Rb: brandstichting geen reden tot matiging

Samenvatting:

Op grond van art. 6:109 BW kan de rechter schadevergoeding matigen als volledige vergoeding tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. De financiële situatie van gedaagden en hun financiële toekomstperspectief geven de rechtbank geen aanleiding tot matiging te besluiten. Er was sprake van opzettelijke brandstichting waarvoor gedaagden strafrechtelijk zijn veroordeeld. Geen van beiden was ontoerekeningsvatbaar, zodat er vanuit moet worden gegaan dat zij zich beiden realiseerden dat zij door het stichten van brand grote schade konden veroorzaken. Dat zij tot in lengte van jaren de financiële gevolgen van hun daad moeten dragen is inherent aan hun daad.

Instantie Rechtbank Overijssel
datum uitspraak 12-09-2018
datum publicatie 02-10-2018
Zaaknummer C/08/205262 / HA ZA 17-338
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie artikel 6:109 BW, beroep matiging afgewezen, brandstichting door minderjarigen.

vonnis
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/205262 / HA ZA 17-338

Vonnis van 12 september 2018

in de zaak van

1. naamloze vennootschap
UNIVÉ SCHADE REGIO + BRANDVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Heerhugowaard,
hierna te noemen: Univé,
2. naamloze vennootschap
DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: Delta Lloyd,
eiseressen,
gezamenlijk ook te noemen: de verzekeraars,
advocaat mr. H. Dontje te Emmen,

tegen

1. de stichting
STICHTING ZEKERE BASIS,
gevestigd te Enschede,
hierna te noemen: de stichting,
gedaagde,
advocaat mr. M.G. Kos te Utrecht,
2. [Gedaagde 2],
in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige zoon [Z] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
3. [Gedaagde 3],
in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige zoon [Z] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
gedaagden 2 en 3 gezamenlijk te noemen: de ouders van [Z] ,
advocaat mr. E.H. Bakker te Utrecht,
4. [gedaage 4],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaage 4] ,
gedaagde,
advocaat mr. J. Keupink te Hengelo (O).

1 Het verdere verloop van de procedure
1.1. De rechtbank verwijst voor het procesverloop tot dan toe naar haar tussenvonnis van 23 mei 2018. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
– de akte van de zijde van de verzekeraars van 20 juni 2018
– de akte van de zijde van de ouders van [Z] .
1.2. Vervolgens is vonnis bepaald.

2 Het geschil, de beslissing en de motivering daarvan
2.1. De rechtbank neemt hier over hetgeen in het tussenvonnis van 23 mei 2018 is overwogen en beslist.

de aansprakelijkheid van [gedaage 4] en [Z]

2.2. Zoals reeds overwogen heeft [gedaage 4] geen verweer gevoerd en staat daarmee zijn aansprakelijkheid als onbetwist vast. Ten aanzien van [Z] heeft de rechtbank op de in het tussenvonnis van 23 mei 2018 vermelde gronden geoordeeld dat hij met [gedaage 4] hoofdelijk aansprakelijk is voor de in dit geding aan de orde zijnde schade.

de aansprakelijkheid van de stichting

2.3. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 23 mei 2018 de vraag of de stichting ter zake van de brandstichting van [gedaage 4] en [Z] aansprakelijk is ontkennend beant-woord en geoordeeld dat de vordering van de verzekeraars tegen de stichting moet worden afgewezen.

de schade

2.4. De verzekeraars hebben, onder verwijzing naar de rapportages van KakesWaal B.V. van 25 november 2016 en Vanderwal & Joosten B.V. van 1 november 2016, gesteld dat de door Univé te vergoeden schade is vastgesteld op € 437.490,27 (ex expertisekosten ad € 4.416,50 en buitengerechtelijke kosten ad € 1.500,-) en de door Delta Lloyd te vergoeden schade op € 249.466,- (ex expertisekosten ad € 7.875,56). De rechtbank heeft in het tussen-vonnis van 23 mei 2018 de verzekeraars in de gelegenheid gesteld bij akte de omvang van de door hen vergoede schade van een nadere onderbouwing te voorzien.

2.5. De verzekeraars hebben bij akte van 20 juni 2018 excelsheets overgelegd, waarin de diverse te vergoeden posten zijn benoemd met daarbij het te vergoeden bedrag, alsmede enkele facturen. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeraars de omvang van de door hen vergoede schade voldoende hebben onderbouwd en overweegt daartoe als volgt.

2.6. Er is in dit geval sprake van subrogatie. Op grond van artikel 7:962, eerste lid BW gaan, indien de verzekerde ter zake van door hem geleden schade anders dan uit verzekering vorderingen tot schadevergoeding op derden heeft, die vorderingen bij wijze van subrogatie over op de verzekeraar voor zover deze, al dan niet verplicht, die schade vergoedt.

Hier zijn de vorderingen tot schadevergoeding van [X] Bouw B.V., mevrouw [A] en de heer [B] jegens [gedaage 4] en [Z] overgegaan op de verzekeraars voor zover de verzekeraars hun schade, al dan niet verplicht, hebben vergoed. Het staat vast dat Univé ter zake van de brandstichting schadevergoeding heeft uitgekeerd aan mevrouw [A] en de heer [B] en dat Delta Lloyd ter zake schadevergoeding heeft uitgekeerd aan [X] Bouw B.V. Of de verzekeraars op grond van de verzekeringsovereenkomst verplicht waren die schade te vergoeden, doet niet ter zake, nu artikel 7:962 BW spreekt van schade die al dan niet verplicht is vergoed. Op grond hiervan dienen de verweren van de ouders van [Z] dat de begroting van de schade van mevrouw [A] en de heer [B] ten onrechte is gebaseerd op nieuwbouw van een casco-woning in plaats van herbouwwaarde en dat er met betrekking tot de kosten van asbestsanering geen sprake is van een causaal verband, te worden verworpen.
Wat betreft de onderbouwing van de omvang van de vergoede schade geldt dat, mede gelet op het feit dat het gaat om schade die is veroorzaakt door opzettelijke brandstichting en dat ook subrogatie plaatsvindt ter zake van schade die de verzekeraar onverplicht heeft vergoed, daaraan geen al te hoge eisen worden gesteld. De verzekeraars hebben door middel van overlegging van de rapportages van KakesWaal B.V. en Vanderwal & Joosten B.V., van facturen en van excelsheets met daarop benoemd de te vergoeden posten met het daarmee corresponderende bedrag, de schadeopstelling onderbouwd. Tegenover deze gemotiveerde, zij het globaal gespecificeerde opstelling hebben de ouders van [Z] geen feiten en omstandigheden aangevoerd dan wel een alternatieve schadebegroting gepresenteerd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de schadeopstelling (bijvoorbeeld wegens dubbeltellingen) te hoog zou zijn. Wat betreft de gestelde mogelijke dubbeltellingen verwijst de rechtbank nog naar het rapport van KakesWaal B.V. van 25 november 2016, waarin op pagina 4 staat vermeld dat er intensief overleg is geweest met Vanderwal & Joosten B.V. en dat daarbij overlappingen tussen de claims van [X] Bouw B.V. ener-zijds en mevrouw [A] en de heer [B] anderzijds zijn uitgefilterd. Aldus hebben de ouders van [Z] de door de verzekeraars gestelde schade onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat deze voldoende aannemelijk is geworden.

2.7. De rechtbank verwerpt het betoog van de ouders van [Z] dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelden. Zij hebben onvoldoende onderbouwd welke (realistische) maatregelen de benadeelden, anders dan het plaatsen van bouwhekken, hadden moeten treffen om de brandstichting te voorkomen. Daarbij is van belang dat [gedaage 4] en [Z] zich ook door de bouwhekken niet hebben laten weerhouden van het betreden van de woning en het stichten van brand. Evenmin is onderbouwd dat het doen van aangifte van eerdere (pogingen tot) brandstichting de brandstichting in de nacht van
22 op 23 juni 2016 had kunnen voorkomen.

2.8. Wat Delta Lloyd betreft is voldoende onderbouwd dat aan [X] Bouw B.V. ter zake van de schade als gevolg van de brandstichting € 240.716,- is uitgekeerd. Delta Lloyd heeft op grond van artikel 7:692 BW een eigen aanspraak op [gedaage 4] en [Z] gekregen. Daarmee kunnen de expertisekosten, die zijn gemaakt om vast te stellen tot welk bedrag aan schadevergoeding Delta Lloyd op grond van de verzekeringsovereenkomst was gehouden te voldoen aan [X] Bouw B.V. en die anders door [X] Bouw B.V. zelf hadden moeten worden gemaakt, (tevens) worden aangemerkt als kosten ter vaststelling van schade als bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder b. BW. Ook deze kosten ten bedrage van € 7.875,56, waarvan de redelijkheid niet is betwist, kunnen dus op [gedaage 4] en [Z] verhaald worden.
2.9. Wat Univé betreft is voldoende onderbouwd dat aan mevrouw [A] en de heer [B] ter zake van de schade als gevolg van de brandstichting € 437.490,27 is/wordt uitgekeerd, nu de gehoudenheid tot betaling daarvan vaststaat (ongeacht of het bedrag al volledig betaald is). Univé heeft op grond van artikel 7:692 BW een eigen aanspraak op [gedaage 4] en [Z] gekregen. Daarmee kunnen de expertisekosten, die zijn gemaakt om vast te stellen tot welk bedrag aan schadevergoeding Univé op grond van de verzeke-ringsovereenkomst was gehouden te voldoen aan mevrouw [A] en de heer [B] , en de (niet gemotiveerd betwiste) buitengerechtelijke kosten, welke expertisekosten en buitengerechtelijke kosten anders door mevrouw [A] en de heer [B] zelf hadden moeten worden gemaakt, (tevens) worden aangemerkt als redelijke kosten ter vaststelling van schade als bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder b. BW en als redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte als bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder c. BW. Ook deze kosten ten bedrage van € 4.416,50 en € 1.500,- kunnen dus op [gedaage 4] en [Z] verhaald worden.

matiging

2.10. De ouders hebben onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 6:109 BW een beroep gedaan op matiging van de schadevergoeding. Ingevolge dit artikel kan de rechter, indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden, een wettelijke verplichting tot schadevergoeding matigen. Dit criterium noopt de rechter tot een grote mate van terughoudendheid.
In dit geval is sprake geweest van opzettelijke brandstichting. [gedaage 4] en [Z] zijn beiden ter zake strafrechtelijk veroordeeld. Geen van beiden was ontoerekeningsvatbaar, zodat er vanuit moet worden gegaan dat zij zich beiden realiseerden dat zij door het stichten van brand grote schade konden veroorzaken. De aard van de aansprakelijkheid geeft dan ook geenszins aanleiding tot matiging. De financiële situatie van [gedaage 4] en [Z] en hun financiële toekomstperspectief geven de rechtbank geen aanleiding alsnog tot matiging te besluiten. Dat zij daardoor tot in lengte van jaren de financiële gevolgen van hun daad moeten dragen, is inherent aan hun daad.

slotsom

2.11. De rechtbank zal op grond van het vorengaande [gedaage 4] en [Z] hoofdelijk veroordelen tot betaling aan Univé van € 443.406,77, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 151.746,59 (dat is € 145.830,09 en € 4.416,50 en € 1.500,-) vanaf de dag der dagvaarding (20 juli 2017) en de wettelijke rente over € 291.660,18 vanaf heden, alsmede en tot betaling aan Delta Lloyd van € 248.591,56, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag der dagvaarding (20 juli 2017). Zoals reeds in het tussenvonnis van
23 mei 2018 overwogen, zal de vordering van de verzekeraars jegens de stichting worden afgewezen.

2.12. Als de in het ongelijk gestelde partijen zullen [gedaage 4] en [Z] hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van de verzekeraars begroot op € 3.894,- aan griffierecht, € 250,76 aan explootkosten en € 9.297,- aan salaris van hun advocaat (3 punten x tarief VII (€ 3.099,- per punt).

2.13. Als de in het ongelijk gestelde partijen zullen de verzekeraars worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van de stichting begroot op € 3.894,- aan griffie-recht en € 7.747,50 aan salaris van haar advocaat (2,5 punt x tarief VII (€ 3.099,- per punt), bij niet betaling binnen veertien dagen na heden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag tot de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met de nakosten ad € 131,- dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, € 199,-.

3 De beslissing
De rechtbank

3.1. veroordeelt [gedaage 4] en [Z] hoofdelijk, des dat de een betaald heeft de ander in zoverre zal zijn bevrijd, tot betaling aan Univé van € 443.406,77, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 151.746,59 vanaf 20 juli 2017 en de wettelijke rente over
€ 291.660,18 vanaf 12 september 2018, zulks telkens tot de dag der algehele voldoening;

3.2. veroordeelt [gedaage 4] en [Z] hoofdelijk, des dat de een betaald heeft de ander in zoverre zal zijn bevrijd, tot betaling aan Delta Lloyd van € 248.591,56, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 juli 2017 tot de dag der algehele voldoening;

3.3. veroordeelt [gedaage 4] en [Z] hoofdelijk, des dat de een betaald heeft de ander in zoverre zal zijn bevrijd, in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van de verzekeraars begroot op € 3.894, wegens griffierecht, € 250,76 aan exploot-kosten en € 9.297,- aan salaris van hun advocaat;

3.4. veroordeelt de verzekeraars in de kosten van het geding, aan de zijde van de stichting begroot op € 3.894,- aan griffierecht en € 7.747,50 aan salaris van haar advocaat, bij niet betaling binnen veertien dagen na heden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag tot de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met de nakosten ad € 131,- dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, € 199,-;

3.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Haarhuis en in het openbaar uitgesproken op
12 september 2018.1

 

 

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots