Rb: studievertraging door onrechtmatig studieadvies begroot op basis van Richtlijn Studievertraging DLR

Samenvatting:

Eiser heeft jaar studievertraging door onrechtmatig studieadvies door Hogeschool. De kantonrechter zoekt voor de begroting van de schade aansluiting bij de Richtlijn Studievertraging van De Letselschade Raad . die voor één jaar studievertraging op HBO-niveau een normbedrag van € 9.800,- biedt. Met betrekking tot het te verrekenen voordeel dat eiser heeft genoten acht de kantonrechter het op basis van belastingaangifte redelijk dat een bedrag van € 3.000,- aan verkregen voordeel wordt afgetrokken van het schadebedrag.

 

ECLI:NL:RBAMS:2019:5247

 

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak

19-07-2019

Datum publicatie

24-09-2019

Zaaknummer

7546811 CV EXPL 19-4294

Rechtsgebieden

Civiel recht

Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Negatief bindend studieadvies. Studievertraging. Schadeberekening.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

PS-Updates.nl 2019-1142

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

 

afdeling privaatrecht

 

Zaaknummer en rolnummer: 7546811 CV EXPL 19-4294

 

Vonnis van: 19 juli 2019

 

Vonnis van de kantonrechter

 

in de zaak van:

 

[eiser]

 

wonende te [woonplaats] ,

 

eiser,

 

gemachtigde: mr. P.S. Folsche te Utrecht,

 

t e g e n

 

de stichting

 

Stichting Hogeschool van Amsterdam

 

gevestigd te Amsterdam,

 

gedaagde,

 

gemachtigde: mr. M.S. Tissingh te Amsterdam.

 

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en de HvA.

 

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

 

de dagvaarding van 29 januari 2019, met producties,

 

de conclusie van antwoord, met producties,

 

het tussenvonnis van 2 mei 2019, waarbij een bijeenkomst van partijen is bevolen,

 

het proces-verbaal van comparitie van 13 juni 2019.

 

Daarna is vonnis bepaald.

1 De feiten

1.1.

 

De HvA is een instelling voor hoger onderwijs in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

1.2.

 

[eiser] is in het studiejaar 2013-2014 gestart met de opleiding Sociaal Juridische Dienstverlening (SJD) aan de HvA en was in het studiejaar 2014-2015 ingeschreven voor het tweede jaar van die opleiding. [eiser] heeft in zijn eerste studiejaar 56 studiepunten behaald en heeft na dat jaar een positief studieadvies gekregen.

1.3.

 

Bij beslissing van 14 juli 2015 heeft (de examencommissie namens het bestuur van) de HvA aan [eiser] in verband met het aantal door hem behaalde studiepunten een negatief bindend studieadvies gegeven. Dat betekende dat [eiser] zich niet kon herinschrijven voor het nieuwe studiejaar (2015/2016).

1.4.

 

Tegen de beslissing van 14 juli 2015 heeft [eiser] beroep ingesteld bij het College van Beroep voor Examens van de HvA. Dat college heeft zijn beroep ongegrond verklaard.

1.5.

 

In hoger beroep bij het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO) heeft de HvA ter zitting van 10 augustus 2016 verklaard dat zij het negatief studieadvies heeft ingetrokken. [eiser] heeft daarop het hoger beroep (voor zover dat hierop zag) ingetrokken.

1.6.

 

[eiser] heeft hierdoor met ingang van 1 september 2016 de opleiding SJD weer kunnen hervatten.

2 Vordering en verweer

2.1.

 

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de HvA veroordeelt tot betaling van € 19.800,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 september 2015, met veroordeling van de HvA in de proceskosten en de nakosten, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente.

2.2.

 

[eiser] legt hieraan ten grondslag dat de HvA met het – na afloop van zijn tweede jaar – geven van een negatief studieadvies onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. De wettelijke regeling verzet zich er namelijk tegen dat studenten die na het eerste jaar een positief studieadvies hebben gekregen in een latere fase van de studie alsnog een negatief studieadvies krijgen. De opleiding van [eiser] is hierdoor met een jaar vertraagd. Die vertraging geldt ook voor [eiser] ’s toetreding als afgestudeerde tot de arbeidsmarkt. Aldus mist [eiser] door toedoen van de HvA een jaar inkomsten uit arbeid. De HvA dient deze schade van [eiser] , die is te begroten overeenkomstig de Letselschade Richtlijn Studievertraging (hierna: de Richtlijn), te vergoeden, aldus steeds [eiser] .

2.3.

 

De HvA voert verweer.

2.4.

 

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

3 Beoordeling

3.1.

 

De kantonrechter overweegt als volgt.

3.2.

 

Niet is geschil is dat de HvA met het geven van een negatief studieadvies op 14 juli 2015 onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, zodat dit bij de boordeling tot uitgangspunt strekt. De HvA is dan ook gehouden de schade die [eiser] als gevolg van dit onrechtmatige handelen heeft geleden aan hem te vergoeden.

3.3.

 

Voor het antwoord op de vraag of de HvA schadeplichtig is, zal allereerst moeten worden beoordeeld of er causaal verband bestaat tussen de door [eiser] opgelopen studievertraging en het onrechtmatige handelen van de HvA. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] hiervoor voldoende gesteld. De onrechtmatige beslissing van 14 juli 2015 heeft tot gevolg gehad dat [eiser] één jaar niet heeft kunnen studeren. Anders dan de HvA lijkt te veronderstellen, heeft het feit dat [eiser] (zoals bij veel studenten het geval is) hoe dan ook langer over zijn studie doet dan de vier jaren die daarvoor staan in dit kader geen betekenis. Het gaat er immers om dat [eiser] door toedoen van de HvA ten onrechte gedurende één jaar niet aan de opleiding SJD heeft kunnen deelnemen, waardoor hij, ervan uitgaand dat hij in hetzelfde tempo als voorheen doorstudeert, ook een jaar later zal uitstromen.

3.4.

 

[eiser] neemt tot uitgangspunt dat hij schade heeft geleden doordat de opgelopen studievertraging heeft geleid (althans zal leiden) tot een latere toetreding, als afgestudeerde, tot de arbeidsmarkt. De HvA bestrijdt echter dat door haar onrechtmatig handelen de toetreding van [eiser] tot de arbeidsmarkt is vertraagd. Daartoe voert de HvA onder meer aan dat [eiser] al toegetreden is tot de arbeidsmarkt gedurende zijn studie. Uit een door [eiser] overgelegde arbeidsovereenkomst tussen Stichting Dynamo Welzijn (hierna: Dynamo) en [eiser] blijkt dat hij gewerkt heeft bij Dynamo als medewerker Sociaal Juridische Dienstverlening, aldus de HvA.

 

De kantonrechter volgt de HvA niet in deze redenering. [eiser] heeft voldoende duidelijk gemaakt dat hij met zijn werkzaamheden bij Dynamo (aanvankelijk een zomerbaan en recent weer begonnen na een stage) nog niet het inkomen verdient dat hij zou kunnen krijgen na het afronden van zijn studie. Het feit dat [eiser] al tijdens zijn studie werkzaamheden op het gebied van zijn studie verricht betekent dan ook nog niet dat hij al tot de relevante arbeidsmarkt is toegetreden en geen schade heeft geleden.

3.5.

 

Ook aan het betoog van de HvA dat niet vast staat dat [eiser] direct na zijn afstuderen daadwerkelijk tot de (relevante) arbeidsmarkt zal toetreden wordt voorbij gegaan. Immers staat wel vast dat [eiser] als gevolg van het onrechtmatig handelen van de UvA een jaar later op de arbeidsmarkt komt. Daardoor kan hij ook pas een jaar later starten met het zoeken naar een baan (op niveau), zodat ervan uit moet worden gegaan dat het moment waarop hij een baan vindt ook met een jaar opschuift. Concrete feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat [eiser] geen schade zal lijden als gevolg van de opgelopen studievertraging, zijn gesteld noch gebleken

3.6.

 

Ter beoordeling staat verder wat de omvang van de door [eiser] geleden schade is en in hoeverre die voor rekening van de HvA kan worden gebracht. De HvA stelt in dit verband dat [eiser] zijn schade had kunnen beperken op verschillende wijzen: door het volgen van een speciaal op zijn situatie toegesneden inhaalplan (hierna: het studieplan) had hij een half jaar op zijn studieprogramma kunnen inlopen, hij had bij het CBHO een voorlopige voorziening kunnen aanvragen om snel duidelijkheid te verkrijgen over zijn situatie en hij had zich kunnen inschrijven voor een opleiding bij een andere onderwijsinstelling. Door na te laten deze maatregelen te treffen dient eventuele schade voor zijn rekening te blijven, aldus de HvA.

3.7.

 

Dit verweer treft ten dele doel. De HvA heeft voldoende onderbouwd dat zij in het kader van een minnelijke regeling het studieplan ter beperking van de studievertraging aan [eiser] heeft voorgelegd op 23 juni 2016. [eiser] heeft er evenwel voor gekozen het studieplan niet te volgen. Voor zover hij aanvoert dat dit ook niet van hem kon worden verwacht omdat het studieplan van hem vergde dat hij meer studiepunten zou moeten behalen dan nominaal, zonder aanvullende voorzieningen en tegemoetkomingen in de studielast, wordt daaraan voorbijgegaan. Ter comparitie heeft de HvA voldoende toegelicht dat het een reëel studieplan op maat betrof, waarvoor [eiser] niet harder hoefde te werken dan een normale student, en dat [eiser] door het studieplan te volgen een half jaar zou kunnen inlopen. Middels het studieplan op maat (dat niet aan ‘gewone’ studenten met studievertraging wordt aangeboden) kon [eiser] zijn nog ontbrekende studiepunten uit het eerste jaar behalen en daarnaast de benodigde vakken van het tweede jaar, zodat hij een half jaar eerder op stage zou kunnen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de schade als gevolg van een jaar studievertraging voor de helft, te weten voor een periode van een half jaar, voor rekening van [eiser] dient te blijven.

3.8.

 

De stelling van de HvA dat [eiser] zijn schade had moeten beperken door een voorlopige voorziening aan te vragen wordt niet gevolgd. Voor [eiser] was op dat moment niet duidelijk of een gevraagde voorziening zou zijn verleend. Bovendien zou, als de voorlopige voorziening was verleend, voor hem een onzekere situatie zijn blijven bestaan, waarbij voor hem niet duidelijk zou zijn geweest of doorstuderen uiteindelijk voor hem tot het gewenste resultaat zou leiden. In de gegeven omstandigheden behoefde van hem dan ook niet te worden verwacht dat hij een voorlopige voorziening zou aanvragen. Evenmin kon van [eiser] in de gegeven omstandigheden worden gevergd dat hij – hangende zijn beroep – zijn studie bij een andere onderwijsinstelling zou voortzetten. Terecht merkt [eiser] op dat, wanneer dit van studenten in zijn situatie zou worden verlangd, dit hun rechtsbescherming illusoir zou maken, aangezien zij bij een gunstige uitspraak op hun beroep geen belang meer zouden hebben.

3.9.

 

De HvA heeft verder nog gesteld dat [eiser] in staat was om te werken – en dit conform de op hem rustende schadebeperkingsplicht ook heeft gedaan – waardoor zijn verdiensten in mindering dienen worden gebracht op de door zijn gevorderde schadevergoeding. Vaststaat dat [eiser] in het tussenjaar heeft gewerkt en inkomsten heeft vergaard als nachtreceptionist. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] zijn inkomsten in het jaar dat hij niet heeft kunnen werken niet naast zijn studie had kunnen verwerven. Anderzijds kan [eiser] wel worden gevolgd in zijn stelling dat volledige verrekening van dit door hem verkregen voordeel niet redelijk is en dat de inspanningen van [eiser] niet volledig ten goede zouden moeten komen aan de HvA. De kantonrechter zal daarom de verkregen inkomsten als hierna te melden slechts voor een deel met de geleden schade verrekenen.

3.10.

 

Artikel 6:97 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de rechter de schade begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is en dat, als de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld (zoals hier het geval is), zij wordt geschat. Met [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat, bij gebrek aan andere reële aanknopingspunten, hiervoor aansluiting kan worden gezocht bij de Richtlijn, die voor één jaar studievertraging op HBO-niveau een normbedrag van EUR 19.800,- biedt, wat voor een half jaar vertraging dus moet worden gehalveerd tot EUR 9.900,-. Met betrekking tot het te verrekenen voordeel dat [eiser] heeft genoten geldt dat [eiser] volgens door hem overgelegde verklaringen van de belastingdienst in 2015 een bedrag van EUR 4.145,- aan inkomen heeft gehad en in 2015 een bedrag van EUR 15.728,-. Rekening houdend met deze genoten inkomsten acht de kantonrechter het redelijk dat een bedrag van EUR 3.000,- aan verkregen voordeel wordt afgetrokken van het schadebedrag van EUR 9.900,-, zodat een bedrag van EUR 6.900,- resteert.

3.11.

 

De slotsom is dat de HvA zal worden veroordeeld aan [eiser] te voldoen een bedrag van EUR 6.900,-. De gevorderde wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag is eveneens toewijsbaar, nu hiertegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd.

3.12.

 

De HvA zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding. Deze worden begroot op EUR 104,81 aan kosten dagvaarding, EUR 486,- aan griffierecht en EUR 600,- aan salaris gemachtigde, in totaal

 

EUR 1.190,81. De nakosten zijn toewijsbaar als hierna te melden.

4 Beslissing

 

De kantonrechter:

 

– veroordeelt de HvA tot betaling aan [eiser] van EUR 6.900,- (zesduizend negenhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 september 2015;

 

– veroordeelt de HvA in de kosten van het geding, tot dit vonnis aan de zijde van [eiser] begroot op EUR 1.190,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

 

– veroordeelt de HvA in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op EUR 120,-, te vermeerderen met EUR 68,-, onder de voorwaarden dat de HvA niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van 14 dagen na de bedoelde aanschrijving tot aan de voldoening;

 

– verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

 

– wijst het meer of anders gevorderde af.

 

Aldus gewezen door mr. S.P. Pompe, kantonrechter, bijgestaan door mr. S. Jeddaoui, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juli 2019.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey