Rb: Smartengeld uit art. 54a Barp richt zich naar het moment van besluitname

Samenvatting:

De politieambtenaar is in 2015 betrokken geweest bij een dienstongeval. De blijvende invaliditeit van eiser is vastgesteld op 1%. Hij heeft op grond van de Regeling smartengeld dienstongevallen politie recht op smartengeld naar het percentage blijvende invaliditeit waarvan het maximum in 2015 € 159.915 bedroeg. In 2017 gold een bedrag van € 161.555. In maart 2017 werd hem netto € 1.593,20 toegekend. De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om een bestuursrechtelijke aanspraak op smartengeld na een dienstongeval. Hoofdregel in het bestuursrecht is dat het bestuursorgaan het recht toepast dat geldt op het moment dat het besluit wordt genomen. Tussen partijen staat vast dat de loonstrook over maart 2017 het betreffende besluit is. Het Barp, noch de Regeling kent een uitzondering op de hoofdregel. De polisvoorwaarden van de collectieve ongevallenverzekering kunnen de korpschef niet baten, omdat in de rechtspraak al is uitgemaakt dat de rechtspositie van een politieambtenaar niet daardoor kan worden bepaald. De politieambtenaar heeft daarom recht op een vergoeding van smartengeld van netto € 1.615,55.

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 20-07-2018
Datum publicatie 14-12-2018
Zaaknummer AWB – 17 _ 3744
Rechtsgebieden Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie
In een loonstrook van maart 2017 is vastgelegd dat verweerder aan eiser een bedrag aan smartengeld heeft uitgekeerd wegens een dienstongeval uit 2015 (primaire besluit).
Wetsverwijzingen
Besluit algemene rechtspositie politie 54
Besluit algemene rechtspositie politie 54a
Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/3744

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2018 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: B.O. Vreeswijk),

en

de korpschef van de politie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.H. ten Have).

Procesverloop

In een loonstrook van maart 2017 is vastgelegd dat verweerder aan eiser een bedrag aan smartengeld heeft uitgekeerd wegens een dienstongeval uit 2015 (primaire besluit).

Bij besluit van 19 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1. Eiser is op [datum] 2015 betrokken geweest bij een ongeval. Verweerder heeft dit ongeval erkend als dienstongeval als bedoeld in artikel 54 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). De blijvende invaliditeit van eiser is vastgesteld op 1%.

1.2. In artikel 54a, eerste lid, van het Barp is het netto maximum bedrag vastgesteld dat als smartengeld kan worden vergoed wegens invaliditeit ten gevolge van een dienstongeval. Het smartengeld is een percentage van het maximale bedrag. Artikel 3, tweede lid, van de Regeling smartengeld dienstongevallen politie (de Regeling) bepaalt dat het smartengeld gelijk is aan de in procenten vastgestelde mate van invaliditeit. Het maximum bedrag aan smartengeld is vanaf 2012 geïndexeerd. In 2015 bedroeg het in artikel 54a, eerste lid, van het Barp vastgestelde maximum bedrag € 159.915,-. In 2017 gold een bedrag van € 161.555,-.

1.3. Uit eiseres loonstrook van maart 2017 blijkt dat aan hem wegens smartengeld een bedrag van netto € 1.593,20 is toegekend.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder – verkort weergegeven –het volgende laten weten. Voor de vergoeding van smartengeld is het moment van de schadeveroorzakende gebeurtenis doorslaggevend. Het ongeval heeft plaatsgevonden op [datum] 2015. Verweerder gaat dus uit van het in dat jaar geldende maximum bedrag aan smartengeld. Deze lijn wordt al sinds 1997 gehanteerd. Voor dienstongevallen is een collectieve ongevallenverzekering afgesloten. De verzekeringsmaatschappij stelt de hoogte van de schade niet onmiddellijk na het ongeval vast. Daarom is het jaar van uitkering altijd later en wordt er rente betaald bij de uitkering.

3. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder uit had moeten gaan van het geïndexeerde bedrag dat gold op het moment dat het primaire besluit bekend gemaakt werd. Dat was in 2017, waar een geïndexeerd bedrag van maximaal € 161.555,- bij hoort.

4.1. De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om een bestuursrechtelijke aanspraak op smartengeld na een dienstongeval. Hoofdregel in het bestuursrecht is dat het bestuursorgaan het recht toepast dat geldt op het moment dat het besluit wordt genomen. Tussen partijen staat vast dat de loonstrook over maart 2017 het besluit is waarbij smartengeld werd toegekend. Toepassing van die hoofdregel betekent dat verweerder zich bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld had moeten baseren op artikel 54a, eerste lid, van het Barp zoals dat luidde in maart 2017. Op dat moment was daarin het maximale bedrag aan smartengeld bepaald op € 161.555,-.

4.2. Het betoog van verweerder komt erop neer dat er aanleiding bestaat om een uitzondering op de hiervoor onder 4.1. bedoelde hoofdregel aan te nemen. Verweerder wordt hierin niet gevolgd. Immers in het Barp, noch in de Regeling wordt een uitzondering gemaakt op de onder 4.1 omschreven regel. Ook blijkt niet uit de toelichtingen bij deze regelingen dat de regelgever bij de vergoeding voor smartengeld na dienstongevallen een uitzondering op deze regel voor ogen stond.

4.3. Verweerder verwijst ook naar de polisvoorwaarden van de collectieve ongevallenverzekering die hij heeft afgesloten. Dit kan hem niet baten, omdat in de rechtspraak al is uitgemaakt dat de rechtspositie van een politieambtenaar niet daardoor kan worden bepaald (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2009:BK0687).

4.4. Ook betoogt verweerder dat het al sinds 1997 bestendig gebruik zou zijn om de hoogte van het smartengeld na een dienstongeval vast te stellen op een manier gelijk zoals hij bij eiser heeft gedaan. Dit gebruik berust erop dat de aanspraak op smartengeld ontstaat ten tijde van de schadeveroorzakende gebeurtenis. Het mag civielrechtelijk zo zijn dat een verbintenis tot schadevergoeding ontstaat op het moment van de schadeveroorzakende gebeurtenis. Dat kan echter niet afdoen aan de ook in dit geval bij de toepassing van artikel 54a van het Barp geldende regel dat een bestuursorgaan het recht dient toe te passen dat geldt op het moment van het nemen van het besluit. Bestuursrechtelijk ontstaat de aanspraak op vergoeding van smartengeld in de zin van artikel 54a van het Barp pas nadat de ambtenaar op de voet van de artikelen 2 en 8 van de Regeling melding maakt van een dienstongeval, een aanvraag doet om vergoeding van smartengeld en verweerder daarover een besluit neemt. In zoverre verschilt het bestuursrecht dus van het civiele recht.

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Daarbij ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het bedrag aan smartengeld had moeten worden vastgesteld op basis van het in 2017 geldende maximum bedrag van € 161.555,-. Eiser heeft recht op een vergoeding van smartengeld van netto € 1.615,55. De rechtbank bepaalt dat dit bedrag aan eiser wordt toegekend.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.503,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
– verklaart het beroep gegrond;
– vernietigt het bestreden besluit;
– herroept het primaire besluit;
– bepaalt dat verweerder aan eiser smartengeld vergoedt tot een bedrag van netto € 1.615,55;
– bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
– draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;
– veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.503,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. Vermeij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots