Rb, deelgeschil: ongeval links afslaande auto en inhalende motor: 50/50

Samenvatting:

Ongeval op tweebaans N-weg met dubbele doorgetrokkken streep. Verzoeker haalt op motor file in, waar inhalen niet was toegestaan: hij wordt aangereden door auto, die linksaf slaat waar dat niet is toegestaan en loopt zwaar letsel op. 1. De rechtbank acht de automobilist aansprakelijk. 2. De rechtbank oordeelt dat de motorrijder 50% eigen schuld heeft. De ‘filegedragscode’ ziet niet op een situatie waarvan in het onderhavige geval sprake was: een file op een N-weg met twee rijstroken, zodat de motorrijder hij niet mocht inhalen ter plaatse. 3. Geen billijkheidscorrectie. 4. Kosten deelgeschil: € 2.771,50  x 50%; aantal uren gematigd.   

 

ECLI:NL:RBDHA:2018:16332

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak

12-12-2018

Datum publicatie

24-05-2019

Zaaknummer

C/09/556709 / HA RK 18-370

Rechtsgebieden

Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken

Rekestprocedure

Inhoudsindicatie

 

Deelgeschil. Verkeersongeval motor en auto rijdend in een file op N-weg. Letsel motorrijder. Is er sprake van eigen schuld? Toepasselijkheid filegedragscode.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

 

Team handel

 

zaaknummer / rekestnummer: C/09/556709 / HA RK 18-370

 

Beschikking van 12 december 2018

 

in de zaak van

 

[verzoeker] te [plaats] ,

 

verzoeker,

 

advocaat mr. P.W.M. Gossens te ‘s-Hertogenbosch,

 

tegen

 

NEDERLANDS BUREAU MOTORRIJTUIGVERZEKERAARS te Rijswijk,

 

verweerster,

 

advocaat mr. A.A.M. Zeeman te Voorburg.

 

Partijen worden hierna [verzoeker] en het NBM genoemd

1 De procedure

1.1.

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

 

het verzoekschrift, met producties 1 tot en met 10, ter griffie ingekomen op 13 juli 2018;

 

het verweerschrift, met producties 1 en 2.

 

1.2.

 

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2018. Hierbij zijn verschenen: [verzoeker] in persoon, bijgestaan door mr. Gossens voornoemd, en, namens het NBM, mr. Zeeman voornoemd.

1.3.

 

Ten slotte is een datum voor het geven van de beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

 

Op 15 oktober 2017 heeft op de N59 ter hoogte van de Capelleweg te Nieuwerkerk (Zeeland) een ongeval plaatsgevonden (hierna: het ongeval), waarbij [verzoeker] , rijdend op een motor, en [A] (hierna: [A] ), rijdend in een personenauto met Duits kenteken, betrokken waren.

2.2.

 

[verzoeker] reed op de N59, een weg met één rijbaan en twee rijstroken (per richting één rijstrook) die van elkaar worden gescheiden door een dubbele doorgetrokken streep, aan de linkerkant een file voorbij op het moment dat [A] linksaf sloeg. [verzoeker] is bij het remmen in de slip geraakt en tegen de linker zijkant van de auto van [A] aangereden. [verzoeker] heeft daarbij ernstig letsel opgelopen.

2.3.

 

De verkeersituatie, gezien vanuit de rijrichting van [verzoeker] en [A] , op de plaats van het ongeval is als volgt:

2.4.

 

De politie. die na de aanrijding ter plaatse was, heeft proces-verbaal opgemaakt, waarin over de toedracht – voor zover van belang – het volgende is opgenomen:

 

“Op het moment van de aanrijding was het erg druk op de weg vanwege het zeer mooie weer die dag. ter hoogte van de Capelleweg besloot de bestuurder van de personenauto linksaf te slaan teneinde de Capelleweg in te gaan. Echter op het wegdek is een dubbele doorgetrokken streep aanwezig en is middels bord D04 aangegeven dat het niet is toegestaan om linksaf te slaan. Op dat moment reed de bestuurder van de motorfiets over de doorgetrokken streep aan zijn kant van de weg en was op die manier voertuigen aan het inhalen. Gezien het sporenbeeld is de motorfiets vanaf de streep waar hij op reed in een slip geraakt en tegen de linker zijkant van het linksafslaande voertuig aangereden met tot gevolg dat hij ten val is gekomen naast de personenauto. De opzittende van de motor is op het dak van de personenauto ten val gekomen.

 

Beide personen hebben geen ernstig letsel overgehouden aan het ongeval.”

2.5.

 

Er heeft na het ongeval geen ongevallenanalyse plaatsgevonden.

2.6.

 

[verzoeker] heeft naar aanleiding van het ongeval op 6 november 2017 AVUS Nederland (hierna: AVUS) aansprakelijk gesteld. AVUS treedt op als Nederlandse correspondent van AXA Versicherung AG, de Duitse verzekeraar waarbij de auto waarin [A] reed is verzekerd.

2.7.

 

AVUS heeft op 17 november 2017 per e-mailbericht aan [verzoeker] laten weten geen aansprakelijkheid te erkennen.

2.8.

 

In vervolg op telefonisch contact tussen de rechtsbijstandsverzekeraar van [verzoeker] en AVUS naar aanleiding van het e-mailbericht van 17 november 2017, heeft AVUS per

 

e-mailbericht van 27 november 2017 aan [verzoeker] voorgesteld om in het kader van een minnelijke regeling 50% van de schade van [verzoeker] voor haar rekening te nemen. [verzoeker] heeft dat voorstel afgewezen.

2.9.

 

[verzoeker] is door het ongeval langere tijd arbeidsongeschikt geweest. Hij is sinds juli 2018 weer volledig aan het werk.

3 Het geschil

3.1.

 

[verzoeker] verzoekt de rechtbank – zakelijk weergegeven – bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv):

 

  1. Te beslissen dat het NBM (hoofdelijk) aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] heeft geleden en nog lijdt ten gevolge van de onrechtmatige daad die jegens [verzoeker] op 15 oktober 2017 is gepleegd;

 

  1. De kosten van rechtsbijstand van [verzoeker] te begroten op grond van hetgeen [verzoeker] heeft aangegeven in punt 39 tot en met punt 42 van het verzoekschrift en te beslissen dat het NBM in de begrote kosten van dit deelgeschil (hoofdelijk) wordt veroordeeld.

3.2.

 

Aan zijn verzoek legt [verzoeker] ten grondslag dat [A] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, primair door te handelen in strijd met een wettelijke plicht en subsidiair door te handelen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. [A] heeft als afslaande bestuurder [verzoeker] , die zich op dezelfde weg links dicht achter hem bevond, niet voor laten gaan en daarmee in strijd gehandeld met artikel 18 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV). Daarnaast (subsidiair) heeft [A] gevaarzettend gehandeld door plotseling linksaf te slaan op een plek waar dit niet is toegestaan. [verzoeker] had daar geen rekening mee hoeven houden in verband met de dubbele doorgetrokken streep en de verplichte rijrichting. Voor zover zou worden geoordeeld dat ook [verzoeker] verkeersfouten heeft gemaakt, dan geldt dat [A] meer en ernstigere fouten heeft gemaakt dan [verzoeker] . Een en ander rechtvaardigt dat het NBM geheel aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade.

3.3.

 

Het NBM voert gemotiveerd verweer.

3.4.

 

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

 

Aan de orde is of en in welke mate [A] tegenover [verzoeker] aansprakelijk is wegens onrechtmatig handelen voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat [A] aansprakelijk is voor de gehele schade. Het NBM bestrijdt de gestelde aansprakelijkheid en doet een beroep op eigen schuld van [verzoeker] .

4.2.

 

Niet is in geschil dat ingeval van aansprakelijkheid van [A] tegenover [verzoeker] , het NBM op de voet van artikel 2 lid 6 van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) de verplichting heeft om de daardoor door [verzoeker] geleden schade overeenkomstig de bepalingen van de WAM te vergoeden omdat die schade veroorzaakt is door een buitenlands voertuig.

4.3.

 

Met partijen is de rechtbank van oordeel dat het onderhavige verzoek, dat gegrond is op artikel 1019w Rv, zich leent voor een behandeling in een deelgeschilprocedure. Een uitspraak over de aansprakelijkheid van [A] kan bijdragen aan afwikkeling van de schade die [verzoeker] als gevolg van het ongeval stelt te hebben geleden. Zij zal het verzoek derhalve inhoudelijk beoordelen.

4.4.

 

Vaststaat dat het ter plaatse van het ongeval niet is toegestaan links af te slaan vanwege het D04 bord aldaar. Aldus heeft [A] gehandeld in strijd met artikel 62 RVV, dat bepaalt dat weggebruikers verplicht zijn gevolg te geven aan verkeerstekens die een gebod inhouden. Daarnaast staat vast dat het erg druk op de weg was en er sprake was van filevorming. [A] stond blijkens het verweer van het NBM al een uur in de file. De rechtbank laat in het midden of [A] stilstond, dan wel (langzaam) reed. Ten slotte geldt op grond van artikel 18 RVV dat bestuurders die afslaan, voor zover relevant, verkeer dat op dezelfde weg zich naast of dichter achter hen bevindt, voor moeten laten gaan. Ook hiermee heeft [A] in strijd gehandeld. [A] heeft een gebod om rechtdoor te rijden genegeerd in een verkeerssituatie waarbij sprake was van grote drukte op de weg en hij in een file stond en hij heeft [verzoeker] niet voor laten gaan. Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken dat de manoeuvre van [A] met als doel de Capelleweg in te rijden, in strijd is met de grondregel dat het een ieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt (artikel 5 Wegenverkeerswet), althans met hetgeen de zorgvuldigheid in het maatschappelijk verkeer naar ongeschreven recht betaamt (artikel 6:162 BW). Daarmee staat de onrechtmatigheid van het handelen van [A] tegenover [verzoeker] vast.

4.5.

 

Nu de toerekenbaarheid van het gestelde onrechtmatig handelen niet in geschil is en [verzoeker] geen schade zou hebben geleden zonder de fouten van [A] , betekent dit in beginsel dat het NBM aansprakelijk is tegenover [verzoeker] voor de door [verzoeker] als gevolg van het ongeval geleden schade. Hieraan doet niet af, zoals het NBM naar voren heeft gebracht, of het [verzoeker] ter plaatse was toegestaan de auto’s in de file waarin ook [A] zich bevond op de N59 aan hun linkerzijde in te halen en of [A] rekening moest houden met een inhaalmanoeuvre van [verzoeker] . De (mogelijke) verkeersfout(en) van [verzoeker] , laat de aansprakelijkheid van [A] tegenover [verzoeker] in beginsel onverlet.

4.6.

 

Een vervolgvraag is of en in hoeverre sprake is van eigen schuld van [verzoeker] (oftewel: of en in hoeverre de schade van [verzoeker] mede het gevolg is van omstandigheden die aan hemzelf kunnen worden toegerekend) en of de vergoedingsplicht van [A] (en daarmee die van het NBM) komt te vervallen gelet op de mate van eigen schuld (artikel 6:101 BW).

4.7.

 

De rechtbank is, met het NBM, van oordeel dat ook [verzoeker] in strijd met de ter plaatse geldende verkeersregels heeft gehandeld en de schade daarom mede het gevolg is van zijn eigen handelen. Partijen twisten allereerst over de vraag of het [verzoeker] was toegestaan om de file in te halen. Het NBM stelt dat sprake was van een N-weg met een dubbele doorgetrokken streep en het [verzoeker] ter plaatse niet was toegestaan om files in te halen. Verder heeft [verzoeker] volgens het NBM in strijd met artikel 19 RVV zijn motor niet tijdig tot stilstand gebracht. Daartegenover heeft [verzoeker] naar voren gebracht dat hij in overeenstemming met de filegedragscode (te kennen door raadpleging van www.motorplatform.nl) heeft gehandeld en [A] plotseling en zonder richting aan te geven naar links afsloeg en hij om die reden geen rekening hoefde de houden met de manoeuvre van [verzoeker] .

4.8.

 

Vaststaat dat er geen wettelijke grondslag is op basis waarvan het motorrijders is toegestaan om een file in te halen. De filegedragscode waarnaar [verzoeker] verwijst, is geen wettelijke regeling, maar een (dringend) advies aan de motorrijder (zonder zijspan) en de automobilist met bij files toe te passen spelregels. Niettemin heeft de gedragscode naar het oordeel van de rechtbank een zekere schaduwwerking. Zoals in de filegedragscode is vermeld en het NBM niet heeft betwist, wordt de code door onder meer verzekeraars erkend als een goede richtlijn. Bij de beoordeling van de vraag of de schade mede het gevolg is van omstandigheden die [verzoeker] kunnen worden toegerekend, kan naar het oordeel van de rechtbank mede betekenis toekomen aan het antwoord op de vraag of hij zich aan de filegedragscode heeft gehouden. Daarvoor is allereerst af van belang of de filegedragscode op de situatie ter plaatse van toepassing is, daarnaast of [verzoeker] zich aan die regels heeft gehouden, terwijl ten slotte aan de hand van de omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld welke betekenis daaraan in het kader van het beroep van het NBM op eigen schuld toekomt. Niet kan worden gezegd dat ingeval de filegedragscode ziet op de onderhavige situatie en [verzoeker] zich aan de code heeft gehouden zonder meer het beroep op eigen schuld faalt.

4.9.

 

De rechtbank stelt vast, zoals het NBM heeft aangevoerd, dat de filegedragscode alleen bedoeld is om toe te passen op Nederlandse snelwegen. De code vermeldt letterlijk: “De gedragscode (…) is alleen bedoeld om toe te passen bij stilstaand of langzaam rijdend verkeer op de Nederlandse snelwegen”.

4.10.

 

De term “snelweg” is geen term die in wet- en regelgeving wordt gebruikt. In het RVV wordt gesproken over autosnelweg, gekenmerkt door bord G1, en autoweg, gekenmerkt door bord G3 (zie artikel 1 aanhef RVV). Daargelaten dat de filegedragscode derhalve niet aanknoopt bij de terminologie die in wet- en regelgeving gehanteerd wordt, heeft de filegedragscode blijkens haar tekst wel betrekking op een (snel)weg met minimaal twee rijstroken voor verkeer in dezelfde rijrichting, waarbij die rijstroken van elkaar gescheiden zijn door een onderbroken streep en zich op de beide rijstroken stilstaand of langzaam rijdend verkeer bevindt (anders is er geen file op de bedoelde snelweg). Dit blijkt allereerst uit het eerste advies aan de motorrijder, namelijk om tussen de file door te rijden: “1. Gepaste snelheid Rijd rustig tussen de file door, dat wil zeggen dat het snelheidsverschil tussen de motor en de auto die u passeert, niet meer mag zijn dan 10km/u.[onderstreping rechtbank]”. Dit blijkt verder uit het advies aan de automobilist om het midden van de rijstrook te gebruiken. Daarbij wordt ook wordt opgemerkt dat motorrijders in principe tussen de rijstroken in passeren en vlak langs de onderbroken streep: “2. Gebruik het midden van de rijstrook Achteropkomende motorrijders hebben doorgaans voldoende ruimte om te passeren als u over het midden van uw rijstrook rijdt. Motorrijders passeren in principe tussen de rijstroken in, vlak langs de onderbroken streep. Natuurlijk helpt het als u [de automobilist, toevoeging rechtbank] ze wat meer ruimte biedt door naar rechts uit te wijken als u op de rechterrijstrook zit, of naar links als u op de linkerrijstrook zit.” Het plaatje dat de filegedragscode bevat, geeft duidelijk de bedoelde situatie met een file op beide rijstroken weer, waarbij de motor tussen de file door rijdt:

4.11.

 

De filegedragscode ziet al met al niet op een situatie waarvan in het onderhavige geval sprake was: een file op een N-weg met twee rijstroken, van elkaar gescheiden door een dubbele doorgetrokken streep en met verkeer in tegengestelde richtingen. Die situatie verschilt wezenlijk van de in 4.9 en 4.10 beschreven situatie waarop de filegedragscode het oog heeft.

4.12.

 

In de inleiding van de filegedragscode zijn de kwetsbaarheid van een motorrijder die achter een rij auto’s opgesteld staat bij kop-staart-botsingen en het in gevaar komen van de koeling van mens en techniek (de rechtbank begrijpt: het risico van oververhitting) genoemd als veiligheidsredenen waarom een motorrijder baat heeft bij het passeren van een file van stilstaande of langzaam rijdende auto’s. Weliswaar kunnen die kwetsbaarheid en dat gevaar ook bij een file op een weg zoals de N59 aan de orde zijn, zoals [verzoeker] heeft betoogd, maar hier staat tegenover dat bij die weg, anders dan de snelweg waarop de filegedragscode doelt, sprake is van tegemoetkomend verkeer. Hierop stuit de stelling van [verzoeker] dat hij gehandeld heeft conform de filegedragscode af.

4.13.

 

Zonder bijkomende omstandigheden, die niet zijn gesteld of gebleken, is de rechtbank van oordeel dat het [verzoeker] ter plaatse niet was toegestaan in te halen, ook niet omdat er een file was op de rijstrook waarin hij reed. Het ongeval is derhalve naar het oordeel van de rechtbank mede te wijten aan de inhaalmanoeuvre van [verzoeker] zelf.

4.14.

 

De gestelde schade moet gelet hierop worden verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Anders dan beide partijen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de schade het gevolg is van omstandigheden die in meer of mindere mate aan de ene, dan wel aan de andere partij zijn toe te rekenen. Beide partijen hebben verkeersfouten gemaakt. Niet staat vast, zoals [verzoeker] heeft gesteld, dat [A] plotseling wilde afslaan, noch dat [A] zijn knipperlicht aanhad, zoals het NBM naar voren heeft gebracht. Evenmin staat vast dat [verzoeker] zodanig hard gereden heeft bij de inhaalmanoeuvre dat dit de conclusie rechtvaardigt dat de schade in grotere mate het gevolg is van omstandigheden die aan hem kunnen worden toegerekend, dan van omstandigheden die aan [A] kunnen worden toegerekend. De enkele omstandigheid dat [verzoeker] ter zitting heeft meegedeeld dat hij 30 km per uur reed (derhalve harder dan in de filegedragscode wordt geadviseerd), acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Beiden hadden daarentegen wel rekening moeten houden met manoeuvres van andere weggebruikers in strijd met de ter plaatse geldende verkeersregels, hetgeen zij geen van beiden hebben gedaan. Daarbij merkt de rechtbank op dat het bestaan van een file op zichzelf een risico in het leven roept dat weggebruikers zich niet aan de verkeersregels houden, waarmee andere weggebruikers rekening dienen te houden.

4.15.

 

De rechtbank verwerpt de stelling van het NBM dat [verzoeker] zijn motor tijdig tot stilstand had moeten kunnen brengen en aldus in strijd met artikel 19 RVV heeft gehandeld. De desbetreffende regel, inhoudende dat de bestuurder in staat moet zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is, verplicht niet daartoe (ook) in staat te zijn in geval een andere weggebruiker in strijd met de geldende verkeersregels afslaat.

4.16.

 

Gelet op dit alles is de rechtbank van oordeel dat een schuldverdeling bij helfte, derhalve een eigen schuld van 50% aan de zijde van [verzoeker] , gerechtvaardigd is.

4.17.

 

[verzoeker] doet een beroep op de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW. Bij de toepassing van de billijkheidscorrectie kunnen een rol spelen de uiteenlopende ernst van de door betrokkenen gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval, zoals de ernst van het opgelopen letsel en de vraag of de aansprakelijkheid door een verzekering wordt gedekt. De rechtbank ziet in de gestelde en gebleken omstandigheden op grond van de billijkheid geen reden voor een andere verdeling dan de uitkomst van de beoordeling op basis van de causaliteit. Weliswaar heeft [verzoeker] in tegenstelling tot [A] ernstig letsel opgelopen, die omstandigheid acht de rechtbank onvoldoende, de ernst van de fout van beide betrokkenen mede in aanmerking genomen, om tot een andere schuldverdeling dan de hiervoor genoemde te komen. Dat betekent dat het NBM 50% van de schade van [verzoeker] moet vergoeden en dat de resterende schade voor rekening van [verzoeker] blijft.

 

Kosten deelgeschil

4.18.

 

Ingevolge artikel 1019aa lid 1 Rv dient de rechtbank de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt te begroten, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking worden genomen. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn.

4.19.

 

Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de kosten van de procedure ook voor vergoeding in aanmerking kunnen komen in geval van afwijzing van het verzoek. Dit is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval van laatstgenoemde situatie geen sprake is. De rechtbank gaat in het navolgende dan ook over tot begroting van de kosten.

4.20.

 

Mr. Gossens verzoekt, onder verwijzing naar de door haar ter zitting overgelegde urenspecificatie, de kosten van dit deelgeschil te begroten op een bedrag van € 3.681,06 (exclusief griffierecht). Daarbij is hij uitgegaan van een tijdsbesteding van 15 uur en 38 minuten, een uurtarief van € 205, 6% kantoorkosten en 21% btw. Het NBM heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van deze kostenopgave.

4.21.

 

De rechtbank leidt uit de urenspecificatie af dat mr. Gossens ruim 7 uur aan het opstellen van het verzoekschrift heeft besteed. De overige tijd ziet op contacten met de cliënt en het bijwonen van de zitting. Gelet op de inhoud en complexiteit van deze zaak acht de rechtbank het redelijk om rekening te houden met een tijdsbesteding van in totaal 10 uur voor deze procedure en een uurtarief van € 205. De verzochte vergoeding van kantoorkosten wijst de rechtbank bij gebrek aan onderbouwing en gelet op het verweer van het NBM af. Gelet op de huidige gebruikelijke wijze van communicatie – digitaal – houdt de rechtbank het er zonder concrete nadere toelichting voor dat die kantoorkosten niet daadwerkelijk zijn gemaakt.

4.22.

 

Gezien het voorgaande zal de rechtbank de kosten van deze procedure in redelijkheid begroten op een bedrag van € 2.771,50 (10 uur x € 205, te vermeerderen met 21% btw en voorts te vermeerderen met het betaalde griffierecht van € 291).

4.23.

 

Nu de schadevergoedingsverplichting op de voet van artikel 6:101 BW wordt verminderd, zal de rechtbank de verplichting om de in artikel 6:96 lid 2 BW bedoelde kosten (kosten die ten titel van schade voor vergoeding in aanmerking komen) te vergoeden in dezelfde mate verminderen. Dit betekent dat een bedrag van € 1.385,75 voor vergoeding door het NBM in aanmerking komt.

5 De beslissing

 

De rechtbank:

5.1.

 

stelt vast dat het NBM aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] heeft geleden en nog lijdt ten gevolge van het ongeval;

5.2.

 

stelt de mate van eigen schuld van [verzoeker] vast op 50%;

5.3.

 

bepaalt dat het NBM is gehouden 50% van de door [verzoeker] ten gevolge van het ongeval geleden en nog te lijden schade aan hem te vergoeden;

5.4.

 

begroot de kosten van het deelgeschil op € 2.771,50 en veroordeelt het NBM tot betaling van een bedrag van € 1.385,75 als kosten van dit deelgeschil aan [verzoeker] ;

5.5.

 

wijst het meer of anders verzochte af.

 

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2018.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey