Rb: niet objectief vast te stellen dat de klachten reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn

Samenvatting:

Uit onderzoek door drie deskundigen (neuroloog, orthopeed en psychiater) blijkt dat klachten en gestelde beperkingen niet consistent zijn. De opmerkingen van de neuroloog over de aard en impact van de aanrijding, de opmerkingen van de orthopeed over de verdenking van simulatie bij het krachtonderzoek en de conclusie van de psychiater over inconsistenties en discrepanties in het verslag van eiser wijzen er in voldoende mate op dat sprake is van simulatie dan wel het overdrijven van klachten. Vordering gebaseerd op subjectieve gezondheidsklachten afgewezen, met veroordeling van eiser in de kosten.

Rb:

 

sprake is van klachten en beperkingen die aan het ongeval kunnen worden toegerekend. De vorderingen van [EISER] worden dan ook afgewezen.

 

 

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

 

Civiel recht handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: Ch 6/387412 / HA ZA 15-205

 

Vonnis van 8 mei 2019 in de zaak van

 

[EISER],
wonende te Gronau, Duitsland, eiser,

advocaat mr. MJ.E.C. Camps,

 

tegen

naamloze vennootschap

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. H. van Katwijk.

 

 

Partijen zullen hierna [EISER] en ASR genoemd worden.

 

  1. De procedure

1.1.      Het verloop van de procedure blijkt uit:

– het tussenvonnis van 14 februari 2018, waarbij dr. [ORTHOPEED] (orthopeed) en dr.

[PSYCHIATER] (psychiater) als deskundigen zijn benoemd,

– het deskundigenbericht van [ORTHOPEED] van 13 november 2018,

– het deskundigenbericht van [PSYCHIATER] van 25 november 2018,

– de conclusie na deskundigenberichten met producties 22 tot en met 25 van ASR,

– de antwoordconclusie na deskundigenbericht, tevens akte wijziging van eis, met producties

11 tot en met 13, van [EISER]

– de akte uitlating producties van ASR, waarbij ASR ook bezwaar heeft gemaakt tegen de

wijziging van eis.

1.2.      Ten slotte is vonnis bepaald.

 

  1. De verdere beoordeling

De wijziging van eis

2.1.      [EISER] heeft in zijn antwoordconclusie, tevens akte wijziging eis, de

vordering gewijzigd in die zin dat hij nu, kort weergegeven, vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

– te verklaren voor recht dat alle door [EISER] geleden en te lijden schade in juridisch causaal verband staat met het ongeval van 12 november 2012, en

– ASR te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 76.345,00 + PM (–toekomstschade tot een looptijd van 01-01-2018) althans enig ander redelijk bedrag en inclusief berekende VAV schade tot 01-01-2014), en daarnaast te bepalen dat een bewegingswetenschapper of verzekeringsarts wordt benoemd en verder een arbeidsdeskundige, ook voor de toekomstige VAV-schade,

– de (toekomstige) schade voor zover mogelijk voor de rest bij begroting vast te stellen en uit te laten rekenen door NLR, dan wel deze schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

– een en ander te vermeerderen met rente en kosten en belastinggarantie,

– te bepalen dat ASR een smartengeld betaalt van € 20.000,00, althans enig ander bedrag.

2.2.      Tegen het vorderen van andere bedragen maakt ASR geen bezwaar. Zij verzet zich

tegen de eiswijziging die gaat over het verzoek van [EISER] om een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidsdeskundige, althans bewegingswetenschapper of verzekeringsarts te benoemen. ASR wijst erop dat in het tussenvonnis van 14 februari 2018 al is overwogen dat het benoemen van een verzekeringsgeneeskundige niet aan de orde is. De rechtbank verklaart dit bezwaar tegen de wijziging van eis ongegrond. Van strijd met de eisen van een goede procesorde geen sprake is. In het tussenvonnis van 14 februari 2018 werden een orthopedische en psychiatrische expertise, en niet een onderzoek door een verzekeringsarts, geïndiceerd geacht om zicht te krijgen op de problematiek die op dat moment speelde. Dit wil echter nog niet zeggen dat in een later stadium van de procedure de benoeming van een verzekeringsarts aan de orde kan zijn. Als de causaliteit tussen de klachten en het ongeval is komen vast te staan, zal de verzekeringsarts aan de hand van de uitkomsten van de medische onderzoeken een belastbaarheids- en beperkingenprofiel moeten opstellen, waarna er een arbeidsdeskundige geraadpleegd moet worden over de – kort gezegd – verdiencapaciteit van [EISER]. Dit is de voor hand liggende gang van zaken. De rechtbank zal dus uitgaan van de gewijzigde eis.

 

Wat is er gebeurd?

2.3.      Op 12 november 2012 heeft een aanrijding plaatsgevonden waarbij [EISER]

betrokken was. ASR is de WAM-verzekeraar van degene die het ongeval heeft veroorzaakt. De verzekerde van ASR wilde de straat de Geelgors in Almelo linksaf inrijden. [EISER] reed met zijn auto over de Zeven Bosjes in Almelo vanuit tegenovergestelde richting en hij wilde de Geelgors voorbij rijden toen voor hem de weg werd afgesneden door de auto van de verzekerde van ASR, waardoor [EISER] met de voorkant van zijn auto tegen de rechterkant van de auto van de verzekerde van ASR botste.

 

Waar gaat het in deze zaak om?

2.4.      Volgens [EISER] heeft hij sinds het ongeval verschillende lichamelijke,

cognitieve en psychische (pijn)klachten die kenmerkend zijn voor het postwhiplashsyndroom, waarbij hoofdpijn, nek- en rechterschouderklachten de boventoon voeren. Hij stelt dat de klachten alleen maar toenemen. ASR heeft echter bestreden dat de klachten een gevolg zijn van het ongeval dat [EISER] is overkomen. Tussen partijen is discussie ontstaan over de vraag of sprake is van medische klachten en beperkingen die het gevolg zijn van deze aanrijding.

Medische adviezen over de nek-schouderklachten

2.5.      Voordat de verschillende deskundigenberichten zijn opgesteld, hebben de medisch

adviseurs van ASR en [EISER] medisch advies gegeven. [MAA], de adviseur van ASR, heeft in zijn advies van 15 april 2014 opgemerkt dat [EISER] zich korte tijd na het ongeval tot zijn huisarts (of een vervanger) heeft gewend met relevante klachten, namelijk pij nklachten in het nek-schoudergebied. Volgens hem lijkt daarmee gegeven dat de klachten een gevolg zijn van het ongeval, zeker in het licht van de bekende voorgeschiedenis waarin geen klachten van nek-schouders of armen voorkomen. Hij merkt verder op dat expliciete schouderklachten rechts pas na verloop van tijd zijn geuit/gedocumenteerd en dat de eventuele eerdere klachten meer imponeerden als vanuit de nek uitstralende tendomyogene klachten in plaats van expliciete aan het schoudergewricht zelf gerelateerde klachten. Anders dan de tendomyogene nek- en schouderklachten staat de causaliteit van eventueel labrumletsel van de schouder (voor zover daarvan sprake zou zijn) wat [MAA] betreft dan ook niet ondubbelzinnig vast. Volgens [MAA] bieden de tendomyogene nek schouderklachten echter geen afdoende verklaring voor de forse beperkingen zoals die door [EISER] zijn beschreven.

[MAS], medisch adviseur van [EISER], is van mening dat moet worden aangenomen dat de schouderklachten ook een gevolg zijn van het ongeval, maar merkt op dat het in ieder geval reëel is beperkingen aan te nemen voor nek- en schouderbelastende activiteiten.

 

Deskundigenberichten: de neuroloog, orthopeed en psychiater

2.6.      Partijen zijn op basis van deze medische adviezen niet tot een oplossing van hun

geschil gekomen. De rechtbank heeft vervolgens deskundigenberichten noodzakelijk geacht. Als er discussie is over klachten en causaal verband, zoals hier het geval is, moet er immers objectief onderzoek gedaan worden. In de eerste plaats heeft de rechtbank dr. [NEUROLOOG], neuroloog, benoemd. Uit zijn rapport blijkt dat hij de hiervoor vermelde medische adviezen en de opmerkingen over de tendomyogene klachten heeft betrokken bij zijn onderzoek. [NEUROLOOG] is tot de conclusie gekomen dat er geen neurologische verklaring kan worden geboden voor de gezondheidsklachten van [EISER]. Volgens hem kan differentiaal diagnostisch wat betreft de hoofdpijnklachten worden gedacht aan een medicijnafhankeljke hoofdpijn. Verder geeft hij aan dat wat betreft de schouder- en nekklachten mogelijk een orthopedische oorzaak aanwezig kan zijn in de vorm van schouderletsel en secundaire uitstraling in de nek en arm. [NEUROLOOG] noemt daarnaast dat door de psychiater een depressie genoemd is en dat melding gemaakt wordt van een posttraumatisch stresssyndroom als diagnostische overweging.

2.7.      De rechtbank heeft overwogen dat de bevindingen en conclusies zoals neergelegd

in het rapport van [NEUROLOOG] uitgangspunt kunnen vormen voor de verdere beoordeling van de zaak, maar dat er wel eerst nader onderzoek dient plaats te vinden op orthopedisch en psychiatrisch vakgebied voordat uiteindelijk de beoordeling zal kunnen plaatsvinden van de gezondheidsklachten en het causaal verband tussen de gestelde klachten en het ongeval. [ORTHOPEED] en [PSYCHIATER] hebben deze onderzoeken op verzoek van de rechtbank uitgevoerd en respectievelijk op 13 november 2018 en 25 november 2018 gerapporteerd. [ORTHOPEED] heeft in zijn rapport vermeld dat hij bij zijn onderzoek de sinds het ongeval door [EISER] genoemde pijnklachten in de nek, het gebied tussen nek en schouderbladen, de rechterschouder, de gehele rechterarm en het gebied tussen de schouderbladen, heeft betrokken en heeft opgemerkt dat eerder is geconcludeerd dat sprake is van myogene pijnklachten na de aanrijding.

2.8.      Wat volgt er uit de drie rapporten als het gaat om medische klachten en

beperkingen als gevolg van de aanrijding?

Kunnen de gezondheidsklachten van [EISER] worden gekwalificeerd als een objectiveerbare medische stoornis?

2.9.      Uit het rapport van [NEUROLOOG] volgt dat geen afwijkingen op neurologisch vakgebied

kunnen worden vastgesteld.

Inmiddels is gebleken dat ook [ORTHOPEED] geen afwijkingen op zijn vakgebied heeft kunnen vinden. In zijn rapport staat:

‘Op grond van de bevindingen bij het onderzoek kan ik niet stellen dat op mijn vakgebied omstandigheden aanwezig zijn die klachten en beperkingen zouden kunnen verklaren op mijn vakgebied. Ik heb het over de precieze aard van de klachten, de lokalisatieaangifte, de intensiteit, de chroniciteit en dat in de anamnese een herkenbaar provocatiepatroon voor klachten ontbreekt.’

[PSYCHIATER] komt tot de volgende samenvatting van klachten en verschijnselen:

‘( … ) Omdat onderzochtes verslag van zijn huidige klachten en verschijnselen zodanig veel inconsistenties, discrepanties en tegenstrijdigheden bevat kan bij hem geen psychiatrische syndromale toestand worden vastgesteld. Zeker is dat hij niet lijdende is aan een depressieve stoornis en dat hij evenmin lijdende is aan een posttraumatische stress stoornis omdat in zijn klachtenverhaal de kernsymptomatologie (m.n. geen intrusieve symptomen, geen persisterende vermijding van trauma geassocieerde prikkels) van die stoornis ontbreekt. Voor zover hij aan het ongeval lichamelijke klachten over gehouden heeft, kan gezegd worden dat een adequate revalidatie behandeling daarvan niet van de grond kwam omdat hij daar niet voor gemotiveerd was. Bovendien draagt het chronische en dagelijks gebruik van grote hoeveelheden pijnstillers bij aan het in stand houden van zijn klachten. ( … )’

2.10.    Op basis van de drie medische onderzoeken is er dus geen verklaring voor de

gestelde klachten en beperkingen van [EISER]. Het feit dat het gaat om klachten die naar hun aard subjectief zijn, betekent echter niet dat het bewijs ervan niet geleverd kan worden. Voor het bewijs van subjectieve gezondheidsklachten is niet vereist dat de klachten in die zin worden “geobjectiveerd” dat ze met gebruikmaking van in de reguliere gezondheidszorg algemeen aanvaarde onderzoeksmethoden en overeenkomstig de desbetreffende beroepsgroep vastgestelde standaarden en richtlijnen worden vastgesteld. Voldoende is dat objectief kan worden vastgesteld dat deze klachten reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. Dat zal – onder meer, maar niet uitsluitend omdat het bewijs van subjectieve gezondheidsklachten ook op andere wijze geleverd kan worden het geval kunnen zijn wanneer uit een deskundigenrapport volgt dat de klachten niet gesimuleerd of overdreven zijn.

Zijn de gezondheidsklachten van [EISER] plausibel en een gevolg van het ongeval?

2.11.    Doorslaggevend is dus of de door [EISER] gestelde klachten reëel zijn, niet

ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven, en of sprake is van causaal verband tussen deze klachten en het ongeval. Uitgangspunt is dat [EISER] dit moet bewijzen. [EISER] stelt dat de door hem gestelde klachten volgen uit de consistente informatie uit de behandelende sector en uit de overige informatie over de klachten. Ook als het medisch causaal verband tussen de klachten en het ongeval niet vast staat, is volgens [EISER] nog voldoende aannemelijk dat sprake is van causaal verband in juridische zin gelet op de medische informatie uit de behandelende sector, de arbeidsongeschiktheid en de afwezigheid van deze klachten voor het ongeval.

ASR heeft dit bestreden. Zij heeft volhard in haar standpunt dat [EISER] onvoldoende heeft bewezen dat hij lijdt aan gezondheidsklachten als gevolg van het ongeval. Volgens haar volgt uit de rapporten niet alleen dat de klachten niet in de “medische” betekenis kunnen worden geobjectiveerd, maar ook dat het bewijs van het (in juridische zin) bestaan van de klachten niet geleverd kan zijn. ASR wijst er op dat uit de rapporten blijkt dat de klachten worden gesimuleerd/overdreven.

2.12.    De rechtbank onderschrijft het standpunt van ASR. Uit de opmerkingen van de

deskundigen blijkt dat vraagtekens worden geplaatst bij de klachten van [EISER]. In het tussenvonnis van 23 augustus 2017 is al verwezen naar verschillende opmerkingen in het rapport van [NEUROLOOG] waaruit inconsistenties in het verhaal van [EISER] kunnen worden afgeleid.

– [NEUROLOOG] heeft er in zijn rapport onder beschouwing’ op gewezen dat [EISER] aan de huisarts heeft bericht dat hij met zijn hoofd tegen de hoofdsteun is teruggebotst en dat dit moeilijk voorstelbaar is aangezien hij alleen blootgestaan aan decelererende krachten en niet zoals bij een klassiek whiplash mechanisme een accelererende krachtinwerking heeft ondergaan (hij is niet van achter aangereden).

– [NEUROLOOG] heeft verder benoemd dat de airbags niet zijn uitgegaan. waarschijnlijk omdat de schade aan voorzijde van de auto van [EISER] (mede gezien de foto’s) Vrij gering is geweest en dat moet worden aangenomen dat geen sprake is geweest van noemenswaardig traumatisch hoofd/hersenletsel (hersenschudding zoals enkele malen wel in de correspondentie wordt gesuggereerd) ter verklaring van de door [EISER] na het ongeval ontwikkelde hoofdpijnklachten en psychische klachten.

– [NEUROLOOG] heeft in zijn rapport bij het ‘Algemeen lichamelijk onderzoek’ het volgende dat opmerkelijk is vermeld:

“Er is een fysiologische stand van de wervelkolom. op verzoek roteert betrokkene het hoofd beiderzijds in beperkte mate. bij observatie van de spontane beweeglijkheid van de cervicale wervelkolom wordt een ruimere beweging gemaakt. Bij passief bewegen van de cervicale wervelkolom houdt betrokkene rotaties tegen. Er wordt hierbij veel pijn in met name het gebied van de musculus trapezius rechts aangegeven. Eveneens wordt drukpijn suboccipitaal aangegeven.‑

2.13.    Naast deze bevindingen van [NEUROLOOG] over de aard en impact van de aanrijding en

het lichamelijk onderzoek zijn er nu ook de bevindingen van [ORTHOPEED]. Ook hieruit kunnen inconsistenties in het verhaal van [EISER] worden afgeleid. Met name zijn van belang de opmerkingen in het verband met het lichamelijk onderzoek, meer in het bijzonder het onderzoek van de rechterarm. [ORTHOPEED] vermeldt allereerst dat [EISER] tijdens het onderzoek en vraaggesprek fysiek een gezonde indruk maakt. Hij stelt vast dat er overgewicht is, 104 kg. bij een lengte van 1m73 en noemt dat sprake is van flinke adipositas maar dat ook opvallend is de zeer volumineuze musculatuur van het gehele lichaam. De musculatuur van de linkerschoudergordel is volgens [ORTHOPEED] extreem omvangrijk en krachtig. Over de rechterschoudergordel staat in het rapport vervolgens het volgende:

“(. )

De musculatuur van de rechterschoudergordel is zeker niet minder omvangrijk dan links, dat geldt ook voor de rechterbovenarm en —onderarm en intrinsieke musculatuur.

Betrokkene geeft in de rechterarm in een aantal bewegingsrichtingen erg weinig kracht aan. Dat geldt

bijvoorbeeld ook voor de biceps, triceps en pinchkracht tussen duim en vingers. Ik heb met de geijkte transducer diverse meting gedaan: rechts/links vergelijkend.

(.

  1. OVERWEGING EN CONCLUSIE

(          )

Met betrekking tot de alhier met de geijkte transducer gemeten door betrokkene op mijn verzoek uitgeoefende maximale krachten, rechts ten opzichte van links, achtereenvolgens van de pinchgrip, de extensorkracht in de vingers, van de biceps- en tricepskracht kan het volgende worden gesteld: links liggen de metingen alle binnen een smalle marge, wijzend op een goede coördinatie en coöperatie.

Rechts liggen de gemeten waarden alle zover uiteen dat hier met zekerheid sprake is van een willekeurige beperking van de uitgeoefende kracht terwijl de uitgevoerde krachten zodanig gering zijn dat het ook in het geheel niet overeenkomt met de links/rechts overeenkomstige omvang van de musculatuur van achtereenvolgens rechteronderarm, -bovenarm en —schoudergordel.

De anamnestische klachten en beperkingen wijzen niet in de richting van een of meerdere gekende afwijkingen  op mijn vakgebied. Dat geldt zowel voor de klachten over de nek, als voor de klachten over de schouder, de bovenarm, de onderarm, de hand  en de borstwervelkolom.

In de stukken is door de verschillende specialisten, onderzoekers en behandelaars geen afwijking genoteerd op hun vakgebieden.”

[ORTHOPEED] beantwoordt de vraag of er naar zijn oordeel sprake is van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en de bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek met

“Er is naar mijn mening geen onderlinge samenhang: op grond van de feitelijke onderzoeksbevindingen op mijn vakgebied zou ik geen anamnestische klachten of beperkingen bij betrokkene hebben verwacht. De reden is dat ik geen afwijking op mijn vakgebied kan detecteren met betrekking tot de nek, de rechterarm, de rechterschouder en de borstwervelkolom, terwijl ik toch zoveel klachten en beperkingen van betrokkene hierover verneem.”

2.14.    De rechtbank volgt ASR in haar stelling, dat zij mede op basis van door haar

ingewonnen medisch advies heeft ingenomen, dat uit dit rapport van [ORTHOPEED] afgeleid dat [EISER] probeert om beperkingen aan te tonen die er in feite niet zijn. [ORTHOPEED] heeft immers vastgesteld dat het krachtsverschil tussen links en rechts zeer groot is en dit niet overeenkomt met de vastgestelde omvang van de spieren in de linker- en rechterarm en schouder. Verder blijkt uit het rapport dat de beweeglijkheid van het schouderblad verschillende keren geheel normaal is, maar dat op sommige momenten verminderde beweeglijkheid wordt ‘gedemonstreerd’.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [EISER] deze stellingen in zijn conclusie na deskundigenberichten onvoldoende gemotiveerd weersproken. De bevindingen van [ORTHOPEED] zijn in zijn ogen opvallend en zeer vreemd omdat aan de ene kant wordt vermeld dat gemeten waarden in de uitgeoefende kracht uiteenlopen en aan de andere kant geen afwijkingen op zijn vakgebied zijn vastgesteld. Volgens [EISER] is dit onlogisch en staat gelet op de afwijkingen en belastbaarheidsbeperkingen tijdens de krachtmetingen juist vast dat dat deze medisch objectiveerbaar zijn. Hij wijst in dit verband nog naar de bevindingen van de pijnspecialist prof. Van Wilgen, die in het rapport van [ORTHOPEED] ook zijn meegenomen. Het is echter niet aan partijen maar aan de deskundige om conclusies te verbinden aan de onderzoeksbevindingen. De deskundige moet zijn conclusies wel deugdelijk onderbouwen, maar dat heeft [ORTHOPEED] in voldoende mate gedaan. Hij heeft verwezen naar de meetresultaten en gelet op het lichamelijk onderzoek van de rechter en linker schouder geen verklaring voor de verschillen kunnen vinden. Zijn conclusie dat geen sprake is van samenhang en consistentie in de klachten, beperkingen en de resultaten bij onderzoek is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd.

2.15.    De rechtbank acht tenslotte van belang dat uit het rapport van [PSYCHIATER] kan worden

afgeleid dat voor de huidige toestand geldt dat hij als gevolg van de verschillende inconsistenties en discrepanties in het verslag van [EISER] van zijn klachten, verschijnselen en beperkingen geen duidelijke psychiatrische diagnose heeft kunnen vaststellen en dus ook geen beperkingen heeft kunnen duiden die uit die diagnose voortvloeien.

[PSYCHIATER] heeft onder meer overwogen:

“En last but not least, er is een grote discrepantie in zijn verhaal over het voortduren van de veelheid van klachten en verschijnselen en het feit dat men mag verwachten dat dergelijke traumagerelateerde klachten en verschijnselen in de loop der jaren verminderen. Volgens onderzochte zijn de meeste klachten en verschijnselen zelfs verhevigd.

Die discrepantie geldt ook voor het feit dat tijdens het huidige lange onderzoeksgesprek – dat ruim 2.5 uur duurde – geen opvallende lichamelijke en psychische manifestaties van pijn konden worden waargenomen.”

Volgens [PSYCHIATER] heeft [EISER] overigens wel tijdelijk last heeft gehad van posttraumatische stress klachten en —verschijnselen, waardoor hij ook tijdelijk beperkingen heeft gehad.

2.16.    De rechtbank sluit zich dus aan bij de bevindingen van de deskundigen. Voldoende

gebleken is dat de deskundigenberichten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Partijen hebben de gelegenheid gehad om hun bezwaren te uiten alvorens de definitieve rapporten zijn uitgebracht. De rapporten zijn bovendien deugdelijk gemotiveerd en de gronden waarop de conclusies zijn gebaseerd, vinden aantoonbaar voldoende steun in de door de deskundigen vermelde feiten, omstandigheden en bevindingen. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt bovendien een deugdelijke onderbouwing van de kritiek van [EISER] op het rapport van [ORTHOPEED], zodat op grond daarvan niet worden geoordeeld dat de rapporten terzijde moeten worden gelegd.

2.17.    De conclusie is dat niet objectief kan worden vastgesteld dat de klachten van

[EISER] reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. De

opmerkingen van [NEUROLOOG] over de aard en impact van de aanrijding, de opmerkingen van [ORTHOPEED] over de verdenking van simulatie bij het krachtonderzoek en de conclusie van [PSYCHIATER] over inconsistenties en discrepanties in het verslag van [EISER] wijzen er in voldoende mate op dat sprake is van simulatie dan wel het overdrijven van klachten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [EISER] ook overigens niet in voldoende mate aangetoond dat sprake is van subjectieve gezondheidsklachten als gevolg van het ongeval. Uit de anamneses in de deskundigenrapporten en de overige medische informatie blijkt wel van pijnklachten. Ook is gesuggereerd dat in het verleden sprake is geweest van klachten. In het licht van de aanwijzingen voor overdrijven en simulatie acht de rechtbank dit echter onvoldoende om er van uit te gaan dat de klachten van [EISER] (in juridische zin) bestaan.

 

De conclusie

2.18.    De conclusie is dat [EISER] niet in voldoende mate heeft aangetoond dat

sprake is van klachten en beperkingen die aan het ongeval kunnen worden toegerekend. De vorderingen van [EISER] worden dan ook afgewezen.

De proceskosten

2.19.    [EISER] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden

veroordeeld. De kosten aan de zijde van ASR worden begroot op:

-griffierecht    € 3.864500

– deskundigen

5.172,75 [NEUROLOOG]

6.050,00 [ORTHOPEED]

8.470,00 [PSYCHIATER]

– salaris advocaat        5.370,00 (5,0 punt x tarief  1.074,00)

Totaal  €28.926,00

2.20.    De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met

inachtneming van de hierna te bepalen termijn. De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum vermeld.

 

  1. De beslissing

De rechtbank

3.1.      wijst de vorderingen af,

3.2.      veroordeelt [EISER] in de proceskosten, aan de zijde van ASR tot op heden

begroot op € 28.926,00, te voldoen binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3.      veroordeelt [EISER], als hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door ASR

volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op: – € 157,00 aan salaris advocaat,

– € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, als betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden

3.4.      verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. 4.S. Penders en in het openbaar-uitgesproken op 8 mei 2019.

 

 

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey