Rb: letselschade pas na 15 maanden bij AVP-verzekeraar gemeld, recht op uitkering vervallen

Samenvatting:

Benadeelde loopt letsel op als vriendin van glijbaan in zwembad boven op haar terecht komt; de vriendin heeft niet gewacht tot het stoplicht bij de glijbaan op groen stond. Benadeelde stelt de vriendin en haar AVP-verzekeraar aansprakelijk. De rechtbank acht de vriendin aansprakelijk, maar wijst de vordering tegen de AVP-verzekeraar af. Vast staat dat de schade pas 15 maanden na het ongeval is gemeld. De rechter honoreert het beroep op art. 7:941 BW lid 2 en in combinatie met de polisvoorwaarden (verval van uitkering indien verzekeringnemer niet binnen redelijke termijn inlichtingen verschaft). De rechtbank oordeelt dat de verzekeraar in haar redelijke belang is geschaad. Door het tijdsverloop heeft zij een getuige niet meer kunnen horen en is de feitelijke situatie in het zwembad veranderd. Het beroep op rechtsverwerking verwerpt de rechtbank.

Vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/l0/434725 / HA ZA 13-1031

Vonnis van 14 januari 2015

in de zaak van
[Eiseres],
wonende te [Woonplaats],
eiseres,
advocaat mr. A.P. Hovinga,

tegen

1. de naamloze vennootschap HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. R. Gruben,
2. [Gedaagde 2],
wonende te [Woonplaats],
gedaagde,
niet verschenen.

Partijen zullen hierna [Eiseres], HDI en [Gedaagde 2] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
–           het tussenvonnis van 14 mei 2014 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken,
— het proces-verbaal van comparitie van 22 september 2014.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [Eiseres], haar echtgenoot, haar twee kinderen, [Gedaagde 2] en [X] waren op 25 juni 2008 in een zwembad van Centerparcs in Lommel (België).

2.2. Op een (niet-ondertekend) Meldingsformulier Ongeval-Schade-Klacht van Centerparcs van 25 juni 2008 (prod. 1 bij dv) staat onder meer vermeld:
“Naam melder (…): [Eiseres] (…)
Beschrijving: ongeval/schade/klacht (…)
Van de glijbaan afgegleden en haar nicht is in haar rug terecht gekomen.”

2.3. Op 14 september 2009 heeft [Eiseres] HDI telefonisch bericht dat zij [Gedaagde 2] aansprakelijk achtte.

2.4. In een in opdracht van HDI door Cordaet, Bureau voor Personenschade (hierna: Cordaet) opgesteld expertiserapport van 16 oktober 2009 (prod. 3 bij dv) komt onder meer het volgende voor: “INLEIDING
In dit dossier verzocht u ons bureau om een toedrachtsonderzoek te verrichten en, in dit stadium geheel onder voorbehoud, een bezoek af te leggen aan wederpartij mevrouw [Eiseres]. Een afspraak met mevrouw [Eiseres] werd gemaakt, waarbij tevens werd getracht om uw verzekerde, eveneens woonachtig in Sint Annaparochie, te plannen. Echter, uw verzekerde mevrouw [Gedaagde 2] blijkt op dit moment een stageperiode op Aruba te doorlopen. Voor zover bekend bij wederpartij keert zij pas in juni 2010 terug naar Nederland. (…)
VISIE VERZEKERDE
Zoals hiervoor reeds geschetst bleek na ontvangst van uw opdracht dat uw verzekerde op dit moment niet in Nederland woonachtig is. Wederpartij mevrouw [Eiseres] beschikte tijdens mijn bezoek niet over een telefoonnummer van mevrouw [Gedaagde 2]. Wel ontving ik dit nadien per email. Telefonisch vernam ik van uw verzekerde het volgende:
Ten tijde van dit voorval verbleef zij met haar toenmalige vriend de heer [X] (met wie zij nu geen contact meer heeft en ook niet weet waar hij nu woonachtig is) (…)
Voor verzekerde was wederpartij mevrouw [Eiseres] door de glijbaan naar beneden gegleden. Vervolgens wilde verzekerde gaan zitten om te wachten op het groene licht.
Tijdens deze handeling (vanuit stand gaan zitten) gleed zij echter uit. (…) Voor zover bekend bij verzekerde heeft zij met haar voeten wederpartij in haar rug geraakt. Voor uw beeldvorming deel ik u mee dat ik van wederpartij vernam dat zij ten tijde van dit voorval 115kg woog. (…)
MEDISCHE EN SOCIALE INFORMATIE (…)
MEDISCH VERLOOP (…)
Verloop
Na dit voorval ontstond er direct benauwdheid bij wederpartij in verband met de hevige pijnklachten bovenin haar rug. De pijn is ook gelokaliseerd tussen haar schouderbladen, zo deelde zij mij mee. Zij had moeite om zelfstandig het water uit te komen, reden waarom zij door derden boven water is gehouden. Drie badmeesters van Center Parcs hebben direct actie ondernomen. Het zwembad is gesloten en betrokkene is gestabiliseerd. Men vreesde voor eventueel een nekbeschadiging. Vervolgens is mevrouw [Eiseres] overgebracht per ambulance naar het Maria Ziekenhuis in Lommel, zo deelde zij mij mee. Uit gemaakte foto ’s zou zijn gebleken dat er sprake is van een fractuur van twee rugwervels. Betrokkene zou in principe vijf dagen dienen te worden opgenomen in het ziekenhuis. Ook zou er sprake moeten zijn van transport per ambulance in liggende positie. Echter, betrokkene vreesde dat zij deze kosten zelf diende te dragen, reden waarom zij hiertoe niet heeft besloten. Twee dagen na haar opname in het ziekenhuis is zij tezamen met haar overige reispartners weer huiswaarts gekeerd, waarbij zij liggend in de auto is vervoerd. Na vijf tussenstops werd Friesland bereikt. Direct is contact gezocht met de huisarts, die haar onmiddellijk verwees naar het MCL Ziekenhuis in Leeuwarden. Ook hier werden röntgenfoto ’s gemaakt en werden de fracturen bevestigd, zo heeft mevrouw [Eiseres] begrepen. Er volgde een periode van acht weken, waarin zij een korset diende te dragen. (…)’’

2.5. In een brief d.d. 16 oktober 2009 (prod. 1 bij dv laatste pagina) van Cordaet aan Nostimos BV (de toenmalige belangenbehartiger van [Eiseres]) komt, voor zover van belang, het volgende voor:
“Op 8 oktober 2009 bezocht ik mevrouw [Eiseres] in [Woonplaats]. Met haar besprak ik de toedracht van dit voorval en, geheel onder voorbehoud nu de aansprakelijkheid in dit dossier nog niet vaststaat, de letselschade. (…)”

2.6. In een e-mail van 19 oktober 2010 (prod. 1 bij dv) schrijft een medewerkster van Centerparcs in antwoord op vragen aan Cordaet het volgende: “(…) 3. Zijn er personeelsleden die hebben gezien dat mogelijk een gast in het zwembad een rood stoplicht heeft genegeerd bij de entree van de glijbaan?
Aan de ingang van de glijbanen staat geen badmeester. Er zijn rode en groene lichten voorzien om veilig naar beneden te glijden (wordt middels signaleringsborden aan het begin van de glijbaan duidelijk aangegeven wanneer men naar beneden mag glijden). Het niet respecteren van deze signalering is geheel op verantwoordelijkheid van de gast.”

2.7. Op 12 november 2009 heeft HDI aan Nostimos BV (prod. 1 bij dv 2de pagina van achter) geschreven:
“In onze hoedanigheid van aansprakelijkheidsverzekeraar van mevrouw [Gedaagde 2] berichten wij u als volgt. (…) Verzekerde wilde nadat uw cliënte van de glijbaan gegleden was eveneens gebruik maken van de glijbaan. (…) Terwijl zij wilde gaan zitten is zij echter uitgegleden en ten val gekomen, waardoor zij voordat het licht op groen ging door de buis naar beneden gleed. Eenmaal in het water heeft zij uw cliënte in de rug geraakt, nu deze onvoldoende tijd had gehad om zich uit de voeten te maken.
Bezien wij deze gang van zaken, dan ontbreekt ons inziens de aansprakelijkheid aan de zijde van verzekerde nu geen sprake is van onrechtmatig handelen, doch eerder van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Van enig verwijtbaar/toerekenbaar handelen is geen sprake. (…)’’

2.8. Vanaf het e-mail adres [Mailadres 1] (…) is op 14 december 2009 het volgende bericht (prod. 5 bij dv) aan Cordaet gestuurd: “Io Dhr Verra,
Hierbij geef ik u antwoord op uw vragen.
Mevrouw [Eiseres] dan wel haar man beweert dat u niet bent uitgegleden. Dit komt derhalve niet overeen met uw lezing. Graag verneem ik van u of u bij uw lezing blijft dat u bent uitgegleden?
Ik ben inderdaad niet uitgegleden. Ik wist niet dat het zover zou komen. Daarom heb ik niet gelijk gezegd wat er is gebeurd, want ik was bang dat Nadine [Eiseres] mij het kwalijk zou nemen.
Er wordt nu gesteld dat u niet hebt gewacht op het groene licht maar dat u direct achter mevrouw [Eiseres] naar beneden bent gegleden, dus een bewuste handeling in plaats van een ongelukkige samenloop. Uw reactie op deze stelling ontvang ik graag van u; klopt, ik heb niet gewacht tot het groene licht. Waarom niet, dat weet ik ook niet. Ik heb nu achteraf wel spijt dat ik dat niet heb gedaan.
De heer [Eiseres] heeft mij tijdens mijn bezoek aan zijn echtgenote meegedeeld dat hij niet had gezien op welke wijze u op de glijbaan bent beland, nu hij zijn aandacht had gericht op de kinderen. Is het voor u mogelijk om iets te vertellen over de positie van de heer [Eiseres] op het moment dat u de glijbaan betrad? Weet u nog waar hij zich bevond en was het voor hem in principe mogelijk om u te zien?
[Eiseres] stond achter mij santen met zijn 2 kinderen. Het is wel mogelijk dat hij heeft gezien dat ik niet op groen licht wachte. Want dat heeft ie gelijk gezegd in de ziekenhuis. Maar ik ging zelf niet op in. Ik niet meer problemen erbij. Ze stonden achter mij te wachten op hun beurt. Er was ook een paar andere mensen achter hem. En de rij achter hem was ook vrij lang. Er zijn meerdere mensen die ook hadden kunnen zien.
De heer [Eiseres] stelt dat hij met u heeft gesproken over de toedracht. Hij zou u hebben gevraagd waarom u niet hebt gewacht op het groene licht en tevens zou hebben verteld aan u dat hij had gezien dat u ging glijden voordat u groen licht had. Klopt deze bewering? Heeft u met de heer [Eiseres] op deze wijze over de toedracht gesproken?
Wat ik nog weet is dat Dhr. [Eiseres] mij vroeg was; Waarom heb ik dat gedaan? Als ik had gewacht op groen licht was dat niet gebeurd.
En een paar maanden later kwam ie weer met het zelfde. Waarom heb ik niet op groen licht gewacht. Ik kreeg wel vaker te horen dat het allemaal mijn schuld is dat het niet goed gaat met haar. Vandaar dat ik niet durfde toe te geven dat ik gelijk achter Nadine bent gaan glijden zonder op het licht te wachten.
Ik heb nu achteraf heel veel spijt. Maar ja het is al gebeurd. En ik kan er niks meer veranderen. Ik wil verder ook niet in de problemen komen. Dus als ik onder ede moet verklaren dan doe ik het ook.”

2.9. Op 22 november 2010 is vanaf het e-mail adres [Mailadres 1] (…) het volgende bericht aan [Mailadres Eiseres] (…) gestuurd:
“Hallo Nadine,
Je heb me gevraagd of ik je mijn afgelegde verklaring wil mailen. Mijn verklaring heb ik volgens mij schriftelijk afgelegd, dus niet via de mail. Maar ik stuur je onderstaande mail, misschien heb je er wat aan. Ik zou het wel fijn vinden als ik volgende keer door je belangenbehartiger wordt benaderd, om misverstanden te voorkomen.
Groet, [Gedaagde 2] ’’

2.10. In een tweede in opdracht van HDI door Cordaet opgesteld expertiserapport van 25 januari 2012 (prod. 4 bij dv) komt onder meer het volgende voor:
INLEIDING
In dit dossier bezocht ik in oktober 2009 betrokkene mevrouw [Eiseres] in [Woonplaats]. Nadien is nog informatie ingewonnen bij uw verzekerde mevrouw [Gedaagde 2]. Uiteindelijk heeft de ontvangen informatie ertoe geleid dat u de aansprakelijkheid van de hand hebt gewezen, ook nadat uw verzekerde haar eerste verklaring over de toedracht aanpaste. (…)
Inmiddels werd door mij een bezoek afgelegd aan Center Parcs De Vossemeren in het Belgische Lommel. Bewust is geen afspraak gemaakt met een vertegenwoordiger van dit park teneinde een getrouw beeld te krijgen van de situatie ter plaatse.  (…)
TOEDRACHTSONDERZOEK ONGEVALSLOCATIE
(…) Ook bevinden zich in Aqua Mundo drie glijbanen. Het betreft één ‘open ’ glijbaan en twee zogenaamde Tube-glijbanen, glijbanen in een zogenaamde buisconstructie. (…)
Waterglijbaan 01
(…) Op de foto ’s 10 en 11 is de entree van glijbaan 01 zichtbaar. (…) Tevens is zichtbaar dat er zich boven de buis van de glijbaan een stoplicht bevindt dat voorzien is van twee lampen. De bovenste lamp straalt rood licht int en de onderste knippert oranje. Naast het stoplicht is een papier aan gebracht met de woorden ‘stop ’ en ‘go ’. Het zal duidelijk zijn dat personen de glijbaan pas mogen gaan gebruiken op het moment dat het stoplicht een oranje licht uitstraalt. Ter plaatse is door mij geconstateerd dat er sprake is van 23 seconden tijd tussen het moment dat de ene gebruiker de glijbaan inglijdt (waarna het stoplicht weer rood licht laat zien) en het moment dat nadien het rode licht weer wijzigt in oranje knipperend. Het bleek voor ondergetekende niet mogelijk om de tijd te registreren die nodig is voor het glijden door deze baan. Dit omdat de uitgang van de glijbanen geen uitzicht biedt op de start.
Glijbaan 02
(…) Op de foto ’s genummerd 15 en 16 is zichtbaar dat ook bij glijbaan 02 een aluminium buis is aangebracht, nu horizontaal. Deze buis wordt veelal vastgehouden door de gebruikers van deze glijbaan, wachtend op het moment dat het licht oranje knippert, daarbij staand of zittend. (…)
Als het licht oranje knippert, zet men zich af en start het glijden. Door mij is geconstateerd dat de tijd die ligt tussen hen in gebruik nemen van glijbaan 02 en het eerstvolgende moment dat het stoplicht oranje knippert, 20 seconden bedraagt.
Uitgang glijbanen
De beide glijbanen eindigen in hetzelfde bassin (…) Door de wijze waarop de gebruikers van de glijbanen in het bassin terecht komen en door eigen ervaring, is mij gebleken dat met name indien de rechter, groengekleurde buis wordt verlaten die behoort bij glijbaan 01, men met de nodige kracht in het bassin belandt. (…) ”

2.11. Ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor bij deze rechtbank op 18 december 2012 zijn als getuigen gehoord: [Eiseres], [Gedaagde 2], de heer Verra van Cordaet en de echtgenoot van [Eiseres]. De processen-verbaal van de voorlopige getuigenverhoren zijn overgelegd als prod. 7 bij dagvaarding.

2.12. [Eiseres] heeft als volgt verklaard: “(…) Ik weet dat de heer Verra een mail heeft gestuurd aan [Gedaagde 2] met een aantal vragen. [Gedaagde 2] zat toen al op [Eiland] en heeft die mail ook aan mij gestuurd. We hadden contact per MSN. [Gedaagde 2] heeft mij toen gevraagd wat zij moest antwoorden op de mail van de heer Verra. Ik heb haar gezegd dat ze moest opschrijven wat er gebeurd was en waarom ze niet op het groene licht had gewacht. [Gedaagde 2] was verdrietig omdat zij nu de schuld kreeg, zij wilde geen ruzie met mij.
Op vragen van mr. Gruben antwoord ik als volgt: (…) Ik heb niet gezien dat [Gedaagde 2] mij geraakt heeft maar direct nadat ik uit het water kwam heeft [Gedaagde 2] mij dat wel verteld.
(…) Op uw vraag of de antwoorden van [Gedaagde 2] op de mail van de heer Verra door mij geschreven zijn, antwoord ik dat dit zeker niet het geval is. [Gedaagde 2] heeft mij via MSN gevraagd wat zij moest antwoorden op die mail. Ik heb haar daarbij geholpen, maar heb niet ingevuld of geschreven wat er uiteindelijk door haar zelf geantwoord is. Tijdens dit contact per MSN heeft [Gedaagde 2] mij gevraagd waarom we niet meteen hadden verteld wat er precies gebeurd was. Zij had op Aruba toegang tot e-mail en MSN. Dat weet ik zeker.”

2.13. [Gedaagde 2] heeft als volgt verklaard:
“Het klopt dat ik in juni 2008 met mevrouw [Eiseres], de heer [Eiseres], hun twee dochters en de heer [X] in een zwembad te Lommel, België was. In dat zwembad was een glijbaan, wij zijn daar met z ’n allen afgegaan, dat hadden we de dag daarvoor ook al gedaan. De heer [X] ging, dacht ik, als eerst. Daarna ging mevrouw [Eiseres], daarna ik met hun jongste dochter en daarna haar man met hun oudste dochter. Toen ik van de glijbaan kwam, ben ik bovenop mevrouw [Eiseres] terecht gekomen. Haar dochter niet, die heb ik opgetild.
De glijbaan is zo gemaakt dat je niet direct in het stromende water zit. Het is een afgesloten buis en je gaat zitten op een randje. Boven de glijbaan is een licht. Ik ben gaan zitten op het moment dat dit licht nog op rood stond. De jongste dochter van de familie [Eiseres], die was toen vier, is zelf tussen mijn benen gaan zitten en toen zijn wij tiaar beneden gegaan. Ik heb niet gekeken of het licht toen al op groen stond, het was gewoon rood licht denk ik. Ik ging vlak en direct na [Eiseres]. Ik denk dat er een minuut tussen zal.
Toen ik bovenop [Eiseres] terecht was gekomen, hebben wij niet direct daarna met elkaar gesproken over wat er gebeurd was. [Eiseres] kon niet ademen en niet goed praten en is eigenlijk direct daarna met de ambulance afgevoerd.
Het is juist dat ik dagelijks over de vloer kwam bij de familie [Eiseres] in de periode na het ongeluk. We hebben echter niet meer over het voorval gesproken. Op enig moment heeft [Eiseres] voor mij gebeld naar mijn verzekeraar, in mijn bijzijn. Daarna is er iemand van de verzekering bij de familie [Eiseres] op bezoek geweest, daar was ik ook bij.
In, ik denk 2009, ben ik naar Aruba gegaan. Ik had daar geen computer, ik zat wel op MSN op de telefoon. [Eiseres] heeft mij op een gegeven moment gebeld en gezegd dat er per mail iets naar mij was toegestuurd. Dat was op het adres: [Mailadres 1]’. Dat was mijn e-mail adres, dat gebruikte ik toen. Dit e-mail adres bestond al heel lang en gebruikte ik om op MSN te komen. De e-mail waarover mevrouw [Eiseres] mij belde heb ik toen niet gezien. Ik heb van haar begrepen dat die mail ging over wat er verklaard was toen de man van de verzekering bij [Eiseres] thuis was. Ik weet niet of er vragen in die mail stonden. Ik heb geen antwoorden op die mail gegeven. Ik heb destijds mijn wachtwoord aan mevrouw [Eiseres] gegeven. Ik heb het mailtje daarna nog wel een keer gezien via de computer van een vriend waarop ik had ingelogd; ik heb de mail toen gezien zoals die naar mij was gestuurd.
Op uw vraag of ik destijds nu wel of niet ben uitgegleden antwoord ik dat ik niet ben uitgegleden. Wij zouden ‘treintje spelen ik met de jongste dochter en de heer [Eiseres] met de oudste dochter. (…)
Ik heb destijds niet gezegd dat ik uitgegleden was. (…)
Op vragen van mr. Hovinga antwoord ik als volgt.
Ik heb geen e-mail via mijn telefoon beantwoord. U toont mij enkele e-mail berichten en vraagt mij of ik die herken (…) Deze e-mailberichten zijn niet door mij verstuurd. Ik ken geen e-mail met gegeven antwoorden en ook de mail van 22 november 2010 is niet van mij. Ik denk dat mevrouw [Eiseres] die heeft verstuurd omdat ze mijn wachtwoord had.
Ik heb met mevrouw [Eiseres] niet per MSN overleg gehad over de e-mail die mij was gestuurd door de man van de verzekering, wel telefonisch. Ik had toentertijd geen laptop. Ook via het werk van mijn moeder had ik geen toegang tot e-mail. (…)
Op vragen van mr. Gruben antwoord ik als volgt. Desgevraagd kan ik nogmaals zeggen dat de volgorde boven aan de glijbaan zo was dat mevrouw [Eiseres] eerst ging, en wij stonden zo opgesteld dat achter haar de jongste dochter stond, daarna ik, daarna de oudste dochter en daarna de heer [Eiseres]. Ik heb gezien dat het licht op groen was toen mevrouw [Eiseres] naar beneden ging. Toen ik ging zitten was het licht rood. Ik heb de jongste dochter opgetild en tussen mijn benen gezet. Omdat ik niet meer heb gekeken weet ik niet of het licht nog rood was toen ik ging glijden. De oudste dochter kwam direct achter mij aan. Op het donkere deel van de glijbaan heb ik haar achter mij vastgepakt, dus zo dicht zat zij achter mij. Toen ik van de glijbaan in het water landde had ik het gevoel dat op iets trapte. Ik was bezig met de kinderen, om die omhoog te houden want net als ik kunnen zij niet zwemmen. Ik zag mevrouw [Eiseres] op dat moment niet en wist dus niet dat ik op haar terecht was gekomen. Dat begreep ik pas toen wij bij de trappen stonden. [Eiseres] zei toen tegen haar man dat ik op haar getrapt had. (…)”

2.14. [Gedaagde 2] had een aansprakelijkheidsverzekering met HDI gesloten via de gevolmachtigde van HDI op Aruba (hierna: Boogaard). In de polisvoorwaarden komt, voor zover thans van belang, het volgende voor: “Art. 01 BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN In deze voorwaarden wordt verstaan onder: (…)
3. Student
Degene die in Nederland zijn woonplaats heeft en:
a. studeert aan een instelling van Wetenschappelijk Onderwijs of Hoger Beroepsonderwijs en in verband daarmede volledig dagonderwijs volgt en bij het sluiten van de verzekering jonger dan 30 jaar is of
b. 21 jaar of ouder doch jonger dan 30 jaar is en enige andere vorm van dagonderwijs volgt. (…)
Art. 04 EINDE VAN DE VERZEKERING De verzekering eindigt: (…)
d. indien de studie van de student als beëindigd kan worden beschouwd;
e. voor de studie geen volledig dagonderwijs meer door de student wordt gevolgd; (…)
Art. 06 VERPLICHTINGEN IN GEVAL VAN SCHADE
1. Zodra aan verzekerde kennis draagt van een gebeurtenis die voor de maatschappij tot een verplichting tot uitkering kan leiden, is hij verplicht:
a. zo spoedig mogelijk die gebeurtenis bij de maatschappij te melden door toezending van een volledig ingevuld en door de verzekerde ondertekend schadeformulier;(…) d. zijn volle medewerking te verlenen aan de schaderegeling en na te laten hetgeen de belangen van de maatschappij zou kunnen schaden;(…)
4. De door de verzekerde verstrekte opgaven zullen mede dienen tot de vaststelling van de omvang van de schade en het recht op uitkering.
5. De verzekerde kan geen rechten ontlenen indien:
a. hij één van de in dit artikel in lid 1, 2 en 3 genoemde verplichtingen niet is nagekomen en daardoor de belangen van de maatschappij heeft geschaad;
b. hij terzake van een schade opzettelijk onware of onvolledige mededelingen doet of laat doen. ”

3. Het geschil

3.1. [Eiseres] vordert een verklaring voor recht dat [Gedaagde 2] aansprakelijk is voor de (letsel)schade die [Eiseres] heeft geleden door het ongeval dat op 25 juni 2008 in een zwembad in Lommel (België) heeft plaatsgevonden en dat HDI op grond van artikel 7:954 BW gehouden is om die schade aan [Eiseres] te betalen.
[Eiseres] vordert verder om [Gedaagde 2] en HDI, ieder voor zich en ook hoofdelijk, te veroordelen tot het betalen van de proceskosten.

3.2. HDI voert verweer. HDI is geen uitkering verschuldigd aan [Gedaagde 2] en is dus ook geen uitkering als bedoeld in artikel 7:954 BW aan [Eiseres] verschuldigd. Ter onderbouwing voert HDI aan dat
– [Gedaagde 2] niet aan de voorwaarden van de totstandkoming van een geldige aansprakelijkheidsverzekering, te weten een zogenaamde Studentenverzekering, voldeed;
– [Gedaagde 2] niet heeft voldaan aan haar verplichtingen ingeval van schade en dat HDI hierdoor in een redelijk belang is geschaad.
HDI heeft hiertoe onder meer de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd:
– [Gedaagde 2] heeft de schade pas vijftien maanden na de gebeurtenis aan haar gemeld;
– Op dat moment woonde zij op Aruba en kon [Gedaagde 2] dus niet (op korte termijn) in een persoonlijk onderhoud worden gehoord;
– Door de te late melding was het niet meer mogelijk om de heer [X] te horen (verblijfplaats onbekend);
– [Gedaagde 2] heeft haar wachtwoord aan [Eiseres] gegeven en het daarmee mogelijk gemaakt dat in haar naam e-mails werden verzonden zonder dat [Gedaagde 2] met de inhoud van die e-mails bekend was en met die inhoud heeft ingestemd;
– [Gedaagde 2] heeft [Eiseres] met Boogaard laten bellen;
– [Gedaagde 2] heeft aanvankelijk verklaard dat zij was uitgegleden en heeft, nadat om die reden de aansprakelijkheid door HDI was afgewezen, haar verklaring aangepast.
Voorts betwist HDI dat er sprake is van een onrechtmatige gedraging van [Gedaagde 2].

3.3. [Eiseres] betwist dat HDI in een redelijk belang is geschaad. Zij stelt hiertoe dat [Gedaagde 2] heeft gebeld met de tussenpersoon en dat hij heeft gezegd dat [Gedaagde 2] een formulier moest invullen en opsturen. [Eiseres] weet niet of [Gedaagde 2] dit heeft gedaan. Het is echter geen belemmering geweest voor HDI om de schade in behandeling te nemen. Voorts was het telefonisch horen van [Gedaagde 2] kennelijk voldoende. Het argument dat HDI de heer [X] wilde horen, wordt volgens [Eiseres] eerst ter gelegenheid van de comparitie van partijen gevoerd. Als dat eerder aan de orde was geweest was hij vast wel boven water gekomen.

4. De beoordeling

4.1. De bevoegdheid in deze zaak wordt ten aanzien van HDI gestoeld op artikel 2 Rv en ten aanzien van [Gedaagde 2] op artikel 7 lid 1 Rv, daar er tussen de gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.

4.2. Met inachtneming van artikel 4 lid 2 van Rome II is Nederlands recht van toepassing daar [Eiseres] en [Gedaagde 2] beiden hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden op het tijdstip waarop de schade zich voordeed.

4.3. HDI heeft onder meer als verweer aangevoerd dat sprake is van verval van recht op uitkering gelet op het bepaalde in artikel 7:941 leden 2 en 4 in combinatie met artikel 6 uit de polisvoorwaarden. Op grond van voornoemd wetsartikel, gelezen in combinatie met de polisvoorwaarden, vervalt een recht op uitkering indien de verzekeringnemer niet binnen redelijke termijn alle inlichtingen en bescheiden verschaft die van belang zijn om de uitkeringsplicht te beoordelen, voor zover de verzekeraar hierdoor in een redelijk belang is geschaad.

4.3.1. Vast staat dat eerst na circa 15 maanden de gebeurtenis aan HDI is gemeld door [Eiseres] en/of [Gedaagde 2]. Voorts staat als onweersproken vast dat de verblijfplaats van één van de getuigen, de heer [X], al enige tijd onbekend is zodat hij niet door HDI gehoord kan worden. Dit was anders ten tijde van de gebeurtenis daar hij toen een affectieve relatie had met [Gedaagde 2]. Uit de processen-verbaal van de voorlopige getuigenverhoren van [Eiseres] en [Gedaagde 2] blijkt voorts dat – daargelaten wie de e-mail van 14 december 2009 heeft geschreven en/of verstuurd – [Eiseres] en [Gedaagde 2] contact hebben gehad- en hebben overlegd over de inhoud van die e-mail aan Cordaet. Uit het getuigenverhoor van [Eiseres] blijkt verder dat [Eiseres] namens [Gedaagde 2], die daarbij aanwezig was, met Boogaard telefonisch contact heeft gehad over de gebeurtenis.

4.3.2. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [Gedaagde 2] in de gegeven omstandigheden HDI niet tijdig in kennis heeft gesteld van de gebeurtenis, hetgeen de mogelijkheden van onderzoek van HDI negatief heeft beïnvloed en waardoor zij in haar redelijk belang is geschaad. Immers, mede als gevolg van het tijdverloop heeft HDI getuige [X] niet kunnen horen. Voorts is, zoals ter comparitie bleek de feitelijke situatie in 2008 in het zwembad (groen/rood licht of een oranje knipperlicht) onduidelijk. Alle getuigen alsmede Centerparcs spreken over een groen/rood licht terwijl de schade-expert die begin 2012 ter plaatse is geweest, in zijn tweede rapport schrijft over een oranje knipperlicht. Daar komt nog bij dat [Eiseres] namens [Gedaagde 2] telefonisch contact heeft gehad met de tussenpersoon van [Gedaagde 2] (Boogaard) en [Eiseres] en [Gedaagde 2] over de inhoud van ten minste één e-mail aan de schade-expert overleg hebben gehad.

4.3.3. [Eiseres] heeft nog aangevoerd dat HDI geen beroep meer kan doen op het feit dat de polis geen dekking verleent omdat er sprake is van rechtsverwerking.
Uitgangspunt is dat enkel tijdsverloop geen toereikende grond oplevert voor het aannemen van rechtsverwerking. Daartoe is immers vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. De aanwezigheid van bijzondere omstandigheden is niet gesteld. De argumenten van [Eiseres] ter gelegenheid van de comparitie van partijen, zoals de maatschappelijke taak van de verzekeraar, zijn geen bijzondere omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin. HDI heeft verder niet weersproken gesteld dat dat zij de zaak steeds heeft afgehouden. Er is gediscussieerd over de aansprakelijkheid, maar “de deur” heeft nooit open gestaan, zelfs niet op een kier, aldus HDI.

4.3.4. Gelet op het vorenstaande kan [Eiseres] geen betaling van een uitkering van HDI verlangen op grond van artikel 7:954 BW en wordt niet meer toegekomen aan de beoordeling van het andere verweer van HDI dat de polis geen dekking verleent omdat [Gedaagde 2] niet voldeed aan het in de polisvoorwaarden omschreven begrip ‘student’.

4.4. De gevorderde verklaring voor recht dat [Gedaagde 2] aansprakelijk is voor de (letsel)schade van [Eiseres] komt niet als onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze zal worden toegewezen.   .

4.5. [Eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de procedure tegen HDI worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van HDI begroot op

Griffierecht

€ 589,–

 

Advocaatkosten

   € 904,–

(2 punten x tarief II ad € 452)

 

€ 1.493,–

 

te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na de datum van het vonnis, zoals gevorderd en niet weersproken.

4.6. [Gedaagde 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de procedure tegen [Eiseres], worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [Eiseres] begroot op

Exploitkosten

€ 92,82

 

Griffierecht

€ 274,–

 

Advocaatkosten

€ 452,–

(2 punten x tarief II ad €452 x V2 (2 gedaagde partijen))

 

€ 818,82

 


4.6.1. Volgens vaste jurisprudentie is slechts in bijzondere gevallen vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten aangewezen. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Nu hiervan hier geen sprake is, voor toewijzing van de werkelijke proceskosten geen plaats.

5. De beslissing

De rechtbank

In de procedure tussen [Eiseres] en [Gedaagde 2]:
5.1. verklaart voor recht dat [Gedaagde 2] aansprakelijk is voor de (letsel)schade van [Eiseres] die zij opliep naar aanleiding van het incident van 25 juni 2008 waarbij beiden betrokken waren;
5.2. veroordeelt [Gedaagde 2] in de proceskosten, aan de zijde van [Eiseres] begroot op €818,82;

In de procedure tussen [Eiseres] en HDI:
5.3. wijst de vordering af;
5.4. veroordeelt [Eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van HDI begroot op € 1.493, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na de datum van het vonnis;

In beide procedures:
5.5. verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordelingen, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2015.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey