Rb, deelgeschil: verzekeraar niet gebonden aan eenzijdig uitgebracht expertiserapport

Samenvatting:

Psychische klachten (angst, bedplassen) minderjarig meisje ongevalsgevolg? De ouders vragen verklaring voor recht dat (b.) de – eenzijdig – uitgebrachte expertiserapporten als bindend uitgangspunt hebben te gelden en (c.) dat PTSS aan het ongeval moet worden toegerekend. Ad b. De rechtbank oordeelt dat de rapporten niet tot uitgangspunt kunnen dienen voor de verdere schaderegeling, omdat de verzekeraar 1) niet bij de keuze van de deskundige betrokken is geweest, 2) onvoldoende hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden, 3) de expertisearts niet heeft kunnen beschikken over alle relevante informatie en 4) de verzekeraar gefundeerde kritiek heeft op het expertiserapport, terwijl niet blijkt dat de expertisearts die kritiek op een voldoende wijze in haar rapport heeft meegewogen. Kosten expertiserapporten (a.) afgewezen, nu de rapporten niet bruikbaar zijn. Ad c. Nu de waarde van de rapporten beperkt is kan op basis van die rapporten niet worden aangenomen dat causaal verband tussen het ongeval en de psychische klachten voldoende vaststaat. Kosten deelgeschil teruggebracht tot € 4928,40; aantal uren bovenmatig, uurtarief teruggebracht van € 265 tot € 240.

ECLI:NL:RBDHA:2015:4760
Instantie: Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak: 24-03-2015
Datum publicatie: 07-05-2015
Zaaknummer: C-09-476945 – HA RK 14-598
Rechtsgebieden: Civiel recht
Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie: Deelgeschil. Gebondenheid aan eenzijdige rapportages. Kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Causaal verband tussen ongeval en klachten staat op basis van de overgelegde stukken niet vast. Wel kostenbegroting, geen veroordeling.
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl

Uitspraak
beschikking
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/476945 / HA RK 14-598

Beschikking van 24 maart 2015

in de zaak van

1 [A],
2. [B],
beiden wonende te [woonplaats],
verzoekers,
handelend in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van [C],
advocaat mr. J.G. Keizer,

tegen
|
de naamloze vennootschap ALLIANZ BENELUX N.V.,
statutair gevestigd te Brussel,
mede handelend onder de naam LONDON VERZEKERINGEN,
mede kantoorhoudende te Rotterdam,
verweerster,
advocaat mr. N.C. Haase te Amsterdam.
Partijen worden hierna verzoekers en London genoemd.

1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 7 november 2014, met producties;
– het op 5 februari 2015 ingekomen verweerschrift;
– de brieven van 2 februari 2015 (met productie) en 5 februari 2015 (met producties) van de zijde van verzoekers.

1.2. Op 10 februari 2015 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen: verzoekers, bijgestaan door mr. Keizer voornoemd, alsmede de heer [letselschadebehandelaar] (letselschadebehandelaar) namens London, bijgestaan door mr. Haase voornoemd.

1.3. Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

2 De feiten
2.1. Verzoekers zijn de ouders van [C], geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] (hierna: [C]).

2.2. Op 22 juni 2011 is [C] betrokken geraakt bij een verkeersongeval. De door haar vader bestuurde personenauto, waarin zowel [C] als haar moeder zich als inzittenden bevonden, is daarbij bij het vertrekken vanuit een parkeerhaven, waarbij de auto linksaf sloeg, aan de linker voorzijde aangereden door een – bij London verzekerde – camper (hierna: het ongeval). London heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.

2.3. Op 24 oktober 2011 hebben verzoekers met [C] de huisarts bezocht, alwaar verzoekers hebben gemeld dat [C] sinds een week buikklachten heeft. Verder hebben verzoekers gemeld dat [C] sinds het ongeval last heeft van bedplassen en angst om in een auto te zitten.

2.4. Na doorverwijzing door de huisarts is [C] in eerste instantie behandeld door jeugdpsycholoog de heer J.M. Schrijer (hierna: Schrijer). Bij brief van 31 januari 2012 heeft Schrijer aan de huisarts van [C] bericht dat zijn voorlopige diagnose PTSS luidt. Omdat [C] geen goede klik met Schrijer had, is zij vervolgens behandeld door GZ-psycholoog mevrouw J. Prick (hierna: Prick). Bij brief van 2 december 2012 stelt Prick dat de klachten van [C] zijn toe te schrijven aan een PTSS, opgelopen door het ongeval. De kosten van de behandeling hiervan worden door haar begroot op een bedrag van € 6.120.

2.5. Bij brief van 11 april 2013 heeft mr. Keizer namens verzoekers een klacht ingediend bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (KiFiD). De klacht van verzoekers was gericht tegen (1) de weigering van London een eerste voorschot van € 1.250 te betalen en (2) de weigering van London om de kosten van psychologische behandelingen te vergoeden.

2.6. Op verzoek van het KiFid heeft mr. G.J. Kruithof (hierna: Kruithof) op 11 juni 2013 een verzekeringsgeneeskundig deskundigenrapport opgesteld. Hierin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“Sprekend over het standpunt van medisch adviseur van de aansprakelijke verzekeraar merkt ondergetekende op dat het genoemde standpunt, inhoudende dat nadere informatie met betrekking tot de ongevallen, waaronder het eerste ongeval, noodzakelijk is, verdedigbaar is. Het een en ander laat onverlet dat, voor zover door ondergetekende te beoordelen, het tweede ongeval d.d. 22 juni 2011 aanleiding is geweest voor een uitgebreider/verergering klachtenpatroon in de vorm van angstklachten, nachtmerries. (…)
Ten einde op voldoende zorgvuldige wijze te kunnen beoordelen of en zo ja, in welke mate het door patiënt ontwikkelde klachtenpatroon toegeschreven kan worden aan het ongeval d.d. 22 juni 2011, dan wel aan ongevalsvreemde pre-existente problemen, is een psychiatrische expertise noodzakelijk.”

2.7. Bij beslissing van 18 juni 2013 heeft het KiFid de eerste klacht van verzoekers gegrond verklaard. De tweede klacht is ongegrond verklaard. Hiertoe is het volgende overwogen:

De kwestie spitst zich thans toe op de vraag of van London Verzekeringen in redelijkheid mag worden verlangd dat zij overgaat tot vergoeding van de kosten van psychologische behandeling van [C]. De maatschappij wil eerst aanvullende informatie inwinnen, met name ten aanzien van de causaliteitsaspecten, dus ter beoordeling van het verband tussen het ongeval op 22 juni 2011 en de gepresenteerde klachten en medisch beperkingen. Daarbij is ook de medische voorgeschiedenis van voor de ongevalsdatum van belang. Er is sprake van betrokkenheid van uw cliënte bij een auto-ongeval in april 2010. De door mij geraadpleegde deskundige acht het standpunt van de medisch adviseur van London Verzekeringen, dat nadere informatie met betrekking tot de ongevallen van april 2010 en 22 juni 2011 noodzakelijk is, verdedigbaar.
Al met al zie ik dan ook onvoldoende aanknopingspunten om te bepleiten dat de letselschadeclaim alsnog op de door u voorgestane wijze verder wordt behandeld.

2.8. Na de uitspraak van het KiFid heeft London alsnog een bedrag van € 1.250,– op de schade van [C] bevoorschot.

2.9. Op 24 mei 2013 heeft mr. Keizer het advies van zijn medisch adviseur van 7 mei 2013 aan het door London ingeschakelde schaderegelingsbureau ITEB B.V. (hierna: Iteb) toegezonden. In dit advies wordt voorgesteld om een psychiatrische expertise te laten verrichten door kinder- en jeugdpsychiater mevrouw dr. E.M. van der Meulen (hierna: Van der Meulen), verbonden aan het Psychiatrisch Expertise Centrum te Amsterdam.

2.10. Bij brief van 9 juli 2013 heeft Iteb, voor zover hier van belang, als volgt aan mr. Keizer bericht:

In aansluiting op mijn brief van 29 mei 2013 zend ik u hierbij het advies van mijn medisch adviseur van 16 juni 2013.
Zoals u hierin zult lezen is bij uw cliënte sprake van een uitgebreide niet ongeval gerelateerde pre-existente problematiek. Zo was zij al voor het ons regarderend ongeval bekend met overgewicht. Daarnaast was er in januari 2011, dus een half jaar voor het ongeval, al sprake van bedplassen ten gevolge van urinewegproblematiek. Zij werd toen ook al naar de kinderpsycholoog verwezen. Tot slot is er in februari 2011 een melding bij het Algemeen Meldpunt Kindermishandeling binnengekomen die uiteindelijk geconcludeerd heeft dat hiervan gelukkig geen sprake is geweest.
Wel is duidelijk dat er voor het ongeval al sprake was van een complexe (psychische) problematiek. (…) Mijn medisch adviseur acht een causaal verband met ons ongeval op basis van de beschikbare stukken vooralsnog niet onderbouwd.
Desondanks kan mijn medisch adviseur wel instemmen met een uitvoerig psychiatrisch onderzoek na ontvangst van de informatie zoals genoemd in het advies. Wilt u dit verzorgen?

2.11. Bij brief van 19 juli 2013 heeft mr. Keizer, voor zover van belang, het volgende aan Iteb te kennen gegeven:

Ik zal mijn medisch adviseur verzoeken om de expertiseaanvraag (conform de IWMD-vraagstelling) aan mevrouw dr. E.M. van der Meulen van het Psychiatrisch Expertise Collectief te Amsterdam te versturen. Een zekere haast is immers geboren, omdat [C] voor haar toch aanzienlijke klachten nog steeds niet behandeld wordt. (…)
Uw medisch adviseur dringt opnieuw aan op toezending van informatie van de schoolarts. Die informatie is er niet. Een schoolarts is voor de psychische problemen nimmer geconsulteerd. De ouders van [C] hebben aan de doorverwijzing naar de psycholoog in januari 2011 geen gehoor gegeven, omdat de klachten toen al waren verdwenen. Het AMK verstrekt geen informatie in het kader van letselschadezaken. Mocht de deskundige desondanks inzage in die informatie wensen, dan kan hij die informatie opvragen. Het ontbreken van die informatie kan aan het ingang zetten van de expertise in ieder geval niet in de weg staan.
Ten slotte is alle beschikbare informatie van de huisarts verstrekt. Ook aan het daarop betrekkende verzoek van uw medisch adviseur kan dus niet voldaan worden.

2.12. Bij brief van 24 juli 2013 heeft de medisch adviseur van mr. Keizer Van der Meulen verzocht om aan de hand van de IWMD-vraagstelling een psychiatrisch onderzoek te verrichten. In deze brief is vermeld dat de aanvraag mede namens Iteb wordt gedaan.

2.13. Bij brief van 13 september 2013 heeft Iteb onder meer aan mr. Keizer bericht:

London verzekeringen maakte mij er op attent dat de door mijn medisch adviseur gewenste aanvullende medische informatie (zie mijn brief van 9 juli 2013) niet werd overgelegd. (…)

Daarnaast geeft London Verzekeringen aan dat er geen overeenstemming is over de te benoemen deskundige. Weliswaar gaat de medisch adviseur van London Verzekeringen akkoord met het opstarten van een psychiatrische expertise maar ziet mijn opdrachtgeefster gezien het vorenstaande geen enkele reden om zich te conformeren aan de uitkomst van het nog op te starten onderzoek. Zij verzoekt u dan ook om psychiater Van der Meulen mee te delen dat deze opdracht niet namens de medisch adviseur van London Verzekeringen is verstrekt.

2.14. Bij brief van 10 oktober 2013 heeft mr. Keizer aan Iteb laten weten dat de aangevraagde expertise zal worden voortgezet.

2.15. Bij brief van 6 november 2013 heeft Iteb aan mr. Keizer te kennen gegeven dat London de opgestarte expertise als eenzijdig kwalificeert en zich niet gehouden voelt om zich aan de uitslag te conformeren.

2.16. Op 30 januari 2014 heeft Van der Meulen haar conceptrapportage uitgebracht. Bij brief van 17 februari 2014 heeft de medisch adviseur van mr. Keizer laten weten dat er geen specifieke op- of aanmerkingen op het conceptrapport zijn en dat aldus aan Van der Meulen zal worden bericht.

2.17. Vervolgens heeft Van der Meulen op 25 februari 2014 haar definitieve psychiatrische expertise uitgebracht. In dit rapport is, in het kader van de beantwoording van vraag 1f, onder meer het volgende vermeld:

Op 22-06-2011 heeft zij samen met haar ouders een auto-ongeval meegemaakt, waarna haar beide ouders forse lichamelijke en psychische klachten hebben gekregen en daardoor hun baan zijn kwijtgeraakt. Daardoor is de situatie in het gezin sterk veranderd. Zij kan bijvoorbeeld niet meer intensief kunstschaatsen, wat zij daarvoor met veel passie deed. Hierdoor is nu een situatie ontstaan waarbij ze onzeker is geworden, agressie geremd is geraakt en tekenen van chronische PTSS vertoont, (met nachtmerries, flashbacks, intrusieve herinneringen, nachtelijke angsten, concentratieproblemen, veel piekeren, de neiging zich terug te trekken binnen de grenzen van het eigen gezin, faalangst en onzeker zijn, bedplassen en regressief gedrag).”

Bij de beantwoording van vraag 1j heeft Van der Meulen, voor zover van belang, opgemerkt:

Ik verwacht dat met behulp van traumabehandeling de resterende kenmerken van PTSS kunnen verminderen of verdwijnen.

De vraag of de klachten en afwijkingen er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan als het ongeval [C] niet was overkomen (vraag 2c) is door Van der Meulen in negatieve zin beantwoord.

2.18.
Bij brief van 11 maart 2014 heeft Iteb aan mr. Keizer onder meer het volgende laten weten:

Van London Verzekeringen ontving ik inmiddels het advies van haar medisch adviseur opgesteld naar aanleiding van de eenzijdig uitgevoerde expertise.

Zoals u hierin kunt lezen is mijn medisch adviseur van mening dat er sprake is van een zeer eenzijdige visie van de expert over hetgeen is voorgevallen waarbij er onvoldoende wordt ingegaan op de aanwezige pre-existente situatie en een vrijwel ideale situatie wordt geschetst die er duidelijk niet was. Om deze reden kan de uitgevoerde expertise naar de mening van mijn medisch adviseur terzijde worden geschoven.

Er wordt aangedrongen op aanlevering van diverse medische stukken waarna opnieuw, en nu een gezamenlijke, expertise kan worden verricht.

Gezien de conclusies van haar medisch adviseur is London Verzekeringen niet bereid om de kosten van de uitgevoerde expertise voor haar rekening te nemen.

2.19.
Bij brief van 18 maart 2014 heeft mr. Keizer aan Iteb onder meer laten weten dat de opmerkingen van de medisch adviseur van London aan Van der Meulen zullen worden voorgelegd, met het verzoek daarop te reageren.

2.20.
Bij brief van 28 mei 2014 heeft Iteb onder meer aan mr. Keizer te kennen gegeven dat London niet instemt met het zonder overleg doorsturen van het advies van haar medisch adviseur naar Van der Meulen en dat London ook de daaraan verbonden kosten niet voor haar rekening zal nemen.

2.21.
Op 15 juli 2014 heeft Van der Meulen een nadere rapportage uitgebracht. Van der Meulen concludeert hierin dat bij het tweede onderzoek geen zaken naar voren zijn gekomen die haar ertoe zouden kunnen brengen haar conclusies uit haar eerdere expertise te wijzigen.

2.22.
Bij beschikking van 7 oktober 2014 heeft de kantonrechter van deze rechtbank verzoekers machtiging verleend voor het namens [C] aanhangig maken van de onderhavige procedure.

3 Het geschil
3.1.
Verzoekers verzoeken de rechtbank bij wijze van deelgeschil – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en voor zover thans nog van belang –:
A.voor recht te verklaren dat de kosten van de door Van der Meulen uitgebrachte expertiserapporten van 25 februari 2014 en 18 juli 2014 door London dienen te worden vergoed;

B.voor recht te verklaren dat de door Van der Meulen uitgebrachte expertiserapporten van 25 februari 2014 en 18 juli 2014 voor de verdere schaderegeling tussen partijen als bindend uitgangspunt hebben te gelden;

C.voor recht te verklaren dat vaststaat dat bij [C] als gevolg van het ongeval van 22 juni 2011 een chronische PTSS is ontstaan, althans dat het ontstaan van de chronische PTSS aan het ongeval van 22 juni 2011 moet worden toegerekend, en dat London gehouden is om alle daarvoor benodigde en niet door de zorgverzekeraar vergoede behandelkosten aan verzoekers te vergoeden;

D.de aan de behandeling van het verzoek verbonden kosten te begroten en London te veroordelen tot betaling van die kosten aan verzoekers.

3.2.
Verzoekers stellen dat [C] als gevolg van het ongeval psychisch letsel heeft opgelopen, bestaande uit een PTSS, waarbij sprake is van onder meer nachtmerries, flashbacks, concentratieproblemen, faalangst en bedplassen. Ter onderbouwing hiervan verwijzen verzoekers in de eerste plaats naar de door Van der Meulen uitgebrachte rapportages van 25 februari 2014 en 18 juli 2014. In de visie van verzoekers dienen deze rapportages voor de verdere schaderegeling tussen partijen als bindend uitgangspunt te gelden en is London gehouden om de aan het opstellen van de rapportages verbonden kosten te vergoeden. Voorts verwijzen verzoekers naar de overige beschikbare (medische) informatie. Op basis van genoemde stukken dient het bestaan van causaal verband tussen het ongeval en de psychische klachten van [C] volgens verzoekers te worden aangenomen. Dit brengt bovendien met zich dat London gehouden is de – niet door de zorgverzekeraar vergoede – kosten van de noodzakelijke medische behandelingen te voldoen.

3.3.
London voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Uitgebrachte expertiserapporten als bindend uitgangspunt?
4.1. De rechtbank zal eerst beoordelen of de door Van der Meulen uitgebrachte expertiserapporten als bindend uitgangspunt dienen te gelden voor de verdere schaderegeling tussen partijen.

4.2. Vooropgesteld wordt dat het in zaken als de onderhavige, waarin partijen buiten rechte twisten over de causaliteit tussen ongeval en medische klachten, gebruikelijk is dat in gemeenschappelijk overleg een deskundige wordt aangezocht en dat voorts in gemeenschappelijk overleg wordt bepaald welke vraagstelling wordt voorgelegd en welke informatie aan de deskundige wordt verstrekt. Bovendien krijgen beide partijen de gelegenheid om naar aanleiding van het door de deskundige opgestelde concept-rapport aanvullende vragen te stellen en opmerkingen te maken. Indien deze gang van zaken wordt gevolgd, worden de beginselen van gelijkheid in procespositie en hoor en wederhoor het beste gewaarborgd en zullen partijen in beginsel gebonden zijn aan de inhoud van het door de deskundige opgestelde rapport.

4.3. In deze zaak zijn de rapporten van Van der Meulen niet op de hiervoor beschreven wijze tot stand gekomen. In dit geval is immers sprake van een eenzijdig door verzoekers bij Van der Meulen aangevraagde expertise. Dat de rapportages van Van der Meulen niet in onderling overleg tussen partijen tot stand zijn gekomen, betekent niet per definitie dat die rapportages niet tot bewijs kunnen dienen. Aan de hand van de concrete omstandigheden van het onderhavige geval dient te worden beoordeeld of London gebonden is aan de rapporten van Van der Meulen en of aan deze rapporten bewijskracht toekomt.

4.4. De rechtbank stelt allereerst dat uit de in het geding gebrachte correspondentie tussen partijen (zie 2.9. tot en met 2.13.) volgt dat London geen invloed heeft gehad op de keuze van Van der Meulen als deskundige en dat zij met die keuze niet heeft ingestemd. De deskundigheid van Van der Meulen is bovendien zowel in het verweerschrift als ter terechtzitting uitdrukkelijk en gemotiveerd door London in twijfel getrokken.

4.5. Ten tweede is het volgende van belang. Op 30 januari 2014 heeft Van der Meulen haar conceptrapportage uitgebracht. De rechtbank leidt uit de overgelegde stukken af dat London weliswaar de gelegenheid is geboden om hierop te reageren, maar dat het definitieve rapport door Van der Meulen op 25 februari 2014 is uitgebracht zonder het commentaar van London af te wachten. Bij schrijven van 4 maart 2014 heeft de medisch adviseur van London alsnog op het rapport gereageerd. Dit advies is vervolgens door mr. Keizer – zonder overleg met London – aan Van der Meulen toegestuurd met het verzoek om (mede) aan de hand hiervan nader te rapporteren.

4.6. Nog daargelaten dat de rechtbank dit een ongebruikelijke en onjuiste gang van zaken vindt – het door de medisch adviseur van London opgestelde advies was immers niet (rechtstreeks) bestemd voor Van der Meulen, maar voor London –, is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat Van der Meulen naar aanleiding van het commentaar van de medisch adviseur van London aanvullend heeft gerapporteerd de schending van de hoor en wederhoor niet wegneemt. London is immers de mogelijkheid onthouden om op de door haar gewenste wijze te reageren op het conceptrapport van Van der Meulen. Dat (de medisch adviseur van) London achteraf, nadat Van der Meulen reeds op het advies van de medisch adviseur van London had gereageerd, geen aanvullende vragen aan Van der Meulen heeft willen stellen, acht de rechtbank – gelet op de voorafgaande gang van zaken – begrijpelijk en onder de gegeven omstandigheden niet onredelijk.

4.7. Ten derde is van belang dat Van der Meulen blijkens de op pagina 4 van het (eerste) rapport opgenomen opsomming van de meegestuurde medische informatie zich bij het opstellen van dat rapport heeft gebaseerd op berichten van de huisarts, Schrijer, Prick en het AMK. Met London is de rechtbank van oordeel dat Van der Meulen hiermee niet heeft beschikt over alle relevante informatie. Immers, de volgende door de medisch adviseur van London in zijn advies van 4 maart 2014 opgevraagde informatie ontbreekt:
1. het huisartsenjournaal over de in het advies aangegeven periodes,
2. informatie met betrekking tot het ongeval in 2010,
3. informatie met betrekking tot de verwijzing naar de kinderpsycholoog in januari 2011, en 4. informatie van zowel de oude als de nieuwe school van [C].

4.8. De rechtbank is, met London, van oordeel dat deze informatie van belang is voor een juiste en volledige beoordeling van de zaak. Op voorhand kan immers niet worden uitgesloten dat andere gebeurtenissen (mede) debet zijn aan de door [C] ervaren klachten. Om te kunnen vaststellen of en zo ja, in hoeverre, [C] in de hypothetische situatie zonder ongeval ook de gestelde klachten zou hebben gehad, is het noodzakelijk dat de medische situatie van [C], zowel voor als na het ongeval, nauwkeurig in beeld wordt gebracht. De hiervoor genoemde informatie is daarbij in ieder geval van belang. Verzoekers dienen er derhalve zorg voor te dragen dat deze informatie alsnog beschikbaar komt. Verzoekers hebben weliswaar gesteld dat er geen relevante voorgeschiedenis is, maar zij hebben nagelaten dit standpunt aan de hand van informatie van de kinderpsycholoog en de oude en nieuwe school van [C] te onderbouwen.

4.9. Ten vierde is van belang dat London er, naar het oordeel van de rechtbank terecht, op heeft gewezen dat Van der Meulen – vanwege het ontbreken van de onder 4.7. genoemde informatie – onvoldoende is ingegaan op de pre-existente situatie van [C], waarin reeds sprake was van bedplassen, een verwijzing naar de kinderpsycholoog, algehele malaise met achteruitgaande schoolprestaties, een mogelijke wisseling van school en overgewicht. Voorts heeft London erop gewezen dat Van der Meulen volledig voorbij is gegaan aan (de gevolgen van) het ongeval in april 2010.

4.10. Tot slot is Van der Meulen er volgens London ten onrechte van uitgegaan dat [C] tot het ongeval aan kunstschaatsen heeft gedaan en dat het ongeval voor verzoekers verstrekkende gevolgen heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat niet blijkt dat Van der Meulen de juistheid van de door London betwiste verklaringen van verzoekers (aan de hand van objectieve gegeven van bijvoorbeeld de schaatsbaan) heeft geverifieerd.

Conclusie
4.11. Nu London 1) niet bij de keuze van de deskundige betrokken is geweest, 2) onvoldoende hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden, 3) Van der Meulen niet heeft kunnen beschikken over alle relevante informatie en 4) London gefundeerde kritiek heeft op het rapport van Van der Meulen, terwijl niet blijkt dat Van der Meulen die kritiek op een voldoende wijze in haar rapport heeft meegewogen, is de rechtbank van oordeel dat de rapporten niet tot uitgangspunt kunnen dienen voor de verdere schaderegeling tussen partijen. De onder B verzochte verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen.

Kosten uitgebrachte expertiserapporten voor rekening van London?
4.12. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of de kosten verbonden aan de door Van der Meulen uitgebrachte expertiserapporten door London dienen te worden vergoed.

4.13. Nu London de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval heeft erkend, biedt artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW in beginsel een grondslag voor vergoeding van de door verzoekers gemaakte expertisekosten. Vereist is hierbij echter wel dat, in de gegeven omstandigheden, de kosten redelijk zijn en dat het laten opmaken van de rapportages redelijk is.

4.14. Gebleken is dat, hoewel London bij schrijven van 9 juli 2013 te kennen heeft gegeven dat – na ontvangst van aanvullende medische informatie – kan worden ingestemd met het laten verrichten van een psychiatrisch onderzoek, verzoekers bij brief van 24 juli 2013 eenzijdig een deskundigenonderzoek door Van der Meulen in gang hebben gezet. Op dat moment had slechts relatief kort overleg plaatsgevonden tussen partijen over het laten verrichten van een psychiatrische expertise. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat het verzoek van London om nadere informatie, zoals hiervoor reeds is overwogen, terecht was, is de rechtbank van oordeel dat de kosten verbonden aan de totstandkoming van de rapporten niet in redelijkheid zijn gemaakt. Anders dan verzoekers stellen kan in de hiervoor weergegeven omstandigheden niet worden gezegd dat London het in gang zetten van het onderzoek heeft gefrustreerd. De kosten van de expertiserapporten komen derhalve niet voor vergoeding door London in aanmerking. Dit leidt ertoe dat ook de onder A verzochte verklaring voor recht zal worden afgewezen, nu de rapporten niet bruikbaar zijn.

Causaal verband tussen ongeval en klachten
4.15. Tot slot dient te worden geoordeeld over het verzoek voor recht te verklaren dat bij [C] als gevolg van het ongeval van 22 juni 2011 een chronische PTSS is ontstaan, althans dat het ontstaan van de chronische PTSS aan het ongeval van 22 juni 2011 moet worden toegerekend, en dat London gehouden is om alle daarvoor benodigde en niet door de zorgverzekeraar vergoede behandelkosten aan verzoekers te vergoeden.

4.16. Uit hetgeen hiervoor met betrekking tot de (totstandkoming van de) expertiserapporten van Van der Meulen is overwogen, volgt dat de waarde van die rapporten beperkt is. Op basis van die rapporten kan dan ook niet worden aangenomen dat causaal verband tussen het ongeval en de psychische klachten van [C] voldoende vaststaat. Dit geldt des te meer nu London aan de hand van medische stukken heeft aangetoond dat [C] reeds voor het ongeval kenmerken vertoonde die volgens Van der Meulen moeten worden toegeschreven aan een PTSS, zoals bedplassen.

4.17. Evenmin vormen de overige in het geding gebrachte (medische) stukken, waarop verzoekers zich beroepen, een voldoende onderbouwing van het gestelde causale verband. Weliswaar hebben Schrijer en Prick de (voorlopige) diagnose PTSS gesteld en Van der Meulen de diagnose PTSS type chronisch gedeeltelijk in remissie, maar de rechtbank is van oordeel dat aan de berichtgeving van deze psychologen onvoldoende waarde kan worden gehecht, nu zij niet aan de hand van alle relevante (medische) informatie, waaronder de in 2.7. genoemde informatie, tot hun bevindingen zijn gekomen. Ook uit het in het kader van de klachtenbehandeling opgestelde advies van Kruithof kan niet worden afgeleid dat het causaal verband tussen de PTSS en het ongeval voldoende vaststaat, nu Kruithof zelf heeft aangegeven dat in verband daarmee een psychiatrische expertise noodzakelijk is. De medisch adviseur van London stelt in zijn advies van 19 februari 2013 eveneens dat, hoewel het ongeval tot PTSS kan hebben geleid, er in deze zaak aanleiding is om ook andere oorzaken van de klachten van [C] aan te nemen.

4.18. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het door verzoekers gestelde causale verband tussen het ongeval en de door Van der Meulen gediagnostiseerde PTTS nog niet in voldoende mate vaststaat. De rechtbank zal derhalve ook de onder C verzochte verklaring voor recht afwijzen.

Ten overvloede
4.19. Van der Meulen heeft in haar rapportage van 25 februari 2014 aangegeven dat zij verwacht dat met behulp van traumabehandeling de resterende kenmerken van PTSS kunnen verminderen of verdwijnen. Gelet hierop heeft de rechtbank partijen ter terechtzitting in overweging gegeven om, eventueel na toekenning door London van een nader voorschot ter (gedeeltelijke) voldoening van de behandelkosten, de behandeling van [C] af te wachten. Als de behandeling van [C] aanslaat, is wellicht in het geheel geen nadere expertise nodig. Indien toch een nieuwe expertise noodzakelijk is, dient deze – na overlegging door verzoekers van alle relevante informatie – op de hiervoor onder 4.2. weergegeven wijze in gang te worden gezet. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen hierover in overleg zullen treden, zodat een rapport tot stand komt dat in beginsel als uitgangspunt voor de verdere schadeafwikkeling zal gelden.

Kosten deelgeschil
4.20. Ingevolge artikel 1019aa lid 1 Rv dient de rechtbank de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt te begroten, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking worden genomen. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn.

4.21. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat voor begroting van de kosten ook plaats is in geval van afwijzing van het verzoek. Dit is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat van deze laatste situatie in dit geval geen sprake is, nu het verzoekers niet al op voorhand duidelijk had moeten zijn dat het verzoek niet zou slagen. De rechtbank acht het derhalve redelijk dat de met de onderhavige procedure gemoeide kosten zijn gemaakt. Gelet hierop zal de rechtbank overgaan tot begroting van de kosten.

4.22. Mr. Keizer stelt, onder verwijzing naar de als productie 15 overgelegde specificatie, dat bij de begroting van de kosten uitgegaan dient te worden van een tijdsbesteding van 18 uur en een uurtarief van € 265 (exclusief 6% kantoorkosten en 21% BTW), te vermeerderen met het betaalde griffierecht. London maakt bezwaar tegen zowel het gestelde aantal aan de zaak bestede uren als het opgevoerde uurtarief.

4.23. De rechtbank is met London van oordeel dat zowel het aantal in rekening gebrachte uren als het door mr. Keizer gehanteerde uurtarief bovenmatig zijn. De rechtbank acht het, gezien de inhoud van het verzoekschrift en de mate van complexiteit van het deelgeschil, redelijk om rekening te houden met een tijdsbesteding van 16 uur in totaal. Voorts acht de rechtbank het redelijk om rekening te houden met een uurtarief van € 240 (inclusief kantoorkosten), te vermeerderen met 21% BTW. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat ter terechtzitting is gebleken dat London reeds voorafgaand aan deze procedure heeft geageerd tegen het gehanteerde uurtarief.

4.24. Gezien het voorgaande zal de rechtbank de kosten begroten op een bedrag van afgerond € 3.485 (12 uur x € 240, vermeerderd met 21% BTW). Deze kosten zullen worden vermeerderd met het door verzoekers betaalde griffierecht van € 282, zodat het totaal uitkomt op een bedrag van € 4.928,40.

4.25. Nu het bestaan van causaal verband tussen het ongeval en de klachten van [C] een vereiste is voor het daadwerkelijk ontstaan van een schadevergoedingsverplichting voor London, komen de kosten van dit deelgeschil uitsluitend voor vergoeding in aanmerking wanneer dat causale verband alsnog komt vast te staan en kan de omvang pas worden vastgesteld aan de hand van de dubbele redelijkheidstoets, wanneer de uiteindelijke omvang van de schade bekend is. Om die reden zal de rechtbank niet overgaan tot een veroordeling van London tot betaling van de begrote kosten.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1. begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 4.928,40;

5.2. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey