Rb: museum niet aansprakelijk voor letsel door hoofd stoten tegen Playmobil-draak

Samenvatting:

Benadeelde bezoekt Playmobil tentoonstelling in museum en stoot hoofd tegen tong van draak die zich op 1.60 meter hoogte bevindt. Zij loopt een hersenschudding op en is daarna blijvend a.o.. 1. De rechtbank acht het museum niet aansprakelijk. Daartoe is van belang dat het een museale setting betreft waar een bezoeker dient te anticiperen op bijzonder objecten. De rechtbank verwerpt het verweer dat het museum een andere opstelling had moeten kiezen, omdat zij rekening moest houden met onoplettende bezoekers. De rechtbank concludeert dat sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. 2. Kosten deelgeschil: € 5291,- (gevorderd: € 9395,65).

beschikking

 

RECHTBANK DEN HAAG

 

Team handel

 

 

zaaknummer / rekestnummer: C/09/557657/ HARK 18/398

 

Beschikking van 10 december 2018

 

in de zaak van

 

[BENADEELDE],

te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. E.K. Dekker te Etten-Leur,

 

tegen

 

STICHTING LIMBURGS MUSEUM,

te Venlo,

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

te Den Haag,

verweersters,

advocaat mr. J. Bruidegom te Den Haag.

 

Partijen worden hierna [Benadeelde], het Limburgs Museum en NN genoemd en verweerders worden gezamenlijk aangeduid als SLM.

 

  1. De procedure

 

1.I .        Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 1 augustus 2018, met producties;

–                              het verweerschrift, ter griffie ingekomen op 6 november 2018, met producties; de brief van 9 november 2018 van de zijde van [Benadeelde] met een productie.

 

1.2.        Op 12 november 2018 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen: [Benadeelde] in persoon, bijgestaan door mr. Dekker voornoemd, alsmede de heer [naam 1] namens het Limburgs Museum en de heer [naam 2 ] namens NN, bijgestaan door de advocaat voornoemd. Van de zijde van [Benadeelde] zijn pleitaantekeningen overgelegd.

 

1.3.        Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

 

  1. De feiten

 

2.1.        Op 21 oktober 2016 is [Benadeelde], samen met haar man en twee jonge kinderen, een tentoonstelling gaan bezoeken in het Limburgs Museum. Het betrof een Playmobil tentoonstelling, in het kader van 40 jaar Playmobil, die al eerder in Duitsland te zien was geweest.

 

2.2.        Onderdeel van de tentoonstelling was de opstelling van een grote rode draak, gemaakt van Playmobil. De draak bevond zich in de nabijheid van een vierkante speelbak, waarin jonge bezoekers van de tentoonstelling zelf met Playmobil konden spelen. De tong van de draak bevond zich op ongeveer 160 cm haven het vloeroppervlak.

 

2.3.        Op enig moment beeft [Benadeelde], al lopend langs de speelbak waarin baar kinderen zaten te spelen, de zijkant van haar hoofd gestoten tegen de tong van de draak (verder: bet voorval). Zij beeft hiervan nog voor vertrek melding gemaakt bij de baliemedewerkers van het Limburgs Museum. Van bet voorval is toen geen aantekening gemaakt in bet incidentenregister van bet Limburgs Museum. Twee dagen na bet voorval heeft [Benadeelde], blijkens haar schrijven op advies van de kassamedewerkers, bet voorval ook nog bij mail aan bet Limburgs Museum gemeld. Zij schrijft daarin onder meer dat zij “een flinke aanvaring

met de draak” beeft gehad. Daarbij heeft ze voorts aangegeven het nogal riskant te vinden dat de draak boven de speelruimte staat opgesteld en gesuggereerd dat bet handig zou zijn de draak wat boger te plaatsen of bet looppad langs de draak af te sluiten om herhaling bij anderen te voorkomen.

 

2.4.        Op 6 april 2017 heeft [Benadeelde] het Limburgs Museum schriftelijk aansprakelijk gesteld voor door baar geleden letselschade als gevolg van bet voorval. Daarop beeft NN, als aansprakelijkheidsverzekeraar van bet Limburgs Museum, CED Forensic gevraagd om een toedrachtsonderzoek te verrichten. CED Forensic beeft vervolgens op 15 april 2018 aan NN gerapporteerd.

 

2.5.        [Benadeelde] beeft als gevolg van het voorval een hersenschudding opgelopen. Zij beeft sindsdien diverse (para)mediscbe behandelingen ondergaan. Zij beeft zich direct na bet voorval ziek gemeld voor baar werkzaamheden als analiste bij het LUMC en is na een ziekteperiode van twee jaar door bet LUMC ontslagen. Zij ontvangt tbans een WIA-uitkering.

 

2.6.        Tot op beden heeft NN geweigerd aansprakelijkheid te erkennen.

 

 

  1. Het geschil

 

  1. I. [Benadeelde] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgescbil, kart samengevat:
  2. te bepalen dat bet Limburg Museum aansprakelijk is voor de scbade die [Benadeelde] beef! geleden en nag zal lijden als gevolg van bet voorval;
  3. te bepalen dat bet Limburgs Museum en NN gehouden zijn de volledige materiele en immateriele scbade te vergoeden;
  4. de aan de bebandeling van bet verzoek verbonden advocaatkosten te begroten en bet Limburgs Museum en NN te veroordelen tot betaling van die kosten.

 

3.2.        Ter onderbouwing van haar verzoek stelt [Benadeelde] dat bet Limburgs Museum een onrechtmatige daad jegens baar heeft gepleegd. De plaatsing van de draak was volgens haar gevaarzettend. Nu het daardoor veroorzaakte gevaar zich heeft verwezenlijkt en dat beeft geleid tot letselschade bij [Benadeelde], is het Limburgs Museum aansprakelijk voor die schade. NN dient, als aansprakelijkheidsverzekeraar van bet Limburgs Museum, op grand van artikel 7:954 BW, de schade rechtstreeks aan [Benadeelde] te vergoeden, aldus [Benadeelde].

 

3.3.        SLM voeren gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen word! hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

  1. De beoordeling

 

4.1.        Vaststaat dat [Benadeelde] op enig moment met de zijkant van haar hoofd tegen een van de punten van de bek/tong van de draak is gelopen. Voorts is niet in geschil dat zij zich na het voorval heeft ziek gemeld, als gevolg van uit het voorval voortvloeiende klachten. Partijen twisten echter over de vraag of de inrichting van de tentoonstelling en dan met name de wijze waarop de draak was geplaatst, gevaarzettend is geweest. [Benadeelde] stelt zich op het standpunt dat aansprakelijkheid gegeven is; er is sprake van een onrechtmatige daad, omdat aan alle “kelderluik-criteria” is voldaan. SLM is echter van mening dat de tentoonstelling geen groter risico opleverde dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord

was.

 

4.2.        De rechtbank stelt voorop dat de vraag of sprake is van onrechtmatige gevaarzetting dient te worden beantwoord aan de hand van alle concrete omstandigheden van het geval.

 

4.3.        Volgens [Benadeelde] is met het enkele feit dat de tong van de draak zich op 160 cm hoogte bevond op een plaats waar bezoekers konden komen, aansprakelijkheid eigenlijk al gegeven. Zij heeft er daarbij nog op gewezen dat de draak zich in de buurt van de speelbak bevond, de doorgang tussen de speelbak en de draak in het geheel niet was afgezet en ouders juist in de buurt van die speelbak vaak minder oplettend zijn omdat zij hun spelende kinderen in de gaten willen houden. Bovendien was de draak ter plaatse niet goed verlicht, aldus [Benadeelde].

 

4.4.        Met SLM is de rechtbank van oordeel dat het Limburgs Museum onder de gegeven omstandigheden niet aansprakelijk is voor de gevolgen van het voorval. Daartoe is allereerst van belang dat het hier een museale setting betreft. Dat brengt met zich dat een bezoeker, meer dan gebruikelijk, dient te anticiperen op bijzondere, in de ruimte geplaatste, objecten. Dat geldt dus ook voor [Benadeelde]. Overigens neemt de rechtbank als vaststaand aan dat [Benadeelde] de draak ook daadwerkelijk al voor het voorval heeft waargenomen. In dat kader is van belang dat zij zelf ter zitting heeft aangegeven voor het voorval al een keer tussen de draak en de speelbak te zijn doorgelopen, op weg naar een vitrine. Dan is die grote rode draak simpelweg niet te missen. De stelling van [Benadeelde] dat de draak desondanks niet goed te zien zou zijn geweest door een gebrekkige verlichting wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen. Daargelaten dat de draak een felrode kleur had, die afstak tegen de omgeving, strookt de gestelde gebrekkige verlichting niet met het feit dat in de nabij gelegen speelbak kinderen met Playmobil konden spelen, noch met de door SLM overgelegde verklaringen van de inrichters van de tentoonstelling over de aanwezige verlichting.

 

4.5.        Het enkele feit dat de looproute tussen de draak en de speelbak niet was afgezet maakt het oordeel niet anders. Onweersproken is immers dat de nekboog van de draak – ook voor volwassenen – ruim voldoende hoog was om rechtop onder door te kunnen lopen, teneinde van de ene kant van de zaal naar de andere te komen en dat er daarnaast ook voldoende ruimte was om ongehinderd tussen de kop van de draak en de speelbak door te

!open. Dat had [Benadeelde] immers zelf ook voor het voorval al een keer zonder problemen gedaan. Voor zover [Benadeelde] beoogt te stellen dat het Limburgs Museum door latere plaatsing van een afzetting met paaltjes en touw feitelijk heeft erkend dat het een gevaarlijke situatie betrof die diende te veranderen, berust dat op een onjuist feitelijk uitgangspunt.

Blijkens de overgelegde foto’s staat die later geplaatste afzetting immers om de draak zelf heen en is die volgens het aanwezige bordje bedoeld om te voorkomen dat kinderen op de draak kunnen klimmen. Ook met die latere afzetting is de gewraakte doorgang dus ongewijzigd in stand gebleven.

 

4.6.        Het verweer dat het Limburg Museum een andere opstelling had moeten kiezen omdat zij rekening diende te houden met onoplettendheid van ouders die op hun kind passen dat in de speelbak zit, kan [Benadeelde] evenmin baten. De speelbak zelf bood immers ruim voldoende mogelijkheid dat toezicht veilig uit te oefenen, nu ouders op de rand van de speelbak konden gaan zitten. Kennelijk heeft [Benadeelde] echter niet zittend maar al lopend haar kinderen in de gaten pogen te houden en is daarbij, omdat zij toen niet voor zich keek, maar opzij, tegen de tong van de draak gelopen.

 

4.7.        Het enkele feit dat door de beperkte hoogte van de tong het risico voor volwassenen bestond dat zij – indien ze niet goed zouden opletten – daarmee in aanraking zouden kunnen komen is onder de gegeven omstandigheden eveneens onvoldoende voor aansprakelijkheid. In dat kader heeft SLM er terecht op gewezen dat niet reeds het enkele ontstaan van schade aansprakelijkheid met zich brengt. De rechtbank tekent in dat licht nog aan dat het Limburgs Museum onweersproken heeft gesteld dat gedurende de ruim tien maanden die de tentoonstelling heeft geduurd er zich geen enkel ander vergelijkbaar voorval heeft voorgedaan, zodat die kans ook vooraf zeker niet groot behoefde te worden geacht. Bovendien is de rechtbank met SLM van oordeel dat de ernstige schade die [Benadeelde] stelt te hebben geleden ver buiten de lijn ligt van hetgeen in voorkomend geval bij een (doorgaans zeer langzaam lopende) bezoeker van een museum moest warden verwacht.

 

4.8.        De stelling dat de draak simpelweg op een verhoging had kunnen warden  geplaatst om het risico op botsen weg te nemen kan [Benadeelde] evenmin  baten. Zo al juist zou zijn dat het plaatsen op een verhoging zonder problemen had kunnen plaatsvinden, laat dat onverlet dat onder de gegeven omstandigheden het Limburg Museum daartoe niet op voorhand gehouden was. De rechtbank tekent daarbij nog aan dat het aanzienlijk hoger plaatsen van de draak tot resultaat zou hebben gehad dat het beoogde “boogeffect” van de nek, waar bezoekers onderdoor konden ]open, feitelijk teniet zou warden gedaan, terwijl dat – naar de rechtbank begrijpt – een van de attractieve elementen van deze plaatsing van de draak was.

 

4.9.        De slotsom is dat het voorval, hoe vervelend ook voor [Benadeelde], naar het oordeel van de rechtbank het gevolg is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Het Limburgs Museum is daarvoor niet aansprakelijk en NN hoeft geen schade te vergoeden.

 

Kosten deelgeschil

 

4.10.      Ook als het verzoek word! afgewezen dient in beginsel op grand van artikel 1019aa Rv begroting plaats te vinden van de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen (TK 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 12).

 

4.11.      De rechtbank neemt, nu op dit punt geen verweer is gevoerd, tot uitgangspunt dat het op zichzelf redelijk is dat aan de zijde van [Benadeelde] kosten in verband met het onderhavige deelgeschil zijn gemaakt.

 

4.12.      Mr. Dekker heeft gesteld dat zij € 9.395,65 aan kosten heeft gemaakt tot aan de mondelinge behandeling en heeft voor die behandeling zelf nog een PM-post opgenomen. Daarbij is zij onder meer uitgegaan van een tijdsbesteding van bijna 24 uur voor het opmaken van het verzoekschrift en bijna 9 uur voor het bestuderen van het verweerschrift en heeft zij gerekend met een uurtarief van € 185,–, te vermeerderen met 21% BTW.

 

4.13.      SLM heeft er in de eerste plaats op gewezen dat opgevoerde kosten van een kantoorgenoot niet voor vergoeding in aanmerking komen, daar dan sprake is van dubbele behandeling. Daarnaast acht SLM het totaal aantal uren in het licht van de zaak bovenmatig.

 

4.14.      Met SLM is de rechtbank van oordeel <lat het aantal in rekening gebrachte uren bovenmatig is. Het betreft hier een standaard aansprakelijkheidskwestie. Voor een verzoekschrift als het onderhavige is het aantal uren dan ook te veel. Voor zover het grote aantal uren nodig is geweest in verband met de beperkte ervaring van de behandelend advocaat, hetgeen lijkt te worden bevestigd door de uren die door een tweede advocaat tegen een hoger tarief zijn gedeclareerd, behoeft SLM daarvoor in redelijkheid niet integraal op te komen. Hetzelfde geld! voor de aan het verweerschrift bestede uren. Dat verweerschrift bevatte niet veel meer of anders dan hetgeen blijkens het verzoekschrift al als verweer bekend was, zodat een tijdsbesteding van bijna 9 uren voor het lezen van het verweerschrift bovenmatig moet worden geacht.

 

4.15.      Gezien het voorgaande zal de rechtbank de advocaatkosten matigen en ex aequo et bono begroten op een bedrag van€ 5.000,– inclusief BTW. Deze kosten zullen nog worden vermeerderd met het betaalde griffierecht van€ 291,– zodat het totaal uitkomt op een bedrag van€ 5.291,–.

 

4.16.      Gelet op het feit <lat de aansprakelijkheid van het Limburgs Museum in deze zaak niet zal worden vastgesteld, zal de door [Benadeelde] verzochte kostenveroordeling worden afgewezen. Ten overvloede merkt de rechtbank op <lat het begrote bedrag uitsluitend verschuldigd is indien de aansprakelijkheid van het Limburgs Museum alsnog (in rechte) komt vast te staan.

 

  1. De beslissing

 

De rechtbank:

 

5.1.        begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 5.291,–;

 

5.2.        wijst af het meer of anders verzochte.

 

Deze beschikking is gegeven door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2018.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots