Rb: Wijst zonder nader onderzoek af omdat eiseres de feiten niet volledig en waar vermeldde

Samenvatting:

Eiseres reed op de autoweg en stelt dat gedaagde met de vrachtauto achterop reed, waardoor zij in aanraking kwam met een stilstaande pijlwagen. Gedaagde stelt dat hij plotseling werd geconfronteerd met eiseres. Hij week voor haar uit en botste op een pijlwagen zonder haar auto te hebben geraakt. Art. 21 Rv bepaalt dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Als deze verplichting niet wordt nageleefd, kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Eiseres heeft het onderzoek door de politie, haar alcohol- en drugsgebruik en haar veroordeling door de politierechter wegens overtreding van art. 8 WVW niet vermeld. Zonder nader onderzoek wijst de rechtbank haar vordering reeds daarom af.

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 21-11-2018
Datum publicatie 03-12-2018
Zaaknummer C/15/272581 / HA ZA 18-243
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie
Eiseres vordert een verklaring voor recht dat gedaagde jegens haar een onrechtmatige daad heeft gepleegd en vordert schadevergoeding omdat gedaagde een verkeersongeval zou hebben veroorzaakt. De vorderingen eiseres worden afgewezen op grond van artikel 21 Rv. Eiseres heeft bij dagvaarding niet het proces-verbaal van “aanrijding en overtreding” van de politie overgelegd noch haar verklaring op de dag van het ongeval. Voorts heeft eiseres in haar dagvaarding niets vermeld over het feit dat zij strafrechtelijk was veroordeeld wegens overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 ten tijde van het ongeval. Eiseres heeft daarmee de rechtbank onvolledig geïnformeerd en op het verkeerde been gezet.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak
Uitspraak

vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/272581 / HA ZA 18-243

Vonnis van 21 november 2018 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiseres] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres,
advocaat mr. J.A.H. Schoofs te Arnhem,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. E.M. Olinga te Hoogeveen.

Partijen zullen hierna “ [eiseres] ” en “ [gedaagde] ” genoemd worden.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaarding van 2 oktober 2017, met producties 1 tot en met 4;
– de conclusie van antwoord van 7 november 2017, met producties 1 tot en met 3;
– het tussenvonnis van de sectie kanton van deze rechtbank van 20 december 2017;
– het verwijzingsvonnis van de sectie kanton van deze rechtbank van 14 maart 2018;
– het tussenvonnis van 25 april 2018, waarin partijen zijn opgeroepen voor de comparitie;
– de akte uitlating van [eiseres] van 16 oktober 2018, met producties 5 tot en met 6, en
– het proces-verbaal van comparitie van 1 november 2018.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1. Op 11 maart 2015 is [eiseres] een ongeval overkomen. Zij reed ’s nachts, rond 04.00 uur, op de snelweg A12. Op deze snelweg met twee rijstroken was de rechterrijstrook in verband met werkzaamheden afgekruist en was een pijlwagen geplaatst. Er gold een snelheidsmaatregel en de toegestane snelheid was 70 kilometer per uur. [eiseres] is met haar auto, een Peugeot 206, tegen de pijlwagen gebotst en vervolgens doorgeschoten naar de linkerrijstrook waar zij tegen de middengeleider (de vangrail) tot stilstand is gekomen.

2.2. [gedaagde] reed diezelfde avond in een vrachtwagen eveneens op de A12, achter [eiseres] .

3 Het geschil

3.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat [gedaagde] jegens haar een onrechtmatige daad heeft gepleegd;
II. [gedaagde] veroordeelt tot een immateriële schadevergoeding ad € 10.000,-;
III. [gedaagde] veroordeelt tot een materiële schadevergoeding, welke vergoeding nader dient te worden bepaald door middel van een schadestaatprocedure, en te vereffenen volgens de wet, en
IV. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2. Ter onderbouwing van haar vordering voert [eiseres] het volgende aan. [gedaagde] reed als bestuurder van een vrachtauto voorafgaand aan het ongeval geruime tijd te dicht op de auto van [eiseres] met groot licht aan. Hij was aan het bumperkleven. Het was die avond mistig. Door het bumperkleven keek [eiseres] meer in haar achteruitkijkspiegel dan voor zich, waardoor zij niet goed zag dat zij een pijlwagen naderde. Voordat zij de pijlwagen daadwerkelijk was genaderd, ramde [gedaagde] met zijn vrachtwagen de auto van [eiseres] . Hoewel [eiseres] remde, kwam haar auto niet tot stilstand omdat de vrachtwagen van [gedaagde] haar auto vooruit duwde. [eiseres] is tegen de pijlwagen aangereden, heeft in paniek haar stuur omgegooid en kwam links van de weg tegen de vangrail tot stilstand.
[eiseres] is als gevolg van het ongeluk naar een ziekenhuis overgebracht en haar auto is total-loss verklaard. [eiseres] stelt dat zij tot op heden zowel fysiek als geestelijk last heeft van het ongeval. [gedaagde] is volgens [eiseres] aansprakelijk omdat hij aan het bumperkleven was en mede als gevolg daarvan en als gevolg van onachtzaamheid de auto van [eiseres] heeft geramd.

3.3. [gedaagde] betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan bumperkleven en betwist ook dat hij de auto van [eiseres] heeft geraakt. [gedaagde] stelt dat hij bij werkzaamheden op de A12 plotseling werd geconfronteerd met het voertuig van [eiseres] . Dat stond zonder verlichting in de middenberm en deels over de rijstrook waar [gedaagde] reed. Op de rechterrijstrook stond, zonder verlichting, een pijlwagen. [gedaagde] heeft het voertuig van [eiseres] kunnen ontwijken, maar niet de pijlwagen. [gedaagde] wijst op het politierapport en het expertiserapport van de vrachtwagen waaruit volgt dat de vrachtwagen enkel aan de rechterzijde beschadigd was.
[gedaagde] wijst erop dat de immateriële schadevergoeding op geen enkele wijze is onderbouwd. [eiseres] heeft niet gesteld dat zij letsel heeft opgelopen als gevolg van de aanrijding, laat staan wat dat letsel dan inhoudt. Uit het politierapport blijkt dat [eiseres] lichte schaafwonden aan het ongeval heeft overgehouden.
[gedaagde] betwist tot slot dat er sprake is van materiële schade.

4. De beoordeling

4.1. In de onderhavige zaak verschillen partijen van mening over de toedracht van het ongeval. Uit de bij de conclusie van antwoord overgelegde stukken blijkt het volgende.

4.1.1. In het proces-verbaal “Aanrijding overtreding” van de politie is met betrekking tot de toedracht van het ongeval het volgende opgenomen:
“Vermoedelijke toedracht
Eenzijdig verkeersongeval personenauto op de snelweg A12 ter hoogte van hectometerpaal 118.2 rechts. Betreft een snelweg met twee rijstroken waar ten tijde van het ongeval op rijstrook twee (2) een snelheidsmaatregel gold in verband met wegwerkzaamheden. Derhalve was de toegestane snelheid zeventig (70) kilometer per uur. In verband met de wegwerkzaamheden was de rechter rijstrook afgekruist en is er een pijlwagen op de rechter rijstrook geplaatst.
Vermoedelijke toedracht:
Betrokken voertuig betrof een Peugeot, van het type 206, grijs van kleur, voorzien van het kenteken [kenteken] . Dit voertuig werd bestuurd door [eiseres] ,(…), [eiseres] kwam vermoedelijk uit de richting van Utrecht en was gaande in de richting van Arnhem. Vermoedelijk reed [eiseres] over rijstrook twee (2) en was zij ter hoogte van hectometerpaal 118.2 op nog onduidelijke wijze in botsing gekomen met de, vanwege werkzaamheden, aldaar gepositioneerde pijlwagen van de firma Heijmans. Door de kracht van deze aanrijding was het voertuig van betrokkenen doorgeschoten naar rijstrook een (1), om aldaar tegen de middengeleider tot stilstand te komen.
Een achteropkomende vrachtwagen, rijdend over rijstrook een (1), zag ineens een auto voor zich opdoemen, welke zonder verlichting, op rijstrook een (1) stilstond. De bestuurder van deze vrachtwagen had de keuze gemaakt niet de personenauto aan te tijden, maar uit te wijken naar rijstrook twee (2), alwaar de pijlwagen van de firma Heijmans materiaal beheer deels schuin en onverlicht stond vermoedelijk ten gevolge van de eerdere aanrijding. Door deze keuze vond wederom een aanrijding plaats tussen de vrachtwagen en pijlwagen.
Schade:
De Peugeot 206 had rondom forse schade, zeer waarschijnlijk total-loss.
De vrachtwagen had schade aan de rechter voorzijde van de trekker.
Letsel:
De bestuurster van de personenauto heeft lichte verwondingen overgehouden, in de vorm van kleine schaafwonden.”

4.1.2. Kennelijk op grond van de vermoedelijke toedracht en onderzoek op de plaats van het ongeval is [eiseres] als verdachte aangemerkt.
Uit het hiervoor onder 4.1.1 vermelde proces-verbaal volgt dat [eiseres] op de dag van het ongeval een verklaring heeft afgelegd, die als volgt is weergegeven:
“ Verklaring verdachte [eiseres] ”
Verdachte verklaarde in haar verklaring van 11 maart 2015 te werken in een privehuis te Amersfoort. Aldaar vanwege haar gemoedstoestand te hebben gedronken. Zij verklaarde alcoholhoudende drank te hebben gedronken. Tevens verklaarde zij twee lijntjes cocaïne te hebben gebruikt. Verder verklaarde zij van Amersfoort naar Utrecht te zijn gereden in haar auto (…). Tevens verklaarde zij daar ook alcoholhoudende drank genuttigd te hebben. Vervolgens verklaarde zij naar huis te zijn gereden en dat er op haar route wegwerkzaamheden waren. Dat zij zich moe voelde en tegen een pilaar was gereden. Maar niet meer wist wat er gebeurd was.”

4.1.3. In een brief van de politie van 13 april 2015 aan [eiseres] is het volgende opgenomen:
“Hierbij deel ik u mede, dat het resultaat van de analyse van het door u op woensdag 11 maart 2015 afgenomen bloedmonster 1.03 mg alcohol per ml bloed bedroeg.
Aangezien deze waarde boven de wettelijk vastgestelde grens van 0.5 mg alcohol per ml bloed ligt, zal tegen u een proces-verbaal wegens overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 worden opgemaakt. (…)”

4.1.4. Op 5 november 2015 heeft de politierechter [eiseres] veroordeeld wegens overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Zij is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis. [eiseres] heeft, blijkens het vonnis, afstand gedaan van rechtsmiddelen.

4.2. Artikel 21 Rv bepaalt dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Als deze verplichting niet wordt nageleefd, kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
Met artikel 21 Rv wordt beoogd het achterhouden van informatie en het verdoezelen van voor de beslissing relevante feiten uit te bannen. Dit kan meebrengen dat op een partij een mededelingsplicht kan rusten ten aanzien van feiten die voor het eigen standpunt ongunstig zijn, maar wel kunnen bijdragen aan het “gelijk” van de wederpartij en waarvan zij wist of behoorde te weten dat de wederpartij niet met die feiten bekend was of redelijkerwijze bekend behoorde te zijn.
[eiseres] heeft geen van de hiervoor onder 4.1.1 t/m 4.1.4 vermelde gegevens vermeld in haar dagvaarding. Zij kende die gegevens zelf wel en het is evident dat deze bij het vaststellen van de toedracht van het ongeval een rol spelen. [eiseres] heeft zodoende de rechtbank onvolledig geïnformeerd en heeft de rechtbank daardoor op het verkeerde been gezet. Zij heeft niet voldaan aan haar verplichting de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. De gevolgtrekking die de rechtbank hieruit maakt is dat de vordering van [eiseres] reeds daarom moet worden afgewezen.

4.3. Gelet op de uitkomst van de procedure zal [eiseres] in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:
– griffierecht 895,00
– salaris advocaat 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)
Totaal € 1.981,00.

5 De beslissing
De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.981,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dit vonnis na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is bij vervroeging gewezen door mr. L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2018.1 1
type: MKG coll: LS

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots