Rb, deelgeschil: Mislukte besnijdenis, gedeeltelijke penisamputatie bij 2-jarige, smartengeld € 110.000

Samenvatting:

Bij verzoeker is toen hij ruim twee jaar oud was een besnijdenis verricht door een huisarts, onder verantwoordelijkheid van een uroloog. De ingreep is niet goed verlopen. Zijn penis moest gedeeltelijk worden geamputeerd. In totaal heeft hij tot op heden dertien operatieve ingrepen ondergaan. De penisreconstructie is nog niet afgerond. Behandeling zal nog nodig zijn voor seksuele en fertiliteitsproblemen. Verzoeker heeft grote littekens, klachten bij plassen, pijn, schaamte, negatieve psychische en sociaal-emotionele gevolgen enz. zonder een echte psychische stoornis. Er is sprake van een negatieve invloed op de schoolcarrière. Zijn ouders waren nauwelijks in staat het lot van hun zoon te verwerken. De rechtbank houdt bij de vaststelling van de gevorderde immateriële schade o.a. rekening met de zeer jonge leeftijd waarop het letsel is toegebracht, de stagnatie van de ontwikkeling van smartengeld vergeleken met toewijzingen in het buitenland en de omstandigheid dat de schade kan worden afgewenteld op verzekeraar. Hoewel behandelingen nog dienen plaats te vinden gaat de rechter uit van de hypothetische situatie dat er geen verbetering meer optreedt en stelt de immateriële schade op een bedrag van € 110.000,00 onder aftrek van eerdere voorschotten daarvoor, geïndexeerd aan de hand van indexaties van de Smartengeldgids 2018.

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 07-11-2018
Datum publicatie 11-12-2018
Zaaknummer C/16/453302 / HA RK 18-18
Rechtsgebieden Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie
Deelgeschil. Immateriële schade ten gevolge van mislukte besnijdenis.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak
Uitspraak

beschikking
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/453302 / HA RK 18-18

Beschikking van 7 november 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen [verzoeker] ,
advocaat mr. M.J. de Witte te Amersfoort,

tegen

1. de stichting
[verweerster sub 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de onderlinge waarborgmaatschappij
[verweerster sub 2] B.A.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna gezamenlijk te noemen in enkelvoud: het Ziekenhuis,
advocaat mr. D. Zwartjens te Utrecht.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met producties (10), ingekomen op 15 januari 2018,
– de brief van 24 januari 2018 van de advocaat van [verzoeker] met daarbij de processtukken in een eerdere deelgeschilprocedure (zaaknummer: C/16/432314 HA RK 17/30),
– het verweerschrift met producties (4), ingekomen op 4 juli 2018,
– de fax van 5 juli 2018 met producties 5 en 6 van de advocaat van het Ziekenhuis,
– het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 11 juli 2018, en de naar aanleiding daarvan gemaakte opmerkingen van de advocaat van het Ziekenhuis is bij e-mail van 24 juli 2018,
– de aantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling van de advocaat van [verzoeker] ,
– de e-mail van 16 juli 2018 van de advocaat van [verzoeker] met een nader overzicht van de openstaande kosten van juridische bijstand.

1.2. In het verzoekschrift heeft [verzoeker] de rechtbank aanvankelijk verzocht om een verklaring voor recht dat het Ziekenhuis gehouden is om [verzoeker] € 125.000,00, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, te betalen als voorschot op de door hem geleden en nog te lijden immateriële schadevergoeding.

1.3. Met betrekking tot het feit dat deze verklaring voor recht enkel ten aanzien van het Ziekenhuis is verzocht, heeft [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling toegelicht (hetgeen later bij e-mail van 19 juli 2018 is bevestigd) dat [verweerster sub 2] abusievelijk niet in het daadwerkelijke verzoek aan het eind van het verzoekschrift is genoemd, hoewel [verweerster sub 2] wel als verweerder is aangemerkt. [verweerster sub 2] heeft er tijdens de mondelinge behandeling mee ingestemd dat het verzoek om een verklaring voor recht (en een proceskostenveroordeling) wordt geacht mede tot haar te zijn gericht.

1.4. De advocaat van [verzoeker] heeft na de mondelinge behandeling, bij brief van 13 juli 2018, een aanvullende specificatie van de gemaakte kosten deelgeschil overgelegd en gevraagd om de kosten te begroten op een totaal van € 8.635,33.

1.5. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank partijen gesuggereerd om te onderzoeken of het mogelijk is een regeling te treffen voor de immateriële schade in zijn geheel waarbij als hypothetisch uitgangspunt zou worden genomen dat er geen verbetering meer optreedt in de (medische) situatie van [verzoeker] (een zogenoemd worst case scenario). Tijdens de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen in onderling overleg tot een oplossing te komen.

1.6. Vervolgens heeft de advocaat van [verzoeker] de rechtbank bij e-mails van 19, 20 en 26 juli 2018 laten weten dat partijen in onderling overleg niet tot een oplossing zijn gekomen en dat beschikking wordt gevraagd. In deze correspondentie heeft [verzoeker] zijn verzoek bovendien gewijzigd; hij vraag de rechtbank de immateriële schade in zijn geheel te begroten (in plaats van een voorschot daarop). Het Ziekenhuis heeft bij e-mails van 23 en 26 juli 2018 ingestemd met deze wijziging.

1.7. De advocaten van partijen zijn er vervolgens over geïnformeerd dat een beschikking zal worden gegeven.

2 De feiten

2.1. Gelet op het zeer persoonlijke karakter van veel gegevens in deze zaak zal de rechtbank waar mogelijk volstaan met globale omschrijvingen en met verwijzing naar met name genoemde processtukken.

Medische fout en behandeling

2.2. In 2001 is bij [verzoeker] , toen ruim twee jaar oud, een besnijdenis verricht. Deze is uitgevoerd door een huisarts, onder verantwoordelijkheid van een uroloog. De ingreep is niet goed verlopen. Als gevolg daarvan moest zijn penis gedeeltelijk worden geamputeerd.

2.3. Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) heeft de huisarts in verband met deze fout in 2004 een waarschuwing gegeven. Het Ziekenhuis heeft aansprakelijkheid voor de fout erkend.

2.4. In de eerste maanden na het ongeval is [verzoeker] behandeld in een ander ziekenhuis in Nederland.

2.5. Vanaf 2002 is [verzoeker] behandeld in een ziekenhuis in België. In 2002 en 2003 hebben diverse voorbereidende ingrepen voor een latere penisreconstructie plaatsgevonden. In 2014 is hij gedurende een week opgenomen geweest in dit ziekenhuis en is er een reconstructieoperatie verricht. In totaal heeft hij tot op heden dertien (operatieve) ingrepen ondergaan.

2.6. De penisreconstructie is nog niet afgerond en er zal/zullen nog één of meerdere vervolgoperatie(s) plaats moeten vinden. De eerste vervolgoperatie zou aanvankelijk in 2017 plaatsvinden, maar is niet doorgegaan. Naar verwachting zal deze operatie in 2018 alsnog worden uitgevoerd.

Sociale en emotionele situatie

2.7. Al langere tijd functioneert [verzoeker] niet goed op (de middelbare) school. Dit heeft ertoe geleid dat hij in 2015 gedurende enkele maanden (op kosten van het Ziekenhuis) particulier onderwijs heeft gevolgd op een middelbare school. Hij heeft het schooljaar echter niet met succes kunnen afronden en beschikt niet over een (afgeronde) opleiding. Ten tijde van de mondelinge behandeling op 11 juli 2018 ging hij niet naar school.

2.8. Sinds begin 2017 is [verzoeker] onder behandeling bij een klinisch psycholoog/psychotherapeut (hierna: de behandelend psycholoog). In de intakebrief (productie 7 verzoekschrift) met betrekking tot deze behandeling schrijft zij dat zijn klachten bij aanmelding zijn: schaamte, pijnklachten en een negatief toekomstbeeld. Zij komt tot de conclusie dat er bij [verzoeker] als gevolg van de mislukte besnijdenis sprake is van een evidente posttraumatische stresstoornis (PTSS).

Voorlopige deskundigenberichten kinderuroloog en psychiater

2.9. Op verzoek van het Ziekenhuis heeft de rechtbank Midden-Nederland bij beschikking van 14 september 2014 een voorlopig deskundigenbericht bevolen door een kinderuroloog en een psychiater.

2.10. De kinderuroloog heeft in 2017 definitief gerapporteerd (productie 1 verweerschrift). Met betrekking tot het letsel aan de penis en de daaruit voortvloeiende klachten en beperkingen blijkt uit deze rapportage dat [verzoeker] als klachten aangeeft een branderig gevoel bij het plassen, een sproeistraal en een afwijkende vorm van de penis.
De uroloog bevestigt een afwijkende vorm van de penis met (grote) littekens. Verder schrijft hij dat nog geen medische eindtoestand is bereikt en dat aanvullende operaties zullen moeten plaatsvinden, waaruit nog aanvullende klachten en problemen zouden kunnen ontstaan. Verder schrijft hij dat voor de toekomst rekening gehouden moet worden met aanvullende behandeling voor seksuele en fertiliteitsproblemen.

2.11. De psychiater heeft in 2017 zijn definitieve rapportage uitgebracht (productie 4 verzoekschrift) waarin een beschrijving wordt gegeven van de psychische en sociaal-emotionele gevolgen van de mislukte besnijdenis. Hieruit blijkt kort samengevat:
– dat er als gevolg van het letsel problemen zijn op school (een lager niveau);
– dat hij geen sport beoefent en geen vakantiebaantje doet omdat hij bang is dat anderen iets merken;
– dat hij de neiging heeft zich van anderen te isoleren;
– dat hij slaapproblemen heeft die verband houden met het letsel;
– dat hij sombere gedachten heeft;
– dat hij niet goed om durft te gaan met meisjes.
De psychiater stelt verder dat het opmerkelijk is dat [verzoeker] relatief eigenlijk heel goed functioneert, dat hij kennelijk over de intelligentie en kwaliteit van “coping” beschikt die nodig zijn om zich in zulke moeilijke omstandigheden te handhaven, en dat hij daarmee zichzelf heeft kunnen beschermen tegen de ontwikkeling van een echte depressieve stoornis, angststoornis, posttraumatische stress-stoornis, somatische symptoomstoornis of een pathologische persoonlijkheidsontwikkeling. Volgens de psychiater wil dat dus zeggen dat er per definitie geen blijvend psychisch “letsel” is. De psychiater wijst er wel op dat dit niet betekent dat [verzoeker] niet zou lijden, want dat doet hij wel. De psychiater oordeelt dat er (“gelukkig”) op psychiatrisch gebied geen classificatie kan worden gegeven. De psychiater vermeldt voorts dat de omstandigheden niet uitgesproken gunstig waren, omdat in de cultuur van de ouders van [verzoeker] intacte mannelijkheid een (nog) “veel grotere rol speelt dan in het Westen”.

2.12. De psychiater heeft in zijn rapportage ook zijn visie gegeven op de bevindingen van de behandelend psycholoog van [verzoeker] (zie hiervoor onder punt 2.8). Hij geeft daarbij aan dat hij de klachten anders weegt dan de behandelend psycholoog, en dat hij in de nadere gegevens van het onderzoek van de behandelend psycholoog geen reden ziet om zijn bevindingen en conclusies aan te passen

Schaderegeling en bevoorschotting

2.13. In het kader van de schaderegeling hebben partijen besproken dat de schade pas definitief begroot en gecompenseerd zou kunnen worden na de laatste medische ingreep en als [verzoeker] volwassen zou zijn. Vanaf 2002 is er tussen partijen wel regelmatig contact geweest over de (medische) situatie van [verzoeker] en over de bevoorschotting op de schade.

2.14. Vanaf 2001 zijn door het Ziekenhuis ook verschillende voorschotten op de door [verzoeker] geleden (en nog te lijden) schade uitgekeerd. In 2002 is (onder meer) een voorschot op de immateriële schade betaald van € 25.000,00. Dit bedrag is gestort op een bankrekening van [verzoeker] , in verband met zijn minderjarigheid met de zogenoemde BEM-clausule. De kantonrechter te Wageningen heeft op 24 februari 2003 toegestaan dat de ouders van [verzoeker] zelfstandig over deze bankrekening konden beschikken.

2.1.5 Tot op heden is er in totaal een bedrag van € 212.305,79 (exclusief buitengerechtelijke kosten) betaald ter vergoeding van/als voorschot op de geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade.

3 Het deelgeschil

3.1. Aanvankelijk heeft [verzoeker] de rechtbank verzocht om toekenning van een voorschot van € 125.000,00 op de geleden en nog te lijden immateriële schade. Na de zitting heeft hij zijn verzoek gewijzigd. Hij verzoekt thans het smartengeld definitief vast te stellen, en wel op € 125.000,00. Het Ziekenhuis heeft met deze wijziging van het verzoek ingestemd. Verder verzoekt hij het Ziekenhuis te veroordelen in de kosten van dit geschil, te begroten op € 8.635,33 en het Ziekenhuis eveneens te veroordelen het door [verzoeker] verschuldigde griffierecht te betalen.

3.2. Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt [verzoeker] dat hij recht heeft op een hogere smartengeldvergoeding dan door het Ziekenhuis wordt gesteld (en tot op heden is betaald) en dat – in algemene zin – een verhoging van het smartengeldniveau in Nederland wenselijk is.

3.3. Het Ziekenhuis concludeert tot niet-ontvankelijkheid, althans tot afwijzing van het verzoek met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten. Volgens het ziekenhuis is in totaal – afgerond – reeds een bedrag van (tenminste) € 35.450,00 aan smartengeld betaald en daarmee is de door [verzoeker] geleden en nog te lijden immateriële schade vergoed. Volgens het Ziekenhuis dient de omvang van de immateriële schade te worden bepaald naar het moment waarop de letselschade is ingetreden (2001) en is de immateriële schade in 2002 bovendien reeds (grotendeels) vergoed. Om die reden is er in deze zaak ook geen ruimte voor een –door [verzoeker] bepleit – hoger smartengeld op grond van het argument dat het smartengeldniveau de laatste jaren in Nederland te ver is achtergebleven.

4 De beoordeling

De begroting van het smartengeld

4.1. Immateriële schadevergoeding (smartengeld) vormt een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden door een persoon die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is (lichamelijk) letsel heeft opgelopen (artikel 6:106 lid 1 onder b Burgerlijk Wetboek (BW)). Bij de begroting daarvan moet de rechtbank rekening houden met alle omstandigheden van het geval, waarbij voor de omvang van de smartengeldvergoeding in het bijzonder bepalend zijn de aard, ernst en duur van het letsel, de pijn, de intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde en de gevolgen daarvan voor de betrokkene. De rechtbank moet de zwaarte van het verdriet, de ernst van de pijn en het gemis aan levensvreugde afleiden uit min of meer objectieve factoren en concrete aanwijzingen, zoals de aard van het letsel en de (meer subjectief te duiden) gevolgen daarvan voor de concrete benadeelde. De rechtbank houdt daarnaast rekening met de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel van de benadeelde, de aard van de aan de aansprakelijke partij verweten gedraging (de mate van verwijtbaarheid) en de economische omstandigheden van beide partijen. Tevens dient bij de begroting – zo mogelijk – te worden gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, rekening houdend met een eventueel opgetreden geldontwaarding. Ook mag gekeken worden naar bedragen die buitenlandse rechters toekennen, maar de ontwikkelingen in andere landen met betrekking tot de toegekende bedragen kunnen niet beslissend zijn voor de in Nederland toe te kennen bedragen.

4.2. Vast staat dat [verzoeker] als gevolg van de mislukte besnijdenis ernstig en blijvend letsel aan zijn penis heeft opgelopen, als gevolg waarvan hij al sinds tweejarige leeftijd dagelijks lichamelijke en emotionele klachten en beperkingen ervaart. Het is aannemelijk dat hij als gevolg van het letsel ook in de toekomst klachten en beperkingen zal blijven ervaren. Nu de medische behandeling (reconstructie van de penis) echter nog niet volledig is afgerond en er dus nog geen medische eindtoestand is bereikt, is een inschatting van het verdere (medische) beloop van het letsel en de klachten en beperking van [verzoeker] op dit moment (nog) niet goed mogelijk. Hetzelfde geldt in beginsel voor de begroting van de (materiële en) immateriële schade.

4.3. Overeenkomstig de suggestie die de rechtbank ter zitting heeft gedaan, heeft [verzoeker] – met instemming van het Ziekenhuis – de rechtbank echter gevraagd het smartengeld reeds nu in zijn geheel te begroten, waarbij als hypothetisch uitgangspunt wordt genomen dat er geen verbetering meer optreedt in zijn huidige (medische) situatie. De rechtbank zal daarom bij de begroting van het smartengeld uitgaan van de aard en ernst van het letsel en de klachten en beperkingen zoals die zijn beschreven in de rapportages van de kinderuroloog en de psychiater. De rechtbank houdt daarbij ook rekening met hetgeen [verzoeker] in zijn verzoekschrift onbetwist over het letsel, en de klachten en beperkingen heeft gesteld en hetgeen hij daarover ter zitting heeft verklaard (inclusief de door hem aan de rechtbank getoonde foto’s).

(i) Pijn en ongemak

4.4. In verband met de mislukte besnijdenis en later ook in het kader van een zo goed mogelijke reconstructie van de penis, heeft [verzoeker] vanaf jonge leeftijd reeds dertien medische ingrepen en operaties met daarbij behorende pijn en ongemak moeten ondergaan. Met name de reconstructieoperatie die hij in december 2014 heeft ondergaan, heeft hij als bijzonder pijnlijk en traumatisch ervaren. Ook in de toekomst staan hem nog de nodige (medische) ingrepen te wachten.

(ii) Uiterlijke en functionele beperkingen

4.5. Als gevolg van het letsel en de behandeling daarvan, is de vorm van de penis afwijkend en heeft deze lelijke littekens die ook pijnlijk zijn. Bovendien heeft het letsel ook geleid tot ernstige functionele beperkingen. Allereerst is plassen pijnlijk en er is sprake van een “sproeistraal” als gevolg waarvan hij zittend moet plassen en zichzelf regelmatig bevuilt. Ook heeft hij last van tussentijds urineverlies. Onvermijdelijk wordt hij daar iedere dag weer – en meerdere malen per dag – mee geconfronteerd. Verder heeft hij slaapproblemen waarvan voldoende aannemelijk is dat deze eveneens verband houden met het letsel.

4.6. [verzoeker] stelt dat hij geen erecties en ejaculaties heeft en dat er bij de begroting van de immateriële schade bovendien van uit moet worden gegaan dat er (ook in de toekomst) geen mogelijkheden voor hem zijn om kinderen te verwekken. Het Ziekenhuis stelt daarentegen dat ervan uit moet worden gegaan dat er, hoewel mogelijk niet op natuurlijke wijze, wel reproductieve mogelijkheden resteren. Het Ziekenhuis heeft zich daarbij bereid verklaard een voorbehoud te willen maken voor het geval in de toekomst zou blijken dat dit toch niet het geval zou zijn.

4.7. Uit de rapportage van de kinderuroloog komt niet duidelijk naar voren hoe het precies zit met de seksuele functie van de penis en de reproductieve mogelijkheden van [verzoeker] . Op basis van de – onweersproken – stelling van [verzoeker] dat hij geen erecties en zaadlozingen ervaart en plassen de enige functie van zijn penis is, zal de rechtbank daarvan uitgaan. Voor wat betreft de reproductieve mogelijkheden zal de rechtbank er (bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel) van uitgaan dat er nog reproductieve mogelijkheden – hoewel mogelijk niet op natuurlijke wijze – aanwezig zijn. De rechtbank gaat er verder van uit dat het Ziekenhuis de toezegging om op dit punt een voorbehoud te maken, gestand zal doen.

4.8. Evident is dat het letsel op seksueel vlak wel degelijk beperkingen met zich mee brengt/gaat brengen. [verzoeker] is nu 19 jaar oud. Zijn leeftijdsgenoten houden zich – juist in deze periode van hun leven – volop bezig met (het ontwikkelen van) hun seksualiteit en het aangaan van (vaste) relaties. Als gevolg van het letsel is [verzoeker] tot nu toe de kans ontnomen zich op seksueel vlak (normaal) te ontwikkelen en het is de vraag of dit in de toekomst nog zal verbeteren. Naar het oordeel van de rechtbank staat hoe dan ook vast dat het letsel heeft geleid tot blijvende verstoring in de beleving van zijn seksualiteit. Deze seksuele beperkingen brengen voor [verzoeker] ook onzekerheid mee over zijn mogelijkheden om in de toekomst een (intieme) relatie aan te gaan met een vrouw en eventueel een gezin te stichten; in zijn beleving is seks onmogelijk en een relatie uitgesloten. Voornoemde verstoringen en invoelbare onzekerheden op het gebied van intimiteit en het hebben van een relatie – naar het oordeel van de rechtbank belangrijke levensbehoeften van de mens – brengen voor [verzoeker] een bijzonder ernstige aantasting van zijn levensvreugde mee.

4.9. De rechtbank houdt bovendien rekening met de zeer jonge leeftijd waarop het letsel hem is toegebracht. Hij ervaart de gevolgen van dit letsel al zo lang als hij zich kan herinneren, hij wordt er dagelijks meerdere malen mee geconfronteerd en zal – beide partijen nemen dit in deze zaak tot uitgangspunt – dit de rest van zijn leven moeten blijven dragen.

(iii) Sociale en emotionele gevolgen

4.10. [verzoeker] schaamt zich voor zijn geslachtsdeel. Als gevolg daarvan wil hij ook pertinent niet dat anderen dan zijn directe familieleden te weten komen wat er met hem aan de hand is. Dit belemmert hem in het maken/hebben van vrienden en met name ook in de omgang met meisjes. Ook beoefent hij om die reden geen sport en heeft hij geen vakantiebaantjes (in verband met zijn langdurig en gecompliceerde toiletbezoek is hij bang dat mensen erachter komen wat er aan de hand is).

4.11. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende vast komen te staan dat de gevolgen van de mislukte besnijdenis eveneens een negatieve invloed hebben gehad op het verloop van zijn schoolcarrière. Als gevolg van de frequente medische ingrepen is hij veelvuldig afwezig geweest. Daarnaast hebben de schaamte voor zijn geslachtdeel, zijn grote focus op het geheim houden van zijn situatie en het feit dat hij daar – desondanks – toch mee is gepest, het verloop van zijn schoolcarrière evenmin goed gedaan. [verzoeker] beschikt op dit moment niet over een diploma.

4.12. Verder weegt de rechtbank mee dat – zoals de psychiater in zijn rapportage heeft vermeld – in de cultuur van de ouders van [verzoeker] intacte mannelijkheid een (nog) “veel grotere rol speelt dan in het Westen”. Daarnaast heeft het feit dat zijn ouders zelf nauwelijks in staat waren het lot van hun zoon te verwerken – zoals de psychiater opmerkt en de rechtbank ook ter zitting is gebleken – hem ongetwijfeld ook geen goed gedaan.

4.13. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat [verzoeker] ook op sociaal en emotioneel vlak ernstig lijdt onder de gevolgen van de mislukte besnijdenis. Het feit dat de psychiater in zijn rapportage tot de conclusie komt dat er bij [verzoeker] geen sprake is blijvend psychisch letsel (maar ook dat hij wél lijdt onder het gebeuren), doet daar niet aan af en is – zoals de psychiater ook aangeeft – ook volgens de rechtbank juist bewonderenswaardig.

Aard aansprakelijkheid en economische omstandigheden

4.14. Voor wat betreft de aard van de aansprakelijkheid gaat het in dit geval om aansprakelijkheid voor medisch handelen dat niet in overeenstemming was met de daarvoor geldende professionele standaard en waarvoor de behandelend huisarts is gewaarschuwd door het CTG. De behandelend huisarts en het Ziekenhuis – waar de besnijdenis heeft plaatsgevonden – zijn voor de door de mislukte besnijdenis veroorzaakte schade verzekerd bij [verweerster sub 2] . De omstandigheid dat de schade kan worden afgewenteld op [verweerster sub 2] als bedrijfsmatige risicodrager wordt meegewogen bij de begroting van de immateriële schade.

Concrete begroting

4.1.5 Volgens [verzoeker] dient het smartengeld te worden begroot naar de normen van nu, volgens het Ziekenhuis naar de normen van 2001. De mislukte besnijdenis heeft in 2001 plaatsgevonden. In beginsel ligt het dan in de rede het smartengeld te begroten naar de normen van destijds. In deze zaak was de omvang van de immateriële schade op dat moment echter op geen enkele manier in te schatten. Het was toen immers volstrekt ongewis hoe één en ander zich bij [verzoeker] fysiek en emotioneel zou gaan ontwikkelen. Omdat hierover nu veel meer duidelijkheid is verkregen, kan daar bij de begroting van het smartengeld rekening mee worden gehouden. Het is inmiddels immers bekend wat in de tussenliggende periode op dit vlak heeft plaatsgevonden en wat de toekomst betreft zijn partijen het erover eens dat ervan mag worden uitgegaan dat geen verbetering in de situatie optreedt. Onder deze omstandigheden ligt het dan meer voor de hand om het smartengeld naar de huidige normen te begroten. Daarbij moet uiteraard wel rekening worden gehouden met hetgeen al aan [verzoeker] is betaald, waarop hierna nog zal worden teruggekomen.

4.1.5 [verzoeker] heeft verder uitgebreid onderbouwd dat er al ruim tien jaar volgens hem terechte kritiek wordt geleverd op de stagnering (en zelfs achteruitgang) van in Nederland toegewezen smartengeldbedragen. Volgens hem is het noodzakelijk dat er daadwerkelijk werk wordt gemaakt van het fundamenteel ophogen van het smartengeldniveau.
De rechtbank is met deze discussie in de literatuur bekend. De rechtbank zal bij de begroting van dit bedrag in aanmerking nemen dat het smartengeldniveau in Nederland de afgelopen decennia (ook ten opzichte van de ons omringende landen) is gestagneerd. De rechtbank deelt de algemene opinie – zoals die ook in de literatuur veelvuldig naar voren komt – dat een verhoging van het smartengeldniveau in Nederland wenselijk is.

4.16. De rechtbank heeft onderzocht of zij door middel van gevalsvergelijking met behulp van de Smartengeldgids 2018 tot een concrete begroting van het aan [verzoeker] toekomende smartengeld zou kunnen komen. Bij afwezigheid van (enigszins) vergelijkbare gevallen, bleek dit niet goed mogelijk. Ook uit de tussen partijen gevoerde discussie over in het buitenland in “soortgelijke gevallen” toegekende bedragen, heeft de rechtbank geen bruikbare aanknopingspunten kunnen destilleren.

4.17. Gelet op alle voornoemde specifieke omstandigheden van dit concrete en uitzonderlijke geval, begroot de rechtbank – uitgaande van de (hypothetische) situatie dat er geen verbetering meer optreedt in de (medische) situatie van [verzoeker] – de door hem geleden immateriële schade op een bedrag van € 110.000,00.

4.18. Op dit bedrag van € 110.000,00 aan (totale) immateriële schade dient het reeds door het Ziekenhuis betaalde smartengeld (geïndexeerd) in mindering te komen. Het Ziekenhuis stelt dat er in totaal een bedrag van € 35.450,00 aan smartengeld is betaald. [verzoeker] erkent dat er (op 24 december 2002) een bedrag van € 25.000,00 en (op 18 en 30 mei 2017) een bedrag van (afgerond) € 3.500,00 aan smartengeld is uitgekeerd. Ten aanzien van het resterende bedrag van € 7.450,00 betwist hij dat dit smartengeld betreft. Nu het Ziekenhuis heeft nagelaten schriftelijke stukken over te leggen waaruit blijkt dat dit resterende bedrag van € 7.450,00 daadwerkelijk als smartengeld is betaald, heeft het de juistheid van zijn stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd. De rechtbank houdt het ervoor dat het Ziekenhuis tot op heden een bedrag van in totaal € 28.500,00 aan smartengeld heeft betaald.

4.19. Alvorens het reeds betaalde smartengeld van € 28.500,00 op het totaal aan immateriële schadevergoeding in mindering kan worden gebracht, dient dit bedrag naar het oordeel van de rechtbank te worden geïndexeerd. Ten aanzien van het op 24 december 2002 betaalde bedrag van € 25.000,00 zoekt de rechtbank daarvoor aansluiting bij nummer 567 van de Smartengeldgids 2018 waarin een op 27 september 2002 toegewezen smartengeld van € 27.227,00 geïndexeerd neerkomt op een bedrag van € 34.304,00. Toegepast op het bedrag van € 25.000,00 komt dit neer op een bedrag van (afgerond) € 31.500,00. De indexering van het in mei 2017 betaalde (relatief geringe) bedrag van € 3.500,00 zal de rechtbank om pragmatische redenen achterwege laten. Dit betekent dat er – na indexatie – als reeds betaald smartengeld een bedrag van € 35.000,00 op het totale smartengeld van € 110.000,00 in mindering dient te worden gebracht. Er komt dus nog een bedrag van € 75.000,00 aan immateriële schadevergoeding voor toewijzing in aanmerking.

Kosten deelgeschil

4.20. Met betrekking tot de kosten van deze deelgeschilprocedure overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 1019aa lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient de deelgeschilrechter de kosten bij de behandeling van het verzoek te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet kan worden toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren: zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat als een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.21. [verzoeker] maakt aanspraak op een totaalbedrag van € 8.635,33 aan kosten voor dit deelgeschil, nog te vermeerderen met de door hem verschuldigde griffierechten. In het verzoekschrift staat dat de lopende kosten van € 2.856,99 als volgt zijn berekend: 9:54 uren x een uurtarief van € 225,00 exclusief 6% kantoorkosten en 21% btw. In aanvulling daarop is daarnaast bij brief van 13 juli 2018 over de periode van 13 januari 2018 tot en met 12 juli 2018 aanspraak gemaakt op € 4.213,34 (14:36 uren x een uurtarief van € 270,00 exclusief 6% kantoorkosten en 21% btw. Het Ziekenhuis heeft geen verweer gevoerd tegen het gehanteerde uurtarief, maar stelt zich op het standpunt dat het aantal genoteerde uren voor het opstellen van het verzoekschrift (8,3 uur) buitenproportioneel is voor een verzoekschrift dat deels gelijkluidend is aan een namens [verzoeker] ingediend verzoekschrift in een eerder deelgeschil.

4.22. De rechtbank oordeelt dat een billijke vergoeding van de kosten van dit deelgeschil het oorspronkelijke door [verzoeker] verzochte bedrag van € 2.856,99 is. De rechtbank neemt in deze begroting mee, zoals het Ziekenhuis heeft aangevoerd, dat daarmee – mede gelet op de deels gelijkluidende inhoud van het verzoekschrift in het eerdere deelgeschil – in voldoende mate wordt tegemoet gekomen aan het werk van de advocaat van [verzoeker] .

4.23. Het ziekenhuis zal voorts worden veroordeeld het door [verzoeker] betaalde griffierecht te betalen. Aan [verzoeker] is een bedrag van griffierechten in rekening gebracht van € 1.565,00. Aan hem is weliswaar een toevoeging verleend op grond waarvan een griffierecht van € 78,00 zou zijn gerekend, maar omdat hij van die toevoegingsaanvraag geen mededeling heeft gedaan bij het indienen van het verzoekschrift is het hogere griffierecht vastgesteld. Dit hoeft niet voor rekening van het Ziekenhuis te komen, om welke reden de rechtbank het Ziekenhuis zal veroordelen in verband met het griffierecht € 78,00 aan [verzoeker] te betalen.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1. verklaart voor recht dat het Ziekenhuis en [verweerster sub 2] gehouden zijn aan [verzoeker] een smartengeld te betalen van in totaal € 110.000,00, te verminderen met het reeds betaalde (en geïndexeerde) bedrag van € 35.000,00,

5.2. veroordeelt het Ziekenhuis en [verweerster sub 2] om aan [verzoeker] € 2.856,99 aan kosten van het deelgeschil te betalen, te vermeerderen met € 78,00 (griffierecht),

5.3. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Krepel, mr. A.S. Penders en mr. mr. A. WilkenA. Wilken en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2018.1 1
type: HH (4182) coll:

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots