Rb (kort geding): vordering tot aanvullend voorschot afgewezen

Samenvatting:

Eiser is aangereden en heeft sinds het ongeval pijnklachten van de nek/schoudergordel, uitstralend naar de rechterarm. Hierdoor heeft hij zijn professionele carrière als Thai-bokser niet kunnen voortzetten, waardoor zijn inkomen volledig is weggevallen. Eiser vordert een aanvullend voorschot van € 25.000. De voorzieningenrechter wijst de vordering af. Of de bodemrechter die schadevergoeding uiteindelijk ook zal toekennen aan eiser is nog de vraag. De in het geding gebrachte (medische) informatie is van onvoldoende gewicht om te kunnen oordelen dat de daarin beschreven klachten van eiser (volledig) het gevolg zijn van het ongeval. Alleen een nader (feiten)onderzoek kan mogelijk meer duidelijkheid geven, maar daarvoor is binnen de kaders van dit kort geding geen plaats. Daarbij speelt het restitutierisico een rol. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

in naam van de Koning

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/336754 / KG ZA 18-447

Vonnis in kort geding van 20 september 2018

in de zaak van

EISER,

wonende te Eindhoven, eiser,

advocaat mr. C.W.H.M. Uitdehaag te Veldhoven, tegen

de naamloze vennootschap

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht, gedaagde,

advocaat mr. H. van Katwijk te Ermelo.

Partijen worden Eiser en ASR genoemd.

  1. De procedure
    • De procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 15 augustus 2018 met 7 producties,
  • de brief van mr. Van Katwijk van 3 september 2018 met 8 producties,
  • de brief van mr. Uitdehaag van 3 september 2018 met de aanvullende producties 8 tot en met 11
  • de mondelinge behandeling op 6 september 2018,
  • de pleitnota van Eiser,
  • de pleitnota van ASR.

1.2.            Ter zitting is aan de orde geweest dat Eiser niet de juiste rechtspersoon heeft gedagvaard (ASR Nederland N.V., in plaats van ASR Schadeverzekering N.V.), Mr. Van Katwijk heeft echter namens ASR Schadeverzekering N.V. verklaard vrijwillig in deze procedure te verschijnen in de plaats van ASR Nederland N.V. Eerstgenoemde is vervolgens als de in rechte verschenen gedaagde aangemerkt.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

  1. De feiten
    • Op 3 december 2016 is Eiser betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Eiser zat als passagier in een Renault Clio, die werd bestuurd door zijn partner, mevrouw X. Deze auto is met een snelheid van ongeveer 30 km per uur van achteren aangereden door een Lancia Ypsilon, bestuurd door de heer Y. De heer Y was WAM- verzekerd bij ASR.
    • ASR heeft de aansprakelijkheid voor het ontstaan van het ongeval erkend. Op 1 februari 2017 heeft ASR een voorschot op de schadeafwikkeling betaald van € 1.000,00.
    • Eiser heeft zich na het ongeval gemeld bij de huisarts met klachten in zijn rug, nek en schouderpartij. De huisarts heeft Eiser vervolgens doorverwezen voor het maken van röntgenfoto’s en vervolgens naar de fysiotherapeut, neuroloog, neurochirurg, revalidatiearts en anesthesioloog. Eiser heeft pijnklachten gehouden.
    • Op advies van de huisarts en de neuroloog volgt Eiser sinds kort een revalidatietraject. In dat kader heeft een intakegesprek plaatsgevonden en een vervolggesprek bij de revalidatiearts van het Maxima Medisch Centrum. Doel van de revalidatie is met name gericht op het accepteren van de pijnklachten en Eiser te begeleiden naar aangepaste activiteiten.

2.5.             Eiser was tot aan het ongeval professioneel bokser. Hij stelt uit dien hoofde maandelijks aan inkomsten te hebben ontvangen een bedrag van € 2.000,00 per maand aan sponsorgelden. Deze bedragen werden contant aan hem uitbetaald. Voorts stelt hij voor wedstrijden gemiddeld bedragen tussen de € 2.500,00 en 3.000,00 te hebben ontvangen, alsmede een percentage van de opbrengst van de verhuur van VIP-tafels tijdens de wedstrijd.

2.6.             Na het ongeval heeft Eiser geen wedstrijden meer gebokst.

2.7.             Verzoeken van Eiser om aanvullende bevoorschotting zijn door ASR niet gehonoreerd.

  1. Het geschil
  • Eiser vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad ASR te veroordelen om aan Eiser, bij wege van voorschot op een vast te stellen schadevergoeding, te voldoen een bedrag van € 25.000,00.
  • Hij legt daaraan het volgende ten grondslag. Eiser heeft sinds het ongeval op 3 december 2016 pijnklachten van de nek/schoudergordel, uitstralend naar de rechterarm. Deze pijnklachten zijn een rechtstreeks gevolg van het ongeval op 3 december 2016. Eiser was eerder immers niet bekend met deze klachten, hetgeen ook volgt uit de door Eiser overgelegde medische informatie. Vanwege de beperkingen als gevolg van het ongeval op 3 december 2016 heeft Eiser zijn professionele carrière als Thai-bokser niet kunnen voortzetten. Nu Eiser vanaf de datum van het ongeval tot aan de dag van vandaag geen boks activiteiten heeft kunnen ontplooien, is zijn inkomen uit sponsoring en wedstrijden volledig weggevallen. Eiser heeft daardoor aanzienlijke schade geleden. Er was sprake van een lopend sponsorcontract, afgesloten met B.. Utrecht. In het kader van dat contract ontving Eiser gemiddeld een bedrag van € 500,00 per week netto aan sponsorgeld. Ook genoot Eiser inkomsten uit bokswedstrijden, gemiddeld tussen de € 2.500,00 en € 3.000,00 per wedstrijd. Op grond van het verlies van dit arbeidsvermogen is aannemelijk dat de door Eiser geleden schade substantieel hoger ligt dan het door ASR betaalde voorschot van € 1.000,00. Betaling van een bedrag van € 25.000,00 als voorschot op de uiteindelijke schadeafwikkeling acht Eiser alleszins redelijk, Eiser heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering in dit kort geding. Zijn inkomen is als gevolg van het ongeval volledig weggevallen. Het inkomen van zijn partner als zelfstandig schoonheidsspecialiste is beperkt, zodat er inmiddels een achterstand is ontstaan in de huurbetalingen van ongeveer drie maanden. Deze achterstand is inmiddels ingelopen tot een maand door geld te lenen van familie en vrienden, maar daarmee kan Eiser niet doorgaan.
  • ASR voert verweer.
  • Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
  1. De beoordeling
    • Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.
    • Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de vordering van Eiser die toets niet doorstaan. Eiser vordert in dit kort geding een voorschot op door ASR te betalen schadevergoeding. Dat de bodemrechter die schadevergoeding uiteindelijk ook zal toekennen aan Eiser is echter nog de vraag.

ASR heeft de door Eiser gestelde geldvordering op vele onderdelen gemotiveerd betwist. Zo heeft ASR betwist dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het ongeval en de door Eiser gestelde (pijn)klachten en heeft zij bovendien de omvang van de door Eiser geleden schade betwist. De thans beschikbare en door Eiser (als productie 2) in het geding gebrachte (medische) bescheiden zijn in ieder geval van onvoldoende gewicht om te kunnen oordelen dat de daarin beschreven klachten van Eiser (al dan niet volledig) bet gevolg zijn van het ongeval. Zo heeft Eiser zelf erkend dat enige objectiveerbare medische afwijking niet is komen vast te staan. Met name de aan de zijde van ASR opgeworpen causaliteitsvragen kunnen op basis van de overgelegde stukken niet afdoende worden beantwoord. Vooralsnog kan dan ook enkel worden geconcludeerd dat partijen over de vraag of de door Eiser gestelde klachten het gevolg zijn van het ongeval op 3 december 2016, diepgaand van mening verschillen. Alleen een nader (feiten)onderzoek kan mogelijk meer duidelijkheid geven, maar daarvoor is binnen de kaders van dit kort geding geen plaats.

  • Daar komt bij dat Eiser tegenover de gemotiveerde betwisting door ASR geen enkel bewijs heeft geleverd van het door hem voorafgaand aan het ongeval gestelde

 

inkomen uit arbeid. Zo zijn geen fiscale- of loonbescheiden overgelegd en evenmin bankafschriften waaruit een reguliere inkomstenbron kan worden afgeleid. Bij de wel van de zijde van Eiser overgelegde bescheiden, zoals de als productie 4 overgelegde sponsorovereenkomst met Bargello Utrecht, heeft ASR de nodige vraagtekens geplaatst, onder andere met betrekking tot de authenticiteit van die overeenkomst, welke vraagtekens door Eiser voorshands onvoldoende zijn weerlegd.

    1. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat ten aanzien van de door Eiser gepretendeerde geldvordering de nodige onduidelijkheid bestaat. Van een geldvordering die voldoende aannemelijk is om in kort geding te worden toegewezen is dan geen sprake.
    2. Afweging van de wederzijdse belangen leidt niet tot een ander oordeel. In het kader van die belangenafweging speelt een rol dat het restitutierisico voor ASR zeer groot lijkt te zijn. Eiser stelt immers zelf dat hij momenteel niet in staat is zijn vaste lasten te voldoen en dat hij bovendien recent een beschikking heeft ontvangen tot terugbetaling van ten onrechte ontvangen bijstandsuitkering ter hoogte van een bedrag van € 14.000,00. Indien ASR zal worden veroordeeld tot betaling van enig bedrag aan Eiser zal dit geld naar alle waarschijnlijkheid weg zijn als achteraf zou worden geoordeeld dat Eiser dit terug moet betalen aan ASR. Ook het restitutierisico staat derhalve aan toewijzing van de vordering in de weg.
    3. Er is een probleem tussen partijen, maar dat laat zich onmogelijk in kort geding oplossen.
    4. Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ASR worden begroot op:
  • griffierecht  €          626,00
  • salaris advocaat                   980,00
  • Totaal                          €        1.606,00.
  1. De beslissing

De voorzieningenrechter

    1. wijst de vorderingen af,
    2. veroordeelt Eiser in de proceskosten, aan de zijde van ASR tot op heden begroot op € 1.606,00,
    3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.w.g. de griffier
    4. Voor eerste grosse
    5. Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.L. Roosmale Nepveu en in bet openbaar uitgesproken op 20 september 2018.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots