Rb, deelgeschil: busbestuurder kon aanrijding met voetganger niet voorkomen

Samenvatting:

De bus reed in het midden van de weg op een busbaan. Verzoekster liep in dezelfde richting op een stukje “niemandsland” met steentjes, gras en mos naar een verhoogde halte, met iets verderop een zebrapad. Een andere bus kwam tegemoet. Vlak voordat verzoekster de halte bereikte, is zij zonder om te kijken de busbaan opgerend. De bus was toen zo’n 5 meter achter haar. De bestuurder heeft nog iets uitgestuurd naar links en heeft hard geremd, maar kon verzoekster niet meer ontwijken. Een passagier verklaarde dat hij verzoekster met haar mobiel in haar handen zag oversteken. Naar het oordeel van de rechtbank is Connexxion erin geslaagd overmacht te bewijzen. De bus reed met een gepaste snelheid van ongeveer 20 tot 25 kilometer per uur. Voor de bestuurder bestond geen aanleiding om zijn snelheid te verminderen. Hij had niet verder naar links kunnen rijden en hoeft niet te toeteren voor elke voetganger.

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-01-2019
Datum publicatie 18-01-2019
Zaaknummer C/09/560997 / HA RK 18-497
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Rekestprocedure
Inhoudsindicatie
Deelgeschil. Aanrijding tussen voetganger en bus. Geen aansprakelijkheid busmaatschappij i.v.m. overmacht aan de zijde van buschauffeur.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak
Uitspraak

beschikking
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/560997 / HA RK 18-497

Beschikking van 10 januari 2019

in de zaak van

[verzoekster] te [plaats] ,
verzoekster,
advocaat mr. A. van Dorp te Alphen aan den Rijn,

tegen

1 CONNEXXION HAAGLANDEN B.V. te Zoetermeer,

2. AIG EUROPE S.A. te Capelle aan den IJssel,
verweersters,
advocaat mr. L.A. Godwaldt te Amsterdam.

Verzoekster wordt hierna “ [verzoekster] ” genoemd. Verweersters worden gezamenlijk aangeduid als “Connexxion c.s.”, of afzonderlijk als Connexxion en AIG.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het verzoekschrift van 4 oktober 2018 met producties 1 t/m 8;
– het verweerschrift van 29 november 2018 met producties 1 en 2.

1.2. Op 30 oktober 2018 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen: verzoekster, vergezeld van haar maatschappelijk begeleidster en bijgestaan door mr. Van Dorp, en namens Connexxion de heer [A] , bijgestaan door mr. Godwaldt.

1.3. Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1. Op 10 april 2017 rond 13.15 uur heeft op de Westlandseweg in Delft een verkeersongeval plaatsgevonden. Daarbij is [verzoekster] , als voetganger, aangereden door een bus van Connexxion.

2.2. De Westlandseweg is (in ieder geval ter hoogte van de plaats waar het ongeval plaatsvond) een weg met aan twee zijden meerdere rijstroken. In het midden is een bus- en trambaan. Tussen de rijstroken en de bus-/trambaan is een stukje “niemandsland” met steentjes, gras en mos. Ter hoogte van de plaats waar de bussen en trams stoppen, is een verhoogde halte. Iets voorbij de bus-/tramhalte zijn verkeerslichten met een zebrapad. Dat is de geëigende weg voor voetgangers om de rijstroken en bus-/trambaan over de steken.

Bijgaande foto geeft een beeld van de situatie ter plaatse, bezien vanuit de looprichting van [verzoekster] en de rijrichting van de bus.

2.3. Voorafgaand aan het ongeluk liep [verzoekster] over het stukje “niemandsland” in de richting van de bus-/tramhalte Krakeelpolderweg. De bus, bestuurd door chauffeur [A] , reed in dezelfde richting. Vlak voordat [verzoekster] de verhoogde bus-/tramhalte bereikte, is zij zonder om te kijken de bus-/trambaan opgerend. De bus was toen zo’n 5 meter achter haar. [A] heeft nog iets uitgestuurd naar links en heeft hard geremd, maar kon [verzoekster] niet meer ontwijken en heeft haar aangereden.

2.4. Buschauffeur [A] heeft tegenover de politie het volgende verklaard:

“Om 12:30 uur heb ik een rit naar de TU wijk gereden en hierna de buslijn 32 van Delft naar Naaldwijk. Deze laatste route begint aan station Delft waar ik om 13:13 uur vertrok. Omstreeks 13:15 uur naderde ik de halte Krakeelpolderweg. Ik reed ongeveer 20 tot 25 kilometer per uur. Ik zag nog voor het perron over de steentjes die daar liggen en in dezelfde richting als waar ik heen reed een vouw lopen. De vrouw liep dus met haar rug naar mij toe. Ik heb de vrouw niet zien omkijken. […] Ik zag dat de vrouw, toen ik nog geen 5 meter achter haar reed, plotseling haar lichaam draaide en in een hoek van 45 graden versneld de weg overstak. Ik vermoed dat ze de bus welke [mij] tegemoet kwam probeerde te halen. Toen ging alles heel snel. Volgens mij had ik niet eens meer de tijd om te remmen en ik stuurde nog iets naar links uit. Ik hoorde een harde klap. Ik realiseerde mij dat ik de vrouw had aangereden (…).”

2.5. Buschauffeur [B] , die [A] op het moment van het ongeval tegemoet kwam rijden bij de halte Krakeelpolderweg, heeft tegenover de politie de volgende verklaring afgelegd:

“Ik zag dat de bus tegenovergesteld van mij ongeveer 20 km/p.u. reed. Ik zag dat hij snelheid minderde omdat hij een halte naderde. Ik zag dat de bus tegenovergesteld van mij een aanrijding had met een vrouw. Ik zag de vrouw niet aankomen lopen. Ik zag alleen het moment dat de bus de vrouw raakte. Ik zag dat de bus met de rechter voorkant de linkerflank van de vrouw raakte. Ik zag dat de vrouw vervolgens naar achter werd geslingerd en op de grond terecht kwam.”

2.6. De belangenbehartiger van [verzoekster] heeft vier buspassagiers aangeschreven met het verzoek hun herinneringen aan het ongeval op papier te zetten. Passagier [X] heeft naar aanleiding van de hem gestelde vragen het volgende opgeschreven:

“5. Wilt u hieronder zo nauwkeurig mogelijk vermelden wat u precies hebt waargenomen?
Ik zat aan de rechterkant in de bus, dus ik zag de vrouw met haar mobiel in haar handen oversteken.

6. Wie is naar uw mening aansprakelijk voor de gevolgen van het voorval? Waarom bent u die mening toegedaan?
De vrouw die overstak omdat ze overstak op een plek waar dat niet mag en ze alleen op haar mobiel keek.”

2.7. De overige drie aangeschreven passagiers hebben het ongeval niet zien gebeuren. Zij hebben allen (ieder in hun eigen woorden) opgeschreven dat zij hebben gemerkt dat de buschauffeur plotseling hard remde, waarna een harde klap volgde.

2.8. [verzoekster] heeft na het ongeval drie weken in een kunstmatige coma gelegen en heeft vervolgens een lang revalidatietraject doorlopen. Zij heeft volgens haar revalidatiearts nog altijd last van geheugenstoornissen, concentratieproblemen en een “korter lontje” dan voorheen. Ook lijdt zij regelmatig aan hoofdpijn.

2.9. [verzoekster] heeft Connexxion c.s. aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. Connexxion c.s. heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Het deelgeschil

3.1. [verzoekster] verzoekt de rechtbank, bij wijze van deelgeschil op de voet van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv):
– i) te verklaren voor recht dat Connexxion c.s. aansprakelijk is jegens [verzoekster] voor de door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval;
– ii) de kosten van het deelgeschil te begroten op een bedrag van € 6.336,04 en Connexxion c.s. te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder deze kosten en het griffierecht.

3.2. [verzoekster] voert daartoe aan dat Connexxion op grond van artikel 185 lid 1 WVW verzekeraar AIG op grond van de artikelen 3 en 6 Wam aansprakelijk is voor de schade die zij lijdt als gevolg van het ongeval.

3.3. Connexxion c.s. voert verweer. Zij heeft het standpunt ingenomen dat zij niet aansprakelijk is voor de schade van [verzoekster] , omdat er bij het ongeval sprake is geweest van overmacht aan de zijde van buschauffeur [A] .

3.4. Op de standpunten van partijen zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

4 De beoordeling
De deelgeschilprocedure

4.1. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. Partijen twisten – kort gezegd – over de vraag of Connexxion c.s. aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [verzoekster] is overkomen. Met partijen is de rechtbank van oordeel dat een uitspraak van de rechtbank daarover de impasse waarin partijen zijn geraakt, kan doorbreken. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.

Aansprakelijkheid van Connexxion c.s.

4.2. Het gaat hier om een ongeval tussen een voetganger en een bus. Voor deze situatie is in beginsel artikel 185 Wegenverkeerswet (WVW) geschreven. Dit artikel bepaalt dat, wanneer een motorrijtuig dat op de weg rijdt betrokken is bij een verkeersongeval, waardoor schade wordt toegebracht aan een niet door dat motorrijtuig vervoerd persoon, de eigenaar van het motorrijtuig verplicht is om die schade te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht. Met andere woorden: Connexxion c.s. is aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval, tenzij zij aannemelijk maakt dat er sprake is geweest van overmacht aan de zijde van buschauffeur [A] .

4.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een beroep op overmacht zoals bedoeld in artikel 185 WVW alleen slagen als buschauffeur [A] geen enkel verwijt gemaakt kan worden over (kort gezegd) zijn rijgedrag. Daarbij geldt dat hij ook rekening moest houden met eventuele fouten van andere weggebruikers, waaronder [verzoekster] zelf. Het is immers een ervaringsregel dat niet iedere weggebruiker zich altijd aan de regels houdt, en daarmee moet de bestuurder van een motorvoertuig rekening mee houden bij het bepalen van zijn rijgedrag. Verkeersfouten van [verzoekster] zijn daarom alleen van belang wanneer die fouten voor [A] zó onwaarschijnlijk waren, dat hij daarmee geen rekening hoefde te houden (HR 22 mei 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0616 en HR 4 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2155). Het is daarom aan Connexxion c.s. om de feiten te stellen en aannemelijk te maken waaruit blijkt dat het ongeval is te wijten aan overmacht.

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank is Connexxion c.s. daarin geslaagd. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van de volgende feiten en omstandigheden, die tussen partijen (niet langer) ter discussie staan:

[A] reed vlak voorafgaand aan het ongeval met een snelheid van ongeveer 20 tot 25 kilometer per uur;
[verzoekster] liep al enige tijd rechtdoor, in dezelfde richting als waarin de bus reed;
Toen [verzoekster] bijna bij de verhoging van de bus-/tramhalte was aangekomen, veranderde zij plotseling, zonder om te kijken, van richting en rende zij – op een plaats waar dat niet is toegestaan – de busbaan op;
De bus was toen ongeveer 5 meter achter [verzoekster] ;
[A] heeft nog geprobeerd een ongeval te voorkomen door uit te wijken naar links en hard te remmen;
Op het moment waarop [verzoekster] en [A] de bus-/tramhalte naderden, kwam er hen een bus tegemoet.

4.5. De rechtbank is – anders dan [verzoekster] – van oordeel dat [A] reed met een gepaste snelheid. Connexxion c.s. heeft er in dit verband op gewezen dat in veel woonwijken, waarin jonge kinderen spelen, een snelheid van 30 kilometer per uur passend wordt gevonden, terwijl [A] langzamer reed. Connexxion c.s. heeft bovendien terecht aangevoerd dat er bij en rondom bushaltes altijd mensen staan en lopen, en dat het ondoenlijk is wanneer een bus rondom iedere halte stapvoets moet rijden.

4.6. Dit spreekt te meer nu [verzoekster] al een tijdje in de richting van de bus mee liep. [A] mocht er dan ook rekening mee houden dat [verzoekster] onderweg was naar de bus-/tramhalte aan “zijn” kant van de weg. Dat zou wellicht anders zijn geweest als [verzoekster] net de weg zou zijn overgestoken of als zij “zwalkend” of aarzelend liep. Dat was niet het geval: [verzoekster] liep vanaf het moment waarop [A] haar zag, in een rechte lijn op de bushalte af. Om die reden bestond er voor [A] geen aanleiding te vermoeden dat [verzoekster] plotseling, op het moment waarop hij vlak achter haar was, zonder om te kijken de busbaan op zou rennen. Om die reden bestond er voor [A] geen aanleiding om zijn snelheid te verminderen in verband met de aanwezigheid van [verzoekster] .

4.7. [verzoekster] heeft verder nog betoogd dat [A] , zodra hij [verzoekster] zag, meer links had moeten gaan rijden. De rechtbank vindt dit verwijt onterecht. Nog afgezien van het feit dat [A] , zoals de rechtbank hiervoor overwoog, ervan uit mocht gaan dat [verzoekster] onderweg was naar de halte aan “zijn” kant van de weg, staat vast dat er op het moment van het ongeval een tegemoetkomende bus was. Nu de bus-/trambanen liggen tussen verhoogde bus-/tramhaltes, bestond er voor [A] geen mogelijkheid uit te wijken zonder de tegemoetkomende bus in de problemen te brengen. Ook gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van [verzoekster] dat [A] had moeten toeteren. In feite deed [A] niets anders dan een voetganger, die ogenschijnlijk in dezelfde richting liep, op betrekkelijk korte afstand passeren. In druk stadsverkeer kan toch moeilijk van bestuurders van motorrijtuigen worden verwacht dat zij standaard toeteren naar alle “zwakkere” verkeersdeelnemers die zij inhalen.

4.8. Ook de handelwijze van [A] in reactie op de plotselinge, onverwachte manoeuvre van [verzoekster] was passend. Hij is uitgeweken en heeft krachtig geremd. Helaas heeft [A] daarmee het ongeval niet kunnen afwenden. De rechtbank ziet echter niet in wat [A] anders of méér had moeten doen om het ongeval te voorkomen.

4.9. In het licht van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat [A] geen verwijt gemaakt kan worden van het ontstaan van het ongeval. Hij hoefde er geen rekening mee te houden dat [verzoekster] , op het moment waarop zij bijna bij de bushalte was, plotseling en zonder om te kijken de busbaan op zou rennen, terwijl dat op die plaats niet was toegestaan en de bus maar vijf meter achter haar reed. [A] had niet anders kunnen handelen dan hij heeft gedaan, om het ongeval te voorkomen. Dit betekent dat het beroep van Connexxion c.s. op overmacht slaagt en dat het verzoek van [verzoekster] zal worden afgewezen. Hoe ingrijpend de gevolgen van het ongeval van [verzoekster] ook zijn, zij kan haar schade niet op Connexxion c.s. verhalen.

Kosten deelgeschil

4.10. Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter de kosten van de deelgeschilprocedure aan de zijde van de benadeelde begroot, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking worden genomen. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Begroting kan alleen achterwege blijven, als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, zodat de rechtbank de kosten die [verzoekster] voor deze procedure heeft gemaakt, zal begroten.

4.11. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de zogenaamde “dubbele redelijkheidstoets” hanteren; zowel het inroepen van rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moet redelijk zijn.

4.12. [verzoekster] heeft haar kosten becijferd op € 6.336,04 (20 uur à € 247 per uur, te vermeerderen met 6% aan kantoorkosten en 21% aan BTW). Connexxion c.s. heeft als verweer gevoerd dat het aantal bestede uren bovenmatig is.

4.13. Met Connexxion c.s. is de rechtbank van oordeel dat deze zaak niet zodanig complex is, dat dit een tijdsbesteding van 20 uur rechtvaardigt. Dit geldt te meer gelet op het aan [verzoekster] in rekening gebrachte (specialisatie)tarief. De rechtbank vindt in dit geval een tijdsbesteding van 15 uur redelijk. Zij neemt daarbij in aanmerking dat sprake is van een niet bijzonder complexe zaak die wordt behandeld door een ervaren advocaat, maar waarbij – zoals ook ter zitting is gebleken – de communicatie met [verzoekster] soms moeizaam verloopt. Uitgaande van het gerekende tarief van € 247 (exclusief BTW) en het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 291, begroot de rechtbank de kosten van dit deelgeschil op € 4.774,05. De rechtbank heeft daarbij geen rekening gehouden met de door [verzoekster] genoemde kantoorkosten, nu deze naar het oordeel van de rechtbank geacht worden te zijn verdisconteerd in het genoemde uurtarief.

4.14. Omdat de aansprakelijkheid van Connexxion c.s. niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten alleen begroten en Connexxion c.s. niet veroordelen tot betaling daarvan. Het begrote bedrag hoeft alleen door Connexxion c.s. te worden betaald, als haar aansprakelijkheid alsnog komt vast te staan.

5 De beslissing
De rechtbank

5.1. begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 4.774,05,

5.2. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Brandt en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2019.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots