.

 

De mogelijkheid voor de gemeente om terug te vorderen krachtens art. 58 lid 2 sub f WWB ontstaat op het moment dat iemand daadwerkelijk over de middelen waarop hij al een aanspraak had kan beschikken of daarover redelijkerwijs zou kunnen beschikken. Als hij het geld van de schadevergoeding in handen krijgt (op zijn rekening gestort krijgt) kan hij er in elk geval redelijkerwijs over beschikken. Aan art. 31 lid 1 WWB is dan voldaan. Maar er moet ook nog getoetst worden aan art. 31 lid 2 WWB. In deze gevallen gaat het dan om sub m van dat lid. Bij het oordeel of het vrijlaten van een schadevergoeding vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is heeft het college enige beleidsvrijheid. Dat geeft het volgende beeld.

 

Als de vergoeding ziet op een gemis aan arbeidsvermogen, zal de gemeente deze zonder meer volledig in aanmerking nemen, aangezien het inkomen waarvoor het in de plaats gekomen is ook altijd als middel zou zijn gezien. Maar het omgekeerde geldt niet onverkort in die zin dat het – als het geen vergoeding voor verlies aan arbeidsvermogen is – vrij is. Ook dan zal de gemeente moeten oordelen in hoeverre het vrijlaten verantwoord is.

 

Voor zover de schade is bedoeld om zorgkosten te dekken, zou de gemeente moeten oordelen dat het vrijlaten van deze vergoeding vanuit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Maar daarvoor moet wel voldoende vaststaan dat dit geld ook daadwerkelijk daarvoor bestemd is. Hoe minder bestedingskeuze belanghebbende hierin heeft, hoe beter het is. Helemaal geen keuze is eigenlijk het beste. Immers, belanghebbende kan dan ook niet beschikken over de middelen, zodat we met art. 31 lid 1 WWB al klaar zijn.

 

Als het gaat om de vergoeding van immateriële schade, hanteren de meeste gemeenten het beleid 1/3 vrij, 2/3 niet. Dit stuit bij de CRvB [2]niet op bedenkingen (maar het is natuurlijk mogelijk dat tal van andere verdelingen bij de raad evenmin op bedenkingen zouden stuiten). In de door ons voorgestelde benadering van de schadevergoeding is het risico dat de schadevergoeding – voor zover die betrekking heeft op de immateriële schade – voor 2/3 wordt meegenomen in een terugvorderingsactie. (Zouden wij in elk geval wel doen als we gemeenteambtenaar waren, zeker als het om een heel groot bedrag gaat.) Overigens wordt de verhouding 1/3:2/3 minder redelijk, naarmate het smartengeld lager is.

 

Tot slot: indien betrokkene naar een andere gemeente verhuist, is die gemeente voor het oordeel ten aanzien van het vrij laten van vermogen niet gebonden aan het oordeel van de vertrekgemeente.

 


[1] Mr. Hans Nacinovic is directeur De Legibus BV, (onder meer) docent Wet werk en bijstand voor SSR Studiecentrum Rechtspleging en redacteur van de Bijstandsbode.nl. Mr. dr. Matthijs Vermaat heeft zich gespecialiseerd in Wmo en AWBZ en is (onder meer) docent bij de Grotius Academie, SSR Studie­centrum Rechtspleging en OSR juridische opleidingen en auteur van Kluwer Tekst&Commentaar.

 

[2] Red. PIV: CRvB 2 december 20013, ECLI:NL:CRVB:2003:AO1106 1/3 van een sommenverzekering is vrijgelaten als immateriële schade en CRvB 13 september 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU3208 – smartengeld en saldo boedelverdeling worden geacht gelijkelijk te zijn ingeteerd, waardoor 1/3 van het smartengeld overgebleven geacht wordt.

  • 2

  • Mr. H.W.M. Nacinovic en Mr. drs. M.F. Vermaat
  • Bron: PIV-bulletin
  • folder PIV-bulletin, WMO

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey