Rb: Uitkering uit Schadefonds heeft geen invloed op vorderingsrecht van benadeelde

Samenvatting:

In een café heeft gedaagde eiser tweemaal één duw gegeven, waarna meerdere personen uit de groep eiser hebben geslagen. Gedaagde is door de politierechter veroordeeld voor openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW is niet vereist dat de deelnemer zelf schade heeft toegebracht. Op de camerabeelden van het incident is te zien dat gedaagde ook een gooiende beweging in de richting van eiser maakte. Een zodanig verband tussen de gedragingen van gedaagde en de gedragingen van de andere deelnemers is aanwezig dat deze gedragingen als gedragingen in groepsverband kunnen worden gekwalificeerd. Het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft aan eiser €2.500,- uitgekeerd. Het Schadefonds kan een eventuele vergoeding door een dader in mindering brengen op de uitkering die een voorwaardelijk karakter heeft. De ontvangst daarvan laat het bestaan en de omvang van de schadevergoedingsverplichting onverlet.

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 28-11-2018
Datum publicatie 27-12-2018
Zaaknummer C/10/537312 / HA ZA 17-989
Rechtsgebieden Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie
Aansprakelijkheid ex art. 6:166 BW (onrechtmatige daad van een tot een groep behorende persoon). Letselschade. Uitkering. Schadefonds.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak
Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/537312 / HA ZA 17-989

Vonnis van 28 november 2018

in de zaak van

[naam eiser] ,
wonende te Papendrecht,
eiser,
thans zonder procesvertegenwoordiging,
voorheen advocaat mr. A.F. Ammerlaan te Dordrecht (onttrokken op 8 augustus 2018),

tegen

[naam gedaagde] ,
wonende te Dordrecht,
gedaagde,
advocaat mr. L.P. Quist te Zwijndrecht.

Partijen zullen hierna [naam eiser] en [naam gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaarding d.d. 5 oktober 2017, met producties,
– de conclusie van antwoord met productie,
– het tussenvonnis (bij oproepbrief) van 10 januari 2018,
– het proces-verbaal van comparitie van partijen van 26 juni 2018 en de daarin vermelde processtukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1. Op 24 december 2014 verbleef [naam gedaagde] met een groep vrienden in een horecagelegenheid te Papendrecht. Nadat [naam eiser] het café was binnengestapt is [naam gedaagde] op enig moment op hem afgelopen en heeft hij [naam eiser] tweemaal één duw gegeven, waarna [naam eiser] door meerdere personen uit de groep is geslagen en/of geschopt (verder: het incident).

2.2. [naam eiser] heeft op 29 december 2014 bij de politie aangifte van het incident gedaan. De verklaring van [naam eiser] die is opgenomen in de van die aangifte door de verbalisant de politie Eenheid Rotterdam op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer] vermeldt – voor zover hier van belang – :
“[…]
Door de mishandeling heb ik verschillende snijwonden in mijn gezicht. Vooral op mijn neus. Mijn lip is tot aan mijn rechterneusgat gescheurd. Ik kan bijna niet eten omdat mijn lip zeer doet en er een stuk van mijn tand is afgebroken. Ik heb continu hoofdpijn. Mijn hoofd bonkt de hele tijd. Ik eet slecht en ik slaap ook slecht. Ik kan niet goed eten en kauwen. Alles wat ik eet is vloeibaar. Een paar dagen daarna ben ik naar buiten gegaan. Er reed een groepje jongens voorbij de auto. Ik schrok hiervan en ben direct een steegje ingerend. Ik merk dat het mentaal ook veel heeft gedaan. De auto die voorbij reed waren gewoon jongens die niets wilden doen. Ik schrok toch en werd bang.
[…]”

2.3. Bij brief van 27 januari 2015 heeft J.R. van Leeuwen, forensisch arts verbonden aan het FARR een letselbeschrijving met betrekking tot [naam eiser] aan de politie Rotterdam toegezonden. Deze letselbeschrijving is gebaseerd op informatie van het Albert Schweitzer ziekenhuis met betrekking tot het bezoek van [naam eiser] aan de Spoedeisende Hulp op 24 december 2014 en vermeldt
als objectieve bevindingen: “Zwelling en oppervlakkige verwonding achterhoofd. Zwelling op de neusrug met links van de neus enkele oppervlakkige verwondingen. Snijwond tot in de onderhuid van de lip tot aan de neusvleugel”
als bijkomende gegevens: “De snijwond werd gehecht”
en als geschatte genezingsduur: “+/- 2 weken wondgenezing, kans op littekenvorming in het gelaat.”

2.4. [naam eiser] is bij een psycholoog onder behandeling geweest en heeft een EMDR-therapie ondergaan. Het door de psycholoog in verband daarmee aan de huisarts van [naam eiser] toegezonden bericht van intake dateert van 14 september 2015 en bij brief van 4 november 2015 heeft de psycholoog aan de huisarts medegedeeld dat de behandeling op 28 oktober 2015 is beëindigd.

2.5. In verband met het incident heeft het Schadefonds Geweldsmisdrijven (verder: het Schadefonds) aan [naam eiser] een bedrag van € 2.500,- uitgekeerd.

2.6. [naam gedaagde] is naar aanleiding van het incident bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Rotterdam van 21 februari 2017 veroordeeld voor openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. De vordering van [naam eiser] als benadeelde partij is daarbij niet-ontvankelijk verklaard. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen en onherroepelijk.

3 Het geschil

3.1. [naam eiser] vordert samengevat – :
I. te verklaren voor recht dat [naam gedaagde] onrechtmatig jegens [naam eiser] heeft gehandeld, zoals in de dagvaarding is omschreven en aansprakelijk is voor de hierdoor geleden schade;
II. [naam gedaagde] te veroordelen tot vergoeding aan [naam eiser] van de schade die [naam eiser] lijdt door het onrechtmatig handelen van [naam gedaagde] , nader op te maken bij staat;
III. [naam gedaagde] te veroordelen tot vergoeding aan [naam eiser] van een voorschot op de onder II bedoelde schade ad € 10.000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
IV. [naam gedaagde] te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure;
V. alles te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 24 december 2014, althans de dag van de dagvaarding, althans een datum door de rechtbank in goede justitie te bepalen.

3.2. [naam gedaagde] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. [naam eiser] stelt [naam gedaagde] aansprakelijk voor de schade die hij door het incident lijdt, primair op grond van onrechtmatig handelen (art. 6:162 BW) en subsidiair op grond van onrechtmatige gedragingen in groepsverband (art. 6:166 BW). [naam gedaagde] betwist dat hij voor die schade aansprakelijk is en voert daartoe aan dat hij [naam eiser] slechts heeft geduwd, dat het niet zijn bedoeling was dat er een vechtpartij zou ontstaan en dat het gestelde letsel zo ver staat van het uitdelen van een duw dat het niet aan hem kan toegerekend. Ondanks deze betwisting is [naam gedaagde] op grond van artikel 6:166 BW aansprakelijk voor de schade die [naam eiser] door het incident lijdt en wel om de navolgende redenen.

4.1.1. Voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW gelden als hoofdvereisten dat sprake is van i) deelname aan ii) gedragingen waarvan de kans op het aldus toebrengen van schade de deelnemers had behoren te weerhouden die in iii) groepsverband hebben plaatsgevonden en die deelname aan de deelnemer iv) toerekenbaar is. Indien aan al deze vereisten is voldaan is de individuele deelnemer aansprakelijk voor de schade die door een van de deelnemers is toegebracht. Voor aansprakelijkheid van een deelnemer is niet vereist dat hij zelf schade heeft toegebracht.

4.1.2. Het op 21 februari 2017 op tegenspraak gewezen en onherroepelijke vonnis van de strafrechter levert dwingend bewijs op van het daarbij bewezen verklaarde feit. Verder heeft [naam gedaagde] ter zitting erkend dat hij [naam eiser] geduwd heeft en dat op de camerabeelden van het incident te zien is dat [naam gedaagde] een gooiende beweging in de richting van [naam eiser] maakt. Daarbij is tussen partijen niet in geschil dat na de duw van [naam gedaagde] een vechtpartij is ontstaan waarbij anderen [naam eiser] hebben geslagen.

4.1.3. Uit het vorenstaande blijkt een zodanig verband tussen de gedragingen van [naam gedaagde] en de gedragingen van de andere deelnemers aan het incident jegens [naam eiser] dat deze gedragingen als gedragingen in groepsverband kunnen worden gekwalificeerd. Verder had [naam gedaagde] behoren te begrijpen dat het groepsoptreden het gevaar op het ontstaan van letsel bij [naam eiser] schiep en heeft hij door zijn actieve bijdrage schuld daaraan. Hiermee is voldaan aan de vereisten voor de aansprakelijkheid van [naam gedaagde] op grond van artikel 6:166 BW voor het letsel en de daaruit voortvloeiende materiële en immateriële schade die [naam eiser] door de gedragingen in groepsverband heeft opgelopen.

4.2. Uitgangspunt is dat de rechter de schade terstond bepaalt. Slechts indien nog niet mogelijk is om (een deel van) de schade te begroten is plaats voor een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat. De stelling van [naam eiser] dat die situatie zich voordoet omdat hij door het incident een post traumatische stressstoornis (PTSS) heeft opgelopen en niet uit te sluiten valt dat zich in de toekomst omstandigheden zullen voortdoen waardoor de klachten weer getriggerd zullen worden, wordt niet gevolgd. Vast staat dat [naam eiser] gedurende enkele maanden voor zijn psychische klachten is behandeld en dat die behandeling op 28 oktober 2015 is beëindigd. Niet gesteld is dat die klachten zich nadien opnieuw hebben voorgedaan. Daarom is de mogelijkheid van verdere aan het incident toe te rekenen psychische klachten in de toekomst niet aannemelijk en zal de door [naam eiser] door het incident geleden schade in deze procedure worden begroot.

4.3. De door [naam eiser] gestelde materiële schade bestaat onder meer uit schade aan zijn kleding en schoenen door bloedvlekken en schade aan zijn telefoon. [naam gedaagde] heeft deze schade, bij gebrek aan nadere onderbouwing, betwist.

4.4. Uit de aard en de ernst van de bij het incident aan [naam eiser] toegebrachte snijwond volgt dat [naam eiser] een hoeveelheid bloed moet hebben verloren. Het ligt voor de hand dat daardoor (blijvende) bloedvlekken zijn ontstaan op zijn kleding, waaronder de winterjas die hij ten tijde van het incident droeg, dat dit bij gebrek aan aanwijzing voor het tegendeel, ook zonder nadere onderbouwing tussen partijen komt vast te staan. De schade die [naam eiser] daardoor lijdt wordt, bij gebrek aan nadere informatie over de omvang van de schade en de waarde van de kleding, schattenderwijs begroot op € 100,-.

4.5. Dat door het incident tevens de schoenen en de telefoon van [naam eiser] zijn beschadigd ligt niet zonder meer voor de hand en behoeft nadere onderbouwing. Die nadere onderbouwing heeft [naam eiser] niet gegeven, zodat die schade niet komt vast te staan en de daarvoor gevorderde vergoeding dient te worden afgewezen.

4.6. [naam gedaagde] betwist niet dat [naam eiser] in 2014 wegens ambulancekosten (€ 25,47 + 198,86 =) € 224,33 en in 2015 voor de psychologische behandeling door een psycholoog € 375,- aan eigen risico aan zijn zorgverzekeraar FBTO heeft moeten betalen. Dat blijkt ook uit door [naam eiser] overgelegde opgaven van FBTO van respectievelijk 11 februari 2015 (eigen risico 2014) en 3 december 2015 (eigen risico 2015). Gelet op de datering van die opgaven en het feit dat zij geen andere door [naam eiser] verschuldigde bedragen aan eigen risico vermelden, staat daarmee het door [naam gedaagde] (ongemotiveerd) betwiste oorzakelijk verband tussen het verschuldigd worden van deze bedragen en het incident voldoende vast. De door [naam eiser] door het incident geleden schade aan door hem gedragen eigen risico van zorgkosten wordt daarom begroot op (€ 224,33 + € 375,- =) € 599,33.

4.7. De laatste door [naam eiser] gestelde materiële schadepost bestaat uit tandartskosten ad € 3.276,- voor het herstel van een doorgescheurde tand. [naam gedaagde] betwist dat dit letsel het gevolg is van het incident en betwist de gestelde schade.
Weliswaar blijkt uit het door [naam eiser] overgelegde voorlopige behandelvoorstel en kostenbegroting van een tandarts van een gefractureerde tand welke dient te worden getrokken en vervangen, maar dit behandelvoorstel dateert van meer dan een maand na het incident, te weten 4 februari 2015. Uit de informatie van de FARR blijkt niet van schade aan het gebit van [naam eiser] en bij zijn aangifte bij de politie heeft [naam eiser] slechts verklaard dat er een stuk van zijn tand is afgebroken. Daarom kan zonder nadere onderbouwing niet worden vastgesteld dat de gefractureerde tand het gevolg is van het incident terwijl tevens niet is onderbouwd dat de door de tandarts voorgestelde behandeling is uitgevoerd. Nu een nadere onderbouwing niet is gegeven, dient de gevorderde vergoeding van tandartskosten te worden afgewezen.

4.8. Resteert de begroting van de door [naam eiser] door het incident geleden immateriële schade (het smartengeld). Smartengeld is bedoeld om de benadeelde genoegdoening en compensatie te bieden voor wat hem is aangedaan. Bij het vaststellen van de hoogte van het schadebedrag moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden, waarbij het gaat om de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Daarbij moet worden aangesloten bij de bedragen die door de rechter in Nederland plegen te worden toegekend in vergelijkbare gevallen.

4.9. Tijdens het uitgaan is [naam eiser] zonder (duidelijke) aanleiding door een groep personen mishandeld. Hij heeft daarbij zwellingen op het achterhoofd en aan de neus opgelopen alsmede een snijwond tot in de onderhuid van de bovenlip tot aan de neusvleugel. Deze snijwond is gehecht en na een aantal weken is genezen. Hierdoor heeft [naam eiser] pijn ondervonden en een aantal weken problemen gehad met eten. Verder heeft hij psychische klachten gekregen bestaande uit angst, slaap- en concentratieproblemen, waarvoor hij gedurende enkele maanden door een psycholoog is behandeld en EMDR-therapie heeft ondergaan. De behandeling, die ongeveer 10 maanden na het incident werd beëindigd, was succesvol. Dat de gehechte wond tot een blijvend zichtbaar litteken heeft geleid is door [naam gedaagde] betwist en kan bij gebrek aan een nadere onderbouwing niet worden vastgesteld.

4.10. [naam eiser] vordert € 1.500,- aan smartengeld en verwijst daarbij naar de casus in nummer 872 van de ANWB Smartengeldgids. Anders dan in het aldaar beschreven geval is in dit geval geen sprake van behandeling door een plastisch chirurg en een (zichtbaar) litteken, maar is wel sprake van psychische klachten waarvoor behandeling door een psycholoog nodig was.

4.11. Alles in aanmerking nemend is naar het oordeel van de rechtbank een smartengeld van € 1.250,- passend. De door [naam eiser] door het incident geleden (materiële en immateriële) schade komt daarmee uit op (€ 100,- + € 599,33 + € 1.250,- =) € 1.949,33 in totaal.

4.12. Uit artikel 6 lid 3 van de Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven volgt dat het Schadefonds een eventuele vergoeding van [naam gedaagde] aan [naam eiser] in mindering kan brengen op de uitkering aan [naam eiser] uit het Schadefonds. Een uitkering uit het Schadefonds heeft een voorwaardelijk karakter, in die zin dat het Schadefonds uitkeert indien en voor zover niet op andere wijze in de schade van het slachtoffer van een geweldsmisdrijf wordt voorzien. De ontvangst van een uitkering van het Schadefonds laat het bestaan en de omvang van de schadevergoedingsverplichting van [naam gedaagde] tegenover [naam eiser] derhalve onverlet. Artikel 6 lid 4 van de Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven, dat bepaalt dat de Staat treedt in de rechten van de aanvrager van een uitkering voor het bedrag dat het fonds aan de aanvrager heeft uitgekeerd, leidt niet tot een andere conclusie. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet dat de wetgever met de tekst van die bepaling beoogd heeft dat een slachtoffer zijn vorderingsrecht tegenover de dader verliest na ontvangst van een uitkering van het Schadefonds. De wetgever heeft willen aansluiten bij de bestaande praktijk, waarin het Schadefonds het uitgekeerde bedrag niet op de veroordeelde verhaalt, maar wel rekening houdt met door de veroordeelde gedane betalingen aan het slachtoffer en heeft het dan ook onwenselijk geacht dat de rechter rekening houdt met een eerdere uitkering uit het schadefonds (Kamerstukken II, 2009/2010, 32 363, nr. 7, p. 11-12). Hierop stuit het verweer van [naam gedaagde] dat het door het Schadefonds aan [naam eiser] uitgekeerde bedrag op de schade in mindering moet worden gebracht af. De rechtbank gaat er vanuit dat [naam eiser] de schadevergoeding die hij van [naam gedaagde] ontvangt aan het Schadefonds zal melden, maar het staat [naam gedaagde] vrij een afschrift van het door hem van [naam eiser] te ontvangen betalingsbewijs aan het Schadefonds toe te zenden.

4.13. De vanaf 24 december 2014 over de verschuldigde schadevergoeding gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen, nu die vordering niet afzonderlijk is bestreden en voldoende steun vindt in de vaststaande feiten en de wet.

4.14. Het vorenstaande leidt tot toewijzing van de vorderingen van [naam eiser] als na te melden.

4.1.5 [naam gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam eiser] worden begroot op:
– dagvaarding € 97,31
– griffierecht € 78,00
– salaris advocaat € 922,00 (2 punten x factor 1 x tarief I ad € 461,00 per punt )
totaal € 1.097,31.

5 De beslissing
De rechtbank

verklaart voor recht dat [naam gedaagde] op 24 december 2014 jegens [naam eiser] in groepsverband onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de hierdoor geleden schade;

veroordeelt [naam gedaagde] om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [naam eiser] te betalen een schadevergoeding van € 1.949,33 (negentienhonderd negenenveertig euro en drieëndertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 24 december 2014 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [naam gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [naam eiser] tot op heden begroot op € 1.097,31;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. den Hollander en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2018.

2515/2872

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots