Rb: whiplash, causaal verband ongeval en faillissement onderneming niet aannemelijk gemaakt

Samenvatting:

Whiplash, zelfstandig ondernemer, onderneming gaat na ongeval failliet. Eiser wijt het faillissement aan het ongeval, omdat hij in een cruciale tijd geen goede zakelijke beslissingen kon nemen. 1. Stelplicht en bewijslast klachten, beperkingen én causaal verband rusten op eiser. Wanneer klachtenpatroon plausibel is, kan van het bestaan van klachten worden uitgegaan (r.o. 4.2). De rechtbank beoordeelt op basis van gegevens in het dossier en bevindingen van de deskundigen of de klachten aannemelijk zijn en of het relevante juridisch-causale verband tussen klachten en ongeval vaststaat. De rechtbank stelt (onder meer) vast dat eiser al vóór het ongeval gebukt ging onder stress als gevolg van zijn slechte financiële situatie. De rechtbank komt tot het oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn klachten het gevolg zijn van het ongeval. 2. Smartengeld: € 5000,- (gevorderd € 12.000,-); 3. BGK: 50% toegewezen; deel werkzaamheden ter voorbereiding procedure.

 

ECLI:NL:RBNHO:2019:4522

Instantie

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak

29-05-2019

Datum publicatie

03-06-2019

Zaaknummer

C/15/278708 / HA ZA 18-601

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – meervoudig

Op tegenspraak

Inhoudsindicatie

Letselschade. Whiplash-klachten na verkeersongeval. Beoordeling van de vraag of het bestaan van de klachten aannemelijk is en in dat geval of het causaal verband tussen de klachten en het ongeval vaststaat. Smartengeld. Kosten ex artikel 6:96 BW.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

 

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

 

 

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

 

zaaknummer / rolnummer: C/15/278708 / HA ZA 18-601

 

Vonnis van 29 mei 2019

 

in de zaak van

 

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. E.H. Copini te Alkmaar,

 

tegen

 

de naamloze vennootschap

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. M.D. Spruit te Ermelo.

 

Partijen zullen hierna [eiser] en ASR genoemd worden.

 

1

De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding met producties 1-7

de incidentele conclusie tot het instellen van een provisionele vordering van [eiser]

de conclusie van antwoord in de hoofdzaak tevens conclusie van antwoord in het incident met producties 1-25

het tussenvonnis van 21 november 2018 in de hoofdzaak en het incident

de akte uitlating/overlegging producties met producties 8-21 van de zijde van [eiser]

de akte overlegging producties met producties 26-30 van de zijde van ASR

de akte uitlating/overlegging producties met productie 22 van de zijde van [eiser]

het proces-verbaal van comparitie van 9 april 2019 en de daarin genoemde comparitie-aantekeningen

de brief van mr. Spruit van 15 april 2019 met opmerkingen over het proces-verbaal van comparitie

de brief van mr. Copini van 23 april 2019 met één suggestie tot aanvulling van het proces-verbaal van comparitie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

 

2

De feiten

Algemeen

2.1.

Op 15 november 2013 is [eiser] , op dat moment 52 jaar, als bestuurder van een personenauto betrokken geweest bij een verkeersongeval. Bij dit verkeersongeval waren drie personenauto’s betrokken. De personenauto van [eiser] stond op de A9 stil voor de slagbomen van de aldaar openstaande brug. Achter [eiser] stond ook een personenauto stil. De bestuurster van een achteropkomende personenauto (de derde auto) remde niet tijdig en botste met een snelheid van – volgens haar eigen zeggen uiteindelijk – 60 km per uur tegen de tweede auto, die daarop tegen de achterzijde van de personenauto van [eiser] aanreed. De bestuurder van de derde auto was in het kader van de WAM verzekerd bij ASR. ASR heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.

 

2.2.

[eiser] was ten tijde van het ongeval (en is nog steeds) gehuwd. Het echtpaar heeft twee meerderjarige, uitwonende kinderen. De echtgenote van [eiser] heeft een AOW-uitkering en een pensioenuitkering.

 

Arbeidsgegevens

2.3.

[eiser] was ten tijde van het ongeval zelfstandig ondernemer. Hij was actief binnen een tweetal ondernemingen, te weten de werkmaatschappij Interpooling by Intervention B.V. (hierna: Interpooling) en haar 100% houdstermaatschappij Twins Management Beheer B.V. (hierna: Twins Management), waarvan [eiser] 100% aandeelhouder is. De activiteiten van Interpooling bestonden uit tweezijdige arbeidsbemiddeling met name gericht op outplacement, detachering en re-integratie. [eiser] werd door Twins Management als bestuurder uitgeleend aan Interpooling. Door Twins Management werd daarvoor aan Interpooling een management fee berekend. [eiser] ontving als DGA een inkomen via Twins Management.

 

2.4.

[eiser] was voor het ongeval ook directeur en bestuurder van de Stichting Interpooling Zorgcoaching (hierna: de Stichting).

 

2.5.

Op 11 november 2013, enkele dagen voor het ongeval, heeft [eiser] het faillissement van de Stichting aangevraagd. Volgens het bij de aanvraag gevoegde crediteurenoverzicht waren er externe schulden met een hoogte van € 163.690,37 en achterstallig salaris van vaste medewerkers en bestuurder ten bedrage van € 33.566,82 respectievelijk € 130.000,-. Het faillissement is op 19 november 2013 uitgesproken.

 

2.6.

Na het ongeval bleef [eiser] zich bezighouden met de ondernemingen en onderhield hij contacten met curator mr. D. Sluis.

 

2.7.

In januari 2014 is [eiser] drie weken met vakantie in Thailand geweest. In die periode hebben werknemers van Interpooling het faillissement van Interpooling aangevraagd. Het faillissement is op 18 februari 2014 uitgesproken. Ook in dit faillissement werd mr. D. Sluis tot curator benoemd.

In het eerste faillissementsverslag van 24 maart 2014 is vermeld dat er onder meer een preferente vordering van de fiscus was van € 745.493,- en achterstallige salarissen van in totaal € 149.798,69.

 

2.8.

Vóór de uitspraak van het faillissement van Interpooling waren Interpooling, Twins Management en [eiser] gedagvaard door Leemans Assurantie Adviseurs B.V. (hierna: Leemans). Leemans had hen op 21 juni 2013 een flitskrediet verleend van € 45.000,- voor twee maanden met een risicopremie van € 6.000,- en een onmiddellijk opeisbare boete van € 500,00 per dag zonder enig maximum.

Bij vonnis van 19 maart 2014 heeft deze rechtbank [eiser] naast Interpooling en Twins Management hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 124.285,-.

Leemans heeft vervolgens diverse (executoriale) beslagen ten laste van [eiser] laten leggen, waaronder op de AOW- en pensioenuitkeringen van zijn echtgenote. De beslagen zijn uiteindelijk na een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 december 2015 opgeheven.

 

2.9.

Begin 2014 speelde in het faillissement van de Stichting ook een onderzoek van de curator naar de boekhouding en naar uitkeringen aan bestuurder [eiser] en de (on)rechtmatigheid daarvan. De curator heeft in zijn tweede faillissementsverslag van 28 maart 2014 vermeld dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur. Diezelfde mening was de curator later in het faillissement van Interpooling toegedaan. De curator heeft [eiser] persoonlijk aansprakelijk gesteld voor het tekort in de boedel van beide ondernemingen. [eiser] kwam met de curator in het kader van een finale regeling overeen dat hij een bedrag van € 25.000,- zou betalen.

 

2.10.

Twins Management was ook aandeelhouder van Persolution Holding B.V., welk bedrijf per 26 augustus 2014 failliet is verklaard.

 

2.11.

Sinds het faillissement van Interpooling heeft [eiser] geen loonvormende arbeid meer verricht en leven hij en zijn echtgenote van haar inkomsten.

 

Medische gegevens

2.12.

[eiser] heeft daags na het ongeval op 20 en 21 november 2013 de huisartsenpost respectievelijk zijn eigen huisarts bezocht. De huisarts noteerde:

“(…) Had kop-staartbotsing; stond zelf stil, auto ingereden op twee auto’s achter hem en zijn auto werd nog 20 m opgeschoven (…). Geen nekspierpijn, wel wat stram gevoel schouders. Normale nekexcursies. Wat duizeling en minder concentratie. St na whiplashtrauma. Uitleg en advies”.

De huisarts heeft [eiser] geadviseerd ‘relatieve rust’ te nemen en ‘mobiliserende nek- en schouderoefeningen’ te doen. De huisarts verwachtte een spontane verbetering binnen enkele weken.

 

2.13.

Op 18 maart 2014 is [eiser] voor een tweede consult naar zijn huisarts gegaan. Naar aanleiding van dit consult heeft de huisarts het volgende genoteerd:

“Heeft zelf toch idee dat hij na ongeval blijvende stoornissen heeft in de nek maar ook cognitief. Heeft eind dec zakelijke beslissingen genomen die vervolgens tot faillissement zouden hebben geleid. Nu merkt hij nog problemen met concentratie en geheugen. Nek: diffuse drukgevoeligheid, geen opvallende functiebeperking. (…)”

De huisarts heeft [eiser] voor neurologisch onderzoek verwezen naar de neuroloog.

 

2.14.

Neuroloog M. Weisfelt noteerde in zijn verslag van 8 april 2014 dat [eiser] na een klachtenvrije interval last had van hoofdpijnklachten, welke klachten ten tijde van het onderzoek door Weisfelt verbeterd waren. [eiser] merkte vooral geheugen- en concentratieproblemen. Bij het neurologisch onderzoek werden geen afwijkingen gevonden.

 

2.15.

Op verwijzing van neuroloog Weisfelt is [eiser] in verband met de door [eiser] vermelde geheugen- en concentratiestoornissen onderzocht door klinisch psycholoog en neuropsycholoog J. van der Pijl. Van der Pijl heeft hierover op 8 mei 2014 als volgt gerapporteerd, voor zover van belang:

“ Conclusie

(…) Het gehele beeld overziend kunnen we stellen dat de geheugen- en concentratieklachten niet zijn geobjectiveerd. Er lijkt geen sprake te zijn van cognitieve stoornissen. Tijdens het onderzoek oogt patiënt met name bij concentratietaken onrustig, alsof hij er veel moeite mee heeft. Dit is echter niet terug te vinden in de resultaten. Wellicht vormt een neiging tot het goed willen doen hiervoor een verklaring. Patiënt lijkt zichzelf te overvragen. Mogelijk houdt dit ook verband met de gerapporteerde vermoeidheid van patiënt.”

 

2.16.

Op 20 juni 2014 heeft [eiser] het spreekuur van bedrijfsarts E.J. Oostdijk, verbonden aan ArboVita, bezocht. Oostdijk heeft op 23 juni 2014 als volgt gerapporteerd:

“ Samenvatting: (…) Aanvankelijk leek hij geen klachten te hebben, maar na een aantal dagen kreeg hij toch forse hoofdpijnklachten. In die periode heeft hij moeite gehad met concentreren en nadenken. (…)

Beperkingen: Het ligt in de rede dat betrokkene in de periode 15-11-2013 – 15-1-2014 beperkingen heeft gehad op het gebied van tijdsdruk, verantwoordelijkheid, concentratie. Daardoor was hij op medische gronden, als rechtstreeks gevolg van het ongeval, verminderd in staat tot het nemen van complexe beslissingen.

Prognose: Op zich goed. Hij ervaart nog wel wat beperkingen momenteel, maar als geheel gaat het langzaam beter.”

 

2.17.

Bij e-mail van 23 juni 2014 heeft [eiser] Oostdijk het volgende geschreven:

“Hartelijk dank voor uw verslag. Mijn probleem is dat ik een causaal verband moet kunnen aantonen tussen het ongeval en het faillissement. Hiervoor is het noodzakelijk om redelijk concreet omschreven beperkingen in deze periode aan te kunnen geven die het causaal verband ondersteunen. Is het mogelijk de beperkingen in die periode ‘harder’ en/of ‘gerichter’ te omschrijven? Eventueel met als aanvulling dat een langere periode van gehele rust cq een vakantie noodzakelijk zou zijn voor herstel? (…)”

 

2.18.

Op 18 en 29 augustus 2014 heeft [eiser] gesprekken gehad met klinisch psycholoog A.F.A. van Boxtel, verbonden aan Villa Uitzicht.

[eiser] heeft geen verdere psychologische behandeling gevolgd.

 

2.19.

Op 5 september 2014 heeft [eiser] een intake gehad bij fysiotherapeut M. van der Groot en psycholoog H. Hajjari, beiden verbonden aan DBC Badhoevedorp. In het intakeverslag van 8 september 2014 is vermeld dat [eiser] heeft verteld dat hij veel moeite heeft met zich te kunnen concentreren, dat hij zich extreem vermoeid voelt en erg vergeetachtig is. Hij beschrijft de nekpijn die hij heeft als niet relevant.

DBC is met een interventieplan gekomen, maar [eiser] heeft geen verdere behandeling gevolgd.

 

2.20.

[eiser] heeft bij deze rechtbank een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht ingediend. In dat kader heeft de rechtbank bij beschikking van 19 januari 2017 op verzoek van beide partijen psychiater prof. dr. R.J. van den Bosch (hierna: Van den Bosch) tot deskundige benoemd en de aan hem te stellen vragen geformuleerd.

De door partijen gezamenlijk voorgedragen neuroloog W.I.M. Verhagen is niet bereid gebleken de benoeming te aanvaarden, waarna de rechtbank neuroloog dr. E. Oosterhoff (hierna: Oosterhoff) ambtshalve als deskundige heeft benoemd en de aan hem te stellen vragen heeft geformuleerd.

Van den Bosch en Oosterhoff hebben op 5 mei 2017 respectievelijk 16 oktober 2017 gerapporteerd.

 

2.21.

Oosterhoff heeft als volgt gerapporteerd, voor zover van belang:

“ I. ANAMNESE:

(…)

Actuele situatie

Betrokkene heeft nog talrijke klachten die door hem aan het ongeval worden toegeschreven. Hij komt in de eerste plaats te spreken over het gebrek aan energie en de concentratiestoornissen. Die vormen het grootste probleem. (…)

Hij heeft minimaal 12 uur slaap per nacht nodig. Dit was overigens ruim 14 uur in de eerste fase na het ongeval. Ondanks deze hoge rustbehoefte voelt hij zich niet uitgerust en “blijft er moeheid in het lichaam zitten”. Hij staat ook nooit voor 12 uur ‘s middags op.

Het is wel een wisselend beeld; de ene dag is beter dan de andere, maar waar dat aan ligt weet hij niet goed. In ieder geval wordt alles erger door stress.

Hij is slechts beperkt in staat tot het leveren van lichamelijke inspanningen, ook bij huishoudelijke bezigheden en bij traplopen.

Hij is gevoeliger geworden voor stress. Daar heeft hij in de afgelopen jaren mede door werk- en financiële perikelen geen gebrek aan gehad. Die gevoeligheid voor stress had hij voorheen, toen hij nog een florerende onderneming had, niet. Nu lijkt het erop dat elk nieuw stressgeval tegelijk een enorm energieprobleem oplevert en veel lichamelijke klachten, zoals ook oorsuizen. Dan kan hij dagen achtereen niet meer functioneren.

(…)

In de eerste jaren na het ongeval had hij te kampen met een slecht korte termijn geheugen en was hij al snel vergeten wat hij tevoren besproken had. In de loop van 2016 is dit verbeterd. (…)

Zeer nadrukkelijk heeft hij geen pijnklachten. Wel heeft hij regelmatig last van duizeligheid en heeft hij oorsuizen, rechts meer dan links. Dit is nooit nader onderzocht.

(…)

 

  1. LICHAMELIJK ONDERZOEK:

Bij het neurologisch onderzoek wordt een vriendelijke, vlot en adequaat reagerende man gezien, met wie het contact soepel tot stand komt.

De hogere cerebrale functies zijn intact. Er zijn geen bewustzijnsschommelingen. Hij is normaal georiënteerd in tijd, plaats en persoon. Tijdens het onderzoek is er geen verhoogde afleidbaarheid. Hij maakt geen depressieve indruk.

Bij een lengte van 1.76m heeft hij een gewicht van 140kg. Er is dus een ernstig overgewicht.

Hij stelt in dit verband dat hij altijd zwaar is geweest, maar na het ongeval nog 15kg in gewicht is aangekomen! Zijn bloeddruk is technisch niet meetbaar (de manchet van de bloeddrukmeter pas niet om de bovenarm)

 

Bij het onderzoek van de hersenzenuwen worden geen afwijkingen vastgesteld. De visus is met correctie (hij is beiderzijds myoop) normaal. De gezichtsvelden zijn ongestoord en de oogmotoriek is geconjugeerd zonder het optreden van dubbelzien of een nystagmus. Bij het onderzoek van de oogvolgbewegingen wordt hij duizelig en krijgt hij een onevenwichtig gevoel (dat is ook het geval bij het draaien van het hoofd). De pupillen zijn isocoor met links en rechts normale lichtreacties.

De facialisfuncties zijn symmetrisch actief en de sensibiliteit in het gelaat is links en rechts normaal. Er kan bij het onderzoek geen vertigo geprovoceerd worden. Er zijn geen klachten over doofheid. Wel heeft hij sinds het ongeval suizen in vooral het rechter oor.

De tong wordt recht uitgestoken en er zijn geen spraak- en slikmoeilijkheden.

 

Bij de coördinatieproeven is er een normale diadochokinesie in de handen en ook de vinger- duimoppositie is beiderzijds ongestoord. Hij is van origine linkshandig, maar hij heeft rechts leren schrijven. Hij is rechtsbenig. Er is geen ataxie bij de vingertopneus- en de hakknieproef.

Er zijn geen tremoren of duidelijke dystone bewegingen. De proef van Romberg is negatief.

De koorddansersgang wordt prima uitgevoerd. Het balanceren op één been lukt met moeite.

 

De sensibititeit en de motoriek in de armen en benen zijn links en rechts volkomen normaal.

De peesreflexen in de armen zijn links en rechts levendig opwekbaar en symmetrisch. De reflex van Hoffmann-Trömner is links niet aanwezig, maar rechts wel opwekbaar. De

palmomentale reflex is niet verhoogd.

 

De KPR en APR zijn beiderzijds levendig opwekbaar en symmetrisch. De voetzoolreflex is links en rechts volgens plantairflexie.

De perifere arteriële pulsaties zijn alle gemakkelijk palpabel.

 

Bij het onderzoek van de wervelkolom heeft hij ondanks het overgewicht een alleszins redelijk houding. De stand van de cervicale wervelkolom is recht. Er is geen opvallende druk- en kloppijn in de regio cervicalis en ook is er geen hypertonie van de paracervicale spieren en van de trapeziusmusculatuur. Er is geen schouderhoogstand.

De bewegingen in de CWK zijn in alle richtingen onbeperkt mogelijk. Bij het onderzoek is er geen pijnaangifte.

Er kunnen geen radiculaire prikkelingsverschijnselen in armen en handen geprovoceerd worden. De hyperabductie van de armen in de schouders is beiderzijds goed mogelijk en de militaire houding kan hij gemakkelijk aannemen.

 

De stand van de thoracale en lumbale wervelkolom is recht. Er is geen druk- en kloppijn op de thoracolumbale wervelkolom en ook is er geen hypertonie van de paravertebrale spieren. Er is evenmin drukpijn op de SI-gewrichten of in het verloop van de nervus ischiadicus.

De functie in de LWK is normaal. Bij de anteflexie wordt de vingertopgrondafstand 20cm. Er is geen pathologisch torsiefenomeen. Ook bij de overige lage rug bewegingen valt geen fixatie op. Hij staat vlot op van de stoel en van de onderzoekbank.

Er zijn geen radiculaire prikkelingsverschijnselen in de benen opwekbaar.

(…)

  1. CONCLUSIE:

1 . Bij het ongeval op 15.11.2013 was dhr. [eiser] het slachtoffer van een hoogenergetische achterop aanrijding, waarbij hij een acceleratie-deceleratietrauma heeft opgelopen (een “whiplash like injury”) en in aansluiting waarop het beeld is ontstaan van een postwhiplashsyndroom.

  1. Aanvankelijk had hij pijnklachten in de nek en schoudergordel, maar deze zijn verdwenen. Thans wordt de situatie overheerst door klachten op cognitief gebied, een gebrek aan energie en een verhoogde rustbehoefte, een verminderde stressbestendigheid en een verminderde emotionele stabiliteit. Voorts is er oorsuizen en een duizelig gevoel bij snelle oogbewegingen en rotatiebewegingen van het hoofd.

Er is sinds het ongeval geen moment sprake geweest van een adequate behandeling, ook al is daarvoor wel een indicatie gesteld.

  1. Het is goed mogelijk dat de situatie onderhouden is door een permanente financiële stress en overbelasting, samenhangend met het faillissement van zijn onderneming, dat overigens al dreigde voor het ongeval, maar in het kader waarvan hij na het ongeval (door de gevolgen daarvan) geen goede beslissingen meer heeft kunnen nemen.

 

BEANTWOORDING VAN DE VRAAGSTELLING:

(…)

  1. DE SITUATIE MET ONGEVAL

(…)

Beperkingen

Vraag g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Antwoord: Gelet op de bij onderzochte aanwezige klachten en verschijnselen zal hij beperkingen ondervinden bij het verrichten van mentaal belastende activiteiten, waarbij bijvoorbeeld met een hoge mate van concentratie en onder tijdsdruk gefunctioneerd moet worden, zeker ook wanneer deze belastende activiteiten langdurig volgehouden moeten worden. Daarnaast zijn er beperkingen bij het verrichten van fysieke bezigheden die langdurig volgehouden moeten worden. Zijn min of meer chronische vermoeidheid en energietekort maken dat zijn duurbelastbaarheid verminderd is.

Er is bij hem overigens geen sprake van een zodanig pijnsyndroom dat hem in verband daarmee beperkingen moeten worden toegedicht.

(…)

III. DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Klachten, afwijkingen en beperkingen vóór ongeval

Vraag a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

Antwoord: Onderzochte had voor het ongeval geen klachten en verschijnselen op neurologisch gebied die hij nu nog steeds heeft, al valt uit het medisch journaal van de huisarts op te maken dat onderzochte een halfjaar voor het ongeval (april/mei 2013) te kampen had gekregen met een vermoeidheidssyndroom (die kennelijk is toegeschreven aan het doormaken van een Dengue fever). Het ging hier evenwel niet om een neurologische aandoening.

(…)

Klachten, afwijkingen en beperkingen zónder ongeval

Vraag c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?

Antwoord: Indien uitgegaan wordt van de combinatie van klachten en afwijkingen die aangeduid wordt als een postwhiplashsyndroom, dan verwacht ik niet dat onderzochte deze combinatie van klachten ook gekregen zou hebben indien hem het ongeval niet was overkomen.

(…)

Addendum bij het rapport (…)

Reactie op aanvullende vragen (…)

Vraag 3:

Kunt u verder aangeven op welke wijze de klachten op cognitief gebied, chronische vermoeidheid en een gebrek aan energie medisch geobjectiveerd zijn?

Antwoord:

Vermoeidheid, als uiting van een gebrek aan energie, is in het algemeen gesproken nauwelijks te objectiveren (…)

Klachten en verschijnselen op cognitief terrein kunnen uiteraard beoordeeld worden middels een neuropsychologisch onderzoek. (…) Dat neemt allemaal niet weg, dat klachten en verschijnselen op cognitief gebeid en energetisch terrein veel voorkomen in het kader van een postwhiplashsyndroom.

(…)”

 

2.22.

Van den Bosch heeft op 5 mei 2017 als volgt gerapporteerd, voor zover van belang:

“ Beperkingen

De klachten zijn voor betrokkene synoniem met beperkingen. De centrale beperking die hij zegt te ervaren bestaat uit een gebrek aan energie. Hij legt zelf een direct verband met de concentratieproblemen, die in zijn beleving daarmee verbonden zijn. Die verhinderen hem om zijn werk weer op te pakken omdat hij de geestelijke inspanning maar betrekkelijk kort volhoudt. Dit alles wordt versterkt en onderhouden door terugkerende stressvolle ervaringen, vooral geluxeerd door financiële beslommeringen. Het ervaren energietekort komt zowel lichamelijk als psychisch naar voren en staat in zijn beleving werkhervatting in de weg, terwijl hij zich daar in andere opzichten wel degelijk toe in staat acht (…)

Een objectieve waardering van zijn beperkingen ontkomt er niet aan om vast te stellen dat er een discrepantie is tussen subjectief en objectief. Neuropsychologische testresultaten lieten enkele jaren geleden zien dat zijn cognitieve functies niet beperkt zijn. Ook mijn psychiatrisch onderzoek wijst hier niet op. Het kost hem kennelijk wel meer inspanning om tot goede taakprestaties te komen. Het energietekort dat betrokkene ervaart kan ik echter evenmin objectiveren. Het gaat om zijn beleving, die naar we moeten aannemen niet los staat van zijn frustrerende ervaringen op zakelijk en financieel vlak en die mede onderhouden lijkt te worden door een inactief levenspatroon met excessief veel slapen. Kortom, op psychiatrisch gebied heb ik geen argumenten om in relevante mate objectiveerbare psychische beperkingen aan te nemen. De centraal staande beleving door betrokkene van (mentaal) energietekort, waar de concentratieklachten weer gevolg van zijn, trek ik niet in twijfel, maar dat is een subjectieve beperking waarvan ik kan vaststellen dat betrokkene het zo ervaart, maar die ik niet met onderzoeksbevindingen op mijn deskundigheidsgebied kan onderbouwen. Ik kan op mijn gebied ook geen medisch causaal verband tussen deze klachten en het ongeval vaststellen.

(…)

Beschouwing

Bij psychiatrisch onderzoek kan ik geen psychopathologie van enige betekenis vaststellen. De cognitieve functies zijn bij dit onderzoek niet aangetast. Geen relevante objectieve aandachts- of geheugentekorten.

(…)

Hardnekkige klachten zonder objectieve medische schade na een achterop aanrijding worden nogal eens aangeduid als postwhiplash syndroom. Nekklachten staan daarin centraal. Die zijn er wel geweest maar spelen al langere tijd geen rol meer. Het gaat hier overigens om een discutabele diagnose, zonder aantoonbare lichamelijke afwijkingen en zonder acceptabele somatische verklaring, een diagnostisch begrip dat blijkens wetenschappelijk onderzoek ook sterk cultuurgebonden blijkt te zijn. Er zijn landen waar dit nauwelijks voorkomt. Ik zie geen enkele aanleiding om de tot heden persisterende klachten van betrokkene in dit kader te beschouwen.

Betrokkene heeft wel somatisch onverklaarbare (dit is mijn aanname) somatische klachten in de vorm van overmatige vermoeidheidsreacties, maar daarvoor kent de psychiatrie het begrip somatoforme stoornis. (…) Ik kan in elk geval geen medisch causaal verband zien tussen de klachten en het ongeval. Op psychiatrisch gebied in engere zin vind ik geen relevante afwijkingen, met name geen posttraumatische stressverschijnselen die gevolg zouden kunnen zijn van het ongeval. Hij heeft dat ongeval ook niet beleefd als psychotrauma; voor hem staat vast dat hij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Weliswaar heeft hij gedurende een periode wel klachten gehad die een posttraumatisch stresskarakter hadden (overigens vermoedelijk onvoldoende om een diagnose op te baseren), maar die waren de uiting van terugkerende herinneringen aan zijn jeugd, geluxeerd door een psycholoog die daar aandacht aan meende te moeten besteden. Dit is nu weer nagenoeg verdwenen en stond ook niet in causaal verband met het ongeval.

Wat betrokkene aanduidt als terugkerende stresservaringen, lijkt overwegend verband te houden met frustraties door zijn krappe financiële situatie, maar is ook verbonden met onvrede over de terughoudendheid van de aansprakelijke verzekeraar om behandeling te willen vergoeden. Hij meent dat hem hierdoor herstelmogelijkheden worden onthouden. Ik acht het aannemelijk dat de terugkerende teleurstellende en frustrerende ervaringen die hij stressvol noemt het gehele klachtenpatroon mede onderhouden. Ook hierin kan ik echter geen causale relatie in medische zin met het ongeval zien.

 

Beantwoording van de vragen

 

III. De situatie zonder ongeval

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

(…)

  1. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?
  2. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?
  3. Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

(…)

Antwoord: c-e. De huidige klachten van betrokkene hebben een aspecifiek karakter, komen veel voor en worden doorgaans niet gezien als gevolg van letsel, van welke aard dan ook. Ik kan daarom niet uitsluiten dat ze zonder ongeval ook op enig moment zouden zijn opgetreden. Een relatie met wat hij aanduidt als stressbronnen is aannemelijk en stressfactoren horen bij het leven, dus die zouden er ook zonder ongeval op enigerlei wijze kunnen zijn geweest. Een bijkomende factor is de enorme inzet in het werk die betrokkene volgens zijn uitleg liet zien voorafgaand aan het ongeval.

Mede in aanmerking genomen zijn leeftijd ligt het voor de hand dat hij vroeg of laat gas terug had moeten nemen. Dit strookte niet met zijn zelfbeeld en daarom is het niet onaannemelijk dat hier ook een gedeeltelijke verklaring te vinden is voor de impasse waarin hij is beland. (…)”

 

2.23.

In 2017 heeft [eiser] een scancoaching traject, een natuurgeneeskundige behandeling en bioresonantie behandelingen gevolgd. ASR heeft de kosten van deze behandelingen betaald.

ASR heeft daarnaast verschillende voorschotbedragen voldaan.

 

2.24.

Bij vonnis van 21 november 2018 heeft deze rechtbank ASR veroordeeld bij wege van voorlopige voorziening (art. 223 Rv) voor de duur van dit geding aan [eiser] te betalen een bedrag van € 19.200,00 netto. ASR heeft hieraan voldaan.

 

3

Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ASR veroordeelt tot betaling van:

  1. een bedrag van € 546.133,- netto wegens verlies aan verdiencapaciteit;
  2. een bedrag van € 12.000,- voor vergoeding van smartengeld, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf datum ongeval;
  3. een bedrag van € 43.062,77 aan buitengerechtelijke kosten inclusief schadeberekeningskosten;
  4. een bedrag van € 2.000,- voor gemaakte en nog te maken reis- en verblijfkosten en hotelovernachting naar belangenbehartigers, artsen, expertise artsen etc;
  5. de kosten van een multi disciplinair revalidatie programma te volgen bij een instelling naar keuze van [eiser] ;
  6. de kosten van dit geding, te vermeerderen met nakosten.

 

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij kort na het ongeval klachten, bestaande uit hoofd- en nekpijnklachten, duizeligheid, geheugen- en concentratieproblemen en ernstige vermoeidheidsklachten ontwikkelde. [eiser] wijt het faillissement van Interpooling aan de gevolgen van het ongeval, omdat hij in een cruciale tijd geen goede zakelijke beslissingen kon nemen en zelfs gedwongen is geweest om met vakantie te gaan om rust te nemen. Zou het ongeval niet zijn gebeurd, dan had [eiser] wellicht nog een faillissement kunnen afwenden dan wel was hij in staat geweest zelf een doorstart te maken of nieuwe zakelijke initiatieven te ontplooien. Zijn klachten en daaruit voortvloeiende beperkingen verhinderen [eiser] om werkzaamheden op te pakken. [eiser] zit nu al vijf jaar zonder inkomsten thuis. Door zijn financiële problemen kan [eiser] geen medische behandelingen financieren en, voor zover dat na ontvangst van een voorschot door ASR wel mogelijk bleek, was (en is) het effect van de behandelingen minimaal omdat sprake is van teveel stress.

De vordering wegens verlies verdiencapaciteit baseert [eiser] op een schadeberekening van Groot Letselschade Experts B.V. van 2 september 2015 en een herberekening van 1 juli 2016. Daarbij gaat [eiser] ervan uit, in aanmerking nemende dat de gerechtelijke procedure een jaar zal duren en hij daarna nog een jaar nodig zal hebben voor het doorlopen van een revalidatietraject, dat hij eind 2020 zijn ondernemingsactiviteiten weer kan hervatten. Vanwege het opgelopen letsel en de (financiële) problemen die [eiser] door het ontbreken van ondersteuning van ASR ervaart, acht hij een vergoeding van smartengeld van € 12.000,- billijk. Verder meent hij recht te hebben op vergoeding van buitengerechtelijke kosten en reis- en verblijfkosten.

[eiser] stelt dat de rapportages van Oosterhoff en Van den Bosch als uitgangspunt moeten dienen voor de schade afwikkeling.

 

3.3.

ASR voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure, de gebruikelijke nakosten daaronder begrepen.

 

3.4.

ASR stelt dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ongeval heeft geleid tot blijvende klachten en beperkingen, althans klachten en beperkingen die hij zonder ongeval niet zou hebben gehad. Als sprake is van klachten, dan zijn daar alternatieve verklaringen voor. [eiser] ondervond vóór het ongeval vergelijkbare klachten. [eiser] heeft in de periode april – juni 2013 meermalen zijn huisarts bezocht met klachten van moeheid, futloosheid, rugpijn en hoofdpijn. [eiser] kon niet goed meer in de energie komen na een vakantie in januari in Thailand en het werk was volgens hem al tien jaar extreem druk. [eiser] was extreem moe, had een grote slaapbehoefte, aanhoudende hoofdpijn en soms koortsig gevoel. Er werd gedacht aan Dengue, maar dit is niet bij bloedonderzoek vastgesteld.

Verder verkeerden de bedrijven van [eiser] al in de loop van 2013 financieel in zwaar weer en had [eiser] enkele dagen voor het ongeluk het faillissement van de Stichting aangevraagd. Na het ongeluk heeft [eiser] doorgewerkt en is hij op vakantie geweest. Vóór het tweede huisartsbezoek van [eiser] op 18 maart 2014 speelde het faillissement van Interpooling, het onderzoek van de curator naar onbehoorlijk bestuur door [eiser] en de dagvaarding van Leemans ter zake van de aflossing van een krediet. [eiser] stelt dan vooral concentratie- en geheugenproblemen te hebben, maar die waren bij uitvoerig neuropsychologisch onderzoek op 8 mei 2014 niet objectiveerbaar. Extreme vermoeidheid wordt door [eiser] pas op 5 september 2014 bij DBC kenbaar gemaakt.

 

3.5.

ASR meent dat het rapport van neuroloog Oosterhoff niet kan dienen als basis voor de schadebeoordeling, omdat dit niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Bij het stellen van de diagnose post whiplash syndroom heeft Oosterhoff geen aandacht gehad voor de chronologie van gebeurtenissen, voor de aantoonbare inconsistenties, voor de medische voorgeschiedenis in het licht van de door hem aannemelijk geachte klachten en voor alternatieve oorzaken. ASR verwijst voor een onderbouwing van haar verweer op dit punt naar een rapportage van dr. P.L.I. Dellemijn, neuroloog, van 24 februari 2018 en naar adviezen van haar medisch adviseurs J. de Raad en T. Nelemans van 16 november 2017 respectievelijk 28 november 2017.

Als toch wordt aangenomen dat [eiser] door het ongeval blijvende klachten en beperkingen heeft gehad en/of nog heeft, is niet gebleken dat hieruit enige mate van arbeidsongeschiktheid is voortgevloeid. Van enige ongevalsgerelateerde schade die nog niet werd vergoed, is geen sprake, aldus ASR.

 

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

4

De beoordeling

4.1.

Wat partijen in de kern verdeeld houdt, ziet op de vraag of de klachten – de ernstige vermoeidheid en concentratieproblemen voorop – en de beperkingen die [eiser] stelt te ondervinden, zijn aan te merken als ongevalsgevolg waardoor [eiser] niet meer in staat was het faillissement van Interpooling af te wenden en zakelijke activiteiten op te pakken en voort te zetten.

 

4.2.

De stelplicht en bewijslast van het bestaan van klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen én de stelplicht en bewijslast van het causaal verband tussen deze klachten en beperkingen en het ongeval rusten op [eiser] .

Wanneer kan worden vastgesteld dat het klachtenpatroon plausibel is, wat doorgaans het geval zal zijn bij een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten, kan van het bestaan van klachten – overigens ook als het niet of moeilijk objectiveerbare klachten betreft – worden uitgegaan (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1661).

Indien [eiser] heeft aangetoond dat zijn subjectieve gezondheidsklachten in de hiervoor bedoelde juridische betekenis bestaan, mogen aan het bewijs van het oorzakelijk verband tussen het ongeval en deze klachten geen al te hoge eisen worden gesteld, in die zin dat het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten niet in de weg staat aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is (vgl. Hoge Raad 8 juni 2001, LJN: AB2054, NJ 2001, 433).

Indien komt vast te staan dat [eiser] vóór het ongeval deze gezondheidsklachten niet had, de gezondheidsklachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de gezondheidsklachten ontbreekt, zal het bewijs van het oorzakelijk verband daarmee veelal geleverd zijn.

 

4.3.

Het is aan de rechtbank om aan de hand van de gegevens in het dossier en de bevindingen van de deskundigen antwoorden te vinden op de vraag of het bestaan van de klachten aannemelijk is en in dat geval of het relevante juridisch-causale verband tussen klachten en ongeval vaststaat.

 

De beoordeling van de rapportages

 

4.4.

geheugen- en concentratieklachten

4.4.1.

rapport neuroloog Oosterhoff

Er bestaat nog steeds discussie in de wetenschappelijke wereld over het bestaan en de behandeling van het post whiplashsyndroom. Deskundige Oosterhoff behoort tot diegenen, die dit syndroom als een realiteit beschouwt. Bij het lichamelijk onderzoek van [eiser] heeft de deskundige geen afwijkingen of beperkingen geconstateerd. Ook niet de veelal bij dit syndroom optredende nekpijn. Overigens werden bij eerder neurologisch onderzoek in 2014 (zie 2.14 hierboven) ook geen neurologische afwijkingen vastgesteld.

De conclusie van dr. Oosterhoff dat het in het geval van [eiser] gaat om een post whiplashsyndroom is feitelijk geheel gebaseerd op de anamnese: “Betrokkene heeft nog talrijke klachten die door hem aan het ongeval worden toegeschreven.”

Het door [eiser] gestelde gebrek aan energie en de gestelde geheugen- en concentratiestoornissen heeft de neuroloog niet zelf kunnen vaststellen. In zijn antwoord op een aanvullende vraag van ASR verwijst de neuroloog daarvoor naar mogelijk verder onderzoek door een neuropsycholoog.

 

4.4.2.

rapport neuropsycholoog Van der Pijl in 2014

In het hiervoor onder 2.15 aangehaalde rapport komt de neuropsycholoog tot de conclusie dat de geheugen- en concentratieklachten niet zijn geobjectiveerd. Daarnaast lijkt er ook geen sprake te zijn van cognitieve stoornissen.

 

4.4.3.

rapport psychiater Van den Bosch in 2017

Deskundige Van den Bosch concludeert in zijn rapport dat hij bij psychiatrisch onderzoek geen psychopathologie van enige betekenis kan vaststellen. De cognitieve functies van [eiser] zijn bij zijn onderzoek niet aangetast. Hij heeft ook geen relevante objectieve aandachts- of geheugentekorten vastgesteld.

 

4.4.4.

Op grond van deze rapportages komt de rechtbank tot het oordeel dat [eiser] het bestaan van geheugen- en concentratieklachten niet aannemelijk heeft gemaakt. De vraag naar het causale verband met het ongeval behoeft op deze punten daarom geen verdere bespreking.

 

4.5.

vermoeidheidsklachten

4.5.1.

De door [eiser] gestelde ernstige vermoeidheidsklachten worden door de deskundigen aangenomen op grond van de verklaring van [eiser] zelf. Dat die klachten gerelateerd kunnen worden aan het ongeval, is echter op geen enkele wijze onderbouwd. Dat had wel gemoeten, gelet op een aantal contra-indicaties.

 

4.5.2.

[eiser] heeft zijn ernstige vermoeidheidsklachten voor het eerst gemeld in september 2014, bijna een jaar na het ongeval. Bij de hiervoor onder 2.13 en 2.14 vermelde bezoeken aan de huisarts en onderzoeken door de neuroloog werden die klachten niet door hem gemeld.

4.5.3.

[eiser] heeft vóór het ongeval bij zijn huisarts op 5 april, 23 april, 26 april en 29 april 2013 echter wel melding gemaakt van extreme moeheid. Zowel neuroloog Oosterhoff als de huisarts zijn afgegaan op de mededeling van [eiser] dat Dengue daarvan de oorzaak is geweest. Volgens de huisarts zou de internist dat tegen [eiser] hebben verklaard. Bij bloedonderzoek blijkt echter geen Dengue te zijn vastgesteld.

 

4.5.4.

[eiser] ging – ook volgens zijn eigen verklaring – gebukt onder de nodige stress als gevolg van zijn slechte financiële situatie, al vóór het ongeval.

– Hij had zelf het faillissement van de Stichting aangevraagd. De curator stelde zich op het standpunt dat [eiser] persoonlijk diende te worden aangesproken op grond van onbehoorlijk bestuur.

– [eiser] bedrijven en [eiser] persoonlijk waren daarnaast gedagvaard als gevolg van de onmogelijkheid om een lening van ruim € 50.000,- terug te betalen.

– Op verzoek van de werknemers van Interpooling werd in februari 2014 het faillissement van Interpooling uitgesproken.

Psychiater Van den Bosch acht het in zijn rapport “aannemelijk dat de terugkerende teleurstellende en frustrerende ervaringen die hij stressvol noemt het gehele klachtenpatroon mede onderhouden. Ook hierin kan ik echter geen causale relatie in medische zin met het ongeval zien.”

 

4.5.5.

Tijdens het onderzoek van neuroloog Oosterhoff woog [eiser] 140 kg. Ter zitting verklaarde [eiser] dat zijn gewicht nooit een rol heeft gespeeld bij de vermoeidheidsklachten en dat hij al meer dan tien jaar dat gewicht had. Bij de neuroloog verklaarde hij echter dat hij sinds het ongeval 15 kg was aangekomen.

 

4.5.6.

De psychiater komt in zijn onderzoek met betrekking tot de vermoeidheidsklachten tot de conclusie: “Het gaat om zijn beleving, die naar we moeten aannemen niet los staat van zijn frustrerende ervaringen op zakelijk en financieel vlak en die mede onderhouden lijkt te worden door een inactief levenspatroon met excessief veel slapen.”

 

4.5.7.

De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat [eiser] ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vermoeidheidsklachten het gevolg zijn van het ongeval.

 

4.6.

hoofd- en nekpijnklachten en duizeligheid

4.6.1.

Aan de door [eiser] gestelde hoofd- en nekpijnklachten en duizeligheid als gevolg van het ongeval gaat de rechtbank voorbij, nu het bestaan van deze klachten in het geheel niet door enig onderzoek wordt onderbouwd.

 

4.7.

slotsom

De conclusie moet daarom zijn dat het onder a. gevorderde zal worden afgewezen.

 

smartengeld

4.8.

[eiser] stelt dat hij vanwege de negatieve gevolgen die hij nog steeds door het ongeval ondervindt, recht heeft op vergoeding van smartengeld. Hij acht een vergoeding van € 12.000,-, vermeerderd met wettelijke rente, billijk.

 

4.9.

De rechtbank is met ASR van oordeel dat de gevolgen die [eiser] de eerste tijd na de aanrijding heeft ondervonden, mede in het licht van de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, toewijzing van een bedrag aan smartengeld van niet meer dan € 5.000,- inclusief wettelijke rente rechtvaardigen. Voor een hoger bedrag ziet de rechtbank, gelet op wat hiervoor over het bestaan van de klachten en het juridisch-causale verband tussen klachten en ongeval is overwogen, geen aanleiding. Het bedrag van € 5.000,- moet met de door ASR betaalde voorschotbedragen vergoed worden geacht. ASR betaalde voorschotten van € 25.000,- onder algemene titel. Dit betekent dat de vordering onder b. zal worden afgewezen.

 

kosten ex artikel 6:96 BW

4.10.

[eiser] vordert – zo begrijpt de rechtbank – een vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 6:96, lid 2 aanhef sub b en c BW. Onder verwijzing naar vier declaraties van Groot Letselschade Experts B.V./Letselschade.com stelt [eiser] dat ASR in totaal een bedrag van € 48.062,77 aan buitengerechtelijke kosten inclusief schadeberekeningskosten verschuldigd is. [eiser] vordert een bedrag van € 43.062,77, omdat ASR op 21 februari 2018 een voorschot van € 5.000,- heeft betaald.

ASR voert gemotiveerd verweer.

 

4.11.

Degene die aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van een aanrijding is in beginsel binnen de grenzen van artikel 6:98 BW aansprakelijk voor alle schade die de benadeelde als gevolg van die gebeurtenis heeft geleden.

Als vermogensschade komen voor vergoeding in aanmerking de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en de redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte.

Volgens vaste rechtspraak is voor vergoeding van deze kosten vereist dat:

( a) condicio sine qua non-verband bestaat tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en de kosten;

( b) de kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend;

( c) het redelijk was om in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van die gebeurtenis deskundige bijstand in te roepen; en

( d) de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn.

Voor vergoeding van de hier bedoelde kosten is niet vereist dat uiteindelijk komt vast te staan dat schade is geleden (Hoge Raad 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586).

Verder geldt dat lid 2 aanhef sub b en c van artikel 6:96 BW niet van toepassing is ingeval krachtens artikel 241 Rv de regels omtrent proceskosten van toepassing zijn.

 

4.12.

De vier declaraties waarop [eiser] een beroep doet, zijn afkomstig van mr. E.R. Verhoeven van Letselschade.com. Verhoeven heeft [eiser] tot aan onderhavige bodemprocedure bijgestaan voor expertisewerkzaamheden en het aanleveren van inhoudelijk materiaal.

 

verschotten

4.13.

Uit de declaraties van 13 september 2016 en 22 januari 2018 blijkt dat medische verschotten voor in totaal een bedrag van (€ 789,95 + € 1.153,74 =) € 1.943,69 exclusief btw in rekening zijn gebracht. Deze medische verschotten kunnen worden beschouwd als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.

[eiser] heeft deze kosten gespecificeerd. ASR heeft hiertegen geen afzonderlijk verweer gevoerd.

De rechtbank gaat ervan uit dat de medische verschotten – hoewel niet nader gespecificeerd – verband houden met de medische onderzoeken van [eiser] en dat deze kosten in een zodanig verband staan met de aanrijding dat zij aan ASR, als tengevolge van deze gebeurtenis geleden schade kunnen worden toegerekend. De rechtbank acht het redelijk dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten moet ook als redelijk worden aangemerkt. Genoemde post komt dan ook voor rekening van ASR.

 

honorarium

4.14.

Daarnaast vordert [eiser] het honorarium voor de door Verhoeven / Letselschade.com verrichte werkzaamheden.

 

4.15.

ASR wijst in haar verweer op de werking van artikel 241 Rv en concludeert dat niet blijkt dat de opgevoerde (rapportage)kosten betrekking hebben op andere verrichtingen dan die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, zodat die kosten geacht worden te zijn begrepen in de proceskosten als bedoeld in de artikelen 237 tot en met 240 Rv en dus niet voor afzonderlijke toewijzing in aanmerking komen.

Daarnaast stelt ASR dat bepaalde tijd uit het ‘overzicht geregistreerde uren’ van Verhoeven vragen oproept. Zo is voor sommige besprekingen erg veel tijd geschreven en worden in 2017 en 2018 zeer veel telefoontjes genoteerd, terwijl niet duidelijk is met wie gebeld is en of de gesprekken gaan over onderhavige kwestie.

ASR stelt dat zij met de betaling van € 17.807,29 aan buitengerechtelijke kosten, waarbij zij ook de kosten voor de deskundigenberichten betaalde, genoeg heeft betaald.

 

4.16.

Artikel 241 Rv bepaalt dat ter zake van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 Rv bedoelde kosten (lees: de proceskosten) een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, jegens de wederpartij geen vergoeding op grond van artikel 6:96 lid 2 BW kan worden toegekend. De rechter zal van geval tot geval moeten bepalen of en zo ja welke kosten behoren tot die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, zo mede welke kosten kunnen worden toegeschreven aan werkzaamheden ter verkrijging van voldoening buiten rechte, en welke kosten daarbij binnen de ruimte van artikel 6:96 BW als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen.

 

4.17.

Uit de urenoverzichten behorende bij de declaratie van 13 september 2016, de declaratie van 20 februari 2018 en de declaratie van 13 juli 2018 blijkt dat de kosten van Verhoeven betrekking hebben op dossieronderzoek, op rapportage, op correspondentie en op overlegsituaties met cliënt, de verzekeraar en derden. Deze werkzaamheden zijn verder niet nader gespecificeerd. Ter zitting is mr. Copini nader ingegaan op de (rapportage)kosten en heeft zij de door Verhoeven gedeclareerde uren waartegen ASR specifiek bezwaar maakt, toegelicht.

 

4.18.

Naar valt aan te nemen heeft Verhoeven vanaf 3 maart 2015 tot aan het uitbrengen van de dagvaarding veel tijd en werk moeten steken in de opbouw van de zaak, het overleg met cliënt, verzekeraar en medisch adviseur(s) en het bepalen van de schade door het uitvoeren van een berekening. Zonder twijfel zijn daarnaast vele uren besteed aan de instructie van de zaak en de voorbereiding van de gedingstukken. Onder voorbereiding van de gedingstukken behoort de ordening en selectie van het vergaarde materiaal, uitmondend in het concipiëren van de dagvaarding. De declaratie van 13 juli 2018 ziet op werkzaamheden van Verhoeven die doorlopen tot en met 12 juli 2018, een kleine maand vóór het uitbrengen van de dagvaarding. Waar die werkzaamheden hun weerslag vinden in de gevorderde kosten van Verhoeven strandt toewijzing daarvan op artikel 6:96 lid 3 BW respectievelijk artikel 241 Rv.

Evenzeer is echter aannemelijk dat in gelijke mate uren zijn besteed aan vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW. De urenoverzichten, waarop ook het werk voor de berekening (onder ‘rapportage’) staat aangegeven, geven een beeld van beide genoemde categorieën van werkzaamheden.

De rechtbank acht dan ook redelijk om over te gaan tot een schatting van de vermogensschade ex artikel 6:96 BW conform het bepaalde in artikel 6:97 BW, en oordeelt daarbij dat 50% van de opgevoerde en gevorderde kosten van Verhoeven moet worden aangemerkt als redelijke kosten ter vaststelling van schade, aansprakelijkheid en verkrijging van voldoening buiten rechte. Die kosten komen daarom voor rekening van ASR. De rechtbank zal deze post vaststellen op een bedrag van € 18.888,80 exclusief btw.

 

4.19.

Dit alles leidt tot het oordeel dat de door ASR verschuldigde kosten uit hoofde van artikel 6:96 BW een totaalomvang van € 20.832,49 exclusief btw hebben.

Met ASR is de rechtbank van oordeel dat dit bedrag met de door ASR betaalde (voorschot)bedragen vergoed moet worden geacht. De vordering onder c. zal daarom ook worden afgewezen.

 

reis- en verblijfkosten en eigen risico

4.20.

[eiser] stelt dat hij reis- en verblijfkosten heeft moeten maken voor bezoeken aan (expertise)artsen, bioresonantie therapie en scancoaching. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft hij enkele rekeningen in het geding gebracht. Daarnaast stelt [eiser] dat hij zijn eigen risico 2016 van € 385,- heeft opgesoupeerd aan medische kosten in verband met het ongeval. [eiser] schat deze kosten tezamen op een lumpsum van € 2.000,-.

 

4.21.

Met ASR is de rechtbank van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld dat de door hem gemaakte (en nog te maken) reis- en verblijfkosten voor de bioresonantie therapie en scancoaching in een zodanig verband met de aanrijding staan, dat zij ASR kunnen worden toegerekend. Dit geldt ook voor de gevorderde kosten terzake het opgesoupeerde eigen risico voor 2016, nog los van het feit dat deze vordering niet met stukken is onderbouwd.

Terecht stelt ASR dat de reis- en overnachtingskosten die [eiser] stelt te hebben gemaakt voor de psychiatrische en neurologische expertise in de door ASR verrichte voorschotbetalingen inbegrepen kunnen worden geacht. De vordering onder d. zal eveneens worden afgewezen.

 

multi disciplinair revalidatieprogramma

4.22.

[eiser] vordert verder betaling van een multi disciplinair revalidatieprogramma, te volgen bij een instelling naar keuze van [eiser] .

 

4.23.

[eiser] heeft deze vordering op geen enkele wijze toegelicht en onderbouwd. Gelet ook op wat hiervoor in dit vonnis over het bestaan van de klachten en het juridisch-causale verband tussen klachten en ongeval is overwogen acht de rechtbank het niet redelijk dat de gevorderde kosten voor rekening van ASR komen. De vordering onder e. zal dan ook worden afgewezen.

 

conclusie

4.24. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat alle vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

 

proceskosten

4.25.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ASR worden begroot op:

– griffierecht € 3.946,-

– salaris advocaat € 6.198,- (2,0 punten × tarief € 3.099,-)

Totaal € 10.144,-

 

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als na te melden.

 

5

De beslissing

De rechtbank

 

5.1.

wijst de vorderingen af,

 

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van ASR tot op heden begroot op € 10.144,-,

 

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,- aan salaris advocaat en te vermeerderen met de explootkosten van betekening van de uitspraak,

 

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, mr. J.S. Reid en mr. M.C.S. de Boer en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2019.1

1

type: ST, LJS coll: JR, MdeB

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots