Rb, deelgeschil: proportionele aansprakelijkheid nu schade kan zijn veroorzaakt door ongeval, overbelasting of beide

Samenvatting:

Benadeelde verzoekt de rechtbank te bepalen dat aannemelijk is dat hij door het ongeval van 2011 niet meer in staat is tot een 40-urige werkweek en dat hij hierdoor genoodzaakt was zijn arbeidsovereenkomst om te zetten in een 32-urige werkweek. In 2007 had benadeelde ook letsel opgelopen bij een ongeval; deze zaak was in 2010 afgewikkeld. In 2010 is benadeelde opnieuw uitgevallen door overbelasting in verband met studie, als gevolg waarvan hij op het moment van het ongeval in het kader van zijn re-integratie slechts een aantal uren per dag werkte. 1. De rechtbank oordeelt dat dit betekent dat sprake is van een situatie waarin de schade zowel kan zijn veroorzaakt door het ongeval als door de tijdelijke overbelasting door het volgen van de opleiding als door een combinatie van beide gebeurtenissen. Aangezien geen van partijen de rechtbank aanknopingspunten heeft gegeven voor een andere verdeling dan 50/50, zal worden uitgegaan van een toerekening van vier uren per week ten laste van de verzekeraar. De andere vier uren blijven voor risico van benadeelde, omdat ze zijn terug te voeren op de door het eerste ongeval ontstane kwetsbaarheid van benadeelde wat betreft het handhaven van een goede balans in de belastbaarheid. De rechtbank bepaalt dat het aannemelijk is dat benadeelde onder meer door het ongeval van 2011 niet meer in staat is tot een 40-urige werkweek en dat de verzekeraar
het verlies aan arbeidsvermogen voor 4 uren per werkweek dient te vergoeden. 2. Kosten deelgeschil: € 5290,73 (gevorderd € 7695,60; aantal uren teruggebracht van 24 naar 16,5; uurtarief € 250).

ECLI:NL:RBGEL:2015:2599
Instantie: Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak: 16-04-2015
Datum publicatie: 17-04-2015
Zaaknummer: 125484 – HA RK 11-77
Rechtsgebieden: Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie: Deelgeschil. Verzoek tot vaststelling verlies aan arbeidsvermogen na tweede aanrijding ten tijde van re-integratie na uitval wegens overbelastingsklachten terug te voeren op een eerdere aanrijding.
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl

Uitspraak
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
zaaknummer / rekestnummer: 274375 / HZ RK 14/88

Beschikking van 16 april 2015

in de zaak van

[verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker,
advocaat mr. S. Baggerman,

tegen

de naamloze vennootschap N.V. UNIVÉ SCHADE,
gevestigd te Assen,
verweerster,
advocaat mr. G. Loman.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en Univé genoemd worden.

1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het verzoekschrift
– het verweerschrift
– de verschijning van partijen op 16 maart 2015 waarvan aantekeningen zijn gemaakt door de griffier.

2 De feiten

2.1. Vanaf 1 april 2004 werkte [verzoeker] als hypotheek- en assurantieadviseur bij [naam BV.] Hij had een fulltime dienstverband van 40 uur per week. Feitelijk werkte [verzoeker] 50 à 60 uur per week, waaronder doorgaans drie tot vier avonden in de week.
2.2. Op 8 april 2007 was [verzoeker] betrokken bij een motorongeval. [verzoeker] is, terwijl hij reed op een motor en wilde stoppen voor een rood verkeerslicht van achteren aangereden door een andere motorrijder. Als gevolg van dit ongeval heeft hij letsel opgelopen, onder meer bestaande uit klachten van zijn nek en hoofd, duizeligheid, concentratie- en geheugenproblemen.
2.3. Na het ongeval heeft [verzoeker] zich bij zijn werkgever ziek gemeld. Na verloop van tijd heeft hij zijn werk geleidelijk hervat. Ten behoeve van de re-integratie is H.C. Grimm (hierna: Grimm) gecertificeerd registerarbeidsdeskundige bij Heling & Partners ingeschakeld. In een arbeidsdeskundig verslag van Grimm van 19 maart 2008 valt onder meer het volgende te lezen:
“(…) Tijdens het laatste gesprek dat ik met betrokkene had op 22 januari 2008, kwam naar voren dat de stijgende lijn in zijn herstel die zich heeft ingezet, zich door lijkt te zetten. Hij zat inmiddels weer op 6 uur per dag werkzaamheden en het gaat redelijk. (…)”
En in een voortgangsverslag van Grimm van 23 juni 2009:
“(…) Bevindingen
Op 4 juni 2009 bezocht ik betrokkene om onder andere met hem het belastbaarheidsprofiel door te spreken dat naar aanleiding van de uitkomst van het neuropsychologisch onderzoek door onze medisch adviseur C.S.H. Haarsma is opgesteld. Alsmede besprak ik met hem de gevolgen voor arbeid naar aanleiding van dit opgestelde belastbaarheidsprofiel.
Huidige situatie:
Betrokkene geeft aan dat er ten opzichte van mijn laatste bezoek, enkele maanden geleden, feitelijk weinig veranderd is. Betrokkene werkt nog steeds volledig, dat wil zeggen 40 uur per week, maar het blijft zoeken naar een goede balans. Doet hij teveel, dan vertaalt zich dat in een klachtentoename. (…)
De medisch adviseur geeft voorts aan dat er een duurbeperking is van 8 uur per dag en 40 uur per week. (…)
Balans
Kijkend naar het belastbaarheidsprofiel constateer ik dat het huidige aantal uren, zoals betrokkene deze invult, wel het maximum lijkt te zijn en acht ik het niet reëel om meer uren in het bedrijf te willen werken. Betrokkene ervaart op dit moment al regelmatig dat het moeilijk is om een goede balans te houden in het werk en ook in combinatie met zijn privéleven. Het werk bevalt hem op zich goed; hij kan het niveau aan en heeft voldoende regelmogelijkheden in zijn werk.
Betrokkene had wel meer voor ogen; hij wil graag mee participeren in het bedrijf (…) en ook dat stapje harder te kunnen lopen. Dit is nu net datgene dat niet meer gaat en betrokkene heeft moeite om dit te accepteren. Hij heeft een hoog ambitieniveau.
Op basis van de vastgestelde belastbaarheid kan dit ook niet van hem verwacht worden op dit moment. Ik vind het aantal uren dat betrokkene nu werkt, een mooi resultaat en acht het ook niet verantwoord om gezien de vastgestelde belastbaarheid meer te willen. (…)
Wat betreft het volgen van de cursus tot hypothecair planner stelt betrokkene voor om hier vrije dagen voor op te nemen zodat het geen extra belasting geeft bovenop zijn werk. Betrokkene geeft aan nog voldoende vrije dagen ter beschikking te hebben (mede vanwege zijn ziekteperiode deze dagen niet opgemaakt). Ik heb betrokkene er wel op geattendeerd om in ieder geval geen “en/en” op zich te nemen als hij deze cursus gaat volgen en voldoende ruimte hiervoor te creëren en zo mogelijk te compenseren in zijn baan of anders inderdaad vrije dagen te nemen.”
2.4. Op 12 januari 2010 is ter afwikkeling van het ongeval van 8 april 2007 een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen [verzoeker] en de SVI-verzekeraar van [verzoeker]. Hierin zijn de aanspraken van [verzoeker] op vergoeding van geleden en in de toekomst nog te lijden materiële en immateriële schade vastgesteld op een lump sumbedrag van totaal € 290.000,00. Hierin is € 230.000,00 toekomstig verlies aan verdienvermogen (VAV) verdisconteerd en een bedrag van € 70.500,00 inzake verlies zelfwerkzaamheid, smartengeld, geleden VAV, pensioenschade en diversen.
2.5. Omstreeks begin november 2010 is [verzoeker] gestart met een opleiding ‘Leergang Hypothecair Planner’. [verzoeker] volgde de opleiding naast zijn werk. De combinatie werk en studie heeft mogelijk tot overbelasting geleid en tot een toename van de hoofdpijnklachten van [verzoeker]. Hij heeft zich op 10 december 2010 ziek gemeld bij zijn werkgever.
Op 11 januari 2011 heeft [verzoeker] zich afgemeld voor voornoemde opleiding. Geleidelijk aan is [verzoeker] na medio januari 2011 begonnen met hervatting van zijn werkzaamheden.
2.6. Op 25 januari 2011 is [verzoeker] van achteren aangereden door een auto die werd bestuurd door een bij Univé verzekerde automobilist. [verzoeker] viel volledig uit voor zijn werk en in overleg met de SVI-verzekeraar van [verzoeker] heeft Grimm [verzoeker] (opnieuw) begeleid bij zijn re-integratie na het tweede ongeval.
Bij brief van 9 februari 2011 heeft Univé aansprakelijkheid erkend.
2.7. [naam], fysiotherapeut van [verzoeker] schrijft bij brief van 4 maart 2011 onder meer het volgende: “Hr [verzoeker] is in 2007 onder behandeling geweest van nekklachten ontstaan door een aanrijding van achteren. Echter deze klachten waren zodanig geminimaliseerd dat hij zijn werk en hobby’s weer kon uitoefenen.
De restklachten van 2007 waren spierstijfheid en licht mobiliteit beperking van het cervicale en thoracale wervelkolom. Hiervoor kwam hij enkele keren per jaar onder behandeling. De behandeling gaf goed resultaat.
Bij vierde behandeling van dit jaar kwam hr [verzoeker] bij mij gaf hij aan dat hij enkele uren ervoor van achteren was aangereden. Op dat moment waren zijn klachten verergerd, mobiliteit was afgenomen (…) en zijn pijn in de nek was fors toegenomen (van Vas 20 naar Vas 75). (…)”
2.8. In het arbeidsdeskundig rapport van 22 augustus 2011 van Grimm valt onder meer het volgende te lezen:
“2.5 Medische informatie verstrekt door betrokkene (…)
Betrokkene heeft voor de 2e keer te maken gekregen met een ongeval waarna hij een toename van zijn nekgerelateerde klachten ervaart. Deze klachten belemmeren hem bij al zijn activiteiten, zowel in het werk als privé. Voor het 2e ongeval was betrokkene juist weer begonnen met werkopbouw nadat hij een aantal weken thuis was geweest vanwege een toename van hoofdpijnklachten. Zelf denkt hij dat dit mogelijk te wijten was aan overbelasting en het te veel over zijn grenzen heen gaan in de periode van oktober tot december 2010. Betrokkene was in oktober 2010 naast zijn werk namelijk begonnen met een opleiding hypothecair planner. Ook al had hij het gevoel dit goed aan te kunnen, hij kreeg wel lichamelijke klachten. Na het verkeersongeval op 25 januari 2010 (rechtbank: 2011) zijn de nekgerelateerde klachten verergerd en betrokkene was niet meer in staat om te werken.
Momenteel ervaart betrokkene nog de volgende klachten: veel hoofdpijn, nekpijn, concentratieverlies, geheugenproblemen, hij kan slecht tegen prikkels van buitenaf en is erg moe. Voorts heeft hij veel last van slaapstoornissen. (…)”
2.9. In het najaar van 2011 heeft [verzoeker] een belastbaarheidverhogende training gevolgd.
2.10. In het voortgangsverslag van Grimm van 13 februari 2013 is het volgende opgenomen:
“Bevindingen
Betrokkene werkt inmiddels 32 uur per week in zijn eigen functie. Het arbeidscontract is hier op aangepast. Hij doet dit nu circa 1,5 maand en het gaat goed. Door 32 uur te werken ervaart hij een betere balans tussen werk en privé en merkt hij dat hij dit beter vol kan houden. Betrokkene lijkt minder ‘op zijn tenen te hoeven lopen’. Zijn klachten zijn nog steeds aanwezig, maar betrokkene probeert hier adequaat mee om te gaan.”

3 Het verzoek en het verweer

3.1. [verzoeker] heeft verzocht dat de rechtbank bij wijze van deelgeschil zal bepalen:
a. dat aannemelijk is dat hij door het ongeval van 25 januari 2011 niet meer in staat is tot een 40-urige werkweek,
b. dat [verzoeker] hierdoor genoodzaakt was zijn arbeidsovereenkomst om te zetten in een 32-urige werkweek,
c. dat Univé het verlies aan arbeidsvermogen dat hierdoor is opgetreden c.q. zal optreden dient te vergoeden,
d. dat de kosten van deze procedure door Univé worden vergoed, waarbij [verzoeker] deze kosten begroot op 24 uur à € 250,00 per uur vermeerderd met 6% kantoorkosten en 21% btw, in totaal € 7.695,60 en
e. dat de griffierechten verbonden aan deze procedure door Univé worden vergoed.
3.2. [verzoeker] heeft, bezien in het licht van de vastgestelde feiten, zakelijk weergegeven het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Als gevolg van het tweede ongeval op 25 januari 2011 heeft [verzoeker] een blijvende verergering opgelopen van de reeds vanwege het eerste ongeval op 8 april 2007 ontstane klachten. Voor het ongeval van 25 januari 2011 heeft [verzoeker] geruime tijd 40 uur per week gewerkt. Enkel door een korte periode van overbelasting door een studie is hij gedurende korte tijd uitgevallen. Na het ongeval van 25 januari 2011 is hij niet meer in staat geweest om 40 uur per week te werken. Hierdoor was hij genoodzaakt zijn arbeidsovereenkomst om te zetten naar 32 uur per week. Het verlies aan arbeidsvermogen dient naar het oordeel van [verzoeker] door Univé te worden vergoed. Bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst d.d. 12 januari 2010 is uitgegaan van een verlies van arbeidsvermogen van 50 à 60 uur per week naar 40 uur per week.
3.3. Univé heeft verweer gevoerd. Zij heeft de rechtbank verzocht [verzoeker] in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken af te wijzen. Op de inhoud van het verweer zal indien nodig in het navolgende worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. Voor de bevoegdheid om te beslissen op een verzoek in het kader van de Wet deelgeschillen voor letsel- en overlijdensschade geldt op grond van artikel 1019x lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) dat de rechter bevoegd is die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak kennis te nemen, indien deze ten principale aanhangig wordt gemaakt.
[verzoeker] woont in [plaats]. Op grond van artikel 7 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, is de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen bevoegd om over een tegen Univé ingestelde vordering te beslissen. De rechtbank is dus ook bevoegd om op het verzoek in deze deelgeschilprocedure te beslissen.
4.2. Het verzoek leent zich naar het oordeel van de rechtbank voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Immers, indien een beslissing is gegeven op de vraag of het aannemelijk is dat [verzoeker] door het ongeval op 25 januari 2011 niet meer in staat is tot een 40-urige werkweek en of hij daardoor genoodzaakt was zijn arbeidsovereenkomst om te zetten van 40 naar 32 uur, kunnen partijen de onderhandelingen hervatten om tot buitengerechtelijke afdoening van de zaak te komen.
4.3. Univé heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat het verlies aan verdienvermogen van 40 naar 32 uur per week, reeds in de vaststellingsovereenkomst van 12 januari 2010 is vastgelegd, omdat bij de afwikkeling van de schade ten gevolge van het eerste ongeval, is uitgegaan van een 32-urige werkweek. [verzoeker] heeft dit gemotiveerd bestreden. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Op het moment van sluiten van de vaststellingsovereenkomst werkte [verzoeker] al sinds juni 2009 40 uur per week, zodat het reeds daarom niet aannemelijk is dat bij de vaststelling van de schade zou zijn uitgegaan van 32 uur per week. Bovendien heeft de schaderegelaar van de SVI-verzekeraar in zijn ‘rapport personenschade’ bij de afwikkeling van het tweede ongeval opgemerkt dat het uitgangspunt bij de schade-afwikkeling van het eerste ongeval re-integratie in eigen werk voor 40 uur per week is geweest. Uit het feit dat [verzoeker] in het kader van de eindregeling d.d. 12 januari 2010 heeft verklaard dat hij liever 32 uur per week zou willen werken in verband met de belasting – zoals Univé heeft aangevoerd -, volgt zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet dat de schade is afgewikkeld op basis van een 32-urige werkweek. Voorts is niet betwist dat in de periode na de vaststellingsovereenkomst tot de uitval in december 2010 [verzoeker] steeds 40 uren per week heeft gewerkt.
Het verweer van Univé wordt in zoverre dan ook verworpen.
4.4. Univé heeft zich verder op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een aanrijding met een zeer geringe impact en weinig materiële schade, zodat het de vraag is of de nadien door [verzoeker] gepresenteerde – niet objectiveerbare – klachten kunnen worden toegerekend aan het ongeval. Volgens Univé heeft [verzoeker] het bestaan en de omvang van de door hem gestelde klachten niet met medische gegevens onderbouwd. Bovendien, zo heeft Univé gesteld, was [verzoeker], nadat hij na het eerste ongeval weer 40 uur per week kon werken, op 10 december 2010 arbeidsongeschikt geraakt vanwege hoofdpijnklachten, zodat de klachten het gevolg zijn geweest van overbelasting.
4.5. Wat betreft de aanrijding heeft Univé aangevoerd dat deze heeft plaatsgevonden met een snelheid van slechts 10 km per uur en dat haar verzekerde de auto van [verzoeker] slechts heeft geschampt. Univé heeft deze stelling gebaseerd op de verklaring van haar verzekerde. Uit diezelfde verklaring van de verzekerde valt echter op te maken dat de verzekerde vlak voor de aanrijding een automobilist heeft ingehaald die 45 km per uur reed. Aan deze verklaring wordt – voor zover van belang – voorts nog het volgende ontleend: “Ik haalde haar in en was er ruimschoots voorbij en voegde weer rechts in. Op dat moment gaf de auto daarvoor (veel te laat) richting aan om linksaf te slaan naar de wasstraat. Ik moest flink remmen en om de zojuist ingehaalde auto niet te veel te hinderen hield ik op mijn eigen rijbaan een beetje links aan.”
Ter zitting heeft Univé onderkend dat meer waarde gehecht moet worden aan de verklaring van de getuige van het ongeval (de bestuurster van de auto die door de verzekerde is ingehaald), die heeft verklaard dat de verzekerde van Univé haar, terwijl zij met een snelheid van 50 km reed, met grote snelheid inhaalde en vervolgens de auto van [verzoeker] schampte. Ter zitting is verklaard dat in de wasstraat een luide klap is gehoord.
Hieruit leidt de rechtbank af dat niet aannemelijk wordt geacht dat de verzekerde van Univé de auto [verzoeker] met slechts 10 km per uur heeft aangereden. Dat betekent dat het ervoor gehouden moet worden dat door de aanrijding een reële kans bestaat dat als gevolg daarvan (tijdelijke) klachten kunnen ontstaan. De door [verzoeker] gepresenteerde klachten passen in het patroon van klachten dat als gevolg van een verkeersongeval als het onderhavige kan ontstaan.
4.6. Aan Univé kan worden toegegeven dat [verzoeker] van de bezoeken aan de huisarts en de revalidatiearts geen medische informatie aan de rechtbank heeft overgelegd. Anderzijds is, gelet op het medisch advies van G.J. Jukema (hierna: Jukema) die voor Univé heeft geadviseerd, bij Univé kennelijk meer medische informatie beschikbaar dan bij de rechtbank. Bovendien heeft Jukema ook bij de SVI-verzekeraar van [verzoeker] medische informatie opgevraagd. Uit deze informatie komt naar voren dat het gaat om een postwhiplashsyndroom waarbij de beeldvormende technieken geen afwijkingen laten zien. Onafhankelijke neurologische expertises zijn niet verricht. Er is wel in opdracht van de medisch adviseur van Heling & Partners een neuropsychologisch onderzoek uitgevoerd door mevrouw dr. J. Bruins (hierna: Bruins) beschikbaar (4 maart 2009), waarin zij concludeert dat het aannemelijk is dat het ongeval van 2007 tot de door [verzoeker] vermelde klachten heeft geleid. De subjectief ervaren beperkte belastbaarheid kan volgens Bruins worden verklaard uit het cognitief disfunctioneren. Er is sprake van lichte beperkingen die [verzoeker] kan compenseren, maar die hem meer tijd en energie kosten dan vroeger. Univé heeft de juistheid van dit oordeel niet in twijfel getrokken. Desgevraagd heeft zij ter zitting het voorstel van de rechtbank om het neuropsychologisch onderzoek te herhalen om te kunnen vaststellen of het tweede ongeval tot een toename van het vastgestelde cognitieve disfunctioneren heeft geleid als onnodig van de hand gewezen. De omstandigheid dat geen onafhankelijk onderzoek beschikbaar is, brengt niet zonder meer mee – zoals Univé bepleit – dat geen oordeel gegeven kan worden over klachten als gevolg van het tweede ongeval. Ook uit de behandelende sector mogen gegevens in aanmerking worden genomen. In dit geval heeft de SVI-verzekeraar Grimm zowel na het ongeval van 2007 als na het ongeval van 2011 voor de arbeidsdeskundige begeleiding van [verzoeker] ingeschakeld. Tevens is een verklaring van [naam] (zie 2.7) in het geding gebracht waaruit blijkt van een toename van de klachten, afgenomen mobiliteit en fors toegenomen pijn in de nek. Met deze gegevens acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht om een oordeel te geven over de omvang van de belastbaarheid. Op grond van het voortgangsverslag van Grimm van 13 februari 2013 is voldoende aannemelijk dat [verzoeker] zijn arbeidsovereenkomst heeft moeten omzetten naar 32 uur per week. Ter zitting heeft [verzoeker] bevestigd dat hij ook thans nog steeds 32 uur per week werkt.
4.7. Vervolgens ligt ter beoordeling voor de vraag wat de oorzaken zijn voor het moeten terugbrengen van het dienstverband van 40 uur tot 32 uur per week. In de visie van [verzoeker] is dit enkel het gevolg van het tweede ongeval, omdat de oorzaak van de overbelasting in december 2010 door te stoppen met de opleiding is weggenomen. Volgens Univé kunnen de klachten van [verzoeker] niet aan het ongeval van 25 januari 2011 worden toegerekend, omdat de impact van het ongeval hiervoor te gering is geweest en hooguit tot tijdelijke klachten had kunnen leiden. Bovendien had [verzoeker] voor het ongeval reeds vergelijkbare klachten die tot arbeidsongeschiktheid hebben geleid, zodat een alternatieve oorzaak voor de klachten kan worden aangewezen.
4.8. [verzoeker] heeft niet weersproken dat hij op 10 december 2010 is uitgevallen als gevolg van overbelasting door het volgen van een opleiding naast de 40 uur per week die hij werkte. Voorts staat vast dat [verzoeker] op 25 januari 2011 in het kader van zijn re-integratie slechts een aantal uren per dag werkte. Anderzijds kan niet worden genegeerd dat [verzoeker] is aangereden met een grotere impact dan Univé wil doen geloven, zodat het ontstaan van klachten hierdoor ook kan worden verklaard.
De door [verzoeker] ervaren klachten en de daarmee samenhangende teruggang in uren, kunnen daarom zowel het gevolg zijn van de overbelasting als van de aanrijding.
Dat betekent dat in dit geval sprake is van een situatie waarin de schade zowel kan zijn veroorzaakt door het onrechtmatig handelen van de verzekerde van Univé als door de tijdelijke overbelasting door het volgen van de opleiding door [verzoeker] (welke omstandigheid aan [verzoeker] zelf is toe te rekenen) als door een combinatie van beide gebeurtenissen, zonder dat met voldoende zekerheid is vast te stellen in welke mate de schade door deze gebeurtenissen of één daarvan is ontstaan.
De strekking van de geschonden norm en de aard van de normschending rechtvaardigen in dit geval toepassing van de leer van de proportionele aansprakelijkheid zoals geformuleerd door de Hoge Raad in zijn arrest van 31 maart 2006 (LJN AU6092). De geschonden norm strekt immers tot bescherming van de verkeersdeelnemer ter voorkoming van aanrijdingen. Bovendien staat de aansprakelijkheid van de verzekerde van Univé vast en bestaat een niet zeer kleine kans dat het oorzakelijk verband tussen de geschonden norm en de geleden schade aanwezig is. In dat geval is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar de onzekerheid over de mate waarin de aanrijding van 25 januari 2011 heeft bijgedragen aan de schade in zijn geheel op [verzoeker] af te wentelen, terwijl het eveneens onaanvaardbaar is de onzekerheid van het causaal verband met de schade van [verzoeker] geheel voor risico van Univé te laten komen in weerwil van de niet geringe kans dat de (voor risico van [verzoeker] komende) overbelasting de schade heeft veroorzaakt.
4.9. [verzoeker] heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen een eventuele 50/50 benadering, omdat hij de oorzaak van de klachten door overbelasting aan zijn kant heeft weggenomen door te stoppen met de opleiding en dat is niet mogelijk wat betreft het ongeval omdat dit zich niet laat wegdenken. [verzoeker] wordt niet gevolgd in zijn standpunt. Het gaat immers niet om het elimineren van de oorzaak van de klachten, maar om het elimineren van de klachten zelf. Het is de vraag of het ongeval weggedacht [verzoeker] op het niveau van een 40-urige werkweek had kunnen terugkomen. Ten tijde van het tweede ongeval was hiervan nog geen sprake. Hetzelfde geldt voor het standpunt van Univé. Dan gaat het om de vraag of de overbelasting weggedacht [verzoeker] geheel klachtenvrij zou zijn geworden na enige tijd. Dat ligt ook niet meteen voor de hand gelet op de gebleken kwetsbaarheid van [verzoeker] na het ongeval in 2007. Aangezien geen van partijen de rechtbank aanknopingspunten heeft gegeven voor een andere verdeling dan 50/50, zal met de thans beschikbare gegevens worden uitgegaan van een toerekening van vier uren per week ten laste van Univé. De andere vier uren blijven voor risico van [verzoeker], omdat ze in wezen zijn terug te voeren op de door het eerste ongeval ontstane kwetsbaarheid van [verzoeker] wat betreft het handhaven van een goede balans in de belastbaarheid.
De verzoeken van [verzoeker] zullen in lijn met voorgaande beslissingen worden toegewezen.
4.10. Tot slot dienen op grond van artikel 1019aa Rv de kosten begroot te worden. Hierbij geldt de dubbele redelijkheidstoets in die zin dat het redelijk dient te zijn dat deze kosten gemaakt zijn en dat de hoogte van die kosten eveneens redelijk is. Dat betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.
4.11. [verzoeker] heeft aangevoerd dat de kosten verbonden aan de deelgeschilprocedure € 7.695,60 bedragen (24 uur x € 250,00, te vermeerderen met 21% btw en 6% kantoorkosten). Univé heeft verweer gevoerd tegen de hoogte van de kosten, met name ten aanzien van het aantal opgevoerde uren.
Uit de urenspecificatie blijkt onder meer dat 5 uur is besteed aan het bestuderen van het dossier, zes uur aan het opstellen van het verzoekschrift, 5 uur voor de voorbereiding van de mondelinge behandeling en 5 uur voor het bijwonen van de mondelinge behandeling.
Gelet op de omvang en de moeilijkheidsgraad van het deelgeschil, komt de rechtbank het aantal opgevoerde uren, met name de uren voor het bestuderen van het dossier, de voorbereiding van de mondelinge behandeling en het bijwonen van de mondelinge behandeling, bovenmatig voor. In redelijkheid begroot de rechtbank de kosten van de deelgeschilprocedure op 16,5 uur. Omdat het uurtarief redelijk voorkomt, zal daarvan worden uitgegaan. Dit betekent dat de kosten van de deelgeschilprocedure worden begroot op € 5.290,73 (inclusief 21% btw en 6% kantoorkosten). Tevens zal een bedrag van € 282,00 aan griffierecht in aanmerking worden genomen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat het aannemelijk is dat [verzoeker] onder meer door het ongeval van 25 januari 2011 niet meer in staat is tot een 40-urige werkweek,

5.2. bepaalt dat [verzoeker] genoodzaakt was zijn arbeidsovereenkomst om te zetten in een 32-urige werkweek,

5.3. bepaalt dat Univé het verlies aan arbeidsvermogen voor 4 uren per werkweek dient te vergoeden,

5.4. begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 5.290,73 (inclusief 21% btw en 6% kantoorkosten) voor rechtsbijstand en € 282,00 voor griffierecht, en veroordeelt Univé tot betaling van deze kosten,

5.5. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2015.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots