PIV-Bulletin 2016-3 Nabestaandenleed, directe schade of indirect gevolg onder Rome II?

Samenvatting:

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het hof) legt art. 4 lid 1 van verordening (EG) nr. 864/2007 inzake het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (bekend als: Rome II) zo uit dat, wanneer kan worden vastgesteld waar de directe schade is ingetreden, die plaats het relevante aanknopingspunt is voor het recht dat van toepassing is. Schade in verband met het overlijden van een ander persoon bij een verkeersongeval valt onder de “indirecte gevolgen” van dat ongeval in de zin van art. 4 lid 1 Rome II.

Rome II[1]

Binnen Europa bestaan grote verschillen in het recht van nabestaanden op vergoeding van immateriële schade. Zo kunnen in België ook schoonouders en schoonkinderen aanspraak maken op smartengeld, terwijl dit recht in Engeland is voorbehouden aan echtgenoten en ouders van minderjarige kinderen. In Luxemburg is een hechte, affectieve band met de overledene voorwaarde voor vergoeding. Ierland werkt met een vaste vergoeding van € 10.000, terwijl de vergoeding in Spanje kan oplopen tot ongeveer € 90.000[2]. In Nederland hebben nabestaanden ondertussen – afgezien van shockschade – geen enkel recht op vergoeding van immateriële schade. Welk recht van toepassing is op de aanspraak van een nabestaande op smartengeld is dan ook van belang.

Volgens de hoofdregel in art. 4 lid 1 Rome II moet bij het bepalen van het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad worden aangeknoopt bij: “het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen.” Op 10 december 2015 heeft het hof voor recht verklaard dat schade in verband met het overlijden van een ander persoon bij een verkeersongeval als “indirect gevolg” van dat ongeval moet worden uitgelegd. Wanneer kan worden vastgesteld waar de directe schade is ingetreden, hetgeen normaal gesproken het geval is bij een verkeersongeval, dan is die plaats het relevante aanknopingspunt voor het recht dat van toepassing is.

Feiten en prejudiciële vragen

Florin Lazar, een Roemeens staatsburger, is zijn dochter verloren bij een verkeersongeval in Italië dat is veroorzaakt door een niet geïdentificeerd voertuig. De Italiaanse wet bepaalt voor die situatie dat het garantiefonds voor verkeersslachtoffers de veroorzaakte schade via aangewezen verzekeraars vergoedt. Lazar heeft daarop de verzekeringsmaatschappij Allianz SpA in haar hoedanigheid van door het garantiefonds aangewezen verzekeraar gedagvaard voor het Tribunale di Trieste (hierna: de rechtbank van Triëst) en aanspraak gemaakt op materiële en immateriële schade. De moeder en grootmoeder van het slachtoffer, beiden Roemeense staatsburgers wonend in Italië, hebben in het geding geïntervenieerd en eveneens vergoeding van hun materiële en immateriële schade gevorderd.

Naar Italiaans recht lijdt iemand door het overlijden van een familielid rechtstreekse schade, met name in de vorm van aantasting van zijn persoonlijkheidsrechten. In deze optiek wordt de schade die Lazar vordert ten gevolge van het overlijden van zijn dochter als eigen schade en als materieel gevolg van het overlijden van zijn dochter gezien. De rechtbank van Triëst beseft echter dat dit soort schade in andere lidstaten niet op dezelfde wijze als directe schade wordt erkend en heeft het hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

  1. “Welke uitlegging moet aan het begrip “plaats waar de schade zich voordoet” in de zin van art. 4 lid 1 Rome II worden gegeven met betrekking tot het verzoek tot vergoeding van de materiële en de immateriële schade die de familieleden van een persoon die is overleden ten gevolge van een verkeersongeval dat zich heeft voorgedaan in de forumstaat, hebben geleden, wanneer die familieleden in een andere lidstaat van de Europese Unie wonen en daar de betrokken schade hebben geleden?
  2. Moet voor de toepassing van art. 4 lid 1 Rome II de materiële en de immateriële schade die de familieleden van een persoon die is overleden bij een verkeersongeval dat zich heeft voorgedaan in de forumstaat, in hun land van woonplaats hebben geleden, worden beschouwd als “schade” in de zin van art. 4 lid 1 Rome II eerste volzin, dan wel als “indirecte gevolgen” in de zin van art. 4 lid 1 Rome II tweede volzin?”

Uitspraak hof

Het hof behandelt de gestelde vragen gezamenlijk en benadrukt om te beginnen het belang van autonome en uniforme uitleg van de bewoordingen van bepalingen van Unierecht die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijzen. Daarbij moet naar vaste rechtspraak van het hof niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen zelf, maar ook met de context van de bepaling en het doel van de regeling waar zij deel van uitmaakt. In dat kader wijst het hof op art. 2 Rome II waarin is bepaald dat onder schade “ieder gevolg dat voortvloeit uit onrechtmatige daad wordt verstaan.”

Daarna wordt opgemerkt dat voor het bepalen van het toepasselijke recht art. 4 lid 1 Rome II echter uitgaat van het recht van “het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen”. Het hof haakt vervolgens aan bij overweging 16 in de considerans van Rome II, waaruit volgt dat bij het bepalen van de plaats waar de schade zich voordoet rekening moet worden gehouden met de directe schade. Ook wordt gewezen op overweging 17, waarin wordt overwogen dat in geval van letselschade en vermogensschade, het land waar het letsel of de vermogensschade is opgelopen, geldt als land waar de directe schade zich voordoet.

Tegen deze achtergrond komt het hof tot de conclusie dat: “wanneer het intreden van directe schade kan worden vastgesteld, hetgeen normaliter het geval is bij een verkeersongeval, de plaats waar deze directe schade zich heeft voorgedaan, het relevante aanknopingspunt zal zijn voor het bepalen van het recht dat van toepassing is, ongeacht de indirecte gevolgen van dit ongeval. In het onderhavige geval bestaat die schade uit de letsels die tot de dood van de dochter van F. Lazar hebben geleid, en heeft die schade zich volgens de verwijzende rechterlijke instantie in Italië voorgedaan. De schade die door de familieleden van die dochter is geleden, moet echter worden beschouwd als een indirect gevolg van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verkeersongeval in de zin van art. 4, lid 1, van de Rome II-verordening.”

Het hof vindt bevestiging van deze uitleg in art. 15 onder f Rome II, waarin is bepaald dat het toepasselijk recht regelt wie recht heeft op persoonlijk geleden schade. Eerst dient dus te worden bepaald welk recht van toepassing is op een rechtsfeit, waarna op basis van dat recht kan worden uitgemaakt wie schade hebben geleden die  voor vergoeding in aanmerking komt. Daarmee voorkomt de toepassing van het recht van de plaats waar de directe schade is ontstaan ook dat de onrechtmatige daad, afhankelijk van de plaats waar andere personen dan het directe slachtoffer schade lijden, aan verschillend recht is onderworpen.

Commentaar

Duidelijk is dat het leed dat het overlijden van een dierbare veroorzaakt bij een nabestaande naar Italiaans recht als zelfstandige schade wordt gezien. De vraag waar het hof in deze zaak in de kern voor stond, was of dat ook geldt onder de vigeur van art. 4 lid 1 Rome II. Is sprake van zelfstandige schade of van een afgeleide van de schade van de oorspronkelijk gelaedeerde (en dus van indirecte gevolgen)? Het hof oordeelt dat laatste op grond van een schijnbaar niet waterdichte redenering.

De beslissing van het hof steunt met name op overwegingen 16 en 17 in de considerans van Rome II. In overweging 16 wordt weliswaar gesproken over aanknoping bij het land waar de directe schade zich heeft voorgedaan, maar daarmee is nog niet gezegd wat daar onder moet worden verstaan. In ieder geval sluit een verwijzing naar deze overweging niet uit dat het leed van een nabestaande ten gevolge van het overlijden van een dierbare ten aanzien van die nabestaande als directe schade kan worden gezien, zoals in Italië ook het geval is.

In overweging 17 wordt vervolgens in aanmerking genomen dat de indirecte gevolgen van de schade niet relevant zijn voor het bepalen van het toepasselijke recht en wordt overwogen dat om die reden in geval van letsel- en vermogensschade moet worden aangeknoopt bij het land waar het letsel of de – indien aanwezig – materiële schade is opgelopen. Met andere woorden: in die gevallen bestaat de directe schade uit het letsel of de materiele schade en is het land waar die schade zich heeft voorgedaan bepalend voor het toepasselijk recht. Het leed dat het overlijden van een dierbare veroorzaakt bij een nabestaande is echter al dan niet een aantasting in de persoon (wel in bijvoorbeeld Italië, niet in bijvoorbeeld Nederland), maar in ieder geval geen (fysiek) letsel of materiële schade. Overweging 17 mist dan ook directe relevantie in deze zaak.

Hoewel overwegingen 16 en 17 van de considerans van Rome II de conclusie van het hof dus niet zelfstandig lijken te kunnen dragen, is er wel veel te zeggen voor aanknoping bij de plaats van het ongeval (hetgeen het hof feitelijk doet). Bijvoorbeeld om de volgende redenen.

In overweging 7 bij Rome II is aangegeven dat de verordening moet stroken met Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (thans 1215/2012/EU en bekend als: Brussel I). Brussel I bepaalt met betrekking tot onrechtmatige daad dat de gedaagde kan worden opgeroepen voor het gerecht “waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen”. Dit begrip – dat breder is dan “het land waar de schade zich voordoet” uit Rome II – is zo uitgelegd in rechtspraak dat het leed dat het overlijden van een dierbare veroorzaakt bij nabestaanden moet worden gekwalificeerd als indirect gevolg van de oorspronkelijke schade van het slachtoffer van het ongeval[3]. Het lijkt in het belang van de (Unie)rechtszekerheid om hier ook voor wat betreft het toepasselijke recht (conform Rome II) bij aan te haken.

Aanknoping bij de plaats van het ongeval is ook in lijn met het verslag bij het voorstel voor Rome II, waarin staat[4]: “Bij een verkeersongeval is de plaats waar de rechtstreekse schade is ontstaan bijvoorbeeld de plaats van de aanrijding, ongeacht de eventuele financiële of morele schade die in een ander land ontstaat.” Deze uitleg draagt bovendien bij aan het voorkomen van versnippering van een onrechtmatige daad over meerdere rechtsstelsels, hetgeen te allen tijde ongewenst lijkt (zoals door het hof min of meer ten overvloede wordt genoemd in haar laatste overweging).

Kortom: hoewel op de motivering door het hof wel het een en ander aan te merken is, lijkt de uitkomst dat het land waar het verkeersongeval zelf plaatsvindt, moet worden gezien als het land waar de schade zich voordoet in de zin van art. 4 lid 1 Rome II, een inhoudelijk juiste uitkomst en in ieder geval een uitkomst die past in de – bredere – systematiek van het Unierecht.

[1] Dit artikel verscheen eerder in Bedrijfsjuridische Berichten 2016, 23.

[2] L. Schreuder ‘Smartengeld in het buitenland’ in: Smartengeld, ANWB 2006.

[3] Conclusie A-G Wahl, 10 september 2015, C-350/14.

[4] COM 2003, 427 definitief van 22 juli 2003, p. 12.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey