Toch bescherming voor de bestuurder van een scootmobiel

Samenvatting:

De bestuurder van een gehandicaptenvoertuig, waaronder een scootmobiel, is een bijzondere verkeersdeelnemer. Scootmobielen komen in alle soorten en maten voor en met de vergrijzing verschijnen ze ook steeds meer in het straatbeeld. Niet-gemotoriseerde verkeersdeelnemers genieten ingevolge artikel 185 WVW bescherming tegen gemotoriseerde verkeersdeelnemers. De ratio van dit artikel is het bieden van bescherming aan zwakkere verkeersdeelnemers tegen gemotoriseerde verkeersdeelnemers. Vanuit die gedachte lijkt het logisch dat bestuurders van scootmobielen in de categorie niet-gemotoriseerd vallen. Maar is dat ook zo? In deze bijdrage gaan wij in op het toepasselijke toetsingskader voor de aansprakelijkheidsbeoordeling van een aanrijding waarbij een scootmobiel is betrokken.

Wat is een gehandicaptenvoertuig en welke plaats heeft het op de weg?

Een scootmobiel is een gehandicaptenvoertuig, met drie of vier wielen, dat speciaal is ingericht voor mensen met een lichamelijke handicap. Scootmobielen kunnen zowel met een open als een gesloten carrosserie zijn uitgerust. Let op, onder een scootmobiel wordt geen brommobiel verstaan (de welbekende rode wagentjes).

Een scootmobiel is een gehandicaptenvoertuig in de zin van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (het RVV). Het RVV definieert het gehandicaptenvoertuig als volgt: “een voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 meter en niet is uitgerust met een motor dan wel is uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km/u bedraagt, en geen bromfiets is”.

Nu duidelijk is wat onder een scootmobiel wordt verstaan, komt de vraag aan de orde hoe het voertuig deel mag nemen aan het verkeer. Met een scootmobiel mag op de stoep, het voetpad, het (brom)fietspad en de rijbaan worden gereden, met uitzondering van de autoweg en snelweg. Wanneer meerdere wegonderdelen aanwezig zijn, bijvoorbeeld zowel een voet- als fietspad, dan mag de bestuurder zelf zijn plaats op de weg bepalen. De plaats op de weg bepaalt wel de maximale snelheid die het voertuig mag rijden. Op de stoep en het voetpad geldt een maximum snelheid van 6 km/u, op het (brom)fietspad binnen de bebouwde kom geldt een maximum snelheid van 30 km/u, op het (brom)fietspad buiten de bebouwde kom geldt een maximum snelheid van 40 km/u en op de rijbaan geldt een maximum snelheid van 45 km/u.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuurder altijd de veiligste weg moet kiezen. Wanneer de bestuurder slecht zicht heeft (bijvoorbeeld door mist of wanneer het donker is), moet de scootmobiel zowel voor- als achterlicht voeren. Dit laatste geldt niet indien op de stoep wordt gereden.

Ten slotte is een kenteken niet vereist voor een scootmobiel. Daarentegen zal de scootmobiel wel een geldige WAM-verzekering moeten hebben, wat op het voertuig zichtbaar is door de aanwezigheid van het gele verzekeringsplaatje. Overigens is een rijbewijs om de scootmobiel te besturen niet vereist. Wel is bepaald dat bestuurders jonger dan 16 jaar niet harder dan 10 km/u mogen rijden.

Dient de scootmobiel te worden aangemerkt als een motorrijtuig?

Artikel 185 WVW biedt niet-gemotoriseerde verkeersdeelnemers bescherming tegen gemotoriseerde voertuigen bij een ongeval op de weg. Aangezien de scootmobiel een geldige WAM-verzekering dient te hebben en bovendien gemotoriseerd is, lijkt op het eerste gezicht sprake van een motorrijtuig. Dat zou betekenen dat de bescherming van niet-gemotoriseerde verkeersdeelnemers in de zin van artikel 185 WVW niet geldt voor de bestuurder van de scootmobiel. Is deze aanname juist?

Het Gerechtshof Leeuwarden heeft zich in haar arrest van 8 mei 2002 uitgelaten over de vraag of een gehandicaptenvoertuig dient te worden aangemerkt als een motorrijtuig.[i] Aan de orde was een aanrijding tussen een automobilist en een bestuurster van een scootmobiel. Daarbij is op 24 december 1993 in Lemmer de automobilist, die op dat moment op een voorrangsweg reed, gebotst op een bestuurster van een scootmobiel die op dat moment bezig was de weg over te steken. Als gevolg van deze botsing is de bestuurster van de scootmobiel overleden. Ten tijde van het ongeval was het donker en regende het. Het kruisingsvlak was verlicht door straatverlichting.[ii]

Het Hof overwoog dat gehandicaptenvoertuigen niet van het begrip motorrijtuigen uitgezonderd worden (r.o. 10). Het oordeel van het Hof sluit ook aan bij pagina 7 van de Memorie van Toelichting van het voorstel ‘Vaststelling en invoering van afdeling 8.14.1 WVW’. Hieruit volgt dat artikel 185 WVW alleen fietsers, voetgangers en andere niet-gemotoriseerde voertuigen beschermt. Een scootmobiel is een gemotoriseerd voertuig. Op dezelfde pagina van de Memorie van Toelichting is vermeld dat artikel 185 WVW niet van toepassing is bij een botsing tussen twee motorrijtuigen in beweging.

Een scootmobiel is dus een motorrijtuig, dit was zo onder het oude recht (artikel 31 lid 7 WVW) en geldt ook onder het huidige recht (artikel 185 WVW). Zeker nu, zo overweegt ook het Hof, een wettelijke definitie zich niet leent voor extensieve interpretatie. Nu een scootmobiel kwalificeert als een motorrijtuig, is artikel 185 WVW niet van toepassing en dient de aansprakelijkheid te worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:162 BW.

Bij de beoordeling van de aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:162 BW kan de kwetsbare positie van iemand in een scootmobiel wel gewicht in de schaal leggen (zie r.o. 11). Het Hof bepaalde daarom dat de bestuurder van een motorrijtuig jegens de bestuurder van een scootmobiel dezelfde zorgvuldigheid dient te betrachten als jegens voetgangers en fietsers. In het arrest werd de bestuurder van de auto aansprakelijk gehouden voor de aanrijding.

Voorts werd door de bestuurder van de auto een eigen schuld-verweer gevoerd. Het Hof paste in het kader van de verdeling van de wederzijdse causaliteit naar analogie de 50%-regel toe (ex artikel 6:101 BW). Het Hof overwoog hierbij dat de billijkheid zich ertegen verzet dat een aanrijding tussen de bestuurder van een auto en de bestuurder van een scootmobiel ongunstiger uitpakt dan een aanrijding tussen een voetganger of een fietser en een bestuurder van een auto (r.o. 16). Indien een fout van een bestuurder van een auto komt vast te staan is deze dus voor ten minste 50% van de schade aansprakelijk.

Afwikkeling van de schade in de praktijk

Indien sprake is van een aanrijding op de weg waarbij een gemotoriseerde verkeersdeelnemer en een scootmobiel betrokken zijn geldt het volgende. Voor de beoordeling van de aansprakelijkheid is artikel 185 WVW niet van toepassing en dient de benadeelde bestuurder van de scootmobiel aan te tonen dat sprake is van een onrechtmatige daad van de bestuurder van het motorrijtuig.

Indien de bestuurder van de scootmobiel de bestuurder van het motorrijtuig succesvol aansprakelijk kan houden, komt de verdeling van de vergoeding van de schade aan de orde. De vergoeding van de schade wordt over hen beiden verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, naar rato van de causaliteit van die omstandigheden (de zogenaamde wederzijdse causaliteit, artikel 6:101 BW). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de schade van de bestuurder van de scootmobiel voor ten minste 50% dient te worden vergoed (de 50%-regel), vanwege de toepassing naar analogie van artikel 185 WVW.

Na de causaliteitsafweging kan de in artikel 6:101 BW opgenomen billijkheidscorrectie nog worden toegepast.

Ten slotte: voor het vaststellen van de verdeling van de vergoeding van de schade gaat het om de specifieke omstandigheden. Van belang is bijvoorbeeld op welke plek op de weg de scootmobiel heeft gereden, met welke snelheid, hoe het zicht was en of de scootmobiel verlichting voerde.

[i] ECLI:NL:GHLEE:2002:AE2690, r.o. 10 e.v.

[ii] ECLI:NL:RBLEE:1998:AA1047 r.o. 3.1 e.v.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots