Rb: SVI, klachten deels ongevalsgevolg, gebondenheid aan expertise op gezamenlijk verzoek, voordeelsverrekening

Samenvatting:

SVI, ongeval 2013 benadeelde slaat over de kop met auto en loopt inzakkingsfractuur aan ruggenwervel op. Benadeelde gaat na vijf maanden aan het werk en valt weer uit. In 2015 wordt arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd. 1. Verklaring voor recht dat rug- en heup klachten ongevalsgevolg zijn afgewezen. Uit op gezamenlijk verzoek verrichte expertise blijkt dat heupklachten geen ongevalsgevolg zijn. Als uitgangspunt geldt dat partijen in beginsel gebonden zijn aan een deskundigenrapport dat op hun gezamenlijke verzoek is uitgebracht, tenzij er zwaarwegende en steekhoudende bezwaren bestaan tegen dit rapport. 2. Verklaring voor recht dat arbeidsongeschiktheid (volledig) ongevalsgevolg is afgewezen, nu ook heupklachten rol spelen. Het debat over de omvang van de schade kan in de schadestaatprocedure worden voortgezet. 3. Vergoeding van € 225.000- bij beëindiging van arbeidsovereenkomst niet als voordeel verrekend (art 6:100 BW); dienstverband is beëindigd omdat er beleidsmatig verschil van inzicht bestond. 4. Uitkering uit OVI wel verrekend.

 

ECLI:NL:RBNHO:2021:1833

 

Instantie

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak

17-02-2021

Datum publicatie

10-03-2021

Zaaknummer

C/15/300493 / HA ZA 20-159

Rechtsgebieden

Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – meervoudig

Verzet

Inhoudsindicatie

 

letselschadezaak – juridisch causaal verband tussen ongeval en klachten/beperkingen – verwijzing schadestaatprocedure – ontvangen beëindigingsvergoeding van werkgever en verzekeringsuitkering, voordeelstoerekening artikel 6:100 BW?

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

 

Handel, Kanton en Bewind

 

Zittingsplaats Alkmaar

 

zaaknummer / rolnummer: C/15/300493 / HA ZA 20-159

 

Vonnis in verzet van 17 februari 2021

 

in de zaak van

 

[eiser] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

eiser,

 

gedaagde in het verzet,

 

advocaat mr. E.H.J.M. Dohmen te Roermond,

 

tegen

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

 

[gedaagde] ,

 

gevestigd te Alkmaar,

 

gedaagde,

 

eiseres in het verzet,

 

advocaat mr. J. Streefkerk te Voorburg.

 

Partijen zullen hierna [eiser] en Turien worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

– de dagvaarding van [eiser] van 18 december 2019 met producties,

 

– het door deze rechtbank op 5 februari 2020 tussen [eiser] als eiser en Turien als gedaagde onder zaak- en rolnummer C/15/297776 / HA ZA 20-10 bij verstek gewezen vonnis (hierna: het verstekvonnis),

 

– de verzetdagvaarding van Turien van 2 maart 2020 met producties,

 

– het tussenvonnis van 22 april 2020, waarbij een mondelinge behandeling is gelast,

 

– het proces-verbaal van de op 8 oktober 2020 gehouden mondelinge behandeling en de daarin genoemde stukken.

1.2.

 

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

 

Op 14 mei 2013 heeft [eiser] een eenzijdig verkeersongeval gehad. Tijdens het autorijden heeft [eiser] kort het bewustzijn verloren waardoor hij met hoge snelheid van de snelweg raakte en met zijn auto (uiteindelijk) over de kop sloeg. [eiser] heeft door het ongeval een inzakkingsfractuur aan de lumbale ruggenwervel L2 opgelopen en is kort in het ziekenhuis opgenomen geweest. [eiser] was destijds 50 jaar oud.

2.2.

 

Toen het ongeval gebeurde, werkte [eiser] fulltime als ‘directeur retail’ bij Boerenbond Retail B.V. (hierna: Boerenbond). De auto waar [eiser] in reed, was een leaseauto van de zaak. Voor deze auto had Boerenbond een ongevallen-inzittenden-verzekering (OIV) afgesloten bij Nationale Nederlanden en een schadeverzekering inzittenden (SVI) / werkgeversaansprakelijkheid bestuurders van motorrijtuigen verzekering (WEGAS) bij Turien.

2.3.

 

[eiser] heeft zich na het ongeval ziekgemeld bij zijn werkgever. Vanaf 28 mei 2013 is [eiser] zijn arbeidsuren gaan opbouwen. Vanaf 17 augustus 2013 was [eiser] weer volledig aan het werk. Op 11 maart 2014 heeft [eiser] zich opnieuw (voor 100%) ziekgemeld. Vanaf 18 maart 2014 is hij zijn arbeidsuren wederom gaan opbouwen. Vanaf 27 oktober 2014 was hij weer volledig aan het werk. Vervolgens werd [eiser] vanaf 1 januari 2015 vrijgesteld van werk en is de arbeidsovereenkomst van [eiser] op initiatief van Boerenbond met wederzijds goedvinden op 1 april 2015 beëindigd. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst die [eiser] en Boerenbond op 18 november 2014, kort nadat [eiser] op 27 oktober 2014 weer volledig aan het werk was gegaan, met elkaar hebben gesloten. [eiser] heeft op grond van de vaststellingsovereenkomst “ter compensatie van het verlies aan inkomen als gevolg van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst” een vergoeding van € 225.000 bruto meegekregen. In de vaststellingsovereenkomst is verder bepaald dat de door [eiser] aan Boerenbond verleende finale kwijting niet geldt voor zijn als gevolg van het ongeval geleden (gevolg)schade.

2.4.

 

Begin april 2015 heeft [eiser] zich vanuit de WW arbeidsongeschikt gemeld. In februari 2017 heeft het UWV de arbeidsongeschiktheid van [eiser] vastgesteld op 100%. [eiser] ontvangt vanaf begin april 2017 een IVA-uitkering.

2.5.

 

Partijen hebben orthopedisch expert dr. Ph.J. Edixhoven (hierna: Edixhoven) onder meer gevraagd of de door [eiser] ervaren klachten medisch gezien door het ongeval zijn veroorzaakt. In zijn rapport van 25 juni 2019 (hierna ook: het rapport) komt Edixhoven tot de conclusie dat de inzakkingsfractuur aan de lumbale ruggenwervel L2 is veroorzaakt door het ongeval en dat de rugklachten daaraan kunnen worden toegeschreven. De klachten in de rechterheup en het rechterbovenbeen zijn volgens Edixhoven niet veroorzaakt door het ongeval. Edixhoven rapporteert dat in de rechterheup geen afwijking is aangetoond als gevolg van het ongeval. In het rapport wordt vermeld dat sprake is van een normale progressie van de coxartrose (artrose in de heup) die [eiser] al voor het ongeval had en dat de klachten in de rechterheup en het rechterbovenbeen voortkomen uit die coxartrose. Volgens Edixhoven worden de beperkingen die [eiser] in de huidige toestand ondervindt door zowel de omstandigheid in de lage rug als door de coxartrose in de rechterheup veroorzaakt.

2.6.

 

[eiser] heeft onder de OIV € 9.300 van Nationale Nederlanden ontvangen. Turien heeft € 10.000 smartengeld aan [eiser] bevoorschot.

3 Het geschil

3.1.

 

[eiser] heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

 

  1. voor recht verklaart dat sprake is van juridisch causaal verband tussen het ongeval van

 

14 mei 2013 en de door [eiser] opgelopen rugklachten en beperkingen;

 

  1. voor recht verklaart dat het verlies aan verdienvermogen inclusief pensioenschade kan worden toegerekend aan het ongeval van 14 mei 2013, nader op te maken bij staat;

 

III. voor recht verklaart dat [eiser] aanspraak kan maken op vergoeding van zijn volledige schade op grond van de vigerende polisvoorwaarden, nader op te maken bij staat;

 

  1. Turien veroordeelt om de volledige materiële en immateriële schade van [eiser] ten gevolge van het ongeval, nader op te maken bij staat, te vergoeden;

 

  1. Turien veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

 

Bij het verstekvonnis zijn de vorderingen van [eiser] toegewezen behoudens de onder 3.1.IV genoemde vordering. Turien is veroordeeld in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] tot aan de dag van de uitspraak zijn begroot op in totaal € 946,01.

3.3.

 

Turien vordert in het verzet dat zij wordt ontheven van de veroordeling die bij verstekvonnis tegen haar is uitgesproken en dat de vorderingen van [eiser] alsnog worden afgewezen met veroordeling van [eiser] in de kosten van de verstek- en verzetprocedure.

3.4.

 

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Vooraf

4.1.

 

Het verzet kan geacht worden tijdig en op de juiste wijze te zijn ingesteld, nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, zodat Turien in zoverre in haar verzet kan worden ontvangen.

 

Causaal verband

4.2.

 

[eiser] wil in de eerste plaats het juridisch causaal verband tussen het ongeval van 14 mei 2013 en zijn rugklachten en beperkingen vastgesteld zien (vordering onder 3.1.I). Partijen zijn het erover eens dat de rugklachten van [eiser] zijn veroorzaakt door de inzakkingsfractuur aan de lumbale ruggenwervel L2 die [eiser] door het ongeval heeft opgelopen. Omdat Turien het causaal verband tussen het ongeval en de rugklachten dus niet betwist, heeft [eiser] volgens Turien geen rechtens te respecteren belang bij zijn vordering als bedoeld in artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens Turien moet de vordering van [eiser] daarom worden afgewezen.

4.3.

 

De rechtbank stelt voorop dat zij terughoudend dient te zijn tegenover het afwijzen van een vordering vanwege het ontbreken van voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW. In het algemeen mag voldoende belang bij een vordering worden verondersteld. Een uitzonderingssituatie doet zich in dit geval naar het oordeel van de rechtbank niet voor. Het enkele feit dat Turien hier het juridisch causaal verband tussen het ongeval en de rugklachten niet betwist, doet niet af aan het belang van [eiser] dat dit uit oogpunt van rechtszekerheid in rechte wordt vastgesteld. Het beroep op artikel 3:303 BW wordt dan ook verworpen.

4.4.

 

Dit betekent dat de gevorderde verklaring voor recht, dat sprake is van juridisch causaal verband tussen het ongeval en de door [eiser] opgelopen rugklachten, toewijsbaar is.

4.5.

 

De vordering onder 3.1.I is echter ruimer. [eiser] vordert dat voor recht wordt verklaard dat sprake is van juridisch causaal verband tussen het ongeval en de rugklachten en beperkingen. Welke beperkingen dit precies zijn, maakt [eiser] in zijn vordering niet duidelijk. Uit de dagvaarding volgt welke beperkingen [eiser] bedoelt. Het gaat [eiser] om de beperkingen die Edixhoven noemt in zijn rapport onder punt h op pagina’s 11 en 12. De beperkingen die daar worden opgesomd, worden volgens Edixhoven veroorzaakt door zowel de omstandigheid in de lage rug als de coxartrose in de rechterheup. In zijn rapport concludeert Edixhoven dat de coxartrose in de rechterheup en de daarmee samenhangende klachten niet als ongevalsgevolg zijn aan te merken. Er is geen traumatische afwijking in de rechterheup vastgesteld. Het gaat volgens Edixhoven om een geleidelijke progressie van artrose zoals te verwachten is bij coxartrose zoals die op ongevalsdatum en kort daarna bestond, zonder relatie met het ongeval.

4.6.

 

Als uitgangspunt geldt dat partijen in beginsel gebonden zijn aan een deskundigenrapport dat op hun gezamenlijke verzoek is uitgebracht, tenzij er zwaarwegende en steekhoudende bezwaren bestaan tegen dit rapport. Hiervan is onder meer sprake wanneer het deskundigenbericht niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica. Het rapport van Edixhoven is naar het oordeel van de rechtbank op zorgvuldige wijze tot stand gekomen, partijen hebben de gelegenheid gehad op zijn conceptrapport te reageren, zijn conclusies en reactie op de opmerkingen van partijen op het conceptrapport zijn deugdelijk onderbouwd en vloeien voort uit de door hem in zijn rapport vermelde gegevens. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] zijn kritiek op de vaststelling door Edixhoven dat de heupklachten van [eiser] niet ongevalgerelateerd zijn, onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd. De brieven die [eiser] ter onderbouwing van zijn kritiek in het geding heeft gebracht zijn afkomstig van zijn eigen medisch adviseur. In zijn brief van 23 april 2019 schrijft de medisch adviseur van [eiser] onder meer het volgende:

 

“Vervolgens komt de expertiseur ten aanzien van de rechter heup tot de conclusie dat het hier al eerder om een vastgestelde slijtage gaat en deze slijtage ten tijde van het ongeval niet door het ongeval kan zijn veroorzaakt. Ook daarover heb ik niets op te merken.

 

 

De expertiseur trekt deze lijn door naar de klachten van de rechter heup en directe omliggende structuren. Daar heb ik echter moeite mee. De slijtage was namelijk al eerder (…) aangetoond en had ondanks overgewicht nog geen klachten opgeleverd. Het staat voor mij vast dat ook de heup bij het ongeval geconfronteerd is geraakt met een mechanisch begrijpelijke geweldsinwerking. Vast staat ook dat cliënt feitelijk vanaf het moment van het ongeval aldaar reeds (ook) klachten ervoer. Dat doet mij overwegen dat een langzaam progressieve slijtage (die mogelijk nog langere tijd heimelijk en verholen een min of meer sluimerend bestaan zou hebben geleid) nu met doormaken van het ongeval feitelijk is getraumatiseerd. Hoe langer ik over deze zaak nadenk (…), hoe meer ik van deze visie overtuigd ben.”

 

Met het voorgaande heeft de medisch adviseur van [eiser] de vaststellingen door Edixhoven dat geen sprake is van een traumatische afwijking in de rechterheup, maar van geleidelijke progressie van artrose zoals te verwachten is bij coxartrose zoals die op ongevalsdatum en kort daarna bestond, niet onderbouwd weerlegd. De medisch adviseur lijkt zijn aanname dat de progressieve slijtage van de rechterheup met het ongeval is getraumatiseerd, uitsluitend te baseren op het ontstaan van klachten na het ongeval, zonder dat hij ook daadwerkelijk heeft vastgesteld dat sprake is van een traumatische afwijking in de rechterheup. De medisch adviseur van [eiser] heeft hierover ook geen vragen gesteld aan Edixhoven, zodat Edixhoven daarop had kunnen reageren. In plaats daarvan heeft de medisch adviseur in zijn brief van 10 juli 2019 meegedeeld dat hij het rapport van Edixhoven een goede medische basis acht om de schadeafwikkeling (definitief) te kunnen regelen. Uit het definitieve rapport van Edixhoven blijkt dat hij met het commentaar van de medische adviseur van [eiser] (de heer [naam] ) rekening heeft gehouden, zoals van een deskundige verwacht mag worden, maar dat hem dat geen aanleiding heeft gegeven voor andere conclusies. Dat betekent dat de rechtbank de conclusies van Edixhoven over de heupklachten van [eiser] tot uitgangspunt zal nemen.

4.7.

 

Nu Edixhoven heeft geconcludeerd dat de heupklachten van [eiser] niet aan het ongeval kunnen worden gerelateerd, is de rechtbank het met Turien eens dat niet alle beperkingen die [eiser] ondervindt aan het ongeval kunnen worden toegerekend. Alleen voor zover de beperkingen voortvloeien uit de rugklachten en die rugklachten weer het gevolg zijn van de inzakkingsfractuur aan de lumbale ruggenwervel L2, zijn de beperkingen aan het ongeval toe te schrijven.

4.8.

 

Om welke beperkingen het dan gaat, is af te leiden uit het rapport van Edixhoven. Edixhoven heeft namelijk ook gekeken naar de beperkingen die alleen te maken hebben met de pre-existente coxartrose in de rechterheup. Edixhoven noemt deze beperkingen op pagina 13 onder b van zijn rapport. Wordt deze opsomming vergeleken met de beperkingen die volgens Edixhoven zijn toe te schrijven aan zowel de coxartrose als de rugklachten, dan kan daaruit worden afgeleid dat de rugklachten de volgende beperkingen meebrengen (die al dan niet de klachten als gevolg van de coxartrose verergeren):

 

 

zitten, licht beperkt (was niet beperkt);

 

staan, matig beperkt (was minimaal beperkt);

 

lopen op effen terrein, matig beperkt (was licht beperkt);

 

lopen op oneffen terrein, flink beperkt (was matig tot flink beperkt);

 

buigen, torderen, matig beperkt (was licht beperkt);

 

duwen, trekken, flink beperkt (was matig beperkt);

 

activiteiten boven schouderhoogte met de armen hoog geheven, matig beperkt (was licht beperkt);

 

hardlopen, springen, fors beperkt (was al fors beperkt, vooral ook vanwege overgewicht);

 

autorijden, licht beperkt.

 

4.9.

 

De rechtbank zal de vordering onder 3.1.I toewijzen in die zin dat voor recht zal worden verklaard dat sprake is van juridisch causaal verband tussen het ongeval van 14 mei 2013 en de door [eiser] opgelopen rugklachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen, die concreet bestaan uit de hiervoor in 4.8 opgesomde beperkingen.

 

Verlies arbeidsvermogen inclusief pensioenschade

4.10.

 

[eiser] vordert onder 3.1.II dat voor recht wordt verklaard dat het verlies aan verdienvermogen inclusief pensioenschade aan het ongeval kan worden toegerekend. [eiser] stelt dat hij vanwege zijn rug- en heupklachten niet kan werken en dat dit komt door het ongeval. Steun daarvoor is volgens [eiser] deels te vinden in het rapport van Edixhoven. Edixhoven concludeert namelijk tot een functieverlies (impairment) van 19% van de gehele persoon als gevolg van de beperkingen die voortvloeien uit de aan het ongeval gerelateerde rugklachten. [eiser] stelt dat zijn arbeidsongeschiktheid niet alleen samenhangt met de beperkingen die te maken hebben met de rugklachten, maar ook met die als gevolg van de coxartrose. Hoewel [eiser] al coxartrose had op het moment dat hij het ongeval kreeg, zijn de heupklachten volgens [eiser] pas sinds het ongeval ontstaan. Het kan volgens [eiser] niet anders dan dat de coxartrose door de inzakkingsfractuur erger en progressiever is geworden. [eiser] wijst er ten slotte op dat hij voor het ongeval geen last had van een verminderde belastbaarheid in verband met het uitoefenen van zijn werkzaamheden en hij dus ‘gewoon’ kon werken, terwijl hij na het ongeval door het UWV 100% arbeidsongeschikt is verklaard. Daarmee is het voldoende aannemelijk dat het verlies aan verdienvermogen een gevolg is van het ongeval en als schadepost aan het ongeval dient te worden toegerekend, aldus [eiser] .

4.11.

 

Zoals [eiser] vordering 3.1.II heeft ingestoken, is de vordering naar het oordeel van de rechtbank niet toewijsbaar. Dit omdat de vordering is gebaseerd op de stelling dat [eiser] door het ongeval als gevolg van de rug- en heupklachten volledig arbeidsongeschikt is geworden. Dat het (volledige) verlies aan arbeidsvermogen aan het ongeval toe te rekenen valt, is evenwel nergens uit af te leiden. Turien voert terecht aan dat het rapport van Edixhoven in ieder geval onvoldoende aanknopingspunten biedt om die conclusie te kunnen trekken. Edixhoven is in zijn rapport tot de conclusie gekomen dat de beperkingen die [eiser] ondervindt veroorzaakt worden door de rugklachten en de coxartrose. Zoals de rechtbank hiervoor onder 4.6 heeft overwogen, geldt voor de beoordeling van deze zaak als uitgangspunt dat Edixhoven heeft geconcludeerd dat alleen de uit de rugklachten voortvloeiende beperkingen aan het ongeval zijn toe te schrijven. De klachten en beperkingen als gevolg van de coxartrose kunnen volgens het rapport niet aan het ongeval worden gerelateerd, waarbij Edixhoven expliciet heeft gerapporteerd dat de coxartrose een normale progressie doormaakt.

4.12.

 

Daargelaten de vraag in hoeverre de beperkingen die [eiser] ondervindt, leiden tot materiële schade in de vorm van verlies aan arbeidsvermogen, kan op basis van het rapport van Edixhoven niet worden gezegd dat de gestelde arbeidsongeschiktheid van [eiser] uitsluitend te maken heeft met het ongeval. Dat [eiser] na het ongeval 100% arbeidsongeschikt is geworden in de zin van de sociale verzekeringswetten, terwijl hij voor het ongeval fulltime kon werken, betekent niet zonder meer dat de arbeidsongeschiktheid uitsluitend samenhangt met ongevalsgevolgen. Dit geldt vooral omdat de beperkingen van [eiser] voor een deel ook zijn terug te voeren op de niet aan het ongeval gerelateerde coxartrose. Ook komen de regels die gelden voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WIA en de daarop gebaseerde IVA regeling niet overeen met de normen waaraan een vordering vanwege verlies aan arbeidsvermogen in het civiele recht wordt getoetst.

4.13.

 

Dit betekent dat de onder 3.1.II gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen.

 

Vergoeding op grond van de polisvoorwaarden

4.14.

 

De derde vordering van [eiser] is een verklaring voor recht dat hij aanspraak kan maken op vergoeding van zijn volledige schade op grond van de vigerende polisvoorwaarden (3.1.III). [eiser] heeft toegelicht dat daaronder in ieder geval valt zijn verlies aan verdienvermogen, omdat hij door het ongeval arbeidsongeschiktheid is geworden.

4.15.

 

Turien heeft in haar conclusie van antwoord als verweer gevoerd dat deze vordering zinledig is. Volgens Turien gaat het namelijk niet om de vraag of aan [eiser] op grond van de polisvoorwaarden een volledige schadevergoeding toekomt. Het gaat erom wat de volledige schade van [eiser] als gevolg van het ongeval is, waarover partijen het nu juist niet met elkaar eens zijn.

4.16.

 

[eiser] is op dit verweer, dat Turien naar het oordeel van de rechtbank terecht heeft gevoerd, niet meer teruggekomen. Daar komt bij dat de rechtbank in 4.12 al heeft geoordeeld dat de gestelde arbeidsongeschiktheid niet is toe te rekenen aan uitsluitend het ongeval. Daarmee kan [eiser] geen aanspraak maken op vergoeding van zijn volledige verlies aan arbeidsvermogen op grond van de polisvoorwaarden. Vordering 3.1.III zal daarom worden afgewezen.

 

Veroordeling vergoeding materiële en immateriële schade

4.17.

 

Dan moet nog worden beoordeeld vordering 3.1.IV. [eiser] vordert dat Turien wordt veroordeeld om zijn volledige materiële en immateriële schade ten gevolge van het ongeval, nader op te maken bij staat, te vergoeden.

4.18.

 

Materiële schade

4.18.1.

 

[eiser] stelt dat hij door het ongeval materiële schade heeft geleden. Volgens [eiser] is hij door het ongeval arbeidsongeschikt geraakt. Zijn verlies aan verdienvermogen inclusief pensioenschade is niet elders verzekerd. De beëindigingsvergoeding en de sommenuitkering onder de OIV die [eiser] heeft ontvangen (zie 2.3 en 2.6), komen niet voor verrekening met zijn schade in aanmerking, zodat Turien zijn volledige schade op grond van de SVI-/WEGAS-verzekering dient te vergoeden, aldus [eiser] .

4.18.2.

 

Naast het verweer dat ook deze vordering zinledig is, betwist Turien dat [eiser] materiële schade heeft geleden. Zij betwist althans de door [eiser] gestelde omvang daarvan. Turien bestrijdt dat [eiser] als het gevolg van het ongeval niet meer kan werken. Uit het rapport van Edixhoven is volgens Turien namelijk af te leiden dat de beperkingen die [eiser] door de inzakkingsfractuur ondervindt betrekkelijk gering zijn. Deze beperkingen staan het uitoefenen van de functie ‘directeur retail’ of een vergelijkbare functie volgens Turien niet in de weg. Voor zover de arbeidsongeschiktheid van [eiser] wel deels aan het ongeval kan worden toegerekend, dan dient de vergoedingsplicht van Turien op grond van artikel 6:101 BW beperkt te blijven tot 25%. Dit omdat de arbeidsongeschiktheid van [eiser] grotendeels te wijten is aan de coxartrose die niet kan worden gerelateerd aan het ongeval. Met de beëindigingsvergoeding is het verlies aan arbeidsvermogen volgens Turien bovendien goeddeels gecompenseerd. Turien stelt zich daarnaast op het standpunt dat de beëindigingsvergoeding op grond van voordeelstoerekening (artikel 6:100 BW) met de schade dient te worden verrekend. Dat geldt op grond van een arrest van de Hoge Raad van 1 oktober 20101 volgens Turien ook voor de verzekeringsuitkering die [eiser] van Nationale Nederlanden heeft ontvangen. Ook op grond van paragraaf 12 sub a van de polis dient deze verzekeringsuitkering te worden verrekend. In die paragraaf is namelijk bepaald dat de verzekering de schadevergoedingsverplichting alleen dekt voor “niet elders verzekerde schade”. Nu [eiser] onder de OIV € 9.300 heeft ontvangen, is € 9.300 van de schade (verlies aan arbeidsvermogen) door een andere verzekering vergoed. Voor dat bedrag is de schade op grond van de SVI-/WEGAS-verzekering dus in ieder geval niet gedekt, aldus Turien.

4.18.3.

 

De rechtbank stelt voorop dat voor verwijzing naar de schadestaat voldoende is dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Dat (één of meer van) de in 4.8 opgesomde beperkingen als gevolg van zijn rugklachten, gelet op het werk dat [eiser] deed, hebben geleid tot verlies aan arbeidsvermogen dat op grond van de SVI-/WEGAS-verzekering vergoed moet worden, acht de rechtbank aannemelijk. De rechtbank komt tot dit oordeel omdat de inzakkingsfractuur volgens Edixhoven heeft geleid tot 19% blijvende invaliditeit. Uit het rapport van Edixhoven volgt bovendien dat [eiser] door zijn rugklachten in het zitten en autorijden is beperkt en dat zijn beperkingen bij het staan en lopen erger zijn geworden. De mate waarin de in 4.8 genoemde beperkingen relevant zijn en tot uitval van [eiser] hebben geleid zal evenwel (mogelijk) door een arbeidsdeskundige moeten worden onderzocht.

4.18.4.

 

Nu voldoende aannemelijk is dat [eiser] door het ongeval materiële schade heeft geleden, zal de zaak naar de schadestaatprocedure worden verwezen. De rechtbank acht vordering 3.1.IV toewijsbaar zoals in de beslissing onder 5.3 is vermeld. Het debat over de omvang van de materiële schade kan in de schadestaatprocedure worden voortgezet. Daar kan ook het beroep op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW dat Turien heeft gedaan aan de orde komen. Wel zal de rechtbank hier het door Turien gedane beroep op voordeelstoerekening (artikel 6:100 BW) beoordelen.

 

Voordeelstoerekening

4.18.5.

 

Partijen zijn het er niet over eens of de beëindigingsvergoeding en de verzekeringsuitkering van Nationale Nederlanden mogen worden verrekend met de schade die Turien zal moeten vergoeden in verband met de arbeidsongeschiktheid van [eiser] . Artikel 6:100 BW bepaalt dat als een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade ook voordeel heeft opgeleverd, dit voordeel, voor zover dit redelijk is, bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening moet worden gebracht.

4.18.6.

 

De beëindigingsvergoeding als zodanig komt naar het oordeel van de rechtbank niet in aanmerking voor verrekening op grond van artikel 6:100 BW. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling namelijk verklaard dat zijn dienstverband bij Boerenbond is beëindigd omdat hij een beleidsmatig verschil van inzicht had met de eigenaar van Boerenbond. Ook Turien gaat daar van uit. De beëindigingsvergoeding vindt dus niet zijn oorzaak in het ongeval. Artikel 6:100 BW is dan ook wat de beëindigingsvergoeding betreft niet van toepassing. Dat wil overigens niet zeggen dat de beëindigingsvergoeding geen rol kan spelen bij de vraag of en in welke omvang [eiser] inkomensschade heeft geleden. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 4.18.4 is overwogen, kan die vraag aan de orde komen in de schadestaatprocedure.

4.18.7.

 

Als het gaat om het bedrag van € 9.300 dat [eiser] op grond van de OIV heeft ontvangen en Turien in mindering wil brengen op de te betalen schadevergoeding, heeft Turien terecht verwezen naar het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 1 oktober 2010. In dat arrest heeft de Hoge Raad zes gezichtspunten gegeven aan de hand waarvan de rechter dient te beoordelen of verrekening redelijk is in het geval van letselschade waarbij het opkomend voordeel bestaat in een verzekeringsuitkering. Die gezichtspunten, beschreven in r.o. 3.5.3 van het arrest, komen samengevat op het volgende neer.

 

Van verrekening op grond van artikel 6:100 BW zal in het algemeen alleen dan sprake kunnen zijn als de uitkering ertoe strekt dezelfde schade te vergoeden als die waarvoor de partij die zich op voordeelstoerekening beroept, aansprakelijk is (sub a). Geschiedt de uitkering ingevolge een schadeverzekering dan zal – als voldaan is aan het vereiste sub a – verrekening in beginsel op zijn plaats zijn (sub b). Is de uitkering daarentegen ontvangen uit een sommenverzekering die door de benadeelde zelf is gesloten en betaald, dan komt deze in beginsel niet voor verrekening in aanmerking (sub c). Is de premie voor de sommenverzekering door de aansprakelijke persoon betaald, dan kan daarin aanleiding worden gevonden wel tot verrekening over te gaan (sub d). Verrekening van een uitkering uit een sommenverzekering zal in het algemeen niet in overeenstemming zijn met de redelijkheid als de aansprakelijkheid gedekt is door een verzekering (sub e). Voor verrekening bestaat in het algemeen eerder aanleiding als sprake is van risicoaansprakelijkheid dan wanneer de aansprakelijkheid is gebaseerd op schuld (sub f).

4.18.8.

 

[eiser] heeft de stelling van Turien dat de verzekeringsuitkering van Nationale Nederlanden van € 9.300 strekt tot vergoeding van dezelfde (inkomens)schade die Turien dient te vergoeden, niet betwist. De rechtbank zal daarvan dan ook uitgaan. Nu niet in geschil is dat de betreffende OIV een sommenverzekering is en Turien onweersproken heeft gesteld dat deze door Boerenbond is afgesloten, waarbij Boerenbond ook de premies heeft voldaan, acht de rechtbank het redelijk dat de uitkering wordt verrekend met de schade die Turien in verband met de arbeidsongeschiktheid van [eiser] zal moeten betalen.

4.19.

 

Immateriële schade

4.19.1.

 

Voor de immateriële schade van [eiser] zal de zaak niet naar de schadestaatprocedure worden verwezen. Het verweer van Turien dat [eiser] deze schadepost al vergoed heeft gekregen, heeft [eiser] namelijk onweersproken gelaten. De rechtbank dient er daarom van uit te gaan dat de immateriële schade van [eiser] al is vergoed. Wel zal de rechtbank Turien veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.000, omdat op de mondelinge behandeling bleek dat dit bedrag door Turien, naast het reeds uitbetaalde bedrag van € 10.000 als bedoeld onder 2.6, nog als immateriële schadevergoeding was toegezegd, maar nog niet was betaald. Omdat Turien dit bedrag na de mondelinge behandeling mogelijk inmiddels wel heeft betaald, zal de rechtbank de veroordeling voorwaardelijk uitspreken.

 

Conclusie

4.20.

 

De conclusie is dat het verzet van Turien gedeeltelijk gegrond is en dat de tot vernietiging van het verstekvonnis strekkende vordering zal worden toegewezen.

 

Proceskosten

4.21.

 

Omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt in zowel de verstekprocedure als de verzetprocedure.

5 De beslissing

 

De rechtbank

5.1.

 

vernietigt het door deze rechtbank op 5 februari 2020 tussen [eiser] als eiser en Turien als gedaagde onder zaak- en rolnummer C/15/297776 / HA ZA 20-10 gewezen verstekvonnis,

 

en beslist opnieuw:

5.2.

 

verklaart voor recht dat sprake is van juridisch causaal verband tussen het ongeval van 14 mei 2013 en de door [eiser] opgelopen rugklachten en daaruit voortvloeiende beperkingen, die concreet bestaan uit de hiervoor in 4.8 opgesomde beperkingen,

5.3.

 

veroordeelt Turien om de materiële schade van [eiser] als gevolg van het ongeval aan [eiser] te vergoeden, nader op te maken bij staat,

5.4.

 

veroordeelt Turien om, naast het reeds uitbetaalde bedrag van € 10.000, aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.000 aan immateriële schadevergoeding, onder de voorwaarde dat betaling van dat laatste bedrag nog niet heeft plaatsvonden,

5.5.

 

verklaart dit vonnis wat 5.3 en 5.4 betreft uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

 

wijst het meer of anders gevorderde af,

5.7.

 

compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat iedere partij zowel in de verstekprocedure als in de verzetprocedure de eigen kosten draagt.

 

Dit vonnis is gewezen door mr.drs. J. Blokland, mr. S.M. Auwerda en mr. J. van der Kluit en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2021.2

 

1 ECLI:NL:HR:2010:BM7808 (Verhaeg/Jenniskens)

 

2 type: NMB coll:

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey