Rb: bergingskosten vrachtwagen na ongeval zijn zaakschade en geen zuivere vermogensschade, geen beroep op WAM-uitsluiting

Samenvatting:

Partijen twisten over de vraag of de bergingskosten van de vrachtwagens zijn aan te merken als zaakschade of als zuivere vermogensschade. Naar het oordeel van de kantonrechter moeten ook de gevolgen van zaaksbeschadiging worden gerekend tot schade waarvoor op grond van de WAM dekking moet worden geboden. Rijkswaterstaat heeft onweersproken gesteld dat de ongevallen hebben geleid tot schade aan het wegdek. Onvoldoende betwist is dat deze schade aan het wegdek pas kon worden hersteld na het verwijderen van de vrachtwagen. De berging van de vrachtwagens hing dus noodzakelijkerwijs en direct samen met (de reparatie van) de schade die door deze vrachtwagens was veroorzaakt. Naar het oordeel van de kantonrechter moeten de bergingskosten daarom in redelijkheid worden aangemerkt als zaakschade, zoals bedoeld in art. 3 lid 2 WAM.

 

 

ECLI:NL:RBDHA:2020:10359

 

Instantie

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak

15-10-2020

Datum publicatie

29-10-2020

Zaaknummer

8187995/19-27050

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Bergingskosten vrachtwagen: zaakschade of zuivere vermogensschade? Artikel 3 lid 2 WAM.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

 

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

 

nv/c/d

 

Rolnr.: 8187995 RL EXPL 19-27050

 

15 oktober 2020

 

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

 

de publiekrechtelijke rechtspersoon

 

de Staat der Nederlanden, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat,

 

het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat,

zetelende te Den Haag,

eiser,

gemachtigde: mr. A.C.M. Remmé,

 

tegen

 

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

[naam vereniging] ,

 

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

gemachtigde: mr. A.A.M. Zeeman.

 

Partijen worden hierna Rijkswaterstaat en [naam vereniging] genoemd.

1 Procedure

1.1.

 

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

 

 

de dagvaarding van 14 november 2019, met producties 1 tot en met 7;

 

de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6.

 

1.2.

 

Op 4 september 2020 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen de heer [betrokkene] namens Rijkswaterstaat, bijgestaan door mr. E.J.M. Lichtenveldt, alsmede mr. A.A.M. Zeeman namens [naam vereniging] . Namens Rijkswaterstaat zijn zittingsaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 Feiten

2.1.

 

Rijkswaterstaat is in Nederland de wegbeheerder.

2.2.

 

[naam vereniging] neemt in verband met de Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen (hierna: de WAM) schades voor haar rekening die in Nederland worden veroorzaakt door buitenlandse motorrijtuigen. InterEurope AG European Law Service (hierna: InterEurope) verzorgt, onder verantwoordelijkheid van [naam vereniging] , de afwikkeling van deze schades.

2.3.

 

Op 6 juni 2015 heeft zich een eenzijdig ongeval voorgedaan met een in Litouwen verzekerde vrachtwagen met aanhanger op de Rijksweg A28. De vrachtwagen is hierbij gekanteld. Hierbij is schade ontstaan aan het wegdek. InterEurope heeft aansprakelijkheid erkend. Rijkswaterstaat heeft de kosten van berging van de vrachtwagen, € 3.666,91, op

 

10 maart 2016 bij InterEurope in rekening gebracht.

2.4.

 

Op 3 oktober 2017 heeft zich op Rijksweg A58 een eenzijdig ongeval voorgedaan met een in Polen verzekerde vrachtwagen. Hierbij is schade ontstaan aan het wegdek en de vangrail. InterEurope heeft aansprakelijkheid erkend. De kosten van berging van de vrachtwagen, € 2.215,85, zijn door Rijkswaterstaat op 3 oktober 2018 bij InterEurope in rekening gebracht.

2.5.

 

Op 18 januari 2018 heeft zich een ongeval met een in Polen verzekerde vrachtwagen met aanhanger voorgedaan op de Rijksweg A36, waarbij de vrachtwagen in de berm is gekanteld. Er is schade ontstaan aan het wegdek en het wegmeubilair. InterEurope heeft aansprakelijkheid erkend. De kosten van berging van de vrachtwagen, € 465,50, zijn op 1 november 2018 bij InterEurope in rekening gebracht.

3 Vordering

3.1.

 

Rijkswaterstaat vordert veroordeling van [naam vereniging] om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Rijkswaterstaat te betalen een bedrag van € 6.805,02, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 6.446,02 vanaf 1 november 2019 tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [naam vereniging] in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen. Ook vordert Rijkswaterstaat de wettelijke rente over de proceskosten, bij niet voldoening hiervan binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis.

3.2.

 

Rijkswaterstaat legt aan deze vordering, naast voormelde feiten, kort samengevat het navolgende ten grondslag. Op grond van artikel 3 lid 1 WAM moet de WAM-verzekering de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekken. In lid 2 van dit artikel staat dat deze verzekering de schade moet omvatten die aan personen en aan zaken worden toegebracht. [naam vereniging] heeft de door Rijkswaterstaat geleden schade ten aanzien van de drie genoemde ongevallen vergoed, behoudens de door Rijkswaterstaat gemaakte kosten voor het bergen van de vrachtwagens. De bergingskosten dienen echter ook te worden vergoed door [naam vereniging] , omdat deze kosten samenhangen met het herstellen van de zaakschade. De bergingskosten vallen dan ook onder de schade als bedoeld in artikel 3 lid 2 WAM, zodat [naam vereniging] als verzekeraar gehouden is deze kosten aan Rijkswaterstaat te voldoen.

4 Verweer

4.1.

 

[naam vereniging] heeft de vordering van Rijkswaterstaat gemotiveerd betwist. Kort samengevat voert [naam vereniging] aan dat enkel personen- en zaakschade onder de verplichte WAM-dekking valt. Onder zaakschade wordt verstaan de schade als gevolg van beschadiging, vernietiging of verlies van een (stoffelijke) zaak. De door Rijkswaterstaat gevorderde bergingskosten vallen hier niet onder en moeten worden aangemerkt als zuivere vermogensschade. Dit is schade die wordt geleden zonder dat dit gepaard gaat met vernietiging of verlies van een zaak. Het enkele feit dat de bergingskosten samenhangen met de zaakschade maakt niet dat deze onder de verplichte WAM-dekking valt.

 

[naam vereniging] wijst voorts op de Beleidsregels incident management Rijkswaterstaat (hierna: de Beleidsregels), meer in het bijzonder artikel 10, waaruit volgt dat Rijkswaterstaat de bergingskosten kan verhalen op de eigenaar/houder van het betrokken motorrijtuig. Op grond van artikel 11 van de Beleidsregels kan Rijkswaterstaat retentierecht toepassen, dan wel afgifte van een bankgarantie verlangen van de eigenaar/houder van het betrokken motorrijtuig. Uit laatstgenoemde Beleidsregel kan worden afgeleid dat Rijkswaterstaat voor de bergingskosten geen vordering heeft op de WAM-verzekeraar.

 

Dat bergingskosten niet onder de verplichte dekking als bedoeld in artikel 3 WAM vallen wordt ook onderschreven door het feit dat in de WA(M)-verzekeringspolis voor vrachtwagens – anders dan in de verzekeringspolis voor personenauto’s – geen hulpverleningsdekking wordt opgenomen.

 

Bovendien gaat het in deze zaak om een (regres)vordering van Rijkswaterstaat op grond van c.q. ten gevolge van een contractuele verbintenis met het bergingsbedrijf, dan wel op grond van de uitvoering van overheidsbeleid. Ook daarom vallen deze kosten niet onder de verplichte WAM-dekking.

5 Beoordeling

5.1.

 

In de onderhavige zaak gaat het om de vraag of [naam vereniging] gehouden is de kosten te voldoen die Rijkswaterstaat heeft gemaakt naar aanleiding van drie ongevallen met vrachtwagens. Vast staat dat het gaat om drie uit het buitenland afkomstige en in het buitenland verzekerde vrachtwagens en dat [naam vereniging] aansprakelijkheid (op grond van de WAM) heeft erkend voor deze ongevallen. Partijen twisten over de vraag of bergingskosten vallen onder de schadedefinitie c.q. dekking van artikel 3 lid 2 WAM.

5.2.

 

Het gaat hier dus om uitleg van een bepaling van de WAM. Daarbij moet zowel de inhoud van de Benelux-overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheids-verzekering inzake motorrijtuigen (van 24 mei 1966), als de zogeheten Europese WAM-richtlijn (Richtlijn 2009/103/EG, hierna: de Richtlijn) worden betrokken.

5.3.

 

In artikel 3 van de Gemeenschappelijke bepalingen behorende bij voornoemde Benelux-overeenkomst is onder paragraaf 1 (kort gezegd) vastgelegd dat de verzekering de burgerrechtelijke aansprakelijkheid moet dekken. Onder paragraaf 2 staat vervolgens: ‘de verzekering moet de schade omvatten, welke aan personen en aan goederen wordt gebracht (…)’. Ook in artikel 3 van de Richtlijn is vastgelegd dat de wettelijke aansprakelijkheid voor voertuigen door een verzekering moet zijn gedekt en dat deze verzekering zowel materiële schade als lichamelijk letsel moet dekken. De verplichte dekking van de WAM-verzekering in Nederland is – in lijn met de hiervoor genoemde Richtlijn en de Benelux-overeenkomst – vastgelegd in artikel 3 WAM. Uit lid 1 van dit artikel volgt onder meer dat de verzekering de burgerrechtelijke aansprakelijkheid moet dekken. In artikel 3 lid 2 WAM staat vervolgens: ‘De verzekering moet de schade omvatten, welke aan personen en aan zaken wordt toegebracht (…)’.

5.4.

 

Aldus verplicht artikel 3 lid 2 WAM tot dekking van personen- en zaakschade; andere vormen van schade hoeven volgens de WAM niet te worden gedekt. Aangenomen moet worden dat ‘zuivere vermogensschade’, dat wil zeggen: zuiver economisch of financieel nadeel, niet onder de verplichte dekking van de WAM valt.

5.5.

 

In deze zaak twisten partijen over de vraag of de bergingskosten zijn aan te merken als zaakschade, of als zuivere vermogensschade.

5.6.

 

Zaakschade is schade die het gevolg is van de beschadiging, vernietiging of het verlies van een zaak. Die schade bestaat niet alleen uit de waardevermindering van de betreffende zaak, maar ook uit schade die uit de beschadiging voortvloeit, zoals bijvoorbeeld expertisekosten en kosten van tijdelijke vervanging. Naar het oordeel van de kantonrechter moeten dus ook de gevolgen van zaaksbeschadiging worden gerekend tot schade waarvoor op grond van de WAM dekking moet worden geboden, zij het binnen redelijke grenzen.

5.7.

 

Rijkswaterstaat heeft ten aanzien van de drie schadegevallen onweersproken gesteld dat deze hebben geleid tot schade aan het wegdek. Voorts heeft [naam vereniging] niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat deze schade aan het wegdek in alle gevallen pas kon worden hersteld na het verwijderen van de vrachtwagen. De berging van de vrachtwagens hing in alle drie de gevallen dus noodzakelijkerwijs en direct samen met (de reparatie van) de schade die door deze vrachtwagens was veroorzaakt. Naar het oordeel van de kantonrechter moeten de bergingskosten in de in de onderhavige zaak gepresenteerde gevallen daarom in redelijkheid worden aangemerkt als zaakschade, zoals bedoeld in artikel 3 lid 2 WAM.

5.8.

 

Hetgeen [naam vereniging] overigens als verweer heeft aangevoerd, stuit op dit oordeel af.

5.9.

 

De conclusie uit het voorgaande is dat de bergingskosten in de onderhavige zaak op grond van de WAM dienen te worden vergoed. Het door Rijkswaterstaat gevorderde bedrag, tegen de hoogte waarvan geen verweer is gevoerd, zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

5.10.

 

[naam vereniging] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De gevorderde nakosten zullen op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

6 Beslissing

 

De kantonrechter:

6.1.

 

veroordeelt [naam vereniging] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Rijkswaterstaat te voldoen een bedrag van € 6.805,02, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 6.446,02 vanaf 1 november 2019 tot de dag van algehele voldoening;

6.2.

 

veroordeelt [naam vereniging] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Rijkswaterstaat vastgesteld op € 1.190,54 waarvan € 600,- als het aan de gemachtigde van Rijkswaterstaat toekomende salaris en bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis moet zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

6.3.

 

veroordeelt [naam vereniging] tot betaling van € 120,- aan nasalaris, voor zover Rijkswaterstaat daadwerkelijk nakosten zal maken, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de dag der voldoening, en voorts, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, vermeerderd met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag der voldoening;

6.4.

 

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

 

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

 

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. E.A. Lensink en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2020.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey