Rb, deelgeschil: verklaring voor recht dat benadeelde niet in strijd heeft gehandeld met schadebeperkingsplicht toegewezen

Samenvatting:

Benadeelde vraagt een verklaring voor recht dat hij op geen enkel moment in strijd heeft gehandeld met schadebeperkingsplicht (art 6:101 BW), zodat er daardoor voor de verzekeraar geen grond bestaat om de onderhandelingen te staken. Door de verzekeraar waren de onderhandelingen gestaakt, omdat benadeelde het coachingstraject had stopgezet en zich niet wilde richten op re-integratie voordat het schadetraject was afgerond. 1. De rechtbank wijst de verklaring voor recht toe. Verzekeraar heeft onvoldoende onderbouwd dat benadeelde zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden. Niet gesteld of gebleken is dat het stopzetten van het traject bij de psycholoog enige negatieve invloed heeft gehad op de resterende verdiencapaciteit van benadeelde dan wel de hoogte van de schade. Verzekeraar gaat naar het oordeel van de rechtbank te gemakkelijk voorbij aan het feit dat in meerdere onderzoeken naar voren komt dat benadeelde naast fysieke klachten, ook psychische klachten heeft, waardoor hij zich moeilijk kan richten op meerdere zaken tegelijk. 2. De rechtbank wijst de verklaring voor recht dat de verzekeraar gehouden is de volledige schade te vergoeden af, omdat hierbij geen rekening is gehouden met de eventuele restverdiencapaciteit van benadeelde. 3. Kosten deelgeschil € 6951,52 redelijk; uurtarief € 260 gebruikelijk.

ECLI:NL:RBLIM:2015:3104
Instantie: Rechtbank Limburg
Datum uitspraak: 01-04-2015
Datum publicatie: 15-04-2015
Zaaknummer: C-03-199771 – HA RK 14-265
Rechtsgebieden: Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie: Deelgeschil: onvoldoende staat vast dat de benadeelde zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden. 6:101 BW.
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl

Uitspraak
beschikking
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
zaaknummer / rekestnummer: C/03/199771 / HA RK 14-265

Beschikking van 1 april 2015

in de zaak van

[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
advocaat mr. drs. V.N. van Waterschoot,

tegen

de naamloze vennootschap REAAL SCHADEVERZEKERINGEN,
gevestigd te Zoetermeer,
verweerster,
advocaat mr. P.C. Knijp.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en de verzekeraar genoemd worden.

1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het verzoekschrift
– het verweerschrift
– de mondelinge behandeling
– de pleitnota van [verzoeker].

2 De feiten

2.1. [verzoeker] is op 5 oktober 2011 een ernstig ongeval overkomen als gevolg waarvan hij verschillende klachten heeft overgehouden. Terzake dit ongeval is door Reaal aansprakelijkheid erkend. Partijen zijn sindsdien in onderhandeling getreden over de afwikkeling van de schade, maar zijn thans in een impasse beland.

2.2. [verzoeker] was voor het ongeval werkzaam als zelfstandig ondernemer en directeur van Transportbedrijf [A] B.V te [vestigingsplaats]. Na het ongeval was [verzoeker] niet meer in staat om zijn werk als directeur te hervatten. Reaal heeft ter beperking van schade geïnvesteerd in begeleiding en vervanging van [verzoeker] in het bedrijf en re-integratie. Voornoemd bedrijf is na een faillissement in 2012 overgenomen door [B].

2.3. Reaal heeft voor bemiddeling van de schaderegeling To The Point Expertise B.V. (hierna: To The Point) in geschakeld. De heer [X] (hierna: [X]) treedt namens To The Point op als behandelaar.

2.4. Partijen hebben medio 2012 overeenstemming bereikt om Heling & Partners te benaderen om onderzoek te doen naar een mogelijke arbeidsinzet van [verzoeker]. De heer [Y] (hierna: [Y]), werkzaam voor Heling & Partners, heeft met partijen een plan van aanpak besproken. Onder meer stelde [Y] voor om een mentaal belastbaarheidsonderzoek te laten verrichten. Dit onderzoek is vervolgens uitgevoerd door onder andere psycholoog mw. [psycholoog 1] (hierna: [psycholoog 1]), verbonden aan Zintens (onderdeel van Groot Klimmendaal). Op 27 december 2012 heeft [psycholoog 1] haar definitieve (neuro-)psychologisch rapport uitgebracht. Daarnaast heeft Zintens op 11 februari 2013 een adviesrapport assessment arbeid uitgebracht.

2.5. Naar aanleiding van het advies van [psycholoog 1] hebben partijen in oktober 2013 Persano Psychologisch Advies ingeschakeld voor een psychologisch coachingstraject. Drs [psycholoog 2] was de behandelend psycholoog. Afgesproken werd dat vijftien behandelsessies werden afgenomen.

2.6. Op 18 februari 2014, na 8 coachingsessies, bracht [psycholoog 2] een evaluatierapportage uit aan [Y]. [psycholoog 2] gaf onder meer aan dat [verzoeker] kenbaar had gemaakt het lastig te vinden om de aandacht te verdelen tussen meerdere aandachtspunten en dat ervoor was gekozen om het traject (tijdelijk) stop te zetten in afwachting van de afronding van het letselschadetraject.

2.7. Begin 2014 heeft de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar van [verzoeker] aangegeven dat [verzoeker] een psychiatrische expertise moest laten uitvoeren, hetgeen ook heeft plaatsgevonden door psychiater [psychiater] (hierna [psychiater]). Op 15 april 2014 heeft [psychiater] een rapport uitgebracht.

2.8. Op 21 februari 2014 heeft [Y] een voortgangsverslag uitgebracht. [Y] stelde voor om aan de wederzijdse medische adviseurs de vraag voor te leggen in hoeverre de mogelijkheid van hersenletsel inzichtelijk is gemaakt middels het neuropsychologisch onderzoek dat door Zintens was uitgevoerd. Hij stelde in dat kader voor gezamenlijk op te trekken met de AOV-verzekeraar (de Amersfoortse). [Y] gaf daarbij aan dat een expertise, en dan met name het daaruit voortvloeiende beperkingenprofiel, als basis zou kunnen dienen voor een beoordeling van de verdiencapaciteit in het warehousebedrijf van [verzoeker] Beheer. [Y] achtte verdere arbeidsdeskundige inzet niet langer aan de orde.

2.9. Op 13 maart 2014 heeft de medisch adviseur van Reaal, dr. [medisch adviseur Reaal] (hierna: [medisch adviseur Reaal]), een medisch advies uitgebracht.
2.10.
Op 24 maart 2014 heeft de medisch adviseur van [verzoeker], drs. [medisch adviseur verzoeker] (hierna; [medisch adviseur verzoeker]), een advies uitgebracht.

2.11. Zowel [medisch adviseur Reaal] als [medisch adviseur verzoeker] sturen aan op een nieuwe neuropsychologisch onderzoek, in samenspraak met de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar.

2.12. Op 7 mei 2014 heeft een gesprek plaats gevonden tussen (de gemachtigde van) [verzoeker] en [X]. [X] heeft tijdens dat gesprek aangegeven dat Reaal op basis van het medisch advies van [medisch adviseur Reaal] van 13 maart 2014, dat mede was gebaseerd op het rapport van [psycholoog 2] van 18 februari 2014, zich op het standpunt stelde dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan schuldeisersverzuim, aangezien hij zijn schadebeperkingsverplichting niet is nagekomen. Als gevolg daarvan heeft Reaal eenzijdig de onderhandelingen gestaakt en is zij gestopt met de eerder overeengekomen maandelijkse voorschotbetalingen aan [verzoeker].

2.13. Vervolgens heeft de gemachtigde van [verzoeker] tegen dat standpunt verweer gevoerd, onderbouwd met een advies van [medisch adviseur verzoeker] van 10 juni 2014, hetgeen geen resultaat heeft gehad. [medisch adviseur verzoeker] is van oordeel dat het stopzetten van de coachingstraject bij [psycholoog 2] niet aan [verzoeker] verweten kan worden.

3 Het verzoek en het verweer

3.1. [verzoeker] verzoekt – samengevat – om:
– een verklaring voor recht dat hij terzake het hem overkomen ongeval jegens Reaal op geen enkel moment in strijd heeft gehandeld met enigerlei schadebeperkingsverplichting danwel in strijd heeft gehandeld met het bepaalde ex artikel 6:101 BW, zodat er daardoor voor Reaal geen grond bestaat om de onderhandelingen te staken;
– een verklaring voor recht dat Reaal gehouden is om de volledig geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade van [verzoeker] te vergoeden;
– de proceskosten te begroten op € 6.951,52 en Reaal te veroordelen tot betaling daarvan over te gaan, vermeerderd met rente.

3.2. Reaal verweert zich tegen het verzoek en de kostenbegroting. Zij stelt dat het verzoek zowel op formele als op materiële gronden integraal dient te worden afgewezen.

3.3. De stellingen van partijen komen, voor zover relevant, hierna verder aan de orde.

4 De beoordeling

4.1. In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w-1019cc Rv. De rechtbank overweegt dat de deelgeschilprocedure volgens de memorie van toelichting bij de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade (hierna: de Wet Deelgeschillen) de mogelijkheid biedt in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen, waardoor partijen een extra instrument in handen krijgen ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 2). Gezien de ratio van de deelgeschilprocedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de (kanton)rechter te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moeten aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 18).

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het verzoek zich leent voor een deelgeschilprocedure. De rechtbank overweegt dat de onderhandelingen tussen partijen feitelijk zijn gestaakt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er voldoende aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat een beslissing omtrent het verzochte de onderhandelingen zal bevorderen. Immers, hoewel daarover aan de zijde van Reaal onduidelijkheid bestond, is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat partijen het erover eens zijn dat niet finaal afgewikkeld kan worden, zonder dat eerst de (fictieve of praktische) restverdiencapaciteit van [verzoeker] wordt vastgesteld. Daarvoor zijn nog nadere onderhandelingen en/of onderzoek nodig. Daarbij overweegt de rechtbank dat [verzoeker] zich op het standpunt stelt dat er nog geen sprake is van een (medische) eindtoestand. De rechtbank is van oordeel dat indien er een oordeel komt over de vraag of [verzoeker] zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden, dit oordeel de onderhandelingen tussen partijen zal bevorderen, zodat [verzoeker] ontvankelijk is in zijn verzoek.

4.3. Nu Reaal consequenties heeft verbonden aan haar stelling dat [verzoeker] zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden (stopzetten bevoorschotting en staken van de onderhandelingen), ligt het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van Reaal om voldoende te stellen en onderbouwen dat [verzoeker] zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden. Hoewel uit de correspondentie lijkt te volgen dat Reaal [verzoeker] voornamelijk verwijt dat hij het coachingstraject bij [psycholoog 2] heeft stopgezet blijkt uit het verweer in deze zaak dat dit stopzetten een breekpunt voor Reaal was. Reaal neemt het [verzoeker] kwalijk dat hij zich in de periode daarvoor in strijd met de afspraken onvoldoende heeft gericht op het re-integreren in werk. In dat kader stelt Reaal dat uit de verslagen van zowel [psycholoog 2] als [Y] blijkt dat [verzoeker] zich niet wil richten op re-integratie voordat het schadetraject is afgerond.

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Reaal onvoldoende gesteld en onderbouwd dat [verzoeker] zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden. Immers, niet gesteld of gebleken is dat het stopzetten van het traject bij [psycholoog 2] enige negatieve invloed heeft gehad op (het onderzoek naar) de resterende verdiencapaciteit van [verzoeker] danwel de hoogte van de schade. Daarbij dient opgemerkt te worden dat parallel aan de coaching sessies bij [psycholoog 2] ook een psychiatrisch onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar van [verzoeker]. Naar het oordeel van de rechtbank gaat Reaal te gemakkelijk voorbij aan het feit dat in meerdere onderzoeken naar voren komt dat [verzoeker] naast fysieke klachten, ook te kampen heeft met psychische dan wel psychiatrische klachten, waardoor hij zich moeilijk kan richten op meerdere zaken tegelijk. Zo heeft [Y] gerapporteerd dat [verzoeker] heeft aangegeven dat hij geen twee of meer zaken tegelijk kan oppakken en dat voor [verzoeker] thans het schadetraject prevaleert boven andere aspecten. [Y] geeft aan dat de combinatie van onzekerheid ten aanzien van het schadetraject in de letselkwestie, de arbeidsongeschiktheidsuitkering en de frustratie over niet-nagekomen afspraken en dergelijke maken dat [verzoeker] het overzicht niet meer heeft en hij zegt te blokkeren. [psychiater], de psychiater, heeft bovendien aangegeven dat de klachten van [verzoeker] voldoende ernstig zijn om te spreken van een psychiatrische stoornis. In de brief van 8 september 2014 geeft [psycholoog 2] aan dat [verzoeker] veel moeite heeft om zich te richten op een nieuw arbeidsgerelateerd toekomstperspectief, terwijl hij de uitkomst van het letselschadetraject niet kan overzien. [psycholoog 2] geeft aan dat dit de reden was dat in onderling overleg (dus niet eenzijdig door [verzoeker]) is besloten om het traject voor dat moment te beëindigen, waarbij overigens de afspraak is gemaakt dat bij de wens tot hervatting van het traject [verzoeker] weer met [psycholoog 2] contact op zal nemen. [psycholoog 2] geeft aan dat voor deze optie in eerdere door haar begeleide letselschadetrajecten door de betreffende cliënten probleemloos is gekozen met als eindresultaat een op een later tijdstip alsnog optimaal afgerond dossier.
De rechtbank stelt overigens wel vast dat blijkens de standpunten van partijen een volledige afwikkeling van de schade niet kan worden losgekoppeld van de vraag met welke restverdiencapaciteit rekening moet worden gehouden. Wil een financiële eindafwikkeling uiteindelijk spoedig kunnen worden bereikt, dan zullen partijen een gezamenlijk standpunt dienen te vinden hoe met de restverdiencapaciteit moet worden omgegaan.

4.5. Het stopzetten van het traject bij [psycholoog 2], behoeft naar het oordeel van de rechtbank niet per definitie te betekenen dat de schade die Reaal dient te vergoeden hoger zal uitvallen. Reaal heeft daarvoor onvoldoende gesteld en onderbouwd. Voorts overweegt de rechtbank dat de stelling van Reaal dat de eerste barstjes in het vertrouwen dat [verzoeker] wilde werken aan zijn re-integratie ontstonden op het moment dat het bedrijf van [verzoeker] werd verkocht in 2012 na een faillissement niet meer aan [verzoeker] kan worden tegengeworpen. Immers, niet is vast komen te staan dat [verzoeker] betrokken is geweest bij die verkoop (in welke situatie van hem gevergd had kunnen worden dat Reaal daarbij meer was betrokken, gelet op de investeringen die zij had gedaan) en bovendien heeft Reaal niet weersproken dat partijen daar reeds uitgebreid over gesproken hebben en een en ander achter zich hebben gelaten.

4.6. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de verzochte verklaring voor recht voor recht zover betrekking op de schadebeperkingsplicht van [verzoeker] zal worden toegewezen, zoals hierna geformuleerd.

4.7. De verklaring voor recht dat Reaal is gehouden om de volledige schade van [verzoeker] te vergoeden wordt afgewezen omdat dit verzoek te ruim is geformuleerd en in ieder geval geen rekening houdt met de eventuele restverdiencapaciteit van [verzoeker].

4.8. [verzoeker] heeft verzocht de kosten van het deelgeschil te begroten op een bedrag van € 6.951,52 (20 uren a € 260,00, vermeerderd met 6% kantoorkosten en btw) en Reaal te veroordelen tot betaling daarvan. Reaal heeft bezwaar gemaakt tegen het uurtarief van
€ 260,00 en de 6% kantoorkosten, alsmede tegen het aantal uren dat [verzoeker] heeft geteld voor het opstellen van het verzoekschrift (12 uur). De rechtbank is van oordeel dat het gehanteerde uurtarief en de 6% kantoorkosten niet ongebruikelijk is in letselschadezaken. Bovendien staat tussen partijen als niet weersproken vast staat dat het kantoor van de advocaat van [verzoeker] in letselschadezaken een, van hun gebruikelijke lagere tarief, afwijkend tarief kan hanteren. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat 12 uur voor het vervaardigen van het verzoekschrift weliswaar aan de hoge kant is, maar dit wordt gecompenseerd doordat als niet voldoende weersproken vast staat dat (de advocaat van) [verzoeker] maar 8 uren telt voor het bestuderen van het verweerschrift en de voorbereiding van de zitting, de bespreking met [verzoeker] van het verweerschrift en het bijwonen van de zitting, terwijl daaraan in werkelijkheid 11,5 uren zijn besteed. De rechtbank zal de proceskosten dan ook begroten op € 6.951,52.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat [verzoeker] terzake het hem overkomen ongeval jegens Reaal
– voor zover het reeds nu bekende feiten betreft – niet in strijd heeft gehandeld met enigerlei schadebeperkingsverplichting danwel in strijd heeft gehandeld met het bepaalde ex artikel 6:101 BW, zodat er daardoor voor Reaal geen grond bestaat om de onderhandelingen thans te staken;

5.2. begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 6.951,52 en veroordeelt Reaal tot betaling daarvan, en bepaalt dat voornoemd bedrag binnen veertien dagen na de dag van deze beschikking moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening,

5.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst af het anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2015.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey