Rb: wegbeheerder niet aansprakelijk voor botsing tussen twee fietsers op fietspad

Samenvatting:

Fietser botst op fietspad in bocht in botsing met tegemoetkomende fietser en komt ten val. Hij stelt de provincie als wegbeheerder aansprakelijk ex art 6:174 BW. Hij stelt de Provincie bij de weginrichting onvoldoende rekening gehouden met het gebruik van het fietspad. De rechtbank komt tot het oordeel dat naar objectieve maatstaven gemeten de kans op een ongeval klein is en het fietspad geen gebrekkige zaak is. Rekening houdend met de mogelijkheid van tegenliggers, is het zo evident dat de bocht niet met aanzienlijke snelheid zal kunnen worden genomen, dat waarschuwingsborden daarvoor niet nodig zijn. Van een redelijk oplettende en voorzichtige fietser mag worden verwacht dat deze zijn snelheid aanpast, waardoor ongelukken worden voorkomen.

 

ECLI:NL:RBNHO:2019:3062

 

Instantie

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak

17-04-2019

Datum publicatie

19-04-2019

Zaaknummer

C/15/272842 / HA ZA 18-255

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – meervoudig

Op tegenspraak

Inhoudsindicatie

 

Fietsongeval Vogelenzang. Provincie Noord-Holland aangesproken als wegbeheerder. Maatstaf Dijkdoorbraak Wilnis-arrest. Geen gebrekkige zaak in de zin van art. 6:174 BW. Ook geen onrechtmatige daad van de provincie. Fietser had snelheid moeten aanpassen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

 

Handel, Kanton en Bewind

 

Zittingsplaats Alkmaar

 

zaaknummer / rolnummer: C/15/272842 / HA ZA 18-255

 

Vonnis van 17 april 2019

 

in de zaak van

 

[eiser] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

eiser,

 

advocaat mr. M.J. [naam 1] -Jansen te Etten-Leur,

 

tegen

 

  1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

 

DE PROVINCIE NOORD-HOLLAND,

 

zetelend te Haarlem,

 

  1. naamloze vennootschap

 

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

 

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Apeldoorn,

 

gedaagden,

 

advocaat mr. L. van den Ham-Leerkes te Apeldoorn.

 

Partijen zullen hierna [eiser] respectievelijk de Provincie en Achmea worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

 

de dagvaarding van 6 april 2018 met producties (1 t/m 11)

 

de conclusie van antwoord met producties (1 t/m 7)

 

het tussenvonnis van 13 juni 2018 en de daarin genoemde stukken;

 

het proces-verbaal van comparitie van 5 maart 2019 en de daarin genoemde stukken, waaronder de van de zijde van [eiser] voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank toegezonden nadere producties (12 t/m 17) .

 

1.2.

 

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

 

Op 29 augustus 2013, omstreeks 17.00 uur, is [eiser] , rijdend op zijn racefiets op het onverplicht, vrij gelegen fietspad op de Vogelenzangseweg N206 te Vogelenzang ter hoogte van perceel 35, in aanrijding gekomen met een tegemoetkomende fietser, de heer [naam 1] . Beide fietsers zijn bij die aanrijding ten val gekomen.

2.2.

 

Het fietspad ligt, afgescheiden met een trottoirband en verhoogd, naast de rijweg. Het fietspad is voor beide rijrichtingen bestemd en ter plaatse niet voorzien van belijning en/of markeringen. [eiser] fietste in de richting van Aerdenhout. De Vogelenzangseweg maakt ter hoogte van de 2e Leiweg – vanuit de rijrichting van [eiser] bezien – een bocht naar links en vervolgens een bocht naar rechts. De rijweg bestaat uit twee rijstroken, gescheiden door een met klinkers bestrate middenstrook en een dubbele doorgetrokken streep. De op de rijbaan toegestane maximum snelheid ter hoogte van de plaats van het ongeval is 30 km per uur. Voor en na de s-bocht bedraagt de toegestane snelheid maximaal 60 km per uur. De aanrijding vond plaats in de bocht naar rechts.

 

Bovenstaand een weergave van de situatie ter plaatse.

 

De pijl geeft de plaats aan waar ongeveer de aanrijding plaatsvond

2.3.

 

Tot ongeveer 900 meter vóór de ongevalslocatie loopt het fietspad aan de westzijde van de Vogelenzangseweg. Ter hoogte van perceelnummer 160 eindigt het fietspad aan de westzijde en zijn fietsers (voor beide richtingen) hier verplicht om naar de oostzijde van de hoofdrijbaan over te steken om hun weg op het fietspad te vervolgen. Vanaf deze oversteek gaat het fietspad over in een onverplicht fietspad. Het is fietsers toegestaan om gebruik te maken van de hoofdrijbaan.

2.4.

 

Bij de aanrijding in de hiervoor genoemde bocht naar rechts is de remgreep aan het stuur van de fiets van [naam 1] blijven haken in de rechter onderarm van [eiser] . Hierdoor is een open wond aan de rechterarm van [eiser] en een slagaderlijke bloeding veroorzaakt. Het ongeval heeft bij [eiser] beschadiging van zenuwen, pezen en bloedvaten in de onderarm en schade aan de aanhechting van de biceps als gevolg.

2.5.

 

Van het ongeval is door de politie een proces-verbaal opgemaakt. Daaruit volgt onder meer dat de remmen van beide betrokken fietsen het goed deden.

2.6.

 

De Provincie heeft sinds 1993 het beheer van de weg. De weg is sinds die tijd op dezelfde wijze ingericht als ten tijde van het ongeval. Vanwege de verschillende erfgrenzen direct aan de weg is de ruimte voor de rijstroken en het naastgelegen fietspad ter plaatse beperkt.

2.7.

 

Achmea is WA-verzekeraar van de Provincie. Bij brief van 14 april 2014 is de Provincie namens [eiser] aansprakelijk gesteld voor de door [eiser] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade. Bij brief van 15 mei 2014 is ook Achmea aansprakelijk gesteld voor deze schade. Bij brief van 13 juni 2014 heeft Achmea aansprakelijkheid afgewezen.

2.8.

 

Op verzoek van [eiser] hebben [naam 2] en [naam 3] van Baan Hofman Ongevallenanalyse (verder: Baan Hofman) onderzoek verricht naar de situatie ter plaatse alsmede de vraag of het fietspad voldoet aan de eisen voor de weginrichting.

2.9. Achmea heeft aan Meuwissen Verkeers Ongevallen Analyse (MVOA) opdracht gegeven om een onderzoek te verrichten naar de toedracht van het ongeval. In dat kader zijn verschillende getuigen gehoord, waaronder [naam 1] en de heer en mevrouw [naam 4] . Op 8 mei 2018 heeft MVOA haar rapport aan Achmea uitgebracht.

3 De vordering

3.1.

 

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. a) voor recht zal verklaren dat de Provincie primair op grond van artikel 6:174 BW dan wel subsidiair op grond van 6:162 BW aansprakelijk is jegens [eiser] en dat de Provincie en Achmea gehouden zijn de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade ten gevolge van het hem op 29 augustus 2013 overkomen ongeval volledig te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, één en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2013 tot aan de dag van algehele voldoening, althans met ingang van de dag der dagvaarding, althans met ingang van de dag waarop de schade van [eiser] opeisbaar is (geworden) tot aan de dag der algehele voldoening;

 

  1. b) de Provincie en Achmea zal veroordelen in de kosten van de procedure, daaronder begrepen de kosten van het deskundigenbericht van Baan Hofman Ongevallenanalyse, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis.

3.2.

 

[eiser] legt aan zijn vordering onder meer het volgende ten grondslag.

 

De bocht waar het ongeval plaatsvond is onoverzichtelijk. Het zicht werd voor beide fietsers weggenomen door de hoge heg van het aangrenzende perceel. Het fietspad bleek ter plaatse van het ongeval toegankelijk voor fietsers uit beide richtingen. Er was echter geen belijning op het fietspad en er werd ook niet door middel van borden gewaarschuwd voor tegenliggers en/of het naderen van een gevaarlijke bocht. Het was [eiser] niet bekend dat het een tweerichtingenfietspad was en hij was niet op tegenliggers bedacht. Het ongeval is niet (mede) veroorzaakt door het rijgedrag van [eiser] . Hij was niet onoplettend of onvoorzichtig. Hij reed niet te hard en had zijn handen niet in de onderste beugels maar boven op het stuur.

3.3.

 

Het ongeval heeft bij [eiser] onherstelbaar en fors zenuwletsel aan de nervus radialis als gevolg waardoor er sprake is van een dropping hand en aldus van een disfunctionele rechterarm. Er is sprake van een medische eindtoestand. Verbetering valt niet meer te verwachten.

3.4.

 

De weg en het fietspad zijn aan te merken als openbare weg in de zin van artikel 6:174 BW. De Provincie dient als wegbeheerder ervoor te zorgen dat de weg (het fietspad) zodanig is ingericht en onderhouden dat deze geen gevaar oplevert voor weggebruikers.

 

De inrichting van het fietspad vormde een gevaarlijk gebrekkige dan wel onrechtmatige weginrichting. Uit onder meer de richtlijnen van het Centrum voor Regelgeving in de

grond-, water-, en wegenbouw en verkeerstechniek (CROW-richtlijnen) en het rapport van Baan Hofman volgt dat de weginrichting van het fietspad gebrekkig is.

3.5.

 

De Provincie is als wegbeheerder primair op grond van artikel 6:174 lid 1 jo lid 2 BW aansprakelijk voor de materiële en immateriële schade die [eiser] als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden.

3.6.

 

Subsidiair is de Provincie op grond van artikel 6:162 BW voor de schade van [eiser] aansprakelijk. De Provincie dient als wegbeheerder ervoor zorg te dragen dat de weg (het fietspad) in goede staat verkeert. Het fietspad voldeed echter niet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. De weginrichting was gebrekkig. De Provincie was als wegbeheerder met de gevaarlijke situatie bekend, althans zij had daarmee bekend behoren te zijn. De Provincie heeft onvoldoende zorggedragen voor een goede staat van de weg. Zij heeft verzuimd (niet bezwaarlijke) veiligheidsmaatregelen te treffen en heeft een onrechtmatige gevaarzetting laten voortbestaan. Deze onrechtmatige daad kan aan de Provincie worden toegerekend.

3.7.

 

Als aansprakelijkheidsverzekeraar van de wegbeheerder dient Achmea ex artikel 7:954 BW de schade van [eiser] te vergoeden.

4 Het verweer

4.1.

 

De Provincie en Achmea hebben als verweer onder meer het volgende aangevoerd. Het fietspad was op het moment van het ongeval voor een normaal oplettende verkeersdeelnemer voldoende duidelijk ingericht, voldeed daarmee aan de daaraan te stellen eisen en leverde geen gevaar voor personen of zaken op. De weg(inrichting) was niet gebrekkig en er was geen sprake van gevaarzetting. De Provincie heeft voldoende maatregelen genomen om gevaarlijke situaties te voorkomen. De Provincie is dan ook niet op grond van artikel 6:174 BW of artikel 6:162 BW aansprakelijk voor de schade van [eiser] . [eiser] had voorzichtiger moeten zijn.

4.2.

 

Het ongeval vond plaats buiten de bebouwde kom in een bosachtig gebied. Aan een in een dergelijk buitengebied gelegen fietspad worden lagere eisen gesteld dan aan een druk bereden fietspad in de bebouwde kom. In een buitengebied gelegen fietspaden zijn meestal niet breed.

Het fietspad wordt niet druk bereden. Bij een spitsuurintensiteit van 0 – 50 fietsers per uur kan een minimale breedte van twee meter worden aangehouden. Aan die breedte voldoet het fietspad, zoals ook uit de meting van Baan Hofman volgt. Met die breedte kunnen tegemoetkomende fietsers elkaar veilig passeren.

Het fietspad kwalificeert niet als hoofdfietsroute. Grotere groepen fietsers en bromfietsers maken doorgaans gebruik van de hoofdrijbaan.

De haag, ook voor zover deze over het fietspad hing, valt niet onder het begrip weglichaam of weguitrusting. Van de Provincie kan niet worden verwacht dat zij bewerkstelligt dat de eigenaar overgaat tot snoeien van de haag of dat de Provincie dat zelf doet.

 

Daarvoor zou verkrijging van een strook grond van de privé-eigenaren nodig zijn. Ingrijpende aanpassingen zijn bovendien onbetaalbaar.

 

Er zijn bij de Provincie ter plaatse geen vergelijkbare ongevallen bekend.

4.3.

 

Voor [eiser] was het duidelijk dat het een tweerichtingenfietspad betrof. Dat had hij kunnen waarnemen op de plaats waar hij de weg was overgestoken. Het fietspad was ter plaatse aan beide zijden van de weg voorzien van haaientanden. [eiser] had dat ook kunnen begrijpen uit het feit dat het fietspad – vóórdat hij de weg was overgestoken – in het midden was voorzien van belijning en dat er – toen hij zijn weg na het oversteken vervolgde – zichtbaar geen fietspad aan de overzijde van de weg lag. Hij diende met een en ander rekening te houden bij het bepalen van zijn verkeersgedrag. Er was geen sprake van een abnormale gevaarlijke situatie waarop men niet bedacht hoeft te zijn.

4.4.

 

De Provincie komt een beleidsvrijheid toe bij de invulling van haar verantwoordelijkheden als wegbeheerder. Binnen deze vrijheid heeft de Provincie in redelijkheid tot de keuze kunnen komen de geldende verkeerssituatie, zoals die bestond op de dag van het ongeval, zo in te richten zoals zij heeft gedaan. Zij hoefde er geen rekening mee te houden dat een fietser ter plaatse het verkeersgedrag zou vertonen zoals [eiser] heeft gedaan.

5 De beoordeling

5.1.

 

Zoals hiervoor omschreven, heeft een ongeval met twee fietsen plaatsgevonden. Als gevolg van een frontale botsing heeft [eiser] ernstig letsel opgelopen aan zijn rechterarm.

 

Het uitgangspunt van het Nederlandse recht is dat ieder zijn eigen schade draagt. In deze procedure is de vraag of de Provincie als wegbeheerder aansprakelijk is voor de schade van [eiser] .

 

Gebrekkige zaak

5.2.

 

[eiser] doet voor de onderbouwing van zijn vordering primair een beroep op art. 6:174 BW. Dat artikel luidt – voor zover relevant – als volgt:

 

De bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, is, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk (…)

 

Bij openbare wegen (…) rust zij op het overheidslichaam dat moet zorgen dat de weg (…) in goede staat verkeert. (…)

 

  1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder openbare weg mede begrepen het weglichaam, alsmede de weguitrusting.

5.2.1.

 

In het arrest Dijkdoorbraak Wilnis heeft de Hoge Raad het toetsingskader gegeven dat de rechtbank dient toe te passen bij een beroep op art. 6:174 BW:

 

“Het komt aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of de weg en de weginrichting, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn.” (ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2012/155).

5.3.

 

Het standpunt van [eiser] is dat het fietspad op de locatie van het ongeval niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. De Provincie heeft bij de weginrichting onvoldoende rekening gehouden met het gebruik van het fietspad. [eiser] stelt dat de Provincie maatregelen had moeten nemen ter voorkoming of opheffing van het gevaar dat verbonden is aan de toestand van het fietspad.

5.4.

 

Ter onderbouwing van zijn stelling heeft [eiser] een beroep gedaan op het in zijn opdracht opgestelde rapport van Baan Hofman:

 

“De fietsers die bij dit ongeval betrokken waren maakten gebruik van het niet verplichte fietspad. De gemiddelde breedte van het fietspad bedroeg 2 meter. Hanteren wij de Ontwerpwijzer Fietsverkeer dan is de obstakelvrees van de haag al 1 meter. Hiermee komt de fietser die de haag rechts van hem heeft al midden op het fietspad te rijden. De fietser die uit tegenovergestelde richting komt heeft rechts de trottoirband met een hoogte van ongeveer 11 centimeter. Hiervoor geldt een obstakelvrees van 0,5 meter. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met een vetergang van 0,25 meter. De conclusie is dat fietsers altijd precies in elkaars lijn zullen rijden. Omdat in deze bocht ook het zicht veel minder goed is (15 meter) dan is voorgeschreven (35 meter) is er vrijwel geen mogelijkheid voor beide fietsers om een aanrijding te voorkomen. De tijd en ruimte om uit te wijken is er niet. (…) Deze situatie is als gevaarlijk te bestempelen. De betrokken fietsers zullen allebei zoveel rechts houden, maar toch in elkaars rijlijn terecht komen.”

5.4.1.

 

Theoretisch is een aanrijding ter plaatse dus volgens Baan Hofman onvermijdelijk. Ook naar de eigen stellingen van [eiser] fietsen er echter dagelijks tientallen tot honderden mensen in beide richtingen over dit fietspad. Dat zou volgens deze conclusie niet mogelijk moeten zijn, zonder aanrijding.

5.4.2.

 

De Provincie stelt daarnaast onbetwist dat er vanaf 1993 tot de datum van het ongeval (29 augustus 2013) geen ongevallen bij haar zijn gemeld. De situatie ter plaatse is een van oudsher bestaande situatie met beperkte ruimte voor het verkeer. Aanpassing van de weg is niet mogelijk. Ook na 2013 zijn geen nieuwe ongevallen gemeld.

5.4.3.

 

De Provincie voert als verweer aan dat de CROW-richtlijnen niet bindend zijn.

 

Dat is juist, de term richtlijnen duidt daar ook op. De wegbeheerder dient wel zoveel als mogelijk met de richtlijnen rekening te houden. Dat heeft de Provincie gedaan, gelet op de omstandigheden ter plaatse. Het fietspad ligt buiten de bebouwde kom in bosachtig gebied en de breedte van de rijbaan ernaast maakt het niet mogelijk het fietspad breder te maken.

5.5.

 

[eiser] stelt ook dat de Provincie verkeersdeelnemers onvoldoende heeft gewaarschuwd voor het slechte zicht en de gevaren van het versmalde fietspad ter hoogte van de s-bocht.

5.5.1.

 

Tegenover de zorgplicht van de Provincie staat de verplichting van de weggebruiker om de in zijn algemeenheid te vergen voorzichtigheid in acht te nemen. De op de wegbeheerder rustende zorgplicht strekt niet zo ver dat hij ook rekening dient te houden met weggebruikers die niet de in het algemeen te vergen voorzichtigheid in acht nemen.

5.5.2.

 

Uit de door partijen overgelegde foto’s van de plaats van het ongeval en de dia’s die daarvan op de zitting zijn bekeken, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat een normaal oplettende fietser in deze bocht zijn vaart dient te minderen. Rekening houdend met de mogelijkheid van tegenliggers, is het zo evident dat de bocht niet met aanzienlijke snelheid zal kunnen worden genomen, dat waarschuwingsborden daarvoor niet nodig zijn. Van een redelijk oplettende en voorzichtige fietser mag worden verwacht dat deze zijn snelheid aanpast, waardoor ongelukken worden voorkomen.

5.5.3.

 

[eiser] heeft nog naar voren gebracht dat het hem ten tijde van het ongeval niet bekend was dat het fietspad ter plaatse een tweerichtingenfietspad was. Naar het oordeel van de rechtbank had [eiser] dat echter wel kunnen en ook moeten opmerken. Duidelijk zichtbaar was immers dat het fietspad aan de westzijde van de weg ophield daar waar [eiser] via de oversteekplaats voor fietsers zijn weg vervolgde via het onverplichte fietspad aan de oostzijde van de weg (te zien op afbeelding 8 bij het rapport van Baan Hofman).

5.6.

 

Voor de toedracht van het ongeval gaat de rechtbank uit van het volgende.

 

Onderzoeksbureau MVOA heeft in opdracht van Achmea met behulp van het proces-verbaal van politie getuigen opgespoord (de heer en mevrouw [naam 4] ) en de tegemoetkomende fietser (de heer [naam 1] ). Zij hebben verklaringen afgelegd en deze na uitwerking daarvan ondertekend.

5.6.1.

 

De heer [naam 1] verklaarde als volgt:

“Ik reed toen op een Gazelle Chamonix herenfiets, een normale, geen elektrische fiets. Ik schat dat ik tussen de 15 en 25 km er uur reed. De weg vanaf mijn woning naar het Kennemer Lyceum is de N206, de doorgaande weg van Leiden/Katwijk naar Haarlem. Langs deze weg ligt een vrij liggend fietspad. Het is echter ook toegestaan om op de rijbaan te fietsen. Het fietspad langs de N206 bestaat uit verschillende gedeeltes. (…) Fietsers moeten verschillende keren de N206 oversteken om de weg te vervolgen. Het fietspad is

 

overal tweerichting verkeer. (…)

 

Ter hoogte van huisnummer 35 is er een S-bocht in de N206. Ter plekke ligt het fietspad pal langs de weg voor de auto’s. De enige afscheiding is daar een verhoogde stoeprand. Bij de woning op nummer 35 stond een hoge en brede haag die het uitzicht fors belemmerde. Mede door de scherpte van de bocht in de weg zag je tegemoetkomende fietsers pas op het laatste moment aankomen. Op dat moment was het vrij rustig op het fietspad. Ik had geen oortjes in om naar muziek te luisteren en ik was ook niet aan het bellen. Ik reed ongeveer op het midden van het fietspad, mede vanwege de auto’s op de rijbaan.

 

Opeens zag ik een wielrenner in beeld komen die recht op mij afkwam. Ik schrok hiervan en bedacht mij wat ik het beste kon doen. Ik zag dat er auto’s op de rijbaan reden en ik wilde niet die kant op uitwijken omdat ik dan op de rijbaan zou komen met alle gevolgen van dien. Ik zag een inham in de haag die aan mijn linkerzijde stond, er staat daar een kastje voor de elektriciteit oid. Ik ben de haag ingestuurd en heb mij aan de takken van de haag vastgehouden. Ik stond stil en op dat moment dacht ik nog dat het goed af zou lopen en dat de wielrenner mij zou passeren. Echter de wielrenner raakte met zijn rechter arm mijn rechter rem- en versnellingsgreep en hierdoor kwam hij ten val. De wielrenner lag enkele metersverderop de stoep. Ik ben afgestapt en ben gelijk naar de man gelopen. Ik zag dat de rechterarm van deze man helemaal open lag en dat de wond enorm bloedde. (…)

 

Toen de politie kwam wilde zij met mij spreken. Zij vroegen mij waarom ik in die richting op het fietspad reed. Zij wisten kennelijk niet dat het fietspad voor twee rijrichtingen bestemd is. (…) Mijn fiets had bijna geen schade. Ik ben niet gevallen en de fiets ook niet. Later zag ik dat er iets verbogen was aan mijn fiets en dat er nog huidresten aan de remgreep zaten. Deze heeft de politie weggehaald met een doek. Omdat ik daar vrijwel elke dag fiets weet ik dat het een vrij gevaarlijk punt is. Ik ben er van overtuigd dat de wielrenner een flinke snelheid had en de situatie niet goed inschatte. (…) Ik heb deze man later één keer telefonisch gesproken. Hij gaf aan dat hij de situatie daar niet kende en dat hij toevallig nu deze weg nam omdat het hard waaide en langs de N206 meer beschut reed. Pas veel later is de haag veel lager gemaakt. (…) Nu is het zicht een stuk beter maar het blijft een gevaarlijke bocht. Pas ruim na het ongeval zijn er onderborden geplaatst waarop aangegeven wordt dat het een tweerichtingen fietspad betreft. Ten tijde van het ongeval stond dit nergens aangegeven.”

5.6.2.

 

De heer [naam 4] verklaarde:

 

“Toen we vanuit de richting De Zilk over de N206 reden kwamen we bij een rotonde op deze weg. Bij deze rotonde viel ons het rijgedrag van een wielrenner op. Deze wielrenner reed met een flinke snelheid over de rotonde. Hij passeerde de rotonde langs de linkerzijde. De man viel ons mede op doordat hij vrij hard fietste maar geen wielrenkleding droeg. Ook droeg deze man geen helm. (…) Op enig moment naderden we een S-bocht. We reden daar heel rustig. Rechts van ons reed de wielrenner die ons bij de rotonde al was opgevallen. Plotseling zagen we in een onoverzichtelijke bocht naar rechts dat de wielrenner tegen een tegemoetkomende fietser botste. Ik zelf zag de botsing niet gebeuren maar mijn vrouw wel. Ze zag dat de wielrenner door de lucht vloog en op het fietspad terecht kwam. Ze zag ook dat de wielrenner op het laatste moment naar links uitweek om een botsing te voorkomen. We zagen dat de wielrenner eerst opstond maar kort daarna gelijk weer is gaan liggen. (…) Ik kan u geen exacte inschatting geven van de snelheid maar gezien het feit dat het weggedrag van deze wielrenner ons al bij de rotonde opviel, deze rotonde ligt ongeveer een kilometer van de plaats van de aanrijding, moet de wielrenner flink hard gereden hebben. (…) Toen we naar de wielrenner liepen zagen we dat hij een grote wond aan zijn rechterarm had waar het bloed uitspoot. Het was mij gelijk duidelijk dat deze man een slagaderlijke bloeding had en heb gelijk zijn arm vastgepakt en de ader dichtgeknepen. De wielrenner is niet buiten bewustzijn geweest. (…) Mijn vrouw heeft gesproken met de andere man. (…) Toen we de fiets van de man zagen waar de wielrenner tegenaan gebotst is zagen we aan de rechterzijde van het stuur bij de remhandel en versnellingshandel stukken vlees zitten die van de arm van de wielrenner waren. (…) We spraken ook nog met een omwonende die aangaf dat er wel vaker ongevallen gebeurden op deze plaats. Dit kwam ook door de hoge haag die er toen stond. Ik zie nu op de foto’s dat deze haag nu veel lager is. Nu is er dus ook beter zicht in de bocht. Ik ben wel van mening dat de wielrenner onvoldoende rekening hield met de situatie ter plaatse. Hij reed naar ons idee erg hard en kon hierdoor niet zien wat er vanaf de andere kant aankwam.”

5.6.3.

 

Mevrouw [naam 4] verklaarde:

“In aanvulling op de verklaring van mijn echtgenoot kan ik u het volgende verklaren. (…)

 

Ik zat in de auto op de bijrijdersstoel en mijn echtgenoot bestuurde de auto. Toen we op de Vogelenzangseweg in Vogelenzang reden, in de richting van Aerdenhout viel ons het rijgedrag van een man op een racefiets op. Deze man droeg geen wielrenkleding en had ook geen helm op. We zagen deze man voor het eerst bij de rotonde rijden. Hij rijdt vrij hard en hadden het idee dat hij langs de verkeerde kant van de rotonde reed. Later bleek dat hij daar wel mocht rijden maar hij viel ons gewoon op. De man zat in de racehouding met zijn handen in de onderste beugels. We reden rustig in de richting van Aerdenhout. Op het gedeelte tussen de rotonde waar we de wielrenner zagen en de plaats van het ongeval is deze man mij niet meer opgevallen. Op enig moment kwamen we bij een S-bocht in de weg waar het ongeluk gebeurde. We reden de bocht in en toen zag ik de wielrenner rechts naast mij op het fietspad. Ik weet zeker dat dit dezelfde persoon was die we eerder bij de rotonde zagen. Ik en mijn man zeiden dit nog tegen elkaar. In de bocht zat de man nog steeds met het hoofd voorover en met de handen in de onderste beugels. Ik vond dat de wielrenner erg hard reed en zei dit nog tegen mijn man. Ik zag dat de wielrenner meer naar de kant van de weg reed vermoedelijk om de bocht wat ruimer te nemen. Direct daarop zag ik dat de wielrenner tegen de tegemoetkomende fietser botste. Ik heb niet gezien of de tegemoetkomende fietser al was uitgeweken. Hiervoor ging het allemaal te snel. De wielrenner en de fietser kwamen beiden ten val. Beiden stonden eigenlijk gelijk weer op maar de wielrenner had kennelijk door dat het niet goed ging en hij is gelijk weer gaan liggen. (…) Toen het ongeval gebeurde reed de wielrenner naar mijn idee veel te hard om de situatie goed in te kunnen schatten.”

5.6.4.

 

Ter zitting heeft [eiser] over het ongeval het volgende verklaard:

 

“Hoe alles is gegaan weet ik echt niet meer. Alles ging zo snel. [naam 1] was er ineens. Hij week uit naar links en ik kon ook niets anders doen dan naar links uitwijken. Waar ik precies ben gevallen weet ik ook niet. (…)

 

Ik heb een stuur meegenomen dat vergelijkbaar is met het stuur van die fiets. Ik toon u hoe ik mijn stuur vlak voor het ongeval vast had. Ik had mijn handen bovenop het stuur, niet onderin de beugels. Met mijn handen bovenop het stuur kan ik de versnellingen en de remmen goed bedienen.”

5.6.5.

 

De getuigen verklaren eensluidend over een hoge snelheid van [eiser] . De verklaring van [eiser] over de wijze waarop hij zijn stuur vasthield doet daaraan niet af. Uit de verklaring van [naam 1] volgt dat hij zelf stilstond of nagenoeg stilstond. Dat wordt door [eiser] niet betwist. Mede gelet op de gevolgen (slagaderlijke bloeding, stukken huid aan het stuur van [naam 1] ) moet de conclusie zijn dat [eiser] zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast aan de omstandigheden.

5.6.6.

 

De rechtbank is dan ook van oordeel dat naar objectieve maatstaven gemeten de kans op een ongeval klein is en het fietspad geen gebrekkige zaak is.

 

Onrechtmatige daad

5.7.

 

[eiser] stelt als subsidiaire grondslag dat de Provincie onrechtmatig zou hebben gehandeld jegens [eiser] .

 

Dat het fietspad, zoals [eiser] stelt, niet in goede staat verkeert, is op geen enkele wijze onderbouwd.

 

De stelling dat het fietspad niet zou voldoen aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en gebrekkig was, is hiervoor bij de beoordeling van het beroep op art. 6:174 BW al verworpen.

 

Onder verwijzing naar wat hiervoor over de gevaarlijkheid van de weg is overwogen, verwerpt de rechtbank ten slotte ook de stelling dat de Provincie als wegbeheerder de gevaarlijke situatie niet had mogen laten voortduren.

 

Slotsom

5.8. De slotsom van het voorgaande is dat de Provincie niet aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade. De vorderingen moeten daarom worden afgewezen.

 

Proceskosten

5.9. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Provincie en Achmea gezamenlijk worden begroot op:

 

– griffierecht € 626,-

 

– salaris advocaat 1.086,- (2,0 punten × tarief € 543,-)

 

Totaal € 1.712,-.

6 De beslissing

 

De rechtbank

6.1.

 

wijst de vorderingen af;

6.2.

 

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Provincie en Achmea tot op heden begroot op € 1.712,-;

6.3.

 

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, mr. S.M. Jongkind-Jonker en mr. M.C.J. Lommen en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2019.1

 

1 type: LJS coll:

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey