HR: regresverbod art. 52b ZW geldt ook eigenrisicodrager, cassatieberoep verworpen (art. 81 RO)

Samenvatting:

Arbeidsongeval van uitzendkracht waarvoor inlener aansprakelijk is. Uitzendbureau is eigenrisicodrager voor de Ziektewet (art. 63a ZW) en zoekt regres op inlener ter zake van betaalde ZW-uitkeringen en re-integratiekosten. Kan inlener zich op verhaalsbescherming van art. 52b ZW beroepen? Het hof oordeelde een eigenrisicodrager in het kader van het regresrecht ex art 52a ZW, gelijk gesteld moet worden aan het UWV en dus op grond van art 52b lid 1 ZW alleen een regresrecht heeft indien sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de (materiële) werkgever. Het hof oordeelde dat uit de Memorie van Toelichting op niet valt niet af te leiden dat de wetgever aan de eigenrisicodrager een regresrecht heeft willen toekennen dat een ruimere strekking heeft dan het eigen recht van het UWV. De Hoge Raad verwerpt het tegen dit oordeel ingestelde cassatieberoep zonder nadere motivering (art 81 RO).

 

 

 

 

 

ECLI:NL:HR:2020:739

 

Instantie

Hoge Raad

Datum uitspraak

17-04-2020

Datum publicatie

17-04-2020

Zaaknummer

19/02439

Formele relaties

In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2019:698, Bekrachtiging/bevestiging

Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1361, Gevolgd

Rechtsgebieden

Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken

Artikel 81 RO-zaken

Cassatie

Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Arbeidsongeval van uitzendkracht waarvoor inlener aansprakelijk is. Uitzendbureau is eigenrisicodrager voor de Ziektewet (art. 63a ZW). Uitzendbureau zoekt regres op inlener ter zake van betaalde ZW-uitkeringen en re-integratiekosten. Kan inlener zich op verhaalsbescherming van art. 52b ZW beroepen?

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

 

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/02439

Datum 17 april 2020

ARREST

In de zaak van

FLEXPOINT DIENSTEN GROEP B.V.,

gevestigd te Kerkrade,

EISERES tot cassatie,

hierna: Flexpoint,

advocaat: M.A.J.G. Janssen,

tegen

ACCO BRANDS BENELUX B.V.,

gevestigd te Born,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: Acco,

niet verschenen.

  1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

het vonnis in de zaak 4918893/CV EXPL 16-3163 van de rechtbank Limburg van 7 september 2016;

het arrest in de zaak 200.209.061/01 van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 26 februari 2019.

Flexpoint heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

Tegen Acco is verstek verleend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van Flexpoint heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2

Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

 

3

Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Flexpoint in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Acco begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 17 april 2020.

 

ECLI:NL:PHR:2019:1361

Uitspraak delen

 

Instantie

Parket bij de Hoge Raad

Datum conclusie

20-12-2019

Datum publicatie

10-01-2020

Zaaknummer

19/02439

Formele relaties

Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:739, Gevolgd

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Arbeidsongeval van uitzendkracht waarvoor inlener aansprakelijk is. Uitzendbureau is eigenrisicodrager voor de Ziektewet (art. 63a ZW). Uitzendbureau zoekt regres op inlener ter zake van betaalde ZW-uitkeringen en re-integratiekosten. Kan inlener zich op verhaalsbescherming van art. 52b ZW beroepen?

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

 

Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

 

BIJ DE

 

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

 

Nummer 19/02439

Zitting 20 december 2019

 

CONCLUSIE

 

B.F. Assink

 

In de zaak

Flexpoint Diensten Groep B.V.

 

tegen

 

Acco Brands Benelux B.V.

 

Deze zaak ziet op de in eerste aanleg en in hoger beroep gestrande poging van een eigenrisicodrager voor de Ziektewet (een uitzendonderneming) op de voet van art. 52a lid 2 ZW regres te nemen op de aansprakelijke inlener van een werknemer (een uitzendkracht, verzekerde onder de Ziektewet) voor gedane uitkeringen en gemaakte kosten onder de Ziektewet ten behoeve van die werknemer. Centraal staat de vraag hoe de verhaalsbescherming van art. 52b ZW, waarop de inlener zich met succes heeft beroepen, toegepast dient te worden in een dergelijk geval waarin niet het UWV regres zoekt op de voet van art. 52a ZW (het wettelijke uitgangspunt), maar zo’n eigenrisicodrager. Het bestreden arrest houdt wat mij betreft stand in cassatie. M.i. dient voor het UWV en een eigenrisicodrager onder art. 52a ZW en art. 52b ZW eenzelfde regime te gelden (ook) ten aanzien van een inlener. Hierna noem ik eiseres in cassatie Flexpoint en verweerster in cassatie Acco.

 

1

De feiten

1.1

In het in cassatie bestreden arrest1 is het hof ’s Hertogenbosch (hierna: het hof), in cassatie onbestreden, van de volgende feiten uitgegaan.

 

1.2

Op 15 april 2011 heeft bij Acco een arbeidsongeval plaatsgevonden waarbij [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) letsel heeft opgelopen. Het ongeval is niet te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van Acco. Het letsel was zodanig ernstig dat [betrokkene 1] in de periode van 20 april 2011 t/m 25 juli 2012 arbeidsongeschikt was.2

 

1.3

Tussen Flexpoint en [betrokkene 1] bestond ingaande 23 november 2010 een Uitzendovereenkomst Uitzendbeding Fase A. Door de ziekmelding kwam aan de uitlening van [betrokkene 1] aan Acco een einde.

 

1.4

Flexpoint heeft [betrokkene 1] uitgeleend aan Acco uit hoofde van de door partijen ingaande 30 maart 2009 gesloten samenwerkingsovereenkomst. In deze overeenkomst zijn, blijkens art. 2 lid 1, “opgenomen algemene afspraken en algemene bepalingen die van toepassing zijn op de totstandkoming van uitvoeringsovereenkomsten tussen Acco en Flexpoint en de wijze van terbeschikkingstelling van flexkrachten aan Acco.” Volgens art. 14 lid 2 zijn beide partijen gebonden aan de regels vermeld in, zoals het hof het formuleert in rov. 6.1.3:

 

– “Algemene Voorwaarden van Flexpoint (…)”;

– “de CAO voor Uitzendkrachten van ABU”.3

 

1.5

De artikelen 11 en 12 van de Algemene Voorwaarden voor het ter beschikking stellen van uitzendkrachten (hierna: ABU Algemene Voorwaarden 2006) luiden als volgt:

 

“Artikel 11: Arbeidsomstandigheden

De opdrachtgever verklaart zich bekend met het feit dat hij in de Arbeidsomstandighedenwet wordt aangemerkt als werkgever.

  1. De opdrachtgever is jegens de uitzendkracht en de uitzendonderneming verantwoordelijk voor de nakoming van de uit artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek, de Arbeidsomstandighedenwet en de daarmee samenhangende regelgeving voortvloeiende verplichtingen op het gebied van de veiligheid op de werkplek en goede arbeidsomstandigheden in het algemeen.
  2. (…)
  3. (…)
  4. De opdrachtgever zal aan de uitzendkracht vergoeden – en de uitzendonderneming vrijwaren tegen – alle schade (inclusief kosten met inbegrip van de daadwerkelijke kosten van rechtsbijstand) die de uitzendkracht in het kader van de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, indien en voor zover de opdrachtgever en/of de uitzendonderneming daarvoor aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 en/of artikel 7:611 Burgerlijk Wetboek.

(…)

  1. De opdrachtgever zal zich afdoende verzekeren tegen aansprakelijkheid op grond van het bepaalde in dit artikel. Op verzoek van de uitzendonderneming verstrekt de opdrachtgever een bewijs van verzekering.

 

Artikel 12 Aansprakelijkheid opdrachtgever

  1. De opdrachtgever die de verplichtingen die voor hem voortvloeien uit deze Algemene Voorwaarden, in het bijzonder de verplichtingen als omschreven in de artikelen 3 (leden 5, 6 en 7), 4 (lid 3), 8, 9 (leden 1, 3, 5 en 7), 10 (leden 1 t/m 5, 8 en 9), 11 (2 t/m 6), 14 (lid 2), 17 (lid 1), 19 en 20 (lid 1) niet nakomt, is gehouden tot vergoeding van alle daaruit voortvloeiende schade van de uitzendonderneming (inclusief alle kosten waaronder die van rechtsbijstand), zonder dat voorafgaande ingebrekestelling nodig is, en hij dient de uitzendonderneming zonodig terzake te vrijwaren. Dit laat onverlet, dat de uitzendonderneming eventuele andere vorderingen kan instellen, zoals het inroepen van ontbinding. Het bepaalde in dit artikel is van algemene gelding, zowel – zo nodig aanvullend – ten aanzien van onderwerpen waarbij de schadevergoedingsplicht reeds afzonderlijk in deze Algemene Voorwaarden is geregeld als ten aanzien van onderwerpen waarbij dat niet het geval is.”

 

1.6

De aansprakelijkheidsverzekeraar van Acco, ACE, heeft namens Acco aansprakelijkheid jegens [betrokkene 1] erkend voor het arbeidsongeval.4

 

1.7

Flexpoint is bij beschikking van de Belastingdienst van 3 juni 2010 aangemerkt als eigenrisicodrager voor de Ziektewet (hierna ook: ZW).

 

2

Het procesverloop

In eerste aanleg

2.1

Bij dagvaarding van 10 maart 2016 heeft Flexpoint Acco in rechte betrokken en gevorderd dat Acco zal worden veroordeeld tot betaling van:

 

– de door Flexpoint aan [betrokkene 1] uitbetaalde Ziektewet-uitkeringen ten bedrage van € 13.590,89;

– de door Acco gemaakte re-integratiekosten, de kosten voor casemanagement en wettelijke rente, voor een totaalbedrag van € 2.855,56;

– de buitengerechtelijke kosten ad € 3.670,16, althans een in goede justitie te bepalen bedrag.5

 

2.2

Flexpoint heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd, aldus het hof in rov. 6.2.2:

 

“6.2.2 Aan deze vordering heeft Flexpoint, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, ten grondslag gelegd dat als de overeenkomst van een uitzendkracht tijdens ziekte eindigt, in beginsel op dat moment ook de loondoorbetalingsplicht van het uitzendbureau eindigt. De uitzendkracht is vervolgens aangewezen op een uitkering onder de Ziektewet. Flexpoint heeft als eigenrisicodrager voor de ZW aan [betrokkene 1] een Ziektewetuitkering betaald in de periode dat [betrokkene 1] arbeidsongeschikt was. Daarnaast heeft zij re-integratiekosten van [betrokkene 1] en kosten voor casemanagement gemaakt.

Waar UWV op de voet van artikel 52a lid 1 ZW verhaal kan nemen op degene die in verband met het veroorzaken van de arbeidsongeschiktheid van deze werknemer naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, komt dit verhaalsrecht bij eigenrisicodragerschap op grond van artikel 52a lid 2 ZW toe (niet aan het UWV maar) aan de eigenrisicodrager. Volgens Flexpoint is het regresrecht van artikel 52a ZW een aanvulling op het regresrecht volgens artikel 6:107a BW en is artikel 52b ZW een uitwerking van artikel 6:107a lid 4 BW. Het collega-verweer gaat niet op nu het niet gaat om dezelfde werkgever. Onder verwijzing naar de MvT II, 27873 nr. 3 p. 9 voert Flexpoint aan dat artikel 52b ZW uitsluitend van toepassing is op het UWV en niet op de eigenrisicodrager.”

 

2.3

Na daartoe door Acco gevoerd verweer heeft de kantonrechter bij vonnis6 van 7 september 2016 de vorderingen van Flexpoint afgewezen, met haar veroordeling in de proceskosten. De kantonrechter overwoog het volgende:7

 

“4.1. De kern van het geschil gaat om het navolgende: Flexpoint heeft als eigen risicodrager kosten gemaakt in het kader van de arbeidsongeschiktheid van [betrokkene 1]. Flexpoint is van mening dat zij op grond van artikel 52a Ziektewet deze kosten op Acco kan verhalen nu Acco de aansprakelijkheid van het bedrijfsongeval heeft erkend. Flexpoint is de mening toegedaan dat het in artikel 52b van de Ziektewet gestelde dat de verplichting tot schadevergoeding slechts bestaat indien de ongeschiktheid tot werken is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van die werkgever uitsluitend van toepassing is op het UWV en niet op de eigen risicodrager. Acco betwist de redenering van Flexpoint en is van mening dat nu geen sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid Flexpoint als eigen risicodrager kort en goed gezegd dezelfde rechten toekomt als het UWV.

 

4.2.

De aanwijzing van eigen risicodrager levert de betrokkenen, in dit geval Flexpoint, een korting op in de afdracht van sociale premies aan de Belastingdienst. Van de andere kant is de consequentie van een dergelijke aanwijzing dat kosten welke bij niet-risicodragers voor rekening van het UWV komen voor rekening van de eigen risicodrager komen. Flexpoint stelt dat zij geen sociaal verzekeraar is zoals het UWV en daarom in tegenstelling tot het UWV wel regresrecht zou hebben op de aansprakelijke werkgever ook als geen sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. De kantonrechter vermag niet in te zien waarom, ook al is Flexpoint geen sociaal verzekeraar, haar meer rechten zou toekomen dan het UWV in dit geval. Bij de aanvraag tot eigenrisicodrager heeft zij immers een afweging gemaakt en gekozen voor die variant. Nu gesteld noch gebleken is van opzet of bewuste roekeloosheid die aan Acco kan worden verweten dient de vordering te worden afgewezen.”

 

In hoger beroep

 

2.4

In hoger beroep heeft Flexpoint vier grieven aangevoerd.

 

Grief I:

 

“Ten onrechte heeft de kantonrechter geen aandacht besteed aan de contractuele afspraken tussen Flexpoint en Acco. Meer in het bijzonder heeft de kantonrechter ten onrechte niet onderkend, dat op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst, ingeval van een bedrijfsongeval, waarvoor Acco op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk is, op Acco de verplichting rust om zowel de door de verzekeringnemer als de door Flexpoint geleden schade te vergoeden.”

 

Grief II:

 

“Ten onrechte heeft de kantonrechter de vorderingen van Flexpoint afgewezen op grond van de redenering dat een eigenrisicodrager, zoals Flexpoint, in het kader van het regresrecht ex art. 52a ZW, gelijk gesteld moet worden aan het UWV dus op grond van art. 52b lid 1 ZW alleen een regresrecht heeft indien sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de (materiële) werkgever, in casu Acco.”

 

Grief III:

 

“Ten onrechte heeft de kantonrechter in dit kader geoordeeld dat hij niet vermag in te zien waarom, ook al is Flexpoint geen sociaal verzekeraar, haar meer rechten zou toekomen dan het UWV, nu Flexpoint bij de aanvraag tot eigenrisicodrager een afweging heeft gemaakt en gekozen heeft voor die variant.”

 

Grief IV:

 

“Tenslotte acht de kantonrechter ten onrechte relevant dat de aanwijzing van eigenrisicodrager betrokkenen een korting oplevert in de afdracht van sociale premies aan de Belastingdienst en stelt daardoor ten onrechte dat de consequentie van een dergelijke aanwijzing is dat kosten welke bij niet-risicodragers voor rekening van het UWV komen, voor rekening van de eigenrisicodrager komen.”

 

Flexpoint heeft eerst grief I voorzien van een toelichting en vervolgens ook, gezamenlijk, de grieven II t/m IV.

 

2.5

Acco heeft een memorie van antwoord ingediend.

 

2.6

Flexpoint heeft vervolgens, per H12-formulier, nieuwe producties in het geding gebracht (18 t/m 22), waaronder:

 

– een juridische opinie van 7 oktober 2018 van [betrokkene 2], werkzaam bij de Leiden Law School (productie 18);8

– een juridische opinie van [betrokkene 3], promovenda aan de Universiteit Utrecht en advocaat (productie 19);

– ABU Algemene Voorwaarden 2006 (productie 20);

– een verklaring van [betrokkene 4], als Senior regiomanager Flexpoint destijds verantwoordelijk voor het account van Acco (productie 21).

 

2.7

Op 7 december 2018 hebben partijen hun zaak bepleit. Het hof heeft een proces-verbaal van pleidooi opgemaakt.

 

2.8

Grief I is door het hof verworpen in rov. 6.4.1-6.4.7, kort gezegd omdat:

 

– Flexpoint te laat in hoger beroep een beroep heeft gedaan op de ABU Algemene Voorwaarden 2006 (rov. 6.4.2), althans;

– tussen partijen niet vaststaat dat de ABU Algemene Voorwaarden 2006 zijn overeengekomen (rov. 6.4.3), althans

– niet valt in te zien, ook met inachtneming van de ABU Algemene Voorwaarden 2006, dat partijen bij overeenkomst hebben voorzien in aansprakelijkheid van Acco ter zake (rov. 6.4.4-6.4.7).

 

In cassatie wordt hierover niet geklaagd.

 

2.9

Grieven II, III en IV zijn door het hof ook verworpen. Het hof heeft daartoe, deze grieven gezamenlijk behandelend, als volgt geoordeeld:

 

“De buitencontractuele grondslag

 

6.5.1

De grieven II, III en IV luiden als volgt:

 

(…)

 

6.5.2

Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Het hof stelt voorop dat het er op lijkt dat de stellingen van Flexpoint worden ingekleurd vanuit haar bij pleidooi geventileerde vertrekpunt “Ieder dient de door hem of haar veroorzaakte schade te vergoeden. Veel ingewikkelder is de kwestie (…) eigenlijk niet.” Dit vertrekpunt, althans dit adagium, staat tegenover het vanouds bekende adagium “ieder draagt zijn eigen schade.” Het hof weerstaat de verleiding uitvoerig in te gaan op de fundamenten waarop beide adagia zijn gebouwd,9 maar stelt wel vast dat het enkele door Flexpoint gekozen adagium geen vorderingsrecht schept. Ook uit de enkele “redelijkheid” (“het [is] niet redelijk dat de door Acco veroorzaakte schade door Flexpoint gedragen zou moeten worden.” MvG nr. 20) vloeit geen vorderingsrecht voort.

 

6.5.3

De wetgever heeft na enige omzwervingen, zie de Parl. Gesch. op artikel 6.1.9.11a,10 met artikel 6:107 BW de “niet onaanzienlijke uitbreiding van de aansprakelijkheid” waarin het vijfde gedeelte van de InvW. voorzag weer teruggedraaid en een regel gegeven “die vergelijkbaar is met het huidige artikel 1407 BW11 en die tot strekking heeft de kring van personen die in geval van letselschade, behalve de gekwetste zelf, recht op schadevergoeding hebben, te beperken.” Een uitzondering is blijkens de Parl. Gesch. slechts gemaakt voor de zgn. verplaatste schade, zie t.a.p. blz. 1288.

Flexpoint valt niet onder de in 6:107 BW bedoelde kring van personen die recht op schadevergoeding hebben; zij heeft dat overigens zelf ook niet gesteld. Flexpoint heeft – terecht overigens – ook geen beroep gedaan op artikel 6:107a BW nu het in dat artikel geregelde regresrecht ziet op het door de werkgever (in die hoedanigheid) van de arbeidsongeschikte werknemer doorbetaalde loon en kosten van re-integratie. In dit geval gaat het echter niet om loonbetaling maar om ZW-uitkeringen van Flexpoint als ex-werkgever tevens eigenrisicodrager.

 

6.5.4

Het hof heeft de verwijzing naar de Parl.Gesch. in 6.5.3 opgenomen, omdat de wetgever ook onder het oude recht (artikel 1407 BW) zich ervan bewust was dat in beginsel aan anderen dan het slachtoffer zelf geen vorderingsrecht jegens de laedens toekwam; reeds krachtens artikel 89 van de Ongevallenwet 1901 werd daarom de “risicodrager” gesubrogeerd12 in de rechten van de verzekerde werknemer op gelijke wijze als de verzekeraar krachtens artikel 284 K (oud).13 Bij wet van 2 mei 1921, Stb 204, werd het subrogatierecht vervangen door een zelfstandig verhaalsrecht, het “eigen recht” van het uitvoeringsorgaan, artikel 95 Ongw. 1921.14 In de jaren daarna werd op overeenkomstige wijze in (o.m.) de ZW 1913,15 de ZFW en de WAO voorzien in een verhaalsrecht van de uitvoeringsorganen.

 

6.5.5

Bij de hiervoor, met name in 6.5.3. weergegeven strekking van de wet en wettelijke stand van zaken dringt zich de onjuistheid van het in 6.5.2 genoemde uitgangspunt van Flexpoint op; er bestaat slechts een verhaalsrecht voor ZW-uitkeringen voorzover dat recht (uitdrukkelijk) door de wetgever is toegekend, incl. eventuele beperkingen.

 

6.5.6

Ingevolge artikel 52a ZW in samenhang met artikel 52b ZW heeft het UWV voor wat betreft door haar gemaakte kosten alleen regres op de werkgever van de gelaedeerde werknemer ingeval de arbeidsongeschiktheid van deze is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van de werkgever. Naar luid van artikel 52b lid 2 ZW wordt mede als werkgever beschouwd de inlener als bedoeld in artikel 34 InvWet 1990. Deze laatste bepaling heeft al oude papieren, immers ingevoerd bij wetsvoorstel 5865 uit 1959 waarbij nog werd verwezen naar “artikel 16a der Coördinatiewet Sociale Verzekering” om de materiële werkgever te duiden. “Op advies van de Sociale Verzekeringsraad is daarom voorgesteld ook voor de materiële werkgever de burgerrechtelijke aansprakelijkheid te beperken, welke ingevolge de hiervóór geciteerde wetten (toev. hof: onder meer artikel 52 ZW oud) voor de formele werkgever geldt” aldus de MvT.

Tussen partijen is niet in geschil dat Acco een inlener als bedoeld in artikel 34 InvWet 1990 is en dat van opzet of bewuste roekeloosheid van Acco geen sprake is.

 

6.5.7

De wetgever heeft als sequeel van de per 1 maart 2003 heringevoerde mogelijkheid voor werkgevers voor de ZAV als eigenrisicodrager op te treden (Wet eigenrisicodragen Ziektewet, Stb. 2002, 584) aan artikel 52a ZW een tweede lid toegevoegd:

“2. De eigenrisicodrager treedt voor de toepassing van het eerste lid in de plaats van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.”

De MvT 27873 nr 3, p. 9 luidt op dit onderdeel: “Onderdeel E

In artikel 52a ZW is het recht van regres geregeld. Het UWV heeft ingevolge deze bepaling verhaal voor gemaakte kosten uit hoofde van de ZW (waaronder het ziekengeld), op degene die civielrechtelijk aansprakelijk is voor het veroorzaken van de ongeschiktheid tot werken. Toegevoegd wordt een tweede lid, waarin dit regresrecht aan de eigenrisicodrager wordt toegekend. Deze heeft een eigen verhaalsrecht dat in de plaats treedt van het recht van het UWV. Dit regresrecht is aanvullend op het regresrecht dat de werkgever heeft op grond van artikel 107a van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Dat artikel ziet immers op verhaal voor het door hem bij ziekte doorbetaalde loon. In artikel 52b ZW is nader geregeld onder welke voorwaarde recht op regres beslaat ten aanzien van de werkgever, Aanpassing van dat artikel is niet noodzakelijk. Een werkgever zal immers niet het door hem betaalde ziekengeld op zichzelf verhalen.”

Een verdere toelichting op het regresrecht van de eigenrisicodrager dan deze passage, ook door Flexpoint geciteerd in haar memorie van grieven, ontbreekt.

Uit deze toelichting valt niet af te leiden dat de wetgever in afwijking van de regeling als hiervoor vermeld in 6.5.6. met de tekst van het (voorgestelde) tweede lid van artikel 52a ZW, aan de eigenrisicodrager een regresrecht heeft willen toekennen dat een ruimere strekking heeft dan het eigen recht van het UWV. Flexpoint houdt het ervoor (MvG nr 20) dat de wetgever “geen rekening heeft gehouden met een situatie als deze.” Anders dan Flexpoint wil het er bij het hof niet in dat dat dan aldus uitgelegd kan worden dat aan haar een niet in de wet geregeld regresrecht zou toekomen: het gaat naar het oordeel van het hof zijn rechtsvormende taak te buiten een zodanig regresrecht wel toe te kennen, althans aan te nemen.

 

6.5.8

Flexpoint ziet er in haar vergelijking van artikel 6:107a BW en artikel 52a en 52b ZW aan voorbij dat het bij de uitleg van het eerstgenoemde artikel, anders dan bij artikel 52a in verbinding met artikel 52b ZW, niet ging om een uitdrukkelijk niet-toegekend regresrecht, maar om de vraag of het toegekende regresrecht verhaal op de inlener omvatte, vgl. in dit verband ook Hof Den Haag, 4 maart 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AS3575.

 

6.5.9

Ten slotte: waar Flexpoint het standpunt huldigt dat het “gewone” schadevergoedingsrecht geldt nu zij (anders dan voor UWV zou gelden) geen premies ontvangt van Acco, ziet Flexpoint eraan voorbij dat zij, zoals hiervoor reeds uitvoerig aan de orde gekomen, aan het gewone schadevergoedingsrecht zowel uit haar contractuele verhouding met Acco als uit o.d. geen rechten kan ontlenen.

 

6.5.10

Op het voorgaande stuiten de grieven II t/m IV af.”

 

2.10

Het hof heeft de vordering(en) van Flexpoint afgewezen. Flexpoint is als de in het ongelijk te stellen partij veroordeeld in de proceskosten.

 

In cassatie

 

2.11

Flexpoint heeft bij procesinleiding van 16 mei 2019, derhalve tijdig, beroep in cassatie ingesteld. Aan Acco is verstek verleend. Flexpoint heeft afgezien van het indienen van een schriftelijke toelichting.

 

3

De bespreking van het cassatiemiddel

Cassatiemiddel

3.1

Flexpoints cassatiemiddel is gericht tegen rov. 6.5.1 t/m rov. 7 (het dictum) van het arrest16 en bestaat uit twee onderdelen: I en II.17 De kern van het cassatiemiddel bestaat uit onderdeel I, onderdeel II is een “veegklacht”.

 

3.2

In onderdeel I verdedigt Flexpoint, zakelijk weergegeven, dat de in art. 52b ZW vervatte verhaalsbescherming ten gunste van de (aansprakelijke) inlener toepassing mist als niet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekerings (hierna: het UWV), maar een eigenrisicodrager voor de Ziektewet (hierna: een eigenrisicodrager-ZW) regres zoekt bij die inlener voor de door de eigenrisicodrager-ZW krachtens de Ziektewet gemaakte kosten als bedoeld in art. 52a ZW. Daaraan legt Flexpoint in wezen ten grondslag (i) dat de wetgever bij invoering van art. 52a lid 2 ZW aan deze situatie heeft voorbijgezien en (ii) dat in deze situatie voor zo’n verhaalsbescherming van de inlener rechtvaardiging ontbreekt, nu – anders dan het UWV, dat zowel de werkgever als de uitlener kan aanspreken voor de Ziektewetpremie – de eigenrisicodrager-ZW geen Ziektewetpremie int en de inlener logischerwijs ook niet langer hoofdelijk aansprakelijk is voor die premie tegenover het UWV. Daarmee valt in deze situatie de positie van de ex art. 52a ZW regreszoekende eigenrisicodrager-ZW gelijk te stellen met de positie van de regreszoekende werkgever in art. 6:107a BW, aldus nog steeds Flexpoint.

 

Flexpoint betrekt dus ook art. 6:107a BW in haar betoog, maar doet daarop – terecht – geen rechtstreeks beroep. In wezen wenst zij, wat betreft haar regresvordering tegen Acco (de inlener) als eigenrisicodrager-ZW op de voet van art. 52a ZW en Acco’s verhaalsbescherming ter zake onder art. 52b ZW, net zo behandeld te worden als een werkgever die op de voet van art. 6:107a BW regres zoekt op een inlener voor doorbetaald loon en kosten als daar bedoeld: gelijk de inlener onder art. 6:107a BW geen verhaalsbescherming zou toekomen als bedoeld in art. 6:107a BW, dient Acco, volgens Flexpoint, in het onderhavige geen verhaalsbescherming te kunnen ontlenen aan art. 52b ZW. Dat resultaat beoogt Flexpoint in deze procedure niet te bereiken door directe toepassing van art. 6:107a BW, maar door art. 52a ZW en art. 52b ZW in dit geval zo uit te leggen en toe te passen dat dat met art. 6:107a BW vergelijkbare resultaat wordt bereikt.

 

Onderdeel I bevat een aantal op het voorgaande gebaseerde rechts- en motiveringsklachten.

 

Beoordeling van het cassatiemiddel

 

3.3

Zoals we hierna zullen zien, missen de klachten in onderdeel I m.i. alle doel (ook voor zover zij niet uitgaan van een verkeerde lezing van het arrest, en daarmee feitelijke grondslag missen). In het verlengde daarvan treft onderdeel II dan hetzelfde lot. Eerst maak ik enkele inleidende opmerkingen, waarna de behandeling van de klachten volgt.

 

Die inleidende opmerkingen lopen langs de volgende hoofdlijnen:

 

– Ziektewet als vangnet;

– uitzendovereenkomst en uitzendbeding;

– mogelijkheid van eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet;

– art. 52a ZW en art. 52b ZW;

– wetsgeschiedenis van art. 52a lid 2 ZW;

– wetsgeschiedenis van art. 52b ZW;

– rechtspraak met betrekking tot art. 52b ZW;

– art. 6:107a BW.

 

Ziektewet als vangnet

 

3.4

Een werknemer die arbeidsongeschikt wordt, heeft recht op doorbetaling van (een bepaald percentage van) zijn loon, gedurende een tijdvak van 104 weken (zie art. 7:629 lid 1 BW). In sommige gevallen echter kan niet (volledig) worden teruggevallen op een werkgever. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat, gedurende de arbeidsongeschiktheid van de werknemer, de arbeidsovereenkomst eindigt. Gedacht kan worden aan een werknemer met een arbeidsovereenkomst van tijdelijke duur die afloopt gedurende de periode van arbeidsongeschiktheid en nog vóór het tijdvak van 104 weken is doorlopen. Voor deze werknemer fungeert de Ziektewet als vangnet.18 De Ziektewet biedt ook in andere gevallen een vangnet, bijvoorbeeld aan uitzendkrachten die nog geen vast contract hebben met de uitzendonderneming.19

 

Uitzendovereenkomst en uitzendbeding

 

3.5

Een uitzendovereenkomst is een arbeidsovereenkomst,20 waarbij de werknemer door de werkgever, in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde (zie art. 7:690 BW). In rov. 6.1.2 stelt het hof vast dat tussen Flexpoint en [betrokkene 1] een ‘Uitzendovereenkomst Uitzendbeding Fase A’ bestond, ingaande op 23 november 2010.21 In de onderhavige zaak is [betrokkene 1] als werknemer aan te merken (de ingeleende werknemer), Flexpoint als werkgever (de uitlener) en Acco als derde aan wie [betrokkene 1] ter beschikking is gesteld (de inlener).

 

3.6

Een uitzendbeding is een beding waarin staat dat de uitzendovereenkomst van rechtswege eindigt doordat de terbeschikkingstelling van de werknemer door de werkgever aan de derde als bedoeld in art. 7:690 BW op verzoek van die derde ten einde komt (art. 7:691 BW lid 2 BW). In art. 7:691 BW lid 3 BW staat dat een beding als bedoeld in lid 2 zijn kracht verliest indien de werknemer in meer dan 26 weken arbeid voor de werkgever heeft verricht. In lid 8 staat echter dat bij CAO de termijn kan worden verlengd tot ten hoogste 78 weken. In rov. 6.1.2 stelt het hof vast dat door de ziekmelding een einde kwam aan de uitlening van [betrokkene 1] aan Acco. In rov. 6.2.1 en rov. 6.2.2 vat het hof samen hetgeen Flexpoint in eerste aanleg heeft gevorderd en stelt het hof onder meer vast dat Flexpoint aan deze vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten,

 

“ten grondslag [heeft] gelegd dat als de overeenkomst van een uitzendkracht tijdens ziekte eindigt, in beginsel op dat moment ook de loondoorbetalingsplicht van het uitzendbureau eindigt. De uitzendkracht is vervolgens aangewezen op een uitkering onder de Ziektewet. Flexpoint heeft als eigenrisicodrager voor de ZW aan [betrokkene 1] een Ziektewetuitkering betaald in de periode dat [betrokkene 1] arbeidsongeschikt was. Daarnaast heeft zij re-integratiekosten van [betrokkene 1] en kosten voor casemanagement gemaakt.”22

 

In cassatie staat niet ter discussie dat, nu Flexpoint als eigenrisicodrager-ZW Ziektewetuitkeringen aan [betrokkene 1] heeft gedaan, [betrokkene 1] toentertijd was aan te merken als ‘verzekerde’ in de zin van de Ziektewet.

 

Mogelijkheid van eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet

 

3.7

Een werkgever kan ervoor kiezen eigenrisicodrager-ZW te worden (zie art. 63a e.v. ZW, waaruit ook blijkt dat deze faciliteit met de nodige waarborgen is omgeven).23 In rov. 6.1.6 stelt het hof vast dat Flexpoint bij beschikking van de Belastingdienst van 3 juni 2010 is aangemerkt als eigenrisicodrager voor de Ziektewet.24 Op hetgeen het hof overweegt in rov. 6.2.2, eerste alinea wees ik in nr. 2.2 hiervoor.

 

3.8

De mogelijkheid om als werkgever eigenrisicodrager te worden voor de Ziektewet is ingevoerd bij de Wet eigenrisicodrager Ziektewet,25 die op 1 maart 2003 in werking is getreden.26

 

3.9

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat is uitgemond in de Wet eigenrisicodrager Ziektewet staat onder meer het volgende over het doel van het eigenrisicodragen:27

 

“De herintroductie van de mogelijkheid voor werkgevers om het ZW-risico voor eigen rekening te nemen past binnen het beleid van de regering om het socialezekerheidsstelsel activerender te maken. Met WULBZ is het financiële belang van werkgevers bij het beperken van het ziekterisico van werknemers in vaste dienst versterkt. Werkgevers worden aldus gestimuleerd een goed preventie- en verzuimbeleid toe te passen. Het belang van werkgevers bij een adequate reïntegratie van hun werknemers – in zowel vaste als in tijdelijke dienst – is nog versterkt door de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsregelingen (PEMBA). Immers, de werkgever draagt eventueel vijf jaar lang de financiële lasten van arbeidsongeschiktheid, indien de reïntegratie in het eerste ziektejaar door hem dan wel door de uvi niet voortvarend ter hand is genomen en de werknemer instroomt in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

De mogelijkheid om het risico van de vangnetvoorziening voor eigen rekening te nemen vergroot derhalve het belang van werkgevers bij een goede preventie en verzuimbegeleiding. Zij kunnen zelf de vruchten plukken van een adequaat arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid. Daarnaast heeft de werkgever er door de Pemba-prikkel financieel belang bij werknemers met een flexibele arbeidsovereenkomst en personen met een andere arbeidsverhouding dan een arbeidsovereenkomst eveneens te reïntegreren.

Door werkgevers de mogelijkheid te bieden om het eigen ZW-risico zelf te dragen worden zij gestimuleerd een effectief en doelmatig reïntegratiebeleid te voeren. Met een dergelijk beleid kunnen werkgevers voorkomen dat hun (voormalige) werknemers in de WAO terechtkomen en dat hun WAO-premie als gevolg hiervan wordt verhoogd dan wel dat zij de financiële lasten ten gevolge van deze WAO-instroom dragen. Langs deze weg levert het eigenrisicodragen een bijdrage aan de verdergaande activering van het socialezekerheidsstelsel.”

 

Met deze “herintroductie” wordt gedoeld op de mogelijkheid die voor werkgevers tot 1 maart 199628 bestond om voor hun werknemers de in de Ziektewet verzekerde risico’s voor eigen rekening te nemen. Op grond van het Besluit eigenrisicodragen29 diende de (toenmalige) bedrijfsvereniging aan iedere werkgever die een afdoende bankgarantie overlegde, toestemming te verlenen het eigen Ziektewetrisico te dragen. De werkgever nam daarmee namens de bedrijfsvereniging alle uitkeringen krachtens de Ziektewet voor zijn rekening.30

 

3.10

Voorzien werd dat eigenrisicodragen voor de Ziektewet vooral interessant zou zijn voor ondernemingen met een verhoudingsgewijs groot aantal flexibele arbeidskrachten, zoals ondernemingen in de uitzendbranche:31

 

“De eigenrisicodrager draagt de financiële last van de uitkeringen aan de personen die arbeidsongeschikt zijn geworden op of na de dag waarop het eigenrisicodragen is aangevangen.[] De ZW-uitkeringen aan personen die op dat moment reeds arbeidsongeschikt zijn, blijven ten laste van het wachtgeldfonds komen.

Bij het einde van het eigenrisicodragen blijven de uitkeringen aan personen die op de dag van beëindiging reeds arbeidsongeschikt zijn, voor rekening van de eigenrisicodrager.

Het eigenrisicodragen in de ZW zal voornamelijk interessant zijn voor ondernemingen met een verhoudingsgewijs groot aantal flexibele arbeidskrachten, zoals ondernemingen in de uitzendbranche. Deze categorie werkgevers heeft er belang bij om de betreffende arbeidskrachten weer voor arbeid in of ten behoeve van de eigen onderneming beschikbaar te krijgen. Bij eigenrisicodragen ontstaat er voor de werkgever bovendien een direct financieel belang bij reïntegratie. In dit verband dient nog bedacht te worden dat de eigenrisicodrager in de uitzendbranche bij uitstek de gelegenheid heeft om de reïntegratie van zijn arbeidskracht te bevorderen. De eigenrisicodrager kan immers bewerkstelligen dat de werknemer via de eigen uitzendorganisatie passend werk gaat verrichten bij een ander inlenend bedrijf.

(…)

Hoewel door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) is aangegeven dat er op dit moment voornamelijk in de uitzendbranche interesse lijkt te bestaan voor het eigenrisicodragerschap, acht de regering het niet aangewezen om op voorhand de mogelijkheid voor het eigenrisicodragerschap te beperken tot deze branche, en daarmee deze keuze aan andere ondernemingen te onthouden.

(…)

De mogelijkheid om eigenrisicodrager te worden wordt voor alle werkgevers geïntroduceerd. Op grond van de gekozen vormgeving valt te verwachten dat vooral bedrijven in sectoren waar de vangnetlasten een substantieel deel van de loonkosten vormen, voor het eigenrisicodragerschap zullen opteren.

Het eigenrisicodragen impliceert dat de werkgever niet langer een vangnetpremie betaalt gebaseerd op het gemiddelde ziekterisico in zijn sector, maar dat hij zijn eigen ZW-lasten moet financieren. Naar verwachting zullen alleen bedrijven met een ten opzichte van het gemiddelde gunstig risico voor het eigenrisicodragen opteren. Het effect hiervan zal van bedrijf tot bedrijf verschillen.

(…)

Bij de invoering van het eigenrisicodragerschap bij het vangnet ZW wordt verwacht dat in eerste instantie met name de bedrijven met een structureel lager risico dan gemiddeld uit het vangnet ZW zullen stappen. Dat zijn met name de grote bedrijven. Bij deze groep zal het ziekteverzuim waarschijnlijk niet verder dalen. Zij hebben immers reeds een laag ziekteverzuim en toucheren een financieel voordeel louter en alleen door eigenrisicodrager te worden. In een verdere verlaging van het ziekteverzuim is voor deze bedrijven niet veel meer winst te halen; om deze reden krijgen zij niet een extra financiële prikkel.”32

 

Ook meer recent is nog opgemerkt33 dat het met name voor uitzendondernemingen aantrekkelijk kan zijn om eigenrisicodrager te worden, nu in de uitzendbranche de premies die afgedragen moeten worden aanzienlijk hoger plegen te zijn dan in andere sectoren, onder meer omdat in de uitzendbranche veel vaker gebruik wordt gemaakt van de Ziektewet.

 

3.11

De Wet eigenrisicodragerschap Ziektewet is ingetrokken bij de Wet van 13 april 2006 tot intrekking en wijziging van diverse wetten en een besluit op het terrein van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,34 ingegeven door de wens van de Regering om de grote hoeveelheid wetgeving op het terrein van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op te schonen. De door deze wet bewerkstelligde wijziging van de Ziektewet werd daarmee niet ongedaan gemaakt: eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet bleef, en is nog steeds, mogelijk.35

 

Een werkgever die voor de regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (hierna: de WGA)36 en/of de Ziektewet bij het UWV verzekerd is, krijgt een gedifferentieerde premie WGA en/of Ziektewet. Is een werkgever voor een onderdeel eigenrisicodrager, zoals voor de Ziektewet, dan is de bijbehorende (gedifferentieerde) premiecomponent 0%. In het onderhavige speelt alleen eigenrisicodragerschap (van Flexpoint) voor de Ziektewet, niet voor de WGA. Zie nr. 1.7 hiervoor. Werkgevers in de sector Overheid en Onderwijs zijn verplicht eigenrisicodrager voor de Werkloosheidswet, andere werkgevers kunnen daarvoor geen eigenrisicodrager worden; ook dat is in het onderhavige geval niet aan de orde.

Een aanvraag tot het eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet kan op twee momenten worden toegekend: op 1 januari en 1 juli van elk jaar. Een aanvraag hiertoe dient uiterlijk 3 maanden van tevoren bij de Belastingdienst ingediend te worden. Dit geldt ook voor het beëindigen van het eigenrisicodragerschap door afmelding door de eigenrisicodrager-ZW.

Het UWV beschrijft de werknemers waarop het eigenrisicodragen voor de Ziektewet betrekking heeft als werknemers:37

 

– “zonder ‘gewone’ arbeidsovereenkomst, zoals thuiswerkers en stagiairs”;

– “die bij u hebben gewerkt (en verzekerd waren) en daarna binnen 4 weken nadat ze uit dienst gingen ziek werden”;

– “met een (tijdelijke) arbeidsovereenkomst die bij u in dienst waren en van wie het dienstverband eindigt tijdens ziekte.”

 

Uitkeringen die eventueel ontstaan tijdens het eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet komen voor rekening van de eigenrisicodrager-ZW. Deze kan dit risico verzekeren bij een private verzekeraar: dan komen de lasten in de regel voor rekening van de verzekeraar.

Eventuele uitkeringen die al gestart zijn voorafgaand aan de ingangsdatum van het eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet komen voor de resterende looptijd voor rekening van het UWV. Een eigenrisicodrager-ZW die dat eigenrisicodragerschap beëindigt, dient de lopende uitkeringen die ontstaan zijn tijdens dat eigenrisicodragerschap tot het einde van de looptijd te betalen; of zijn verzekeraar betaalt deze uitkeringen, in geval van een private verzekering.38

 

Eind 2019 is het merendeel van de werkgevers voor het Ziektewet-risico publiek verzekerd (96%): het aantal eigenrisicodragers bedraagt ongeveer 15.400 op een totaal van 410.000 werkgevers in Nederland. Het aandeel in de loonsom van de eigenrisicodragers is aanmerkelijk groter dan 4% (want 45%), doordat in de Ziektewet vooral grote werkgevers eigenrisicodrager-ZW zijn.39

 

3.12

De Nota (zie voetnoot 35 hiervoor) biedt mede een uiteenzetting over nieuwe wet- en regelgeving per 1 januari 2020, in welk verband onder meer wordt opgemerkt over ‘uitzendbedrijven naar de uitzendsector’:40

 

“In de periode 2014 tot 18 mei 2017 heeft een groot aantal uitzendbedrijven de Belastingdienst verzocht ingedeeld te worden buiten de uitzendsector (52). Voordelen voor deze uitzendbedrijven waren relatief lage sectorale premies en een lage maximumpremie voor de ZW. Uitzendwerkgevers die ingedeeld zijn in de sector 52 kennen een veel hogere maximumpremie. In 2017 is wet- en regelgeving al aangepast, waardoor uitzendbedrijven zich niet langer buiten sector 52 konden laten indelen. Vanaf 2020 deelt de Belastingdienst alle uitzendbedrijven (weer) in sector 52 in. Hierdoor dalen de te dekken ZW-lasten in een aantal vaksectoren en als gevolg hiervan de bijbehorende sectorale premies. Uitzendwerkgevers die verhuizen naar sector 52 betalen of een hogere sectorale premie of kunnen te maken krijgen met een hogere maximumpremie (of een combinatie van beide).

(…)

De meeste uitzendbedrijven, die worden heringedeeld in de uitzendsector, zullen geconfronteerd worden met hogere Ziektewetpremies. Welke consequenties zij hieruit voor hun Ziektewetverzekering zullen trekken is nog onduidelijk. Voor een aantal uitzendbedrijven zal een eigenrisicodragerschap mogelijk een aantrekkelijk alternatief zijn voor een voortzetting van de publieke verzekering bij UWV. Er zijn echter ook signalen dat een grote uitzendwerkgever van plan is juist terug te keren naar UWV vanuit het eigenrisicodragerschap. De keuzes van uitzendbedrijven zijn van groot belang bij de vaststelling van de Ziektewetpremies. Om nu en in de toekomst goede prognoses te kunnen maken, is het voor UWV daarom zaak een compleet beeld te krijgen van de verschillende beweegredenen van uitzendwerkgevers bij hun keuze. Een terugkeer naar de publieke verzekering ligt onder de huidige omstandigheden minder voor de hand en zal daarom nader onderzocht worden.”

 

De Nota licht ook de totstandkoming van premies en parameters voor 2020 toe.41

 

Art. 52a ZW en art. 52b ZW

 

3.13

Hoofdstuk II van de Ziektewet is getiteld “Van het ziekengeld”. Dit hoofdstuk bestaat uit art. 29 ZW t/m art. 52d ZW. Ik richt me in deze paragraaf op art. 52a ZW en 52b ZW, nu deze bepalingen in het onderhavige geval centraal staan.42

 

3.14

Art. 52a ZW en art. 52b ZW luiden als volgt:

 

“Artikel 52a

  1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft voor de krachtens deze wet gemaakte kosten verhaal op degene, die in verband met het veroorzaken van ongeschiktheid tot werken jegens de verzekerde naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag, waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag, gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de verzekerde naar burgerlijk recht is gehouden.
  2. De eigenrisicodrager treedt voor de toepassing van het eerste lid in de plaats van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
  3. De in het eerste lid bedoelde aansprakelijke is eveneens verplicht tot vergoeding van de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de eigenrisicodrager gemaakte redelijke kosten ter nakoming van de verplichtingen tot inschakeling in de arbeid van de verzekerde, die op het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de eigenrisicodrager rusten op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen alsmede de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en de daarop berustende bepalingen. De aansprakelijke kan hetzelfde verweer voeren dat hem jegens de verzekerde ten dienste zou hebben gestaan.

 

Artikel 52b

  1. Het bepaalde in het vorige artikel geldt ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte werkgever van de verzekerde, onderscheidenlijk ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte verzekerde, die in dienstbetrekking staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde jegens wie naar burgerlijk recht verplichting tot schadevergoeding bestaat, slechts indien de ongeschiktheid tot werken is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van die werkgever onderscheidenlijk verzekerde.
  2. Voor de toepassing van het vorige lid wordt mede als werkgever beschouwd de inlener, bedoeld in artikel 34 van de Invorderingswet 1990.”

 

3.15

De tekst en systematiek van deze twee bepalingen zijn helder en overzichtelijk. Op grond van art. 52a lid 1 ZW kan het UWV voor de krachtens de Ziektewet gemaakte kosten verhaal nemen op diegene die in verband met het veroorzaken van de arbeidsongeschiktheid, jegens de verzekerde aansprakelijk is. Het UWV heeft dus een zelfstandig wettelijk regresrecht. Op grond van art. 52a lid 2 ZW treedt de eigenrisicodrager-ZW voor de toepassing van art. 52a lid 1 ZW in de plaats van het UWV. Op grond van art. 52a lid 3 ZW kan het UWV dan wel de eigenrisicodrager-ZW ook de gemaakte redelijke kosten ter nakoming van de verplichtingen tot inschakeling in de arbeid van de verzekerde, als daar omschreven, op de aansprakelijke partij verhalen. De aansprakelijke partij als bedoeld in art. 52a ZW kan de werkgever of een collega-werknemer van de verzekerde zijn: daarop ziet art. 52b lid 1 ZW.43 Op grond van die bepaling geldt ten aanzien van die werkgever of collega-werknemer het bepaalde in art. 52a ZW (“Het bepaalde in het vorige artikel”) “slechts indien de ongeschiktheid tot werken is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid” van die werkgever of collega-werknemer. Op grond van art. 52b lid 2 ZW wordt voor de toepassing van art. 52b lid 1 ZW als werkgever mede beschouwd de inlener, bedoeld in art. 34 van de Invorderingswet 1990 (hierna: de Iw 1990).44 Ingewikkeld is deze regeling niet te noemen.

 

3.16

In rov. 6.5.6, slotalinea, stelt het hof vast dat tussen partijen niet in geschil is dat Acco een inlener is als bedoeld in art. 34 Iw 1990 en dat van opzet of bewuste roekeloosheid van Acco geen sprake is.

 

3.17

Het bepaalde in art. 34 Iw 1990 ziet op zogenoemde ‘inlenersaansprakelijkheid’. In art. 34 lid 1 Iw 1990 staat het volgende:

 

“Ingeval een werknemer met instandhouding van de dienstbetrekking tot zijn inhoudingsplichtige, de uitlener, door deze ter beschikking is gesteld aan een derde, de inlener, om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn, is de inlener hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting welke de uitlener verschuldigd is in verband met het verrichten van die werkzaamheden door die werknemer alsmede voor de omzetbelasting welke de uitlener, dan wel – in geval doorlening plaatsvindt – de in het tweede lid bedoelde doorlener verschuldigd is in verband met dat ter beschikking stellen. In afwijking in zoverre van artikel 32, tweede lid, is de inlener niet aansprakelijk voor de in verband met de heffing van loonbelasting of van omzetbelasting opgelegde bestuurlijke boete.”

 

Op de voet van art. 34 lid 1 Iw 1990 is – kort gezegd – een inlener van rechtswege hoofdelijk aansprakelijk jegens de Belastingdienst voor de loonbelasting en de omzetbelasting verschuldigd door de uitlener in verband met de uitlening van de betreffende werknemer aan de inlener als bedoeld in die bepaling, welke aansprakelijkheid ook ziet op verschuldigde sociale verzekeringspremies45 waaronder verschuldigde premies voor werknemersverzekeringen waartoe ook de Ziektewet behoort.46

 

Per 1 januari 2006 zijn de Wet financiering sociale verzekeringen47 (hierna: de Wfsv), de Invoeringswet Wfsv48 (hierna: de Invoeringswet Wfsv) en de Verzamelwet sociale verzekeringen 200649 in werking getreden. Ingevolge de Wfsv is de heffing en inning van de premies voor werknemersverzekeringen50 voor tijdvakken gelegen ná 1 januari 2006 overgedragen van het UWV aan de Belastingdienst.51 Aangezien de heffing en inning van de premies voor werknemersverzekeringen plaatsvindt volgens de regels die gelden voor de loonbelasting is art. 34 Iw 1990 ook van toepassing voor de premies voor werknemersverzekeringen.

 

Wetsgeschiedenis van art. 52a lid 2 ZW

 

3.18

Over art. 52a lid 2 ZW is in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat is uitgemond in de Wet eigenrisicodrager Ziektewet (zie ook nr. 3.8 hiervoor) het volgende opgemerkt:52

 

“In artikel 52a ZW is het recht van regres geregeld. Het UWV heeft ingevolge deze bepaling verhaal voor gemaakte kosten uit hoofde van de ZW (waaronder het ziekengeld), op degene die civielrechtelijk aansprakelijk is voor het veroorzaken van de ongeschiktheid tot werken. Toegevoegd wordt een tweede lid, waarin dit regresrecht aan de eigenrisicodrager wordt toegekend. Deze heeft een eigen verhaalsrecht dat in de plaats treedt van het recht van het UWV. Dit regresrecht is aanvullend op het regresrecht dat de werkgever heeft op grond van artikel 107a van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Dat artikel ziet immers op verhaal voor het door hem bij ziekte doorbetaalde loon. In artikel 52b ZW is nader geregeld onder welke voorwaarde recht op regres bestaat ten aanzien van de werkgever. Aanpassing van dat artikel is niet noodzakelijk. Een werkgever zal immers niet het door hem betaalde ziekengeld op zichzelf verhalen.”

 

3.19

Deze toelichting op de toevoeging van art. 52a lid 2 ZW is eveneens helder en overzichtelijk. De bedoeling van art. 52a lid 2 ZW is om, ingeval van eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet, aan de eigenrisicodrager-ZW een eigen regresrecht toe te kennen dat in de plaats treedt van het regresrecht van het UWV. Anders gezegd: hetzelfde regresrecht (“dit regresrecht”) dat het UWV heeft buiten eigenrisicodragerschap als bedoeld in art. 52a lid 2 ZW, komt in geval van eigenrisicodragerschap als bedoeld in art. 52a lid 2 ZW toe aan de eigenrisicodrager-ZW. Dit regresrecht van de eigenrisicodrager-ZW met betrekking tot de kosten als bedoeld in art. 52a ZW is aanvullend op het regresrecht dat de werkgever in die hoedanigheid (dus als werkgever) heeft op grond van art. 6:107a BW, welke bepaling immers ziet “op verhaal voor het door hem [de werkgever, A-G] bij ziekte doorbetaalde loon”. In de laatste drie zinnen van het citaat wordt art. 52b ZW genoemd. Opgemerkt wordt dat daarin nader is geregeld onder welke voorwaarde recht op regres bestaat ten aanzien van de werkgever. Nu het echter vanzelfsprekend is dat deze (als eigenrisicodrager-ZW) het door hem betaalde ziekengeld niet op zichzelf (als werkgever) zal verhalen, is aanpassing van art. 52b ZW vanwege de toevoeging van art. 52a lid 2 ZW “niet noodzakelijk”.

 

3.20

Ik wijs in verband met het voorgaande nog op de volgende passage uit de memorie van toelichting:53

 

“Op 15 september 1999 is een concept van dit wetsvoorstel zowel aan het Lisv [het Landelijk instituut sociale verzekeringen dat per 1 januari 2002 is opgegaan in het UWV, A-G] als aan het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) gezonden met het verzoek deze van uitvoeringstechnisch commentaar te voorzien respectievelijk de toezichtbaarheidsaspecten daarvan te beoordelen.

Op 1 januari 2000 heeft het Lisv zijn commentaar op het conceptvoorstel van wet vastgesteld. Het Ctsv heeft zijn commentaar op 11 november 1999 vastgesteld.

(…)

Daarnaast wijst het Lisv erop dat het concept-wetsvoorstel geen duidelijke en volledige regeling van de bevoegdheden van de eigenrisicodrager geeft. Naar aanleiding van dit commentaar zijn wettekst en memorie van toelichting op enkele punten aangepast. Ook het commentaar van het Ctsv is aanleiding geweest tot enkele aanpassingen.” [cursivering A-G]

 

Wetsgeschiedenis van art. 52b ZW

 

3.21

De wetsgeschiedenis van art. 52b ZW gaat langer terug.

 

3.22

Art. 52b ZW luidde aanvankelijk als volgt:54

 

“1. Het bepaalde in het vorige artikel geldt ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte werkgever van de verzekerde, onderscheidenlijk ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte verzekerde, die in dienstbetrekking staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde jegens wie naar burgerlijk recht verplichting tot schadevergoeding bestaat, slechts indien de ongeschiktheid tot werken is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van die werkgever onderscheidenlijk verzekerde.

  1. Voor de toepassing van het vorige lid wordt mede als werkgever beschouwd degene, die krachtens het bepaalde bij het eerste lid van art. 16a der Coördinatiewet Sociale Verzekering mede als werkgever wordt beschouwd, ongeacht de bij het tweede lid van dat artikel bedoelde uitzonderingen.”

 

De invoering van dit art. 52b ZW (oud) werd voorgesteld in het parlementair vergaderjaar 1962/63, bij een wetsvoorstel dat strekte tot wijziging van de Ziektewet, waaronder het destijds vigerende art. 52 ZW (oud, en let op: zonder de toevoeging a of b).55 Dit art. 52b ZW (oud) is in werking getreden op 1 juli 1967.56

 

3.23

De tekst van art. 52b lid 2 ZW (oud) werd nadien gewijzigd bij de Invoeringswet Wfsv (nr. 3.17 hiervoor). In art. 4 onder E van deze wet staat het volgende:

 

“In artikel 52b, tweede lid, wordt «degene, die krachtens het bepaalde bij het eerste lid van artikel 16a der Coördinatiewet Sociale Verzekering mede als werkgever wordt beschouwd, ongeacht de bij het tweede lid van dat artikel bedoelde uitzonderingen» vervangen door: de inlener, bedoeld in artikel 34 van de Invorderingswet 1990.”

 

Deze wijziging is op 1 januari 2006 in werking getreden. De tekst werd aangepast, omdat art. 16a van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen (hierna: de CSV) zou komen te vervallen.57 Van een inhoudelijke wijziging wat betreft de hier beoogde gelijkstelling (de invulling van het begrip ‘werkgeverschap’) was geen sprake.

 

Art. 52b ZW is dus geboren in de jaren ’60 van de vorige eeuw. Het artikel werd ingevoerd bij een wetsvoorstel dat strekte tot wijziging van de Ziektewet (waaronder tot wijziging van het toen geldende art. 52 ZW (oud)). Het artikel trad in werking op 1 juli 1967. Nadien werd de tekst van het tweede lid gewijzigd bij de Invoeringswet Wfsv. Sindsdien wordt in art. 52b lid 2 ZW niet langer verwezen naar art. 16a CSV, maar naar art. 34 Iw 1990. Van een inhoudelijke wijziging was echter geen sprake.

 

3.24

Ik maak nu eerst enkele opmerkingen over art. 52b lid 1 ZW (oud). Daarna kom ik nog terug op art. 52b lid 2 ZW (oud).

 

3.25

In het in nr. 3.22 hiervoor bedoelde wetsvoorstel (parlementair vergaderjaar 1962/63) werden de volgende wijzigingen van de Ziektewet, zoals die toen luidde, voorgesteld:58

 

“Artikel XXV

Artikel 52 van de Ziektewet wordt gelezen als volgt:

 

“Artikel 52. Bij de vaststelling van de schadevergoeding, waarop de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kan maken ter zake van zijn ongeschiktheid tot werken wegens ziekte, houdt de rechter rekening met de aanspraken, die hij krachtens deze wet heeft.”

 

Artikel XXVI

Na artikel 52 van de Ziektewet worden twee nieuwe artikelen ingevoegd, luidende als volgt:

 

“Artikel 52a. De bedrijfsvereniging heeft voor de krachtens deze wet gemaakte kosten verhaal op degene, die in verband met het veroorzaken van ongeschiktheid tot werken jegens de verzekerde naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag, waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag, gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de verzekerde naar burgerlijk recht is gehouden.

 

Artikel 52b. 1. Het bepaalde in het vorige artikel geldt ten aanzien van de werkgever van de verzekerde, die naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, slechts, indien de ongeschiktheid tot werken is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van die werkgever.

  1. Voor de toepassing van het vorige lid wordt mede als werkgever beschouwd degene, die krachtens het bepaalde bij het eerste lid van artikel 16a der Coördinatiewet Sociale Verzekering mede als werkgever wordt beschouwd, ongeacht de bij het tweede lid van dat artikel bedoelde uitzonderingen”.”

 

3.26

Voorgesteld werd dus (i) de tekst van art. 52 ZW (oud) te wijzigen en (ii) na dat artikel twee nieuwe artikelen (52a en 52b) in te voegen. In de memorie van toelichting staat hierover het volgende:59

 

“Artikelen XXV en XXVI

De voorgestelde artikelen 52, 52a, en 52b van de Ziektewet bevatten met betrekking tot de invloed van de bepalingen van de Ziektewet op die van het burgerlijk recht een overeenkomstige voorziening als de artikelen 89 t/m 91 van de voorgestelde arbeidsongeschiktheidsverzekering. Voor een nadere toelichting moge worden verwezen naar § 5 van hoofdstuk III van het algemeen deel van de toelichting op bedoeld wetsontwerp.”

 

Hier wordt de lezer dus verwezen naar de toelichting op een gerelateerd wetsvoorstel (het betreft het wetsvoorstel strekkende tot invoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: de WAO)),60 om precies te zijn naar § 5 van hoofdstuk III van het algemeen deel van die toelichting.

 

3.27

Van dit gerelateerde wetsvoorstel (strekkende tot invoering van de WAO) maakten de volgende bepalingen deel uit:61

 

“Artikel 89. Bij de vaststelling van de schadevergoeding, waarop de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kan maken ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid, houdt de rechter rekening met de aanspraken, die hij krachtens deze wet heeft.

 

Artikel 90. 1. De bedrijfsvereniging heeft voor de krachtens deze wet gemaakte kosten verhaal op degene, die in verband met het veroorzaken van arbeidsongeschiktheid jegens de verzekerde naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag, waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag, gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de verzekerde naar burgerlijk recht is gehouden.

  1. Overeenkomstig door Onze Minister te stellen regelen kan de bedrijfsvereniging in plaats van het bedrag der periodieke verstrekkingen de contante waarde daarvan vorderen.

 

Artikel 91. 1. Het bepaalde in het vorige artikel geldt ten aanzien van de werkgever van de verzekerde, die naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, slechts, indien de arbeidsongeschiktheid is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van die werkgever.

  1. Voor de toepassing van het vorige lid wordt mede als werkgever beschouwd degene, die krachtens het bepaalde bij het eerste lid van artikel 16a der Coördinatiewet Sociale Verzekering mede als werkgever wordt beschouwd, ongeacht de bij het tweede lid van dat artikel bedoelde uitzonderingen.”

 

3.28

In § 5 van hoofdstuk III van het algemeen deel van de toelichting bij dit wetsvoorstel staat het volgende:62

 

“In het vorenstaande werd als algemeen beginsel voorop gesteld, dat de bedrijfsvereniging voor de kosten van de voorzieningen krachtens het voorgestelde ontwerp verhaal dient te hebben op de naar burgerlijk recht schadevergoedingsplichtige persoon.

De vraag rijst thans of het uitvoeringsorgaan in alle gevallen regres dient te hebben op de aansprakelijke persoon. De ondergetekende meent deze laatste vraag ontkennend te moeten beantwoorden. Hij is van oordeel, dat het uitvoeringsorgaan geen verhaal dient te hebben in de gevallen, waarin de voor de arbeidsongeschiktheid aansprakelijke persoon de werkgever van de gelaedeerde is. Deze werkgever betaalt immers zelf aan de arbeidsongeschiktheidsverzekering mee, juist (mede) omdat de gelaedeerde in zijn dienst werkzaam is.

Met de S.V.R. is de ondergetekende het eens, dat steeds een recht van verhaal van krachtens de voorgestelde verzekering te verstrekken of verstrekte voorzieningen moet worden gegeven, indien de aansprakelijke persoon de arbeidsongeschiktheid opzettelijk of bewust roekeloos heeft veroorzaakt. In deze gevallen dient ook de werkgever van een getroffene door de bedrijfsvereniging te kunnen worden aangesproken. In een en ander voorziet artikel 91 van het ontwerp.”

 

Dit betekent, kort gezegd, dat de in (art. 52b lid 1 ZW en) art. 91 lid 1 WAO opgenomen beperking van de mogelijkheid van verhaal op de werkgever van de verzekerde tot gevallen waarin de werkgever de arbeidsongeschiktheid van de verzekerde met opzet of bewuste roekeloosheid heeft veroorzaakt, in deze toelichting een verband heeft met de positie van de werkgever als iemand die ‘meebetaalt’ aan de publieke voorziening die (de Ziektewet en) de WAO vormde.63 Bij amendement is “dezelfde gunstige positie” ook voor de collega-werknemer ingevoerd.64 Nadien is door de Hoge Raad ten aanzien van art. 91 WAO wel verwezen65 naar “de geschiedenis van de totstandkoming van de overeenkomstige bepalingen van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (…) waaruit blijk dat de wetgever is uitgegaan van een zekere solidariteit ten opzichte van de uitvoeringsorganen van de sociale verzekering tussen al degenen die binnen een en dezelfde onderneming premie moeten betalen.”

 

In parlementair vergaderjaar 1962/63 werden dus wijzigingen van de Ziektewet voorgesteld. Art. 52 ZW (oud) werd gewijzigd, twee nieuwe artikelen – 52a en 52b – werden ingevoegd. Voor de toelichting hierop, en met name op art. 51b lid 1 ZW, moet men te rade gaan bij de toelichting op een gerelateerd wetsvoorstel, strekkende tot invoering van de WAO.

Dat de situatie van eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet hierin niet is betrokken, en de toelichting hier dus over zwijgt, verrast niet, nu de mogelijkheid van eigenrisicodragerschap toen nog niet bestond.

 

3.29

Ten aanzien van art. 52b lid 2 ZW (oud) wijs ik op het volgende.

 

3.30

De bepaling waarnaar art. 52b lid 2 ZW (oud) verwees, te weten art. 16a lid 1 CSV, luidde met ingang van 1 april 1960 als volgt:66

 

“1. Wanneer een werknemer met instandhouding van de dienstbetrekking tot zijn werkgever door deze ter beschikking is gesteld van een derde, om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn, is die derde tegenover het uitvoeringsorgaan hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de premie, onderscheidenlijk de voorschotpremie, welke de werkgever verschuldigd is in verband met het verrichten dier werkzaamheden door de werknemer. Het bepaalde in de artikelen 10-16 is ten aanzien van die derde van overeenkomstige toepassing. Deze wordt ter zake van de toepassing van de genoemde artikelen, alsmede ter zake van het instellen van beroep tegen een beslissing betreffende verschuldigde premie, mede als werkgever in de zin van deze wet beschouwd en geacht te zijn aangesloten bij het uitvoeringsorgaan, waarbij de werkgever is aangesloten.”

 

Dit art. 16a lid 1 CSV resulteerde dus, kort gezegd, in hoofdelijke aansprakelijkheid van de inlener voor onder meer de betaling van de premie die de werkgever verschuldigd is in het kader van de Ziektewet.67 Deze bepaling werd ingevoerd vanwege “het probleem van het z.g. uitlenen van arbeidskrachten”.68 Het probleem dat zich voordeed was dat premies voor de sociale verzekeringen uitsluitend verschuldigd waren door de werkgevers van de uitgeleende werknemers, die nauwelijks een loonadministratie voerden en soms even snel verdwenen als zij opgekomen waren en meer dan eens geen verhaal boden, waardoor in tal van gevallen van premiebetaling niet veel terechtkwam.69 Deze bepaling werd opgenomen in de CSV “aangezien deze wet de vaststelling en de inning van de verschuldigde premies regelt.”70 Welbeschouwd was hiermee een maatschappelijk belang gemoeid.

 

3.31

Ik maak nu een kleine sprong. Het wetsvoorstel (parlementair vergaderjaar 1959/60) dat voorzag in de invoering van dit art. 16a CSV stelde gelijktijdig invoering voor van onder meer een nieuw vijfde lid in het toenmalige art. 52 ZW (oud).71 In dit vijfde lid kan vrij eenvoudig de tekst van art. 52b lid 2 ZW (oud) en het huidige art. 52b lid 2 ZW worden herkend. Het vijfde lid luidde immers als volgt:

 

“5. Onder werkgever in de zin van dit artikel wordt mede verstaan degene, die krachtens het bepaalde bij het eerste lid van artikel 16a der Coördinatiewet Sociale Verzekering mede als werkgever wordt beschouwd, ongeacht de bij het tweede lid van dat artikel bedoelde uitzonderingen.”

 

Het toenmalige art. 52 lid 1-4 ZW (oud), waaraan dus een vijfde lid zou worden toegevoegd, voorzag, zakelijk weergegeven, in het volgende:72

 

– lid 1: indien een verzekerde ziekengeld ontvangt krachtens de Ziektewet, maar van de werkgever betaling van een verdere schadevergoeding eist bij de burgerlijke rechter, zal de rechter het bedrag van het ziekengeld in mindering brengen op de eventuele schadevergoeding die de werkgever moet betalen;

– lid 2- 3: is het hoofd of de bestuurder van de onderneming strafrechtelijk veroordeeld in verband met het veroorzaken van de arbeidsongeschiktheid, dan heeft degene, te wier laste het bedrag komt, dat door de verzekerde, zijn erfgenamen of zijn rechtverkrijgenden krachtens de Ziektewet wordt genoten, voor dat bedrag een rechtsvordering tegen de veroordeelde;

– lid 4: voor anderen dan de werkgever, geldt de eis van een strafrechtelijke veroordeling niet.73

 

3.32

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel staat het volgende over de voorgestelde invoering van (onder meer) dit vijfde lid:74

 

“Artikelen III, IV en V. Zoals bekend, regelen de artikelen 93 en 94 van de Ongevallenwet 1921, de artikelen 101 en 102 van de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en artikel 52 van de Ziektewet de beperking van de burgerrechtelijke verantwoordelijkheid van de werkgever. Zoals deze bepalingen thans luiden, geldt de beperking slechts voor de formele werkgever, niet voor de materiële. Aangezien de arbeid echter niet wordt verricht bij de formele werkgever, schieten de bepalingen in hun huidige tekst hun doel voorbij in de gevallen, waarin de werknemer door de formele werkgever wordt tewerkgesteld bij de materiële.

Er is geen reden de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de materiële werkgever onbeperkt te laten voortbestaan, daar de bij hem tewerkgestelde werknemer in dit opzicht immers in dezelfde situatie verkeert als het overige personeel. De werknemer kan nl. zeker zijn, in het genot van een ongevals- of ziekteuitkering te worden gesteld. Overeenkomstig het advies van de Sociale Verzekeringsraad is daarom voorgesteld ook voor de materiële werkgever de burgerrechtelijke aansprakelijkheid te beperken, welke ingevolge de hiervóór geciteerde wetten voor de formele werkgever geldt. Van de zijde van de Scheepvaartverenigingen Noord en Zuid is op zodanige beperking reeds aangedrongen.

Door de voorgestelde voorziening zal worden bereikt, dat de uitgeleende arbeider niet bij ongeval of ziekte de mogelijkheid heeft om zowel uitkering krachtens de sociale verzekering te genieten als verhaal te zoeken op de materiële werkgever op grond van de artikelen 1401-1407 B.W.”

 

Dit betekent dat, overeenkomstig een advies van de Sociale Verzekeringsraad en op aandringen van de Scheepvaartverenigingen Noord en Zuid, waarover ook nrs. 3.34-3.35 hierna, een vijfde lid werd toegevoegd aan art. 52 ZW (oud), waardoor een uitgeleende werknemer bij ongeval of ziekte niet de mogelijkheid zou hebben om zowel uitkering krachtens de sociale verzekering te genieten als verhaal te zoeken op de inlener op grond van art. 1401-1407 BW (oud). Een consequentie van die toevoeging was ook dat de op grond van art. 52 ZW (oud) geldende verhaalsbescherming van de werkgever, waardoor verhaal van Ziektewetuitkeringen op hem alleen mogelijk was in geval van – kort gezegd – een strafrechtelijke veroordeling, ook kwam te gelden voor de inlener.

 

In 1966 overwoog de Hoge Raad hieromtrent onder meer, in het kader van het bij voornoemd wetsvoorstel tevens aan de Ongevallenwet 1921 toegevoegde art. 94a, dat ook verwees naar art. 16a lid 1 CSV (“waarbij ook t.a.v. de in de artt. 93 en 94 van laatstgenoemde wet geregelde materie de positie van de materiele werkgever met die van de formele werkgever is gelijkgetrokken”), dat:75 “de ontheffing van de zogenaamde materiele werkgever van zijn burgerrechtelijke verantwoordelijkheid jegens de werknemer haar grondslag vindt in de bij de wet van 6 april 1960 op hem gelegde mede-aansprakelijkheid voor het betalen van de in art. 40 bedoelde en in de Coordinatiewet Sociale Verzekering nader omschreven premien;

dat vorenbedoeld verband weliswaar niet tot uitdrukking is gebracht in de MvT op de wijzigingswet van 6 april 1960, waarin t.a.v. het onderhavige punt wordt opgemerkt dat er geen reden is de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de materiele werkgever onbeperkt te laten voortbestaan, daar de bij hem tewerkgestelde werknemer in dit opzicht immers in dezelfde situatie verkeert als het overige personeel en er zeker van kan zijn in het genot van een ongevalsuitkering te worden gesteld, maar deze motivering, wat daarvan overigens moge zijn, blijkbaar slechts is bedoeld om aan te geven waarom de werknemer van de voorgestelde gelijkstelling geen schade zal ondervinden en niet om de rechtsgrond voor die gelijkstelling aan te geven; (…).”

 

3.33

Dit vijfde lid van art. 52 ZW (oud) werd toegevoegd en trad in werking op 28 april 1960.76 Dat art. 52 ZW (oud) is nadien dus weer gewijzigd, waarbij art. 52a ZW (oud) en art. 52b ZW (oud) zijn ingevoerd. Zie o.a. nr. 3.25 hiervoor.

 

3.34

Terzijde: de schriftelijke neerslag van het ‘aandringen’ van de Scheepvaart Vereeniging Noord en de Scheepvaart Vereeniging Zuid als bedoeld in die wetsgeschiedenis (zie nr. 3.32 hiervoor) vond ik, na enig speurwerk vanuit het parket, terug in het Nationaal Archief te Den Haag. Het gaat om een brief van 4 augustus 1958 aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. In de brief wordt erop gewezen dat in de havens van Amsterdam en Rotterdam twee soorten havenarbeiders actief zijn: (i) werknemers die in dienst zijn van de Stichting Samenwerkende Havenbedrijven (in de brief geduid als “S.H.B.”) respectievelijk de Centrale voor Arbeidsvoorziening (in de brief geduid als “C.v.A.”), en die door deze ‘distributieapparaten’ te werk worden gesteld bij havenondernemingen, en (ii) werknemers die rechtstreeks in dienst zijn bij voornoemde havenondernemingen. De scheepvaartverenigingen schreven:

 

“Excellentie,

 

Werkingssfeer artt. 93 en 94 Ongevallenwet 1921

 

Zoals wij in de circulaire d.d. 16 Juli j.l. No.52015 van de Sociale Verzekeringsraad hebben gelezen wordt het noodzakelijk geoordeeld als complement van het besluit van genoemde raad d.d. 30 Mei j.l. inzake de aansluiting bij een bedrijfsvereniging van werkgevers, die zich uitsluitend of ten dele bezig houden met het bezorgen dan wel uitlenen van arbeidskrachten, een wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering te bewerkstelligen. Daarmede wordt beoogd degenen, die van de diensten van uitgeleende arbeidskrachten gebruik maken, hiervan aangifte te laten doen, met als sanctie op een nalaten daarvan, een mede aansprakelijkheid voor de premiebetaling voor de diverse sociale verzekeringswetten ten aanzien van deze arbeidskrachten.

Deze omstandigheid geeft ons aanleiding Uw aandacht te vragen voor een probleem dat in de havens is gerezen na de verwezenlijking van het vaste dienstverband voor de eertijds “losse” havenarbeiders.

(…)

Tussen de onderneming waar de S.H.B. C.v.A.-arbeiders worden tewerkgesteld en deze werknemers bestaat dus geen dienstverband. Dit heeft tot gevolg dat de in artt. 93 en 94 van de Ongevallenwet 1921 geregelde beperking van de burgerrechtelijke verantwoordelijkheid van de werkgever niet van toepassing is op bedoelde ondernemingen. Het gevolg hiervan kan weer zijn dat een werknemer, in dienst van de S.H.B. of C.v.A., na een ongeval hem tijdens de arbeid in een onderneming overkomen, een civielrechtelijke actie kan instellen tegen deze onderneming. (…)

Wij zijn reeds enige malen geconfronteerd met de gevolgen van deze situatie, die tot consequentie heeft dat de werknemers van de distributie-apparaten in de havens in een andere – zo men wil gunstiger – positie verkeren dan de in rechtstreekse dienst van de onderneming zijnde werknemers. In enkele gevallen (…) zijn n.l. reeds civiele acties ingesteld. (…)

Het is voor de havengemeenschap en in het bijzonder voor de bij bovenaangehaalde gevallen betrokken ondernemingen vanzelfsprekend uiterst onaangenaam dat het grote goed van de invoering van volledige bestaanszekerheid voor alle werknemers in de havenbedrijven er toe heeft geleid dat de ondernemingen een extra risico te dragen krijgen, een risico dat door de wetgever welbewust voor de werkgever in het algemeen is uitgesloten. Dit verschil wordt nog geaccentueerd doordat de bij de S.H.B. resp. C.V.A. aangesloten ondernemingen zelf de premie voor de Ongevallenwet 1921 ten behoeve van de bij hen tewerkgestelde S.H.B. C.V.A.-arbeiders betalen voor de periode dat zij van deze arbeidskrachten gebruik maken.”

 

De twee scheepvaartverenigingen stonden dus gelijktrekking van de verhaalspositie van de inlener met die van de werkgever voor.

 

3.35

Nog een terzijde: de schriftelijke neerslag van het advies van de Sociale Verzekeringsraad als bedoeld in die wetsgeschiedenis (zie nr. 3.32 hiervoor) vond ik eveneens terug in het Nationaal Archief, wederom na enig speurwerk vanuit het parket. Bij brief van 15 oktober 1958 aan de staatssecretaris van Sociale Zaken adviseerde de Sociale Verzekeringsraad dat:

 

“voorkomen [dient] te worden, dat in deze havenondernemingen de geleende arbeiders, wat betreft de mogelijkheid om een civielrechtelijke actie te beginnen wegens een bedrijfsongeval, in een bevoorrechte positie verkeren vergeleken met de andere arbeiders, die wel in loondienst van de lenende werkgever zijn.”

 

De Sociale Verzekeringsraad concludeerde dat “er steekhoudende argumenten bestaan voor een wijziging van de Ongevallenwet 1921 als door de beide scheepvaartverenigingen wordt gewenst.”

 

Art. 52 ZW (oud) kende dus, sinds 28 april 1960, een vijfde lid, waarin vrij eenvoudig de tekst van art. 52b lid 2 ZW (oud) en het huidige art. 52b lid 2 ZW kan worden herkend. Dit vijfde lid werd overeenkomstig een advies van de Sociale Verzekeringsraad en op aandringen van de Scheepvaartverenigingen Noord en Zuid, toegevoegd aan art. 52 ZW (oud). Hierdoor zou een uitgeleende werknemer bij ongeval of ziekte niet de mogelijkheid hebben om zowel uitkering krachtens de sociale verzekering te genieten als verhaal te zoeken op de inlener op grond van art. 1401-1407 BW (oud). Een consequentie van die toevoeging was ook dat de op grond van art. 52 ZW (oud) geldende verhaalsbescherming van de werkgever, waardoor verhaal van Ziektewetuitkeringen op hem alleen mogelijk was in geval van – kort gezegd – een strafrechtelijke veroordeling, ook kwam te gelden voor de inlener.

 

Rechtspraak met betrekking tot art. 52b ZW

 

3.36

De Hoge Raad heeft zich bij herhaling uitgelaten over de in wetten op het gebied van de sociale verzekering vervatte beperking van het verhaalsrecht van de sociale verzekeraar, zoals die thans in het kader van de Ziektewet is vervat in art. 52b ZW. Blijkens deze rechtspraak verstaat de Hoge Raad de in dergelijke bepalingen tot uitdrukking komende verhaalsbescherming van de daarin bedoelde werkgever en collega-werknemer van de gelaedeerde sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw aldus, dat deze past in het in de genoemde wetten gevolgde systeem dat de sociale verzekeraar geen regres moet kunnen nemen op hen die tot ‘de kring der onderneming’ behoren. Daarbij is naar de aard geen sprake van een limitatieve opsomming van duidelijk afgebakende gevallen, maar van een meer open geformuleerde, contextuele maatstaf.

 

3.37

Een belangrijke uitspraak in dit verband betreft het arrest van 20 mei 1988.77 Daarin lag onder meer de vraag voor naar het beschermingsbereik van art. 52b ZW en art. 91 WAO. Het betrof een geval waarin twee gelaedeerden ieder werknemer waren van A (Euro Waste Fibers BV)78 en de sociale verzekeraar uit hoofde van regres op de voet van art. 52a ZW en art. 90 WAO niet A aansprak, maar B (Fireco BV, bestuurder van A) en C (F.R. Jackel, bestuurder van B) van wie de civielrechtelijke aansprakelijkheid jegens de gelaedeerden al rechtens vaststond.79 Het hof had, in navolging van de rechtbank, het beroep van B en C op art. 52b ZW en art. 91 WAO gehonoreerd, ofschoon zij noch de werkgever van de gelaedeerden waren (dat was immers A) noch tot A in dienstbetrekking stonden. Ter zake het tegen dit laatste gerichte middelonderdeel overwoog de Hoge Raad als volgt:

 

“3.2 Bij de beoordeling van het eerste onderdeel van het middel moet worden vooropgesteld dat, al wijst de Veiligheidswet 1934 als degene die tot naleving van de bij of krachtens die wet gegeven veiligheidsvoorschriften is verplicht, telkens aan: ‘het hoofd of de bestuurder der onderneming’, die veiligheidsvoorschriften, zoals mede blijkt uit art. 1 van de wet, in hoofdzaak ertoe strekken de werknemer te beschermen ; tegen den patroon, die hem roekeloos aan gevaar zou bloot stellen’ (citaat uit de MvT, Bijl. Hand. II 1931–1932, 217, nr. 3, blz. 7). Is de werkgever een natuurlijk persoon, dan vallen werkgever en ‘hoofd of bestuurder der onderneming’ samen; is de werkgever een rechtspersoon, dan is (de natuurlijke persoon die optreedt als) de bestuurder van de werkgever-rechtspersoon ‘hoofd of bestuurder der onderneming’; dat laatste geldt ook, in een geval als het onderhavige waarin de werkgever-rechtspersoon wordt bestuurd door een (andere) rechtspersoon, voor de bestuurder van deze laatste. De verplichtingen welke bij of krachtens de Veiligheidswet 1934 worden gelegd op het ‘hoofd of bestuurder der onderneming’ zijn derhalve naar hun aard werkgeversverplichtingen.

Schending van deze verplichtingen die arbeidsongeschiktheid ten gevolge heeft van een in de onderneming werkzame werknemer, leidt in beginsel tot aansprakelijkheid ter zake van de werkgever, maar de art. 52b Ziektewet en 91 WAO houden een uitsluiting van die aansprakelijkheid in voor wat betreft de door de sociale verzekeraar ter zake van die arbeidsongeschiktheid gemaakte kosten. Daarbij doet, ingevolge de bewoordingen van deze bepalingen, niet ter zake of de aldus beschermde werkgever een natuurlijk persoon dan wel een rechtspersoon is en geldt, zo dit laatste het geval is, de bescherming mede de natuurlijke persoon die optreedt als bestuurder van de werkgever-rechtspersoon (omdat die bestuurder in de regel tot die werkgever in dienstbetrekking zal staan). Tegen deze achtergrond brengt, mede gezien het beginsel van art. 6030202, lid 3, NBW, redelijke toepassing van meergenoemde bepalingen mee te aanvaarden dat de door die bepalingen geboden bescherming ook geldt indien de werkgever-rechtspersoon wordt bestuurd door een rechtspersoon, alsmede dat die bescherming zich dan mede uitstrekt niet slechts tot deze laatste, maar ook tot de natuurlijke persoon die deze bestuurder-rechtspersoon bestuurt en aldus in feite de taken en verplichtingen van de werkgever heeft te vervullen. Dat strookt ook met de in de rechtspraak inzake deze bepalingen te onderkennen lijn dat de sociale verzekeraar geen regres moet kunnen nemen op hen die tot de kring der onderneming behoren. [cursivering A-G]

‘s Hofs door het onderdeel bestreden oordeel is mitsdien juist en het onderdeel vergeefs voorgedragen.”

 

3.38

NJ-annotator Vranken wijst in zijn glossen bij dit arrest op twee obstakels die de Hoge Raad hier op zijn weg vond en trotseerde. Het eerste obstakel is dat tussen de gelaedeerden enerzijds en B en C anderzijds “strikt genomen” geen relatie van werknemer en werkgever bestond. Het tweede obstakel is dat in de procedure onduidelijk is gebleven of B en C meebetaald hebben aan de premies voor de betrokken sociale verzekeringen.80 Vranken noteert op verhelderende wijze dat waar de Hoge Raad hier op dat eerste obstakel uitvoerig inging, met een oplossing die erop neerkomt dat de Hoge Raad het civielrechtelijke begrip ‘aansprakelijkheid als werkgever’ oprekt voor de toepassing van art. 52b ZW en art. 91 WAO,81 het tweede obstakel ‘gemakkelijk te omzeilen was’, onder verwijzing naar het door mij gecursiveerde deel in het citaat:82

 

“Het heeft te maken met de achtergrond van art. 91 WAO, die gevormd wordt door de onderlinge solidariteit van werkgever en werknemers van een bedrijf. Berust deze solidariteit op het gezamenlijk betalen van de premie of op het behoren tot de kring van de onderneming? De A‑G constateert in haar conclusie sub nrs. 5 en 6 een verschuiving in de richting van dit laatste. De HR sluit zich hierbij aan. De omstandigheid dat in de procedure onduidelijk is gebleven of Fireco en Jackel meebetaald hebben aan de WAO-premie, staat er niet aan in de weg beide onder de werking van art. 91 WAO te brengen. Zij behoren tot dezelfde kring van de onderneming, waartoe ook de gelaedeerde behoorde. Het strookt dan ook met de in de rechtspraak te onderkennen lijn op hen geen regres toe te staan, aldus r.o. 3.2 i.f.”

 

Vrankens verwijzing naar hetgeen A-G Biegman-Hartogh constateerde in nrs. 5-6 van haar conclusie voor het arrest ziet op het volgende:83

 

“5. In de WAO en de Ziektewet heeft men aan de bedrijfsvereniging voor de door deze ten behoeve van een verzekerde gemaakte kosten een verhaalsrecht toegekend op degene die civielrechtelijk aansprakelijk is voor de schade; dit verhaalsrecht bestaat echter niet jegens de werkgever of een medewerknemer van de gelaedeerde (tenzij deze de arbeidsongeschiktheid opzettelijk of bewust roekeloos heeft veroorzaakt, waarover hieronder sub 12 e.v. meer). De reden voor de uitzonderingspositie van de werkgever was, dat hij zelf aan de verzekering meebetaalt (zie zitting 1962–1963 – 7171, nr. 3, m.v.t., p. 21 r.k. en 1964–1965, nr. 15, m.v.a., p. 11 r.k.; vgl. ook art. 16a Coordinatiewet Sociale verzekering, Wet van 6 april 1960, kamerstukken 5865, nr. 3, m.v.t., p. 3 l.k. en 4 ad art. III, IV en V).

 

  1. Kort na de invoering van de WAO is dan ook bij de uitleg van het begrip werkgever in art. 91 met het oog op de mogelijkheid van regres, veel waarde gehecht aan de vraag wie de premiebetalingen heeft verricht, zie HR 25 nov. 1966, NJ 1967, 259, m.nt. HB (p. 693 r.k.), met conclusie van de A-G mevr. Minkenhof op p. 694/695 en ook nog HR 7 nov. 1975, NJ 1976, 332, m.nt. ARB (zie p. 1011 r.k.), met uitvoerig over de wetsgeschiedenis de conclusie van Mr. Ten Kate (p. 1014 l.k.). In latere arresten werd de nadruk echter steeds meer verplaatst naar de ratio van de wet, het karakter van de betreffende sociale verzekering en de kring waarbinnen deze, gezien de solidariteitsgedachte, bescherming beoogt te bieden, zie HR 11 juni 1982, NJ 1983, 583 en HR 6 mei 1983, NJ 1983, 584, m.nt. FHJM. Het rechtstreeks verband tussen premiebetaling en verval van regres is, als ik goed zie, niet meer van doorslaggevend belang geacht in HR 20 mei 1983, NJ 1984, 649, m.nt. FHJM en HR 13 febr. 1987, NJ 1987, 602, m.nt. JBMV.”84

 

3.39

Uit daarop volgende arresten van de Hoge Raad – ik noem ze in nr. 3.40 hierna – blijkt dat de Hoge Raad de in 1988 (rov. 3.2, tweede alinea, laatste zin) onderkende en bevestigde lijn in de rechtspraak gericht heeft doorgetrokken en heeft verbreed naar andere sociale zekerheidswetgeving. Ik begrijp dit een en ander zo dat de Hoge Raad85 de verhaalsbescherming in bepalingen als art. 52b ZW telkens fundeert op het (voor toepassing van die bepalingen en ten opzichte van de risicodrager van de betreffende uitkering) toekennen van een zekere eenheid aan hen die behoren tot dezelfde ‘kring der onderneming’ als de gelaedeerde die de betreffende uitkering ontvangt, waardoor zij in zoverre ook vallen onder de bescherming van de betreffende sociale zekerheidswet en waarbij de redelijkheid daarvan besloten ligt in die betrokkenheid van deze actoren bij de onderneming. Niet alleen is deze kring en daarmee deze groep naar de aard ruimer dan de groep van degenen die binnen een en dezelfde onderneming premie (moeten) betalen onder de betreffende sociale zekerheidswet in verband met de betreffende uitkering, zoals het voorgaande onderstreept; de Hoge Raad verwijst in het arrest uit 1988 en nadien consequent niet meer naar, wat A-G Biegman-Hartogh in haar conclusie voor dat arrest noemt, het oude ‘criterium van de premiebetaling’.86 Het arrest uit 1988 markeert daarmee in de ontwikkeling van de rechtspraak op dit terrein klaarblijkelijk een zekere verschuiving (en verruiming) wat betreft de verhaalsbescherming van hier aan de orde zijnde bepalingen, zoals art. 52b ZW. Bepalend is daarin niet (meer) of een op de voet van zo’n bepaling aangesproken persoon bijdraagt aan de premiebetaling,87 maar of die persoon behoort tot ‘de kring der onderneming’, wat weer afhangt van de omstandigheden van het geval waaronder de positie van die persoon en hetgeen daarmee gepaard gaat.

Blijkens het zo-even geciteerde arrest van de Hoge Raad uit 1988 (zie nr. 3.37 hiervoor) is in geval van een natuurlijk persoon die bestuurder is van de rechtspersoon-bestuurder van de rechtspersoon-werkgever relevant dat die persoon “in feite de taken en verplichtingen van de werkgever heeft te vervullen”, met de daarbij horende risico’s. Zo zal bij de aan werknemers onder art. 52b lid 1 ZW toekomende verhaalsbescherming meespelen, wat de Hoge Raad al in 1983 noemt in het kader van art. 52b ZW en art. 91 WAO, de omstandigheid dat door het in dienst zijn bij dezelfde werkgever (ik lees: het binnen dat verband samenwerken) voor een werknemer een verhoogd risico bestaat dat juist diens collega-werknemers door zijn eventuele fouten schade zullen lijden:88

 

“De voormelde art. 52b en 91 – daargelaten de hier niet ter zake doende redenen die tot opneming daarvan in die wetten hebben geleid – werken in samenhang met de aan ieder van die artikelen voorafgaande bepalingen uit als een belangrijke bijkomende bescherming van de verzekerde, bestaande in een beperking van diens aansprakelijkheid onder meer jegens mede-verzekerden die bij dezelfde werkgever in dienst zijn en ten aanzien van wie derhalve in beginsel een verhoogd risico bestaat dat juist zij door zijn eventuele fouten schade zullen lijden.”89

 

Op het bepaalde in art. 52b lid 2 ZW, waaronder de ontstaansgeschiedenis van die bepaling, ben ik in nrs. 3.13-3.17 en 3.21-3.35 hiervoor ingegaan. In aanvulling daarop merk ik op dat de in art. 52b lid 2 ZW vervatte gelijkstelling van de inlener met de werkgever voor de toepassing van art. 52b lid 1 ZW (dat weer aansluit op art. 52a ZW) zich m.i. goed laat plaatsen in deze rechtspraak van de Hoge Raad. De inlener is immers op de voet van art. 34 Iw 1990 (waarnaar art. 52b lid 2 ZW ook verwijst) van rechtswege hoofdelijk aansprakelijk jegens de Belastingdienst voor, kort gezegd, de loonbelasting en de omzetbelasting verschuldigd door de uitlener in verband met de uitlening van de betreffende werknemer aan de inlener als bedoeld in die bepaling. Deze aansprakelijkheid ziet ook op verschuldigde sociale verzekeringspremies waaronder verschuldigde premies voor werknemersverzekeringen, waartoe ook de Ziektewet behoort. Zie nr. 3.17 hiervoor. Deze breed opgetuigde, van rechtswege werkende (en aldus voor de inlener onvrijwillige) inlenersaansprakelijkheid van art. 34 Iw 1990 en de daarmee gepaard gaande risico’s voor de inlener maken de in art. 52b lid 2 ZW vervatte gelijkstelling van de inlener met de werknemer voor doeleinden van de verhaalsbescherming die art. 52b lid 1 ZW biedt ook vanuit het door de Hoge Raad gehanteerde perspectief van hen die tot ‘de kring der onderneming’ behoren redelijk en goed te begrijpen.90

 

Zou een werkgever kiezen voor eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet, dan zou de inlenersaansprakelijkheid op de voet van art. 34 Iw 1990 van de inlener zich niet uitstrekken tot de betreffende Ziektewetpremie zolang de werkgever van de uitgeleende werknemer die premie, als eigenrisicodrager voor de Ziektewet, niet verschuldigd is. Dat staat m.i. evenwel niet eraan in de weg de inlener ook dan aan te merken als behorend tot ‘de kring der onderneming’ in voornoemde zin, mede met betrekking tot art. 52b ZW (en ik bepleit ook dat te doen). Ik kom daarop terug bij de behandeling van onderdeel I. Zie nrs. 3.43-3.53 hierna.

 

3.40

Voor de arresten van de Hoge Raad volgend op het arrest uit 1988 wijs ik in het bijzonder op de volgende drie.

Ten eerste het arrest van 7 december 1990,91 dat betrekking heeft op het destijds geldende art. 83c van de Ziekenfondswet (hierna ook: Zfw), een pendant van onder meer art. 52b ZW (in combinatie met het destijds geldende art. 83b Zfw, een pendant van art. 52a ZW). Daarin overwoog de Hoge Raad het volgende:

 

“3.2.1 Voorop moet worden gesteld dat ingevolge art. 83c het in art. 83b gegeven verhaalsrecht ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte werkgever van de verzekerde ‘slechts’ geldt indien het betreffende feit is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van de werkgever. De in deze bepaling tot uitdrukking komende beperking van de verhaalsmogelijkheid past in het ook in andere wetten op het gebied van de sociale verzekering (WAO, Ziektewet) gevolgde systeem dat de sociale verzekeraar geen regres moet kunnen nemen op hen die tot de kring der onderneming behoren (vgl. HR 20 mei 1988, NJ 1988, 1032, r.o. 3.2, tweede alinea, laatste zin). [cursivering A-G]

De omstandigheid dat De Vries in het onderhavige geval op grond van art. 1638x aansprakelijk is, brengt op zichzelf niet mee dat op hem door het Ziekenfonds regres kan worden genomen. De in art. 83c vervatte uitsluiting van het regres wordt alleen doorbroken in het geval van ‘opzet of bewuste roekeloosheid’: gezien het uitzonderingskarakter van deze bepaling zullen aan het aannemen van het daarin aangeduide geval zware eisen moeten worden gesteld.”92

 

Specifiek onder verwijzing naar rov. 3.2, tweede alinea, laatste zin, van dat arrest uit 1988, wordt in rov. 3.2.1, eerste alinea, van dit arrest uit 1990 de in art. 83c Zfw tot uitdrukking komende beperking van de verhaalsmogelijkheid ingepast in het ook in “andere wetten op het gebied van de sociale verzekering (WAO, Ziektewet) gevolgde systeem” dat de sociale verzekeraar “geen regres moet kunnen nemen op hen die tot de kring der onderneming behoren”. Dit arrest maakt in rov. 3.2.1, tweede alinea, ook duidelijk dat, gezien het uitzonderingskarakter van art. 83c Zfw, aan het aannemen van opzet of bewuste roekeloosheid als daarin bedoeld “zware eisen moeten worden gesteld”.

Hierop is weer voortgebouwd in het arrest van 4 oktober 1991.93 Daarin overwoog de Hoge Raad het volgende:

 

“3.2 Ingevolge art. 91 WAO, 52b Ziektewet en 83c Ziekenfondswet geldt het aan de bedrijfsvereniging, onderscheidenlijk het ziekenfonds toekomende verhaalsrecht ‘slechts’ indien het betreffende feit is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van de werkgever. De in deze bepalingen tot uitdrukking komende beperking van de verhaalsmogelijkheid past in het in deze wetten gevolgde systeem dat de sociale verzekeraar geen regres moet kunnen nemen op hen die tot de kring der onderneming behoren. Gezien dit uitzonderingskarakter van het bepaalde omtrent opzet en bewuste roekeloosheid van de werkgever zal niet spoedig mogen worden aangenomen dat daarvan sprake is. Vergelijk voor een en ander HR 7 dec. 1990, RvdW 1991, 6 (NJ 1991, 596; red.). [cursivering A-G]

Tegen deze achtergrond en gelet ook op hun positie in het maatschappelijk verkeer moet worden geoordeeld dat opzet of bewuste roekeloosheid van een kapitein of werktuigkundige bij de uitoefening van hun taak aan boord van een schip niet kan gelden als opzet of bewuste roekeloosheid van de werkgever in de zin van evenbedoelde bepalingen. De onderdelen 1a, 1b en 2 stuiten hierop af.

Onderdeel 1c faalt eveneens. Het hof heeft met juistheid geoordeeld dat de kapitein niet als orgaan van Anthony Veder kan worden beschouwd.

3.3.

Onderdeel 3 betoogt dat de beperking van evenbedoelde artikelen niet aan verhaal op de werkgever in de weg staat indien sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van een werknemer voor wie de werkgever op grond van art. 1403 lid 3 BW en/of art. 321K (oud) aansprakelijk is, ongeacht het antwoord op de vraag of ook van opzet of bewuste roekeloosheid van de werkgever zelf kan worden gesproken.

Voor dit betoog is noch in de tekst noch in het systeem noch in de geschiedenis van evenbedoelde artikelen van de sociale verzekeringswetten steun te vinden. Het onderdeel faalt derhalve.”

 

In rov. 3.2, eerste alinea, wordt het arrest uit 1990 samengevat. In rov. 3.3 wordt, in lijn daarmee, geoordeeld dat voor het opzijzetten van de aan de werkgever ingevolge art. 91 WAO, art. 52b ZW en art. 83 Zfw toekomende verhaalsbescherming vereist is dat van opzet of bewuste roekeloosheid van de werkgever zelf gesproken kan worden. Zoals rov. 3.2, tweede alinea, onderstreept, is daarvan niet snel sprake.

Hierop is weer voortgebouwd in het arrest van 27 november 2009.94 Daarin overwoog de Hoge Raad het volgende:

 

“3.4 Bij de beoordeling van het onderdeel moet het volgende worden vooropgesteld.

Ingevolge art. 83c Zfw geldt het in art. 83b Zfw aan het ziekenfonds toegekende verhaalsrecht ten opzichte van de naar burgerlijk recht aansprakelijke werkgever van de verzekerde ‘slechts’ indien het desbetreffende feit te wijten is aan opzet of bewuste roekeloosheid van de werkgever. De in deze bepaling tot uitdrukking komende beperking van de verhaalsmogelijkheid past in het in (onder meer) deze wet gevolgde systeem dat de sociale verzekeraar geen regres moet kunnen nemen op hen die tot de kring der onderneming behoren. Gelet op het uitzonderingskarakter van dit verhaalsrecht zal opzet of bewuste roekeloosheid van de werkgever in de zin van art. 83c Zfw niet spoedig mogen worden aangenomen. De omstandigheid dat de werkgever op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk is, brengt op zichzelf niet mee dat op hem door het ziekenfonds regres kan worden genomen (vgl. HR 7 december 1990, nr. 14065, LJN ZC0073, NJ 1991, 596; HR 4 oktober 1991, nr. 14322, LJN ZC0352, NJ 1992, 410). [cursivering A-G]

De – zware – eisen die voor het doorbreken van de in art. 83c Zfw vervatte uitsluiting van het verhaalsrecht aan opzet of bewuste roekeloosheid van de werkgever moeten worden gesteld, brengen mee dat het desbetreffende feit (het arbeidsongeval) in overwegende mate het gevolg dient te zijn van een, aan de leiding van de onderneming te wijten, falende organisatie van de bewuste, risicovolle, werkzaamheden binnen de onderneming van de werkgever, welke van dien aard is dat deze als opzet of bewuste roekeloosheid van de werkgever valt aan te merken.

Vorenbedoeld uitzonderingskarakter brengt voorts mee dat, indien in het kader van art. 83cZfw ter beantwoording van de vraag of het handelen of nalaten van een werknemer van een rechtspersoon als opzet of bewuste roekeloosheid van de rechtspersoon als werkgever kan gelden, in het algemeen bepalend zal zijn of diens positie binnen de kring van de onderneming in het maatschappelijk verkeer met die van de – voor de organisatie van de betrokken werkzaamheden verantwoordelijke – bestuurder van de rechtspersoon op één lijn gesteld kan worden.”

 

De toevoeging aan het arrest uit 1991 zit hier in rov. 3.4, derde-vierde alinea, die voor zich spreken.

 

Art. 6:107a BW

 

3.41

Dat brengt mij, ten slotte, bij art. 6:107a BW.95 Deze bepaling luidt als volgt:

 

“1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, houdt de rechter bij de vaststelling van de schadevergoeding waarop de gekwetste aanspraak kan maken rekening met de aanspraak op loon die de gekwetste heeft krachtens artikel 629, lid 1, van Boek 7 of krachtens individuele of collectieve arbeidsovereenkomst.

  1. Indien een werkgever krachtens artikel 629, lid 1, van Boek 7 of krachtens individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verplicht is tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid van de gekwetste het loon door te betalen, heeft hij, indien de ongeschiktheid tot werken van de gekwetste het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, jegens deze ander recht op schadevergoeding ten bedrage van de door hem betaalde loon, doch ten hoogste tot het bedrag, waarvoor de aansprakelijke persoon, bij het ontbreken van de loondoorbetalingsverplichting aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag, gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de gekwetste is gehouden.
  2. De in lid 2 bedoelde aansprakelijke is eveneens verplicht tot vergoeding van de door de werkgever gemaakte redelijke kosten ter nakoming van zijn in artikel 658a van Boek 7 bedoelde verplichtingen. De aansprakelijke kan hetzelfde verweer voeren dat hem jegens de gekwetste ten dienste zou hebben gestaan.
  3. Indien de aansprakelijke persoon een werknemer is, heeft de werkgever slechts recht op schadevergoeding indien de ongeschiktheid tot werken het gevolg is van diens opzet of bewuste roekeloosheid.”

 

3.42

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever bij de invoering van art. 6:107a BW gekeken heeft naar art. 52 ZW, art. 52a ZW en art. 52b ZW.96 De invoering van het regresrecht van de werkgever waarin art. 6:107a lid 2 BW voorziet, is te bezien tegen de achtergrond van de uitbreiding destijds van de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever bij ziekte of arbeidsongeschiktheid van een werknemer.97 Werkgevers kregen, ter compensatie van de toename van hun verantwoordelijkheden bij ziekte en arbeidsongeschiktheid, een wettelijk regresrecht.98 De regeling van enerzijds art. 52 ZW, art. 52a ZW en art. 52b ZW en van anderzijds art. 6:107a BW staan evenwel los van elkaar.

De eerstgenoemde regeling heeft al oude papieren en ziet op uitkeringen die op grond van de Ziektewet moeten worden gedaan door het UWV (het wettelijke uitgangspunt) of, sinds 2003, door een eigenrisicodrager voor de Ziektewet. Zie nrs. 3.7-3.35 hiervoor. De regeling van art. 6:107a BW is een stuk jonger, met een eigen ontstaansgeschiedenis, en ziet op loondoorbetalingen van een werkgever (in die hoedanigheid) op grond van het Burgerlijk Wetboek.99 Dit betekent niet dat er geen verband bestaat tussen de beide regelingen. Zo kan een werkgever eerst gebruik maken van de mogelijkheid die art. 6:107a lid 2 BW hem biedt, voor zover hij in die hoedanigheid door toedoen van een aansprakelijke derde verplicht is het loon van een zieke of arbeidsongeschikte werknemer door te betalen (en/of in lid 3 bedoelde kosten maakt); waarbij de verhaalsbescherming van art. 6:107a lid 4 BW geldt. En in aanvulling daarop (‘aanvullend’), maar dan als eigenrisicodrager en met betrekking tot een Ziektewetuitkering in de zin van art. 52a lid 1 ZW (of kosten als bedoeld in art. 52a lid 3 ZW), van de mogelijkheid die art. 52a lid 2 ZW hem biedt; waarbij art. 52b ZW geldt.

 

Waar de toelichting op art. 52a lid 2 ZW verwijst naar deze bepaling als “aanvullend” op art. 6:107a BW, dient dat m.i. in lijn met het voorgaande te worden begrepen. Zie nrs. 3.18-3.20 hiervoor en nr. 3.47 hierna.

 

Behandeling van de klachten

 

3.43

In onderdeel I verdedigt Flexpoint, zakelijk weergegeven, dat de in art. 52b ZW vervatte verhaalsbescherming ten gunste van de (aansprakelijke) inlener toepassing mist als niet het UWV, maar een eigenrisicodrager-ZW regres zoekt bij die inlener voor de door de eigenrisicodrager-ZW krachtens de Ziektewet gemaakte kosten als bedoeld in art. 52a ZW. De wetgever zou aan die situatie hebben voorbijgezien bij invoering van art. 52a lid 2 ZW én in die (dus niet voorziene) situatie zou rechtvaardiging voor een dergelijke verhaalsbescherming voor de inlener ontbreken. Daarmee valt in die situatie de positie van de regreszoekende eigenrisicodrager-ZW gelijk te stellen met de positie van de regreszoekende werkgever in art. 6:107a BW, aldus nog steeds, samengevat, Flexpoint.100 Op basis daarvan voert Flexpoint een aantal rechts- en motiveringsklachten aan.101 Zie nader nr. 3.2 hiervoor.

 

3.44

M.i. dient onderdeel I (en daarmee onderdeel II) te falen, gelet op het volgende.

 

3.45

Ik stel voorop dat Flexpoint als eigenrisicodrager-ZW onder meer Ziektewetuitkeringen heeft moeten doen, en heeft gedaan, aan haar ex-werknemer [betrokkene 1]. Zie o.a. nr. 3.6 hiervoor. Zowel het eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet als het regresrecht van de eigenrisicodrager-ZW is in de Ziektewet geregeld, zodat voor het bestaan en de reikwijdte van dat regresrecht de daarop betrekking hebbende bepalingen van de Ziektewet bepalend zijn: (exclusief) van toepassing zijn dus art. 52a ZW en 52b ZW. Zie nrs. 3.13-3.35 en 3.41-3.42 hiervoor. Het hof overweegt dit met recht in rov. 6.5.5, laatste zin (en in het verlengde daarvan in rov. 6.5.7, voorlaatste en laatste zin), waarna het overstapt op een bespreking van art. 52a ZW en art. 52b ZW. Art. 6:107a BW betreft een andere regeling, die losstaat van art. 52a ZW en art. 52b ZW en in het onderhavige geval niet van toepassing is. Het hof overweegt ook dit met recht in rov. 6.5.3, tweede alinea (hetzelfde geldt voor rov. 6.5.8).

 

3.46

Ik stel verder vast dat de tekst en systematiek van art. 52a ZW en art. 52b ZW, die helder en overzichtelijk zijn, geen steun bieden aan het door Flexpoint verdedigde in onderdeel I. Daaruit blijkt immers dat ook als een eigenrisicodrager-ZW regres zoekt bij een inlener voor, kort gezegd, de door de eigenrisicodrager-ZW krachtens de Ziektewet gemaakte kosten als bedoeld in art. 52a ZW, de inlener via art. 52b lid 2 ZW onder het bereik valt van de in art. 52b lid 1 ZW vervatte verhaalsbescherming. Zie nrs. 3.13-3.17 hiervoor. Flexpoint onderkent dat ook in onderdeel I, onder meer waar zij betoogt dat hier voorbij de tekst en de systematiek van de wet moet worden gezien.102

 

3.47

De wetsgeschiedenis van art. 52a lid 2 ZW maakt dit m.i. niet anders, in tegenstelling tot wat Flexpoint suggereert.103 Ook deze wetsgeschiedenis is helder en overzichtelijk. Zie nrs. 3.18-3.20 hiervoor. Dat de wetgever zich bij invoering van art. 52a lid 2 ZW niet bewust zou zijn geweest van de verhouding daarvan tot art. 52b lid 2 ZW (en via die bepaling tot art. 52b lid 1 ZW), acht ik minst genomen onwaarschijnlijk en, wat sterker gezegd, tamelijk vergezocht.

Immers, uit de toelichting op de Wet eigenrisicodragen Ziektewet blijkt de bedoeling van de wetgever om met art. 52a lid 2 ZW aan de eigenrisicodrager-ZW een eigen regresrecht toe te kennen dat in de plaats treedt van het regresrecht van het UWV in art. 52a ZW zoals dat bestond ten tijde van de invoering van de Wet eigenrisicodrager Ziektewet, en dus ook inclusief de beperkingen op dat regresrecht in art. 52b ZW. Het is blijkens de toelichting “dit regresrecht” van het UWV dat in geval van eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet toekomt aan de eigenrisicodrager-ZW, welk regresrecht, zo stelt art. 52b ZW buiten twijfel104 (naar welke bepaling de toelichting ook verwijst), beperkt wordt door de verhaalsbescherming in art. 52b ZW. Daarbij is relevant:

 

– dat de tekst en systematiek van art. 52a ZW en art. 52b ZW, waarvan art. 52a lid 2 ZW deel zou gaan uitmaken, evenzeer helder en overzichtelijk zijn: zie nrs. 3.13-3.17 hiervoor;

– dat de tekst van art. 52a lid 2 ZW (de eigenrisicodrager-ZW “treedt voor de toepassing van het eerste lid in de plaats van het [UWV]”) vergelijkbaar is met bijvoorbeeld de bewoordingen van art. 63a lid 2 ZW (bij de uitvoering van art. 63a lid 1 ZW “treedt” de eigenrisicodrager-ZW voor de toepassing van art. 28 lid 1, 29g lid 2, 30 lid 3, 37 lid 1 en 39 lid 1-2 ZW “in de plaats van het [UWV]”) en aan duidelijkheid niet te wensen overlaat: zie nrs. 3.14-3.15 hiervoor;

– dat blijkens de toelichting de wetgever (extra) oog heeft gehad voor “de bevoegdheden van de eigenrisicodrager”, wat erop wijst dat de wetgever niet over één nacht ijs is gegaan:105 zie nr. 3.20 hiervoor;

– dat nergens in de toelichting blijkt dat de wetgever in het kader van eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet het daarmee te behalen voordeel voor een werkgever ook heeft betrokken op het wegvallen van de verhaalsbescherming die art. 52b ZW aan een inlener biedt:106 zie nrs. 3.7-3.12 hiervoor en nr. 3.52 hierna;

– dat ook in het Besluit eigenrisicodragen van 23 november 1994107 niets staat wat erop wijst dat bij eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet art. 52b lid 2 ZW toepassing zou missen: zie nr. 3.9 hiervoor.

 

Kortom: de conclusie moet zijn dat de eigenrisicodrager-ZW met art. 52a lid 2 ZW niet een minder ruim of ruimer regresrecht heeft gekregen dan het UWV toekwam en toekomt in art. 52a ZW, maar hetzelfde regresrecht. Een in verhouding tot de inlener gunstiger regresrecht voor de eigenrisicodrager-ZW (door het dan wegvallen van de verhaalsbescherming van art. 52b ZW) behoorde niet tot het pakket waarin de wetgever met invoering van de Wet eigenrisicodrager Ziektewet heeft willen voorzien.108 Het hof overweegt ook dit met recht in rov. 6.5.7, laatste alinea, in het licht van rov. 6.5.6-6.5.7 (waarop, naar ik begrijp, ook ziet de verwijzing in rov. 6.5.8 naar “een uitdrukkelijk niet-toegekend regresrecht”). Anders gezegd: noch in de tekst noch in het systeem noch in de wetsgeschiedenis van art. 52a ZW en art. 52b ZW is steun te vinden voor de stelling dat een eigenrisicodrager-ZW die op de voet van art. 52a lid 2 ZW regres zoekt bij een inlener niet de verhaalsbescherming van art. 52b ZW tegen zich heeft te laten gelden.

 

Het zijn ook juist deze aanknopingspunten die de Hoge Raad van oudsher betrekt in zijn rechtspraak over bepalingen als art. 52b ZW, Zie nrs. 3.36-3.40 hiervoor.

 

Daaraan doet niet af dat de toelichting wat betreft art. 52b ZW alleen rept van de daarin vervatte regeling ten aanzien van “de werkgever” en benadrukt dat aanpassing daarvan “niet noodzakelijk” is vanwege de invoering van art. 52a lid 2 ZW, in het licht van de vanzelfsprekendheid dat de eigenrisicodrager-ZW het door hem betaalde ziekengeld niet op zichzelf (als werkgever) zal verhalen.109 Gelet op het voorgaande bestond immers geen aanleiding om art. 52b ZW verder in de toelichting te betrekken, want daarin zou art. 52a lid 2 ZW geen verandering brengen. Daaraan doet evenmin af dat de toelichting art. 52a lid 2 ZW duidt als een “aanvulling” op art. 6:107a BW, gelet op nr. 3.42 hiervoor.110

 

3.48

Daarmee is duidelijk dat onderdeel I niet kan slagen, nu de eerste voorwaarde daarvoor (de wetgever heeft bij invoering van art. 52a lid 2 ZW de verhouding daarvan tot art. 52b lid 2 ZW niet voor ogen gehad) reeds onvervuld blijft. Zelfs als dat anders was geweest, had dat niet geleid tot een andere uitkomst, nu de tweede voorwaarde (kort gezegd: rechtvaardiging voor verhaalsbescherming van de inlener op de voet van art. 52b ZW zou ontbreken) evenmin vervuld is. Ik maak over dit laatste nog enkele opmerkingen, die onderstrepen dat wat de wetgever m.i. bij invoering van art. 52a lid 2 ZW wel degelijk voor ogen heeft gehad ook leidt tot een redelijke toepassing van art. 52a ZW en art. 52b ZW, zowel in geval het UWV het risico draagt (het wettelijke uitgangspunt) als in geval van eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet.111 Daaruit blijkt ook dat de omstandigheden die Flexpoint verder noemt,112 het voorgaande onverlet laten.

 

3.49

Het wettelijke uitgangspunt is dus dat het UWV risicodrager is voor de Ziektewet: de keuze van een werkgever eigenrisicodrager-ZW te zijn, vormt de uitzondering op deze standaardpositie.

 

Dat uitgangspunt is in de praktijk ook het normaaltype, gelet op de beschikbare cijfers: eind 2019 is 96% van de werkgevers voor het Ziektewet-risico publiek verzekerd, slechts 4% is eigenrisicodrager-ZW (circa 15.400 op een totaal van 410.000 werkgevers in Nederland).113 Zie nr. 3.11 hiervoor.

 

Flexpoint voert – terecht – niet aan dat in dat uitgangspunt art. 52b lid 2 ZW toepassing mist: zoekt het UWV regres bij de inlener op de voet van art. 52a ZW, dan dient het de verhaalsbescherming die art. 52b ZW de inlener biedt tegen zich te laten gelden. In wezen leidt het in onderdeel I door Flexpoint verdedigde114 tot een fundamentele stelselwijziging binnen het samenspel van art. 52a ZW en art. 52b ZW, in die zin dat de verhaalsbescherming van de inlener dan significant zou verslechteren ten opzichte van voornoemd uitgangspunt (vanwege het wegvallen voor hem van de bescherming die art. 52b ZW biedt) doordat de werkgever ervoor kiest eigenrisicodrager-ZW te zijn en zo in de plaats van het UWV te treden, mogelijk zelfs tijdens een lopende inlening van een werknemer.115 De vraag rijst wat zo’n wijziging zou rechtvaardigen.

Voor zover Flexpoint die rechtvaardiging erin zoekt dat in geval van eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet niet het UWV risicodrager is wat betreft het doen van uitkeringen en het maken van kosten als bedoeld in art. 52a leden 1 en 3 ZW, maar de werkgever die ervoor kiest eigenrisicodrager-ZW te zijn,116 wijs ik erop dat nu (ook) het UWV als risicodrager het bepaalde in art. 52b ZW tegen zich moet laten gelden, in de verplaatsing van dat risico naar de eigenrisicodrager-ZW die rechtvaardiging logischerwijs niet gevonden kan worden. Voor zover Flexpoint die rechtvaardiging erin zoekt dat de eigenrisicodrager voor de Ziektewet, anders dan het UWV (dat “bij premie-inning zowel de uitlener als de inlener kan aanspreken”), geen Ziektewetpremie “int”,117 wijs ik erop dat dit evenmin opgaat: ook het UWV “int” geen Ziektewetpremie,118 maar moet niettemin het bepaalde in art. 52b ZW tegen zich laten gelden. Voor zover Flexpoint daarmee bedoelt dat, anders dan Ziektewetuitkeringen door het UWV, Ziektewetuitkeringen door een eigenrisicodrager-ZW – niet uit afgedragen premies, maar – uit eigen middelen worden gefinancierd, is dat weliswaar een verschil met het uitgangspunt waarin het UWV risicodrager is voor de Ziektewet, maar zie ik daarin evenmin een rechtvaardiging. Dat is immers onder meer de voorzienbare consequentie van een vrijwillige keuze (een ondernemersbeslissing) van een werkgever om eigenrisicodrager-ZW te zijn en waar de inlener buiten staat, waarmee voor die werkgever een (fikse) verlaging van premielasten gepaard gaat gekoppeld aan de mogelijkheid daarmee eigen voordeel te behalen via het vervolgens laag houden van kosten ter zake (mede door het nodige aan verzuimpreventie te doen), en waarbij de eigenrisicodrager-ZW ook kan kiezen voor een private verzekering om risico’s ter zake af te dekken. Onderdeel van de eigenrisicodragerschap-faciliteit onder de Ziektewet als beoogd (en van de nodige waarborgen voorzien) door de wetgever is níet dat gerelateerd (potentieel) voordeel voor de eigenrisicodrager-ZW óók bestaat uit het verslechteren van de aansprakelijkheidspositie van derden, in het bijzonder van een inlener door het wegvallen van de verhaalsbescherming van art. 52b ZW. Zie nrs. 3.9-3.12 hiervoor en (nader) nr. 3.52 hierna. Dit alles raakt op zichzelf (dus) niet de positie van een inlener.

 

Zie in dit verband ook de samenvatting door het hof in rov. 6.2.3 van hetgeen de kantonrechter overwoog, waaronder: “De kantonrechter vermocht niet in te zien waarom, ook al is Flexpoint geen sociaal verzekeraar, haar meer rechten zou toekomen dan het UWV. De aanwijzing van eigenrisicodrager levert Flexpoint een korting op in de afdracht van sociale premies. De consequentie daarvan is dat kosten welke bij niet-risicodragers voor rekening van het UWV komen voor rekening van de eigenrisicodrager komen. Bij de aanvang tot eigenrisicodrager heeft Flexpoint een afweging gemaakt en gekozen voor die variant.”

 

Voor zover Flexpoint die rechtvaardiging erin zoekt dat een inlener als klant van een uitzendonderneming (de eigenrisicodrager-ZW) “niet premieplichtig” is,119 wijs ik erop dat ook als het UWV risicodrager is voor de Ziektewet de inlener “niet premieplichtig is”120 en dat het UWV dan niettemin het bepaalde in art. 52b ZW tegen zich moet laten gelden. Ook die vlieger gaat dus niet op. Wat overblijft is op de keper beschouwd het argument dat nu een uitlener als eigenrisicodrager-ZW geen Ziektewetpremie afdraagt, de hoofdelijke aansprakelijkheid van de inlener op de voet van art. 34 Iw 1990 met betrekking tot de ingeleende werknemer zich niet ook uitstrekt over die premie.121 Daarin zit inderdaad een ook de inlener rakend relevant verschil met het uitgangspunt waarin het UWV risicodrager is voor de Ziektewet, en daarin zou de door Flexpoint gezochte rechtvaardiging dan, in essentie, gevonden moeten worden. Ik meen evenwel dat dit – ook met inachtneming van het voorgaande – niet toereikend is om in geval van eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet de verhaalsbescherming van art. 52b ZW aan de inlener te ontzeggen,122 en zo tot een fundamentele stelselwijziging binnen het samenspel van art. 52a ZW en art. 52b ZW te komen. Ik wijs daartoe op het volgende.

 

3.50

Blijkens bestendige rechtspraak van de Hoge Raad past de mede in art. 52b ZW tot uitdrukking komende beperking van de verhaalsmogelijkheid in het ook in andere wetten op het gebied van de sociale verzekering gevolgde systeem dat de sociale verzekeraar geen regres moet kunnen nemen op hen die tot ‘de kring der onderneming’ behoren.123 Blijkens diezelfde rechtspraak is deze kring naar de aard ruimer dan, kort gezegd, de groep van degenen die binnen een en dezelfde onderneming bijdragen aan premiebetaling onder de betreffende sociale zekerheidswet.124 Dat een persoon niet in die groep zit, laat onverlet dat hij binnen die kring kan vallen: dat eerste alleen kan daarom niet bepalend zijn. Gelet op de breed opgetuigde, van rechtswege werkende en in die zin voor de inlener onvrijwillige inlenersaansprakelijkheid van art. 34 Iw 1990 en de daarmee gepaard gaande risico’s voor de inlener met betrekking tot de ingeleende werknemer (de verzekerde onder de betreffende sociale zekerheidswet), valt deze inlener ter zake binnen die kring. Zie nrs. 3.17 en 3.36-3.40 hiervoor.

Deze rechtspraak laat zich ook toepassen als niet het UWV risicodrager is voor de Ziektewet, maar een werkgever die ervoor kiest eigenrisicodrager-ZW te zijn, aldus dat de verhaalsbescherming van art. 52b ZW meebrengt dat het UWV of de eigenrisicodrager-ZW geen regres moet kunnen nemen op hen die ter zake tot ‘de kring der onderneming’ behoren.125 Dat past niet alleen bij de realiteit dat, ook in geval van eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet, er personen (actoren) zijn die behoren tot dezelfde ‘kring der onderneming’ als de gelaedeerde (die Ziektewetuitkeringen ontvangt). Aan hen kan, voor de toepassing van art. 52b ZW, ten opzichte van degene die gehouden is om uit te keren (het UWV of de eigenrisicodrager-ZW) een zekere eenheid worden toegekend, waardoor zij in zoverre ook vallen onder de bescherming van de Ziektewet. De redelijkheid daarvan ligt besloten in de relevante betrokkenheid van deze actoren bij de onderneming. Het past ook in het systeem van art. 52a ZW en art. 52b ZW, nu de eigenrisicodrager-ZW met art. 52a lid 2 ZW hetzelfde regresrecht heeft gekregen als toekomt aan het UWV.126 Zie nrs. 3.18-3.20 hiervoor. Het past verder in de bestendige lijn in de rechtspraak dat de verhaalsbescherming van (onder meer) art. 52b ZW ver reikt. Zie nrs. 3.36-3.40 hiervoor.

Het strookt m.i. met het voorgaande om ook ingeval van eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet de inlener voor de toepassing van art. 52b ZW binnen die kring te laten vallen, waar voor hem inlenersaansprakelijkheid op de voet van art. 34 Iw 1990 geldt met betrekking tot de ingeleende werknemer (de verzekerde onder de Ziektewet).

 

Een hoofdelijke aansprakelijkheid van de inlener waarvan dan onderdeel is en blijft de aansprakelijkheid voor alle andere sociale zekerheidspremies (dan Ziektewetpremie) die ter zake verschuldigd zijn door de uitlener als werkgever (naast de aansprakelijkheid voor loonbelasting en omzetbelasting die verschuldigd zijn door de werkgever), en waardoor de betrokkenheid van de inlener ook betrekking heeft op de rechtspositie van de uitlener zelf, nu zij ter zake hoofdelijk schuldenaren zijn. Onder die hoofdelijke aansprakelijkheid valt in beginsel ook de door de werkgever verschuldigde Ziektewetpremie: dit onderdeel valt pas weg waar de werkgever ervoor heeft gekozen eigenrisicodrager onder de Ziektewet te zijn. Zie o.a. nr. 3.17 hiervoor. Ik wijs erop dat voor lang niet al die sociale zekerheidswetten eigenrisicodragerschap mogelijk is: zie nr. 3.11 hiervoor. Dit alles kleurt m.i. de inlenersaansprakelijkheid van art. 34 Iw 1990 op hier relevante wijze.

 

De betrokkenheid bij de onderneming van de inlener via deze inlenersaansprakelijkheid op de voet van art. 34 Iw 1990 als zodanig is daarvoor dan in beginsel dragend en voldoende, waaraan (dus) niet afdoet dat Ziektewetpremie niet ook onder deze aansprakelijkheid valt waar de werkgever heeft gekozen voor eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet: dit laatste ‘doorbreekt’, anders gezegd, die betrokkenheid (solidariteit) niet.127 Vanuit het perspectief van zowel het regreszoekende UWV als de regreszoekende eigenrisicodrager-ZW behoort de inlener dan dus, voor de toepassing van art. 52b ZW, tot ‘de kring der onderneming’, net zoals de collega-werknemers van de verzekerde onder de Ziektewet.128

Ik breng hier in herinnering het arrest van de Hoge Raad uit 1988. Waar blijkens dat arrest (thans) het UWV een op art. 52b ZW gebaseerd ‘werkgeversverweer’ van een indirecte bestuurder van de werkgever-rechtspersoon tegen zich moet laten werken vanwege diens betrokkenheid bij de onderneming,129 ongeacht of die persoon bijdraagt aan de Ziektewetpremie met betrekking tot – kort gezegd – de door het UWV gedane Ziektewetuitkeringen,130 valt niet in te zien waarom een eigenrisicodrager-ZW een op art. 52b ZW gebaseerd ‘werkgeversverweer’ van een inlener wel terzijde zou mogen schuiven niettegenstaande de betrokkenheid van de inlener bij de onderneming via diens inlenersaansprakelijkheid op de voet van art. 34 Iw 1990, enkel omdat Ziektewetpremie (die door de eigenrisicodrager-ZW niet verschuldigd is) dan niet valt onder die aansprakelijkheid. Zie nrs. 3.36-3.40 hiervoor. M.i. zijn deze situaties bij de toepassing van art. 52b ZW in verbinding met art. 52a ZW op één lijn te stellen en dient daarin geen onderscheid te worden gemaakt ten nadele van de inlener. In de andere benadering, waarin dat enkele Ziektewetpremie-onderdeel dus wel bepalend zou zijn (hier resulterend in een nogal benepen invulling van die betrokkenheid), wordt voor de toepassing van art. 52b ZW in verbinding met art. 52a ZW onvoldoende betekenis toegekend aan zowel die rechtspraak als de inlenersaansprakelijkheid op de voet van art. 34 Iw 1990 als zodanig.

 

Ik wijs ook erop dat de oudere rechtspraak van de Hoge Raad (waarin dus met name werd gekeken naar het aspect van premiebetaling) hieraan niet in de weg zou hoeven staan, nog daargelaten dat die oudere rechtspraak is gevolgd door de uitspraken in de afgelopen ruim drie decennia, waarover hiervoor. In het arrest uit 1966 hechtte de Hoge Raad immers ook belang aan het bredere bereik van art. 16a lid 1 CSV (waarvoor thans art. 34 lid 1 Iw 1990 kan worden gelezen, dat weer breder is opgetuigd dan art. 16a lid 1 CSV), waar hij verwijst naar de in die bepaling op de inlener “gelegde mede-aansprakelijkheid voor het betalen van de in art. 40 bedoelde en in de Coordinatiewet Sociale Verzekering nader omschreven premien”. Zie nr. 3.32 hiervoor. In het arrest uit 1975 verwees de Hoge Raad generiek naar “een zekere solidariteit ten opzichte van de uitvoeringsorganen van de sociale verzekering tussen al degenen die binnen een en dezelfde onderneming premie moeten betalen”, waaronder gelet op art. 34 Iw 1990 altijd ook de inlener valt: ook bij eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet blijven er immers socialezekerheidspremies verschuldigd door de werkgever, waarvoor de inlener hoofdelijk aansprakelijk is. Zie nrs. 3.17 en 3.28 hiervoor.131

 

Het aldus in stand blijven van art. 52b ZW ingeval van eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet kan mede worden gezien als passende compensatie van de inlener voor diens inlenersaansprakelijkheid op de voet van art. 34 Iw 1990, die ook raakt aan het maatschappelijk belang dat daaronder vallende belastingen en socialezekerheidspremies worden voldaan. Zie nr. 3.30 hiervoor.132

 

3.51

Daarbij speelt nog meer.

De hier voorgestane benadering (in lijn met de door kantonrechter en hof bereikte uitkomst in het onderhavige geval) voorkomt dat bij eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet een collega-werknemer van de verzekerde onder de Ziektewet (zoals een mede-uitzendkracht, in dienst bij dezelfde uitzendonderneming) wel de verhaalsbescherming van art. 52b ZW zou toekomen,133 maar de inlener daarvan uitgesloten zou moeten worden, niettegenstaande diens inlenersaansprakelijkheid op de voet van art. 34 Iw 1990. Dat is m.i. geen evenwichtig resultaat, gelet op de ongelijke behandeling van (althans voor doeleinden van art. 52b ZW) in wezen vergelijkbare gevallen die dan zou ontstaan.

Deze benadering voorkomt verder dat, bezien vanuit de verhaalsbescherming van de inlener onder art. 52b ZW,134 verschil zou ontstaan tussen eigen werknemers van de inlener en door hem ingeleende werknemers van een uitlener die eigenrisicodrager-ZW is.

 

Is de inlener aansprakelijk jegens een eigen werknemer die Ziektewetuitkeringen van het UWV ontvangt, dan geldt de verhaalsbescherming van art. 52b ZW onverkort voor de inlener. Is de inlener evenwel aansprakelijk jegens een ingeleende werknemer die Ziektewetuitkeringen van de eigenrisicodrager ontvangt, dan zou in de door Flexpoint voorgestane lijn die verhaalsbescherming niet werken voor de inlener niettegenstaande diens inlenersaansprakelijkheid op de voet van art. 34 Iw 1990, ook al is het toeval (willekeur) dat het een ingeleende werknemer betreft (niet een eigen werknemer) en ook al gaat het om naar de aard eenzelfde uitkering (een Ziektewetuitkering).

 

Dat is evenmin een evenwichtig resultaat, gelet op de ongelijke behandeling die dan zou ontstaan ,135 welke uitkomst ook zou wringen met de ontstaansgeschiedenis van art. 52b lid 2 ZW. Daaruit blijkt immers dat de wetgever geen reden heeft gezien de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de inlener onbeperkt te laten voortbestaan, daar “de bij hem tewerkgestelde werknemer” (de ingeleende werknemer) “in dit opzicht immers in dezelfde situatie verkeert als het overige personeel” (zijn eigen werknemers). Zie nr. 3.32 hiervoor.

 

Er zijn nog andere gevallen denkbaar waarin zo’n onevenwichtig resultaat dreigt, zoals de situatie waarin de inlener zowel ingeleende werknemers aan het werk heeft die uitgeleend zijn door een uitlener die níet eigenrisicodrager-ZW is, als ingeleende werknemers aan het werk heeft die uitgeleend zijn door een uitlener die wél eigenrisicodrager-ZW is. In de door Flexpoint voorgestane lijn zou de verhaalsbescherming van art. 52b ZW wél werken voor de inlener in het eerste geval (waarin het UWV regres zoekt op de voet van art. 52a ZW) en níet in het tweede geval (waarin de eigenrisicodrager-ZW regres zoekt op de voet van art. 52a lid 2 ZW) niettegenstaande diens inlenersaansprakelijkheid op de voet van art. 34 Iw 1990, ook al is het toeval (willekeur) of het een ingeleende werknemer betreft die is uitgeleend door een al dan niet eigenrisicodrager-ZW en ook al gaat het om naar de aard eenzelfde uitkering (een Ziektewetuitkering). In de hier voorgestane benadering kan deze complicatie zich evenmin voordoen.

 

De hier voorgestane benadering voorkomt in aanvulling daarop dat de rechtszekerheid rond art. 52a ZW en art. 52b ZW in het gedrang komt waardoor de complexiteit ter zake zou toenemen, wat te meer klemt bij een wettelijke bepaling met een evidente beschermingsstrekking zoals art. 52b ZW in verbinding met art. 52a ZW. De – ook volgens Flexpoint – eenduidige tekst en systematiek van deze bepalingen staat dan immers haaks op de invulling die daaraan zou worden gegeven, welke invulling dan niet kenbaar is uit de wet (waarop de praktijk zich, naar mag worden aangenomen, primair verlaat), ook niet bij benadering. Daarbij komt dat de rechtspositie van inleners onder art. 52b ZW dan door de tijd heen fors zou (kunnen) fluctueren, al naar gelang een uitlener kiest voor eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet (dan zou de verhaalsbescherming van art. 52b ZW plotseling wegvallen voor de inlener) en beëindiging daarvan (dan zou die verhaalsbescherming plotseling weer tot leven komen). Zie nr. 3.11 hiervoor. Dat komt mij evenmin wenselijk voor.

Zo er al aanleiding zou bestaan verandering te brengen in de vigerende regeling van art. 52a ZW en art. 52b ZW vanwege art. 52a lid 2 ZW en eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet als bepleit door Flexpoint in onderdeel I (ik zie dat dus niet), dan dient dat m.i. te lopen langs de route van het wetgevingsproces (net als de vigerende regeling), niet van rechtspraak. M.i. onderkent het hof dat terecht in rov. 6.5.7, slot.

 

3.52

Ik hecht ook waarde aan het volgende.

De keuze (in wezen een ondernemersbeslissing) van een werkgever om eigenrisicodrager-ZW te zijn, waaraan dat ‘eigen risico’ (met name het dan in beginsel zelf moeten financieren van Ziektewetuitkeringen) voorzienbaar inherent is, betreft een vrijwillige keuze van die werkgever, zonder dat het UWV daarom vraagt of dat een inlener daarmee iets van doen heeft of daarvan zelfs maar weet heeft. Een inlener heeft normaliter ook geen invloed erop of de werkgever dat verantwoord doet; ook dat ligt bij de werkgever zelf. Een werkgever die zich voor de vraag gesteld ziet of het verstandig is (indachtig ook de lusten en de lasten) eigenrisicodrager-ZW te worden, dient daarbij verschillende factoren af te wegen: de mate van ziekteverzuim van de eigen uitzendkrachten, de effectiviteit van het eigen re-integratiebeleid, de verplichtingen waaraan een eigenrisicodrager-ZW moet voldoen, etc. Hij moet voor zichzelf, al dan niet met behulp van (juridische) adviseurs, onder meer de financiële gevolgen van de overstap naar dat eigenrisicodragerschap inschatten. Dat is een verantwoordelijkheid van de werkgever, niet van een derde zoals een inlener. Zie nr. 3.11 hiervoor.

 

Onderdeel daarvan is de vraag naar het al dan niet beheersen van het met eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet gepaard gaande ‘eigen risico’ door middel van het sluiten van een private verzekering die dat risico (deels) afdekt, een vraag die in het verlengde ligt van de vraag naar het al dan niet worden van eigenrisicodrager-ZW. Daar staan kosten tegenover, maar eigenrisicodragerschap-ZW in combinatie met zo’n verzekering kan lucratiever zijn dan het wettelijke uitgangspunt waarin het UWV het risico voor de Ziektewet draagt en zo’n verzekering niet nodig is, maar wel Ziektewetpremies afgedragen moeten worden. Zie nr. 3.11 hiervoor.

 

Daartoe behoort ook de verhaalsbescherming die art. 52b ZW in verbinding met art. 52a ZW biedt aan de daarin genoemde actoren (anders dan de werkgever zelf), wat geen ingewikkelde regeling is. Zie nr. 3.14-3.15 hiervoor.

Een werkgever pleegt de keuze om eigenrisicodrager-ZW te zijn in de regel te maken met het primaire oogmerk daarmee over de hele linie per saldo noemenswaardig voordeel te behalen, in het bijzonder door Ziektekostenpremies te besparen over de werknemers die onder het eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet vallen en door aan dat eigenrisicodragerschap (mede via de nodige preventie) minder kosten kwijt te zijn dan die besparing oplevert; dat is (beoogd) eigen voordeel voor die werkgever, niet voor een inlener.136 En dát is ook de teneur in de toelichting op de Wet eigenrisicodragen Ziektewet. Zie nrs. 3.9-3.10 hiervoor. Nergens is mij uit de wetsgeschiedenis gebleken dat de wetgever in het kader van eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet het daarmee te behalen voordeel voor een werkgever óók heeft betrokken op het wegvallen van de verhaalsbescherming die art. 52b ZW aan een inlener biedt, wat dus ook zou neerkomen op een evenredig significante verslechtering van de rechtspositie van de inlener (afgezet tegen het wettelijke uitgangspunt waarin het UWV risicodrager is voor de Ziektewet). En dat ligt ook niet voor de hand, gelet op al het voorgaande, waaronder nrs. 3.50-3.51 hiervoor.

Zo het mogelijk is voor een inlener om afstand te doen van de verhaalsbescherming van art. 52b ZW,137 dient daaraan een overeenkomst tussen uitlener (eigenrisicodrager voor de Ziektewet) en inlener ten grondslag te liggen, niet een (ten minste mede) door eigen belang gedreven ‘ex parte’ keuze van die eerste partij om eigenrisicodrager-ZW te zijn.138

 

3.53

Kort en goed: wat betreft de verhaalsbescherming van een inlener als bedoeld in art. 52b ZW zou het in beginsel niet moeten uitmaken of het UWV dan wel een eigenrisicodrager-ZW bij die inlener regres zoekt op de voet van art. 52a ZW, en dat doet het m.i. rechtens dus ook niet.139

 

3.54

Tegen deze achtergrond bezie ik de rechts- en motiveringsklachten van Flexpoint.

 

3.55

Waar Flexpoint in nr. 2.32 van de procesinleiding klaagt dat de verwijzing door het hof in rov. 6.5.5 naar rov. 6.5.3 onbegrijpelijk is, gaat de klacht uit van een verkeerde lezing (zodat deze feitelijke grondslag mist), nu rov. 6.5.3 moet worden bezien in samenhang met rov. 6.5.4 dat aansluit op rov. 6.5.3 (het hof verwijst “met name” naar rov. 6.5.3, eerste alinea, en de daarin bedoelde wetsgeschiedenis, waarover nader rov. 6.5.4). Hetgeen het hof daar overweegt raakt wel (ook) aan de strekking van de Ziektewet, waarnaar het hof trouwens ook verwijst. De klacht faalt.140

 

3.56

Waar Flexpoint in nr. 2.34 van de procesinleiding klaagt dat het hof in rov. 6.5.6-6.5.8 op een rechtens onjuiste, althans onbegrijpelijke wijze ingaat op de betekenis die toekomt aan de daar bedoelde passage uit de wetsgeschiedenis van art. 52a lid 2 ZW (door ‘de zaak om te draaien’), faalt de klacht.

Het hof maakt met recht uit de toelichting op art. 52a lid 2 ZW op dat de wetgever met die (voorgestelde) bepaling niet heeft willen afdoen aan de reeds bestaande verhaalsbescherming van art. 52b ZW, dus niet “aan de eigenrisicodrager een regresrecht heeft willen toekennen dat een ruimere strekking heeft dan het eigen recht van het UWV” (rov. 6.5.7, laatste alinea). Het hof hoefde dat oordeel niet nader te motiveren om onbegrijpelijkheid te vermijden: het spreekt voor zich, in het licht ook van de heldere en overzichtelijke toelichting op art. 52a lid 2 ZW. Zie nrs. 3.18-3.20 en 3.46-3.48 (aangevuld met nrs. 3.49-3.53) hiervoor.

Daarbij betrek ik dat het hof, blijkens rov. 6.5.7, slotzin, en rov. 6.5.8, uitgaat van “een niet in de wet geregeld regresrecht” respectievelijk “een uitdrukkelijk niet-toegekend regresrecht”, wat terugslaat op de zo-even geciteerde overweging in rov. 6.5.7, laatste alinea (die is ingegeven door de in rov. 6.5.7 aangehaalde toelichting op art. 52a lid 2 ZW, en daarop aansluit). Dit laat zien dat de beoordeling door het hof van die passage wel degelijk uitsluit dat, wat Flexpoint in nr. 2.34 noemt, uit die passage “valt af te leiden dat de wetgever zich niet bewust is geweest van de gevolgtrekking van een letterlijke uitleg van art. 52b ZW in de context van een eigenrisicodrager”.

Voor zover Flexpoint dit laatste uit het oog verliest, gaat de klacht uit van een verkeerde lezing van rov. 6.5.6-6.5.8 en mist deze dus feitelijke grondslag.

Flexpoint mist voorts belang bij deze klacht nu, zelfs als de wetgever zich niet bewust was geweest van de verhouding van het ingevoerde art. 52a lid 2 ZW tot art. 52b lid 1-2 ZW als bedoeld door het hof, de uitkomst op basis van ‘een redelijke wetsuitleg’ dezelfde zou zijn als bereikt door het hof. Kort gezegd: ook bij een ex art. 52a lid 2 ZW op een inlener regres zoekende eigenrisicodrager-ZW is art. 52b lid 1-2 ZW van toepassing. Zie nrs. 3.48-3.53 hiervoor. De omstandigheden van het onderhavige geval brengen daarin geen verandering, nu dat geval gewoon binnen dat zo-even genoemde regime valt.141

 

3.57

Waar Flexpoint in nr. 2.36 van de procesinleiding als rechtens onjuist althans onbegrijpelijk aanmerkt dat het hof “de letterlijke tekst centraal [stelt]”, meent dat “het aannemen van een regresrecht buiten de grenzen van zijn ‘rechtsvormende taak’ valt”, en “oordeelt dat de discussie gaat over een ‘niet in de wet geregeld regresrecht’”, faalt de klacht.

Flexpoint meent kennelijk dat het hof daarmee, in rov. 6.5.7, laatste twee zinnen, het oog heeft op de vraag of aan Flexpoint als eigenrisicodrager-ZW een regresrecht toekomt, en daarbij over het hoofd ziet dat aan Flexpoint met art. 52a lid 2 ZW een in de wet geregeld regresrecht ís toegekend. Van dergelijk mistasten door het hof is evenwel geen sprake.

Het is evident dat het hof daarmee, gegeven zijn daaraan voorafgaande oordeel dat blijkens (de toelichting op) art. 52a lid 2 ZW Flexpoint als eigenrisicodrager-ZW niet een regresrecht toekomt met een ruimere strekking dan het regresrecht van het UWV op de voet van art. 52a ZW en art. 52b ZW, het oog heeft op de vraag of Flexpoint desondanks “een niet in de wet geregeld regresrecht” met zo’n ruimere strekking zou toekomen. Die vraag beantwoordt het hof terecht ontkennend, dáárbij betrekkend dat het naar zijn oordeel “zijn rechtsvormende taak te buiten [gaat] een zodanig regresrecht wel toe te kennen, althans aan te nemen”. Onbegrijpelijk is dit niet te noemen.

Anders dan Flexpoint meent in nr. 2.36 van de procesinleiding, beziet het hof dus wel degelijk in rov. 6.5.2-6.5.8 hoe art. 52b ZW moet worden uitgelegd met inachtneming van de tekst en systematiek, de totstandkomingsgeschiedenis en de strekking van de regeling in art. 52a ZW en art. 52b ZW, inclusief art. 52a lid 2 ZW. Dat is evenwel al gebeurd voordat het hof toekomt aan rov. 6.5.7, laatste twee zinnen, waarop Flexpoint zich hier richt. De klacht gaat zodoende uit van een verkeerde lezing van rov. 6.5.2-6.5.8 en mist daarmee dus feitelijke grondslag.

 

3.58

De klacht in de eerste zin van nr. 2.37 van de procesinleiding is wat lastig te volgen. Flexpoint verwijst daarbij niet naar (vindplaatsen in processtukken voor) in feitelijke instanties ingenomen stellingen die hier relevant zouden zijn, met onderbouwing waarom dat zo zou zijn.142 Voor zover deze klacht een reprise betreft van nr. 2.34, faalt het om de redenen uiteengezet in nr. 3.56 hiervoor. Ook overigens geldt wat daar staat.

Met recht, en niet onbegrijpelijk, oordeelt immers het hof dat, gelet ook op de toelichting op art. 52a lid 2 ZW, de wetgever met invoering daarvan niet heeft willen afdoen aan de in rov. 6.5.6 beschreven regeling van art. 52a ZW en art. 52b ZW: een eigenrisicodrager-ZW die op de voet van art. 52a lid 2 ZW regres zoekt op een inlener heeft de verhaalsbescherming van art. 52b ZW tegen zich te laten gelden, gelijk dat geldt voor het UWV als zij regres zoekt op de inlener op de voet van art. 52a ZW. Zie nrs. 3.18-3.20 en 3.46-3.48 (aangevuld met nrs. 3.49-3.53) hiervoor.

Voor zover de klacht ervan uitgaat dat het hof ter zake iets anders heeft geoordeeld, gaat deze uit van een verkeerde lezing van rov. 6.5.2-6.5.8 en mist deze dus feitelijke grondslag.

En zelfs als de wetgever zich niet bewust was geweest van de verhouding van het ingevoerde art. 52a lid 2 ZW tot art. 52b lid 1-2 ZW als bedoeld door het hof, zou de uitkomst op basis van ‘een redelijke wetsuitleg’ dezelfde zijn als bereikt door het hof (kort gezegd: ook bij een ex art. 52a lid 2 ZW op een inlener regres zoekende eigenrisicodrager-ZW is art. 52b lid 1-2 ZW van toepassing), reden waarom Flexpoint evenmin belang heeft bij deze klacht. Zie nrs. 3.48-3.53 hiervoor.

De bottom-line is eenvoudigweg dat ‘linksom of rechtsom’ het hof het bij het juiste eind heeft waar het tot de conclusie komt dat, kort gezegd, ook bij een ex art. 52a lid 2 ZW op een inlener regres zoekende eigenrisicodrager-ZW art. 52b lid 1-2 ZW van toepassing is. Zie nrs. 3.46-3.53 hiervoor. Kortom, de klacht kan hoe dan ook geen effect sorteren.

De klacht in de tweede zin van nr. 2.37 van de procesinleiding faalt om de redenen uiteengezet in nr. 3.56 hiervoor: het aangevallen oordeel van het hof ís gemotiveerd, en niet onbegrijpelijk of anderszins ontoereikend.143

De klacht in de derde zin van nr. 2.37 van de procesinleiding faalt, omdat deze uitgaat van een verkeerde lezing van rov. 6.5.2-6.5.8 en daarmee dus feitelijke grondslag mist. Het hof heeft evident niet willen zeggen “dat nu eenmaal de (letterlijke) wettekst voldoende grond is om te oordelen zoals het heeft gedaan”. Zie o.a. nr. 3.56 hiervoor.

 

3.59

Voor het overige zie ik geen klachten in de procesinleiding in het kader van onderdeel I. De (lange) aanloop naar nrs. 2.30-2.37 van de procesinleiding in onderdeel I heb ik hiervoor al betrokken: deze brengt geen verandering in de uitkomst.

 

Slotsom

 

3.60

Met het voorgaande is gegeven dat onderdeel I schipbreuk lijdt. Voor onderdeel II, de “veegklacht”, geldt dan logischerwijs hetzelfde. Beide onderdelen stranden.

 

4

De conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

 

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

 

A-G

 

1

Hof ’s-Hertogenbosch 26 februari 2019, zaaknummer: 200.209.061/01, ECLI:NL:GHSHE:2019:698, rov. 6.1.1-6.1.6.

2

Productie 3 bij de inleidende dagvaarding betreft een “Accident/Dangerous Occurence Report” van Acco Europe, gedateerd 3 mei 2011. Daarin staat dat [betrokkene 1] de middelvinger van zijn rechterhand heeft gebroken. Hij was bezig “the long forks” van een heftruck te verwijderen. Die lange vorken vielen vervolgens op zijn hand.

3

ABU staat voor Algemene Bond Uitzendondernemingen.

4

In productie 5 bij de dagvaarding is een e-mail opgenomen van een medewerker van ACE, de aansprakelijkheidsverzekeraar van Acco. In die e-mail van 12 april 2012 (11:11 uur) staat het volgende: “Aansprakelijkheid voor het [betrokkene 1] overkomen ongeval van 15 april 2011 is inmiddels door ons, namens onze verzekerde, erkend.”

5

Zie nr. 8 van de inleidende dagvaarding. Zie ook de weergave van de eis op de laatste pagina en de samenvatting van het hof in rov. 6.2.1.

6

Rb. Limburg (ktr.) 7 september 2016, zaaknummer: 4918893.

7

Zie ook de samenvatting van het hof in rov. 6.2.3.

8

De procesinleiding is in nrs. 2.4-2.29 in wezen ‘copy paste’-werk uit die opinie.

9

Het hof heeft hier een voetnoot geplaatst: “Zie onder (veel) meer: “Hartlief, Ieder draagt zijn eigen schade, Oratie Leiden, 1997, E.F.D. Engelhard & G.E. van Maanen, Aansprakelijkheid voor schade: contractueel en buitencontractueel (Monografieën BW, deel Al5, nr 1 e.v.) en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1V 2015 nrs 18 e.v.”

10

Het hof heeft hier een voetnoot geplaatst: “PG Inv 3, 5, en 6 Boek 6 blz. 1277 e.v.”

11

Art. 1407 lid 1 BW (oud) bepaalde: “Moedwillige of onvoorzigtige kwetsing of verminking van eenig deels des lichaams geeft aan den gewonde het regt om, behalve de vergoeding der kosten van het herstel, ook die der schade, door de kwetsing of de vermindering veroorzaakt, te vorderen.” Lid 2 luidde als volgt: “Ook deze worden gewaardeerd naar gelang van den wederzijdschen stand en de fortuin der personen, en naar de omstandigheden.” Lid 3 ten slotte: “Deze laatste bepaling is in het algemeen toepasselijk bij de waardering der schade, ontstaan uit elk misdrijf tegen den persoon gepleegd.”

12

Art. 89 lid 1 van de Ongevallenwet 1901 bepaalde: “De Rijksverzekeringsbank is voor het verzekerde bedrag gesubrogeerd in de rechten, welke de verzekerde of diens nagelaten betrekkingen aan de artikelen 1406 en 1407 van het Burgerlijk Wetboek kunnen ontlenen.” Te vinden in De Ongevallenwet 1901 en de daarbij de behorende Koninklijke Besluiten en Ministerieele beschikkingen, zoals zij luiden na de daarin aangebrachte wijzigingen, Amsterdam: Elektrische Drukkerij ’t Kasteel van Aemstel 1910, p. 64. Zie over de Ongevallenwet 1901 o.a. R.J.S. Schwitters, De risico’s van de arbeid. Het ontstaan van de Ongevallenwet 1901 in sociologisch perspectief (diss. Utrecht), Groningen: Wolters-Noordhoff 1991.

13

Art. 284 Wetboek van Koophandel (oud) bepaalde: “De verzekeraar, die de schade van een verzekerd voorwerp betaald heeft, treedt in alle de regten welke de verzekerde, ter zake van die schade, tegen derde mogt hebben; en de verzekerde is verantwoordelijk voor elke daad welke het regt van den verzekeraar tegen die derde mogt benadeelen.”

14

Artikel 95 lid 1, eerste zin, van de Ongevallenwet 1921 bepaalde: “Degene, die gehouden is tot vergoeding der schade, door den verzekerde of diens nagelaten betrekking tengevolge van het ongeval geleden, is voor het bedrag der schadevergoeding, krachtens deze wet uitbetaald, aansprakelijk jegens degenen te wier laste dat bedrag komt.”

15

Het hof heeft hier een voetnoot geplaatst: “Wet van 29 december 1934, Stb. 724.”

16

Zie p. 1 van de procesinleiding.

17

Zie p. 6 respectievelijk p. 16 van de procesinleiding. Ik wijs erop dat onderdeel I gericht is tegen rov. 6.5.2 t/m rov. 7 van het arrest (aldus p. 6-16 en nrs. 2.1-2.37 van de procesinleiding), in het bijzonder tegen rov. 6.5.2-6.5.8 (gelet op nrs. 2.30-2.37 van de procesinleiding), en dat onderdeel II (“veegklacht”) gericht is tegen rov. 6.5.9 t/m rov. 6.6 en het dictum (rov. 7) van het arrest (aldus p. 16 en nr. 3.1 van de procesinleiding). Rov. 6.5.1 van het arrest komt daarin niet voor.

18

Zie o.a. Asser/G.J.J. Heerma van Voss, Arbeidsovereenkomst (7-V), Deventer: Kluwer 2015, nr. 132 en J.M. van Slooten, T&C Burgerlijk Wetboek, Deventer: Wolters Kluwer 2019 (actueel t/m 13 september 2019), art. 7:629 BW, aant. 2, onder ‘Overeenkomsten voor bepaalde tijd’. Zie ook I.M. Sens e.a., Praktische informatie over Sociale zekerheid, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 79: “Alle werknemers in Nederland zijn tot de AOW-leeftijd (in 2019: 66 jaar en 4 maanden) verzekerd voor de Ziektewet. Toch krijgen niet alle zieke werknemers een ZW-uitkering. Meestal betaalt de werkgever bij ziekte het loon door. Werknemers die geen werkgever meer hebben, krijgen wel een ZW-uitkering van UWV. Het gaat bijvoorbeeld om oproepkrachten, uitzendkrachten, mensen van wie het arbeidscontract tijdens ziekte afloopt en WW-ers. Zij vallen in het ‘vangnet’ van de Ziektewet.”

19

Zie o.a. Sens e.a. (2019), t.a.p., p. 80.

20

Zie o.a. Kamerstukken II 2001/02, 27873, 5, p. 13: “In tegenstelling tot hetgeen de leden van de VVD-fractie menen, zijn uitzendkrachten wel degelijk werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst. Met de wet Flexibiliteit en zekerheid is de status van de uitzendovereenkomst als bijzondere vorm van de arbeidsovereenkomst in het BW vastgelegd. Uitzendbureaus zijn bij ziekte van hun werknemers dan ook gehouden het loon door te betalen zolang de uitzendovereenkomst voortduurt. Vanwege de bijzondere aard van de uitzendbranche zijn voor de eindiging van de uitzendovereenkomst in de Cao bijzondere bepalingen opgenomen. Bij een kortdurende arbeidsrelatie tussen een uitzendbureau en een uitzendkracht (in de Cao-fasen 1 en 2) eindigt de uitzendovereenkomst zodra de relatie tussen het uitzendbureau en de inlener eindigt. Bij een langer durende relatie tussen het uitzendbureau en de uitzendkracht eindigt de uitzendovereenkomst na het verstrijken van de bepaalde duur (fase 3).”

21

Zie ook productie 1 bij de inleidende dagvaarding.

22

In de inleidende dagvaarding van Flexpoint is hierover onder meer opgemerkt (nr. 3): “Door de ziekmelding is de uitzendovereenkomst met [betrokkene 1] geëindigd. Als de overeenkomst van een uitzendkracht tijdens ziekte eindigt, eindigt in beginsel op dat moment ook de loondoorbetalingsplicht van het uitzendbureau. De uitzendkracht is in een dergelijk geval aangewezen op een uitkering onder de Ziektewet.”

23

Zie o.a. Sens e.a. (2019), t.a.p., p. 84: “Werkgevers hebben de mogelijkheid om zelf het risico te dragen voor het betalen van de ZW-uitkering aan enkele ‘vangnetgroepen’. Dat gaat om werknemers die niet (meer) bij de werkgever in dienst zijn. Denk aan uitzendkrachten, bepaalde oproepkrachten en werknemers met een fictieve dienstbetrekking zoals thuiswerkers. Of werknemers van wie het dienstverband tijdens ziekte afloopt en ‘nawerkingsgevallen’.” Zie verder o.a. P.H. Burger & P.S. Fluit, Over het leed dat BEZAVA heet: de complicaties van de nieuwe Ziektewet voor de ‘vangnetter’ en de ex-werkgever, TRA 2014/12; F.J.L. Pennings, Kunnen eigenrisicodragers wel hun eigen risico beïnvloeden?, TRA 2014/52; W.L. Roozendaal, De zieke vangnetter met een eigenrisicodrager als ex-werkgever, TRA 2017/49; M.A. de Vries, Eigen risicodrager ZW: wie betaalt, bepaalt?, Loonzaken 2017/4.

24

Zie art. 40 lid 1, onder a, van de Wet financiering sociale verzekeringen, waarover nr. 3.17 hierna: “De inspecteur verleent overeenkomstig deze afdeling aan een werkgever op aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking toestemming om zelf het risico te dragen van betaling van: a. het ziekengeld aan de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van de Ziektewet, die laatstelijk tot de werkgever in dienstbetrekking stonden en de overlijdensuitkeringen op grond van die wet aan nabestaanden van deze personen.”

25

Wet van 14 november 2002 tot wijziging van de Ziektewet en enkele andere wetten in verband met de invoering van eigenrisicodragen door de werkgever (Wet eigenrisicodragen Ziektewet), Stb. 2002, 584.

26

Besluit van 24 februari 2003 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet eigenrisicodragen Ziektewet, Stb. 2003, 72.

27

Kamerstukken II 2000/01, 27873, 3, p. 2. De verwijzing naar “WULBZ” ziet op de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte, Stb. 1996, 134.

28

Met de inwerkingtreding van de in voetnoot 27 hiervoor genoemde wet per 1 maart 1996 kwam deze mogelijkheid te vervallen. Zie o.a. Kamerstukken II 2000/01, 27873, 3, p. 1.

29

Besluit van 23 november 1994, Stb. 1994, 820.

30

Zie o.a. Kamerstukken II 2000/01, 27873, 3, p. 1.

31

Kamerstukken II 2000/01, 27873, 3, p. 4, 5, 7.

32

Zie ook de brief van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer van 22 mei 1996 (Kamerstukken II 1995/96, 24439, 3): “Hierbij informeer ik u omtrent de voortgang van mijn toezegging tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wulbz om de mogelijkheid nader te bezien voor bedrijven om eigen risicodrager te worden voor de vangnetvoorziening van de Ziektewet. Aanleiding van deze toezegging was een verzoek van enkele uitzendondernemingen.”

33

Zie o.a. J. Kruijswijk Janssen & L.L. Veendrick, ‘Regres: hoe staat het nu?’, PIV Bulletin 2016, 1, p. 6: “Gelet op deze omstandigheden is het met name voor werkgevers in de uitzendbranche aantrekkelijk om eigenrisicodrager te worden. De te betalen premies worden in dat geval namelijk een stuk lager” en S. Klosse & G.J. Vonk, Hoofdzaken socialezekerheidsrecht, Den Haag: BJu 2019, p. 132, 133: “Werkgevers kunnen ervoor kiezen het ziekengeld voor eigen rekening te nemen. In dat geval worden zij als eigenrisicodrager beschouwd (art. 63a t/m 63d ZW). Zij betalen de zieke werknemer dan het ziekengeld namens het UWV, dat de uitkering, juridisch gezien, verschuldigd is. Het UWV is dan ook de tegenpartij van de werkgever in een eventueel geschil met de werknemer over het ziekengeld. De eigenrisicodrager is ook verantwoordelijk voor de controle en de verzuimbegeleiding van zieke ex-werknemers die aanspraak kunnen maken op ziekengeld op grond van artikel 29 lid 2 onder a, b of c (art. 63a lid 1 ZW). (…) Voor een werkgever is het vooral interessant om eigenrisicodrager te worden als hij daardoor de kosten van ziekteverzuim in zijn bedrijf kan reduceren. Slaagt hij daarin, dan betaalt hij namelijk een lagere premie, althans voor de gevallen waarvoor het eigenrisicodragerschap geldt. (…) Het eigenrisicodragerschap is sinds 2014 toegenomen. Eigenrisicodragers zijn meestal grote werkgevers. Het fenomeen komt ook veel voor in de uitzendsector. Dit kan te maken hebben met het feit dat uitzendbureaus die zich hebben gespecialiseerd in bepaalde sectoren, zich tot voor kort konden aansluiten bij die sectoren en daarmee een behoorlijk premievoordeel konden behalen. In 2017 is hiervoor een stokje gestoken. Sinds 25 mei van dat jaar is nu wettelijk bepaald dat gespecialiseerde uitzendbureaus zich nog enkel kunnen aansluiten bij de uitzendbranche (Regeling Wfsv, bijlage 1, onderdeel 4 en 5). Zie Stcrt. 2017, 29244 voor een nadere toelichting. In het algemeen zal dit gepaard gaan met een hogere premielast. Uitzendwerk wordt daardoor duurder. De rechtvaardiging hiervoor ligt in het feit dat uitzendkrachten gemiddeld vaker ziek zijn en vaker gebruikmaken van de WW. Met deze maatregel worden de lasten daarvan gelegd bij de uitzendbranche, onder het motto ‘de vervuiler betaalt’.”

34

Stb. 2006, 223 en 224. Zie ook Kamerstukken II 2005/06, 30444, 3, p. 1.

35

Zie nader o.a. de UWV-website https://www.uwv.nl/werkgevers/eigenrisicodrager/eigenrisicodrager-ziektewet/index.aspx, hierna: de UWV-website) en de nota Gedifferentieerde premies WGA en Ziektewet 2020 (beschikbaar op https://www.uwv.nl/overuwv/Images/gedifferentieerde-premie-wga-en-ziektewet-2020.pdf, hierna: de Nota).

36

De WGA is een regeling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten en tijdelijk volledig arbeidsongeschikten onder de Wet van 10 november 2005, houdende bevordering van het naar arbeidsvermogen verrichten van werk of van werkhervatting van verzekerden die gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn en tot het treffen van een regeling van inkomen voor deze personen alsmede voor verzekerden die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen), Stb. 2005, 572 (hierna: de WIA). De WGA kent verschillende soorten verzekerden, soorten uitkeringen en uitkeringsfases.

37

Zie de UWV-website, onderdeel ‘Eigen risico dragen Ziektewet’. Ook bij eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet betaalt het UWV de Ziektewetuitkering in geval van werknemers: “die ziek zijn door zwangerschap, bevalling of orgaandonatie”; “die 56 jaar of ouder zijn, en voor ze bij u in dienst kwamen minstens 1 jaar onafgebroken werkloos zijn geweest. Deze ‘Compensatieregeling oudere werkzoekenden’ geldt voor werknemers die u in dienst neemt tussen 1 januari 2018 en 1 januari 2019”; en “die een langdurige ziekte of handicap hebben (werknemers met een no-riskpolis). Als u deze werknemers bij UWV ziek meldt, heeft u een bewijs nodig dat de no-riskpolis voor hen geldt.” Zie o.a. Kamerstukken II 2000/01, 27873, 3, p. 4.

38

Zie de Nota, p. 4. Zie verder o.a. de UWV-website, zoals het onderdeel ‘Eigen risico dragen Ziektewet’: “Kiest u er voor om eigenrisicodrager voor de Ziektewet te worden? Dan betaalt u minder premie. Samen met uw bedrijfsarts of arbodienst voert u zelf uw preventie- en verzuimbeleid uit. En als een werknemer dan ziek wordt, betaalt niet UWV maar u de Ziektewet-uitkering. U bent ook zelf verantwoordelijk voor de re-integratie van de zieke (ex-)werknemer. (…) Als eigenrisicodrager voor de Ziektewet betaalt u zelf de Ziektewet-uitkering voor uw (ex-)werknemers die daar bij ziekte recht op hebben. Ook als ze niet meer bij u werken. De Ziektewet-uitkering die u betaalt is 70% van het dagloon. U berekent de hoogte van de uitkering zelf of u koopt deze dienst in. Bijvoorbeeld bij de organisatie aan wie u de Ziektewet heeft uitbesteed, of bij UWV. (…) Als eigenrisicodrager voor de Ziektewet betaalt u een lagere gedifferentieerde premie Whk (Werkhervattingskas), omdat u het premiedeel ZW-flex niet hoeft te betalen. (…) Als eigenrisicodrager moet u kennis van de Ziektewet in huis hebben, een eigen verzuimadministratie voeren, en eventueel uw contract voor arbodienstverlening uitbreiden. De kosten die hiermee gepaard gaan kunt u afzetten tegen de premies voor uw sector en de risicocijfers. Dat geeft u een indicatie of het voor u voordelig is om eigenrisicodrager voor de Ziektewet te worden. Het is verstandig om u hierover goed te laten informeren.” Kruijswijk Jansen & Veendrick (2016), t.a.p., p. 6 wijzen erop, onder verwijzing naar M. Lammers, L. Kok & C. Tempelman, Effecten van invoering loondoorbetaling bij ziekte door uitzendbureaus, onderzoek in opdracht van de Algemene Bond Uitzendondernemingen, Amsterdam, maart 2012, p. 4, dat “[v]rijwel alle eigenrisicodragers het risico dat een werknemer arbeidsongeschikt raakt [hebben] verzekerd bij een private verzekeraar”. Zie verder o.a. Klosse & Vonk (2019), t.a.p., p. 132: “De ZW-verplichtingen kan een werkgever, net als zijn BW-verplichtingen, eventueel particulier verzekeren. In de praktijk komt dit vaak voor.”

39

Zie de Nota, p. 23-25.

40

De Nota, p. 6, 14 (zie ook p. 23-25).

41

Zie o.a. de Nota, p. 5 “Jaarlijks dragen alle werkgevers sociale werkgeverspremies af over het loon van hun werknemers. Met deze premies verzekeren zij hun werknemers onder andere tegen de financiële gevolgen van werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Een van deze premies is de premie Werkhervattingskas. Kiest een werkgevers voor de publieke ZW- en/of WGA-verzekering dan krijgt hij te maken met de premie Werkhervattingskas. Deze premie bestaat uit twee premiecomponenten: een gedifferentieerde premie Ziektewet en een gedifferentieerde premie WGA. De premie Werkhervattingskas is een individuele werkgeverspremie. De Belastingdienst stuurt voor het einde van het jaar een beschikking aan elke werkgever met daarin de hoogte en opbouw van de premies van de Werkhervattingskas. De premies en parameters die aan de vaststelling voor 2020 ten grondslag liggen, zijn op 2 september 2019 door UWV gepubliceerd in de Staatscourant. Deze nota geeft een toelichting op de totstandkoming van deze premies en parameters.” Zie verder o.a. de UWV-website onder ‘wat-is-eigen-risico-dragen-ziektewet’, waar o.a. te lezen valt: “Als eigenrisicodrager voor de Ziektewet betaalt u een lagere gedifferentieerde premie Whk (Werkhervattingskas), omdat u het premiedeel ZW-flex niet hoeft te betalen. (…) Als eigenrisicodrager moet u kennis van de Ziektewet in huis hebben, een eigen verzuimadministratie voeren, en eventueel uw contract voor arbodienstverlening uitbreiden. De kosten die hiermee gepaard gaan kunt u afzetten tegen de premies voor uw sector en de risicocijfers. Dat geeft u een indicatie of het voor u voordelig is om eigenrisicodrager voor de Ziektewet te worden. Het is verstandig om u hierover goed te laten informeren.”

42

In andere wetten zijn vergelijkbare bepalingen opgenomen, zoals in art. 99 WIA en art. 100 WIA. Zie o.a. Kamerstukken II 2004/05, 30034, 3, p. 212.

43

Daarin wordt die collega geduid als “de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte verzekerde, die in dienstbetrekking staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde jegens wie naar burgerlijk recht verplichting tot schadevergoeding bestaat”.

44

In de literatuur is bepleit dat “logischerwijs [moet] worden aangenomen dat ook werknemers van inleners ‘immuun’ zijn (in ieder geval voor wat betreft arbeidsongevallen, en uiteraard behoudens opzet of bewuste roekeloosheid). Zou dit namelijk anders zijn, dan zou via de ‘achterdeur’ van art. 6:170 lid 3 BW c.q. art. 7:629 BW de schade toch weer bij de werkgever belanden.” Aldus W.H. van Boom, Verhaalsrechten van verzekeraars en risicodragers, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 82 (ook over de mogelijkheid van een ruime uitleg van de collega-werknemer in art. 52b lid 1 ZW met betrekking tot niet-ondergeschikte arbeidskrachten zoals free-lancers en andere zelfstandige opdrachtnemers, een en ander over de band van personen die tot ‘de kring der onderneming’ behoren).

45

In art. 2 lid 1 onder o Iw 1990 gedefinieerd als “de premies voor de sociale verzekeringen, bedoeld in artikel 2, onderdelen a en c, van de Wet financiering sociale verzekeringen, en de ingevolge de Zorgverzekeringswet geheven inkomensafhankelijke bijdrage”. Zie nader voetnoot 50 hierna.

46

Zie nader over deze inlenersaansprakelijkheid o.a. Kruijswijk Jansen & Veendrick (2016), t.a.p., p. 7; J.J. Vetter, GS Faillissementswet, Deventer: Wolters Kluwer 2019 (actueel t/m 19 februari 2019), II.1.12.13.2; uitvoerig De Vakstudie Invordering (2019), t.a.p., art. 34 Iw 1990; de brochure ‘Aansprakelijkheid voor loonheffingen en omzetbelasting bij inlening van personeel’ vanwege de Belastingdienst (te vinden op https://download.belastingdienst.nl/belastingdienst/docs/aansprakelijkheid_loonheffing_inlening_personeel_al5281z8fd.pdf). Daar valt, onder veel meer, te lezen dat deze aansprakelijkheid “geldt voor loonheffingen die de uitlener moet betalen voor het ingeleende personeel”, welke heffingen bestaan uit: “loonbelasting”, “premie volksverzekeringen”, “premies werknemersverzekeringen” en “inkomensafhankelijke bijdrage op grond van de Zorgverzekeringswet”. Daarnaast geldt deze aansprakelijkheid voor “btw die de uitlener moet afdragen voor de werkzaamheden die hij voor de inlener verricht”. Die bronnen gaan ook in op mogelijke nuanceringen op deze inlenersaansprakelijkheid, mede in verband met eventueel gebruik van een ‘G-rekening’. Dat een en ander is in het onderhavige geval niet aan de orde en doet ook niet af aan het wettelijke uitgangspunt vervat in art. 34 lid 1 Iw 1990, dat hier wel mede centraal staat.

47

Wet van 16 december 2004, houdende regels betreffende de financiering van de sociale verzekeringen (Wet financiering sociale verzekeringen), Stb. 2005, 36.

48

Wet van 16 december 2004, houdende invoering van de Wet financiering sociale verzekeringen (Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen), Stb. 2005, 37.

49

Wet van 22 december 2005 tot wijziging van een aantal socialeverzekeringswetten en enige andere wetten, Stb. 2005, 708.

50

In de Wfsv en de daarop berustende bepalingen wordt, blijkens art. 2 onder c Wfsv, onder “werknemersverzekeringen” verstaan: “de verplichte verzekeringen op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.” Art. 2 onder a Wfsv, waarop art. 2 lid 1 onder o Iw 1990 ook doelt (zie voetnoot 45 hiervoor), verwijst naar “volksverzekeringen”, waaronder wordt verstaan: “de verplichte verzekeringen op grond van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet en de Wet langdurige zorg.” De verwijzing in art. 2 lid 1 onder o Iw 1990 naar de “Zorgverzekeringswet” betreft de Wet van 16 juni 2005, houdende regeling van een sociale verzekering voor geneeskundige zorg ten behoeve van de gehele bevolking, Stb. 2005, 358. De Zorgverzekeringswet is op 1 januari 2006 in werking getreden: Stb. 2005, 649.

51

Zie nader o.a. A.O.E. Falck & J.A.J. Gijsen, Belastingdienst gaat ook premies werknemersverzekeringen invorderen, TFB 2005/3, p. 8-16 en Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Invordering, Deventer: Wolters Kluwers 2019 (actueel t/m 3 december 2019), art. 34 Iw 1990, aant. 1.2.1, 1.4.

52

Kamerstukken II 2000/01, 27873, 3, p. 9.

53

Kamerstukken II 2000/01, 27873, 3, p. 7-8.

54

Zie de Wet van 18 februari 1966 tot wijziging van de Ziektewet (Aanpassing aan de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering), Stb. 1966, 85.

55

Kamerstukken II 1962/63, 7171, 7 (Ontwerp van wet, Wijziging van de Ziektewet, Aanpassing aan de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering). Zie art. XXVI.

56

Zie art. 2 van het Besluit van 15 februari 1967, houdende inwerkingtreding van de Wet van 18 februari 1966, Stb. 1966, 85, tot wijziging van de Ziektewet (Aanpassing aan de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering), Stb. 1967, 105.

57

Zie o.a. Kamerstukken II 2003/04, 29531, 3, p. 6.

58

Kamerstukken II 1962/63, 7171, 7.

59

Kamerstukken II 1962/63, 7171, 8, p. 20.

60

Kamerstukken II 1962/63, 7171, 2.

61

Kamerstukken II 1962/63, 7171, 2.

62

Kamerstukken II 1962/63, 7171, 3, p. 21.

63

Zie ook o.a. Hof Leeuwarden 26 juli 1989, ECLI:NL:GHLEE:1989:AS7151, BR 1989, p. 776, rov. 3, waar het hof de hoofdregel (“dat geen sprake kan zijn van verhaal”) onder meer hiermee in verband brengt (“berust onder meer op de gedachte”).

64

Zie uitvoerig daarover o.a. A-G Ten Kate voor HR 7 november 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB4078, NJ 1976/332, mede verwijzend naar het amendement van Van Lier dat, blijkens de tijdens de mondelinge behandeling van het wetsontwerp door hem gegeven toelichting erop, was ingegeven door de gedachte “dat er in de voorgestelde wettelijke regeling op dit punt discriminatie zit ten gunste van de werkgever van de verzekerde en ten ongunste van de collega’s, die dezelfde werkgever hebben. (…) Ik betreur deze discriminatie en zie er in feite ook geen grond voor, nu er voor de WAO, in tegenstelling tot de Ongevallenwet, premies zullen worden betaald zowel door werknemers als door werkgevers.” De minister liet de beslissing aan de kamer, waarna het amendement werd aangenomen. Zie ook o.a. J.B.M. Vranken in nr. 1 bij NJ 1987/602 en E.F.D. Engelhard, Regres (diss.), Deventer: Kluwer 2003, p. 362-363.

65

HR 7 november 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB4078, NJ 1976/332. In HR 13 februari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5540, NJ 1987/602, rov. 3.4 wordt deze strofe herhaald onder verwijzing naar hetgeen het hof terecht vooropstelde, wat het hof, aldus A-G Mok in nr. 5 voor dit arrest, “vrijwel letterlijk” had ontleend aan dat arrest uit 1975.

66

Wet van 6 april 1960, houdende nadere wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en enige andere sociale verzekeringswetten (voorzieningen in verband met het zgn. uitlenen van arbeidskrachten), Stb. 1960, 145. Zie art. I.

67

Zie Kamerstukken II 1959/1960, 5865, 3, p. 3-4.

68

Kamerstukken II 1959/60, 5865, 3, p. 3.

69

Aldus Kamerstukken II 1959/60, 5865, 3, p. 3.

70

Zie Kamerstukken II 1959/60, 5865, 3, p. 3.

71

Kamerstukken II 1959/60, 5865, 2, p. 2.

72

Stb. 1952, 474.

73

Zie ook o.a. Kamerstukken II 1962/63, 7171, 3, p. 21: “Krachtens het huidige artikel 52 van de Ziektewet, dat (…) de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de werkgever niet opheft, heeft het uitvoeringsorgaan, behoudens in geval van een vonnis van de strafrechter, geen verhaalsrecht t.a.v. de werkgever van de betroffene, die (mede) veroorzaker is van de arbeidsongeschiktheid.”

74

Kamerstukken II 1959/60, 5865, 3, p. 4.

75

HR 25 november 1966, ECLI:NL:HR:1966:AD7997, NJ 1967/259.

76

Wet van 6 april 1960, houdende nadere wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en enige andere sociale verzekeringswetten (voorzieningen in verband met het zgn. uitlenen van arbeidskrachten), Stb. 1960, 145.

77

HR 20 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0326, NJ 1988/1032.

78

Deze twee gelaedeerden, een zekere Souhayle en een zekere Bahou, is in juli 1974 respectievelijk september 1974 bij de bediening van een maalmachine een bedrijfsongeval overkomen waardoor zij ernstig zijn verwond en tijdelijk respectievelijk blijvend arbeidsongeschikt zijn geworden. Euro Waste Fibers BV exploiteerde in die tijd te Tilburg een kunstvezelmalerij.

79

Deze aansprakelijkheid zag op de door de gelaedeerden ten gevolge van die ongevallen geleden schade, en was erop gegrond dat B en C tekort zijn geschoten in hun verplichting te zorgen dat werd voldaan aan de voor de kunstvezelmalerij geldende veiligheidsvoorschriften.

80

Zie J.B.M. Vranken in nr. 4 (eerste obstakel) en nr. 7 (tweede obstakel) bij NJ 1988/1032.

81

Zie Vranken (1988), t.a.p., nrs. 4-6. Ik lees in rov. 3.2 geen vereenzelviging van C en B met A voor doeleinden van art. 52b ZW (het ‘wegdenken van identiteitsverschil’ door C en B ook aan te merken als A), maar uitbreiding van de op A van toepassing zijnde verhaalsbescherming van art. 52b ZW ook naar B en C (“(…) zich dan mede uitstrekt niet slechts tot deze laatste, maar ook tot (…)”).

82

Zie Vranken (1988), t.a.p., nr. 7. Hij beperkt zich hier tot art. 91 WAO, maar de Hoge Raad betrekt in rov. 3.2 ook art. 51b ZW. Daarvoor geldt dan hetzelfde. In nr. 18 voor HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1175, NJ 1995/493 verwijst A-G Vranken kortweg naar de verhaalsbescherming in “de WAO c.a.” (waaronder de Ziektewet) die toekomt aan “de bedrijfsgenoten (werkgever en medewerknemers) van de gelaedeerde”.

83

A-G Biegman-Hartogh in nrs. 5-6 voor HR 20 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0326, NJ 1988/1032.

84

Over “de premiebetaling” was volgens A-G Biegman-Hartogh in nr. 9 voor HR 20 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0326, NJ 1988/1032 “in dit geding (…) niets gesteld”. Zie ook nr. 9 (slot) over het daarvan te onderscheiden “solidariteitsbeginsel” (even daarvoor in nr. 9 geduid als “de solidariteit binnen de onderneming”, als bedoeld in nr. 6 (slot)), waarbij premiebetaling niet centraal staat, en alle actoren binnen de onderneming die vanuit die solidariteitsgedachte “voor de bescherming van WAO en Ziektewet een gesloten kring van bij de verzekering betrokkenen vormden.” Engelhard (2003), t.a.p., p. 364-365 rept van het argument dat “de onderneming een eenheid [vormt] waarbinnen een zekere mate van solidariteit moet gelden tussen degenen die sociale premies moeten betalen (het ‘solidariteitsargument’)”, o.a. verwijzend naar het arrest uit 1988 (“de Hoge Raad noemt dit de ratio van het werkgeversverweer”). Ik wijs erop dat dát niet in rov. 3.2 van dat arrest staat, en dat dát ook niet het ‘solidariteitsbeginsel’ lijkt te zijn waarop A-G Biegman-Hartogh (zie hiervoor) en Vranken (1988), nr. 7 doelen in dat verband (zij onderscheiden juist met het aspect van premiebetaling). Het gaat, blijkens rov. 3.2, tweede alinea, laatste zin, om het behoren tot ‘de kring der onderneming’, zoals de Hoge Raad ook nadien consequent benadrukt; zie nr. 3.40 hierna. Dit laatste omvat klaarblijkelijk meer dan ‘solidariteit berustend op het gezamenlijk betalen van de premie’, want ziet op solidariteit die berust op, en wordt begrensd door, een zekere betrokkenheid van actoren bij een afgebakend groter geheel (het bedrijf) waarvan ook de gelaedeerde deel uitmaakt (bedrijfsgenoot is): ‘de kring der onderneming’. Zie o.a. A-G Biegman-Hartogh in nrs. 5-6 en 9 voor HR 20 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0326, NJ 1988/1032; Vranken (1988), t.a.p., nr. 7; voetnoot 82 hiervoor; voetnoten 86 en 89 hierna. Aldus bezien is m.i. juist de stelling van Engelhard (2003), t.a.p., p. 364 dat “het bedrijf als het ware als een eenheid verzekerd [is].”

85

Daarbij gaat het in deze uitspraken steeds om een sociale verzekeraar als risicodrager. Dat verrast niet, nu deze casus niet zien op (de WGA of) de Ziektewet van na de invoering van het eigenrisicodragerschap.

86

Zie nrs. 3.28 en 3.32 hiervoor over de door A-G Biegman-Hartogh in nr. 6 voor HR 20 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0326, NJ 1988/1032 genoemde arresten van de Hoge Raad uit 1966 en 1975. In nr. 9 – terugvallend op nr. 6 – maakt de A-G onderscheid tussen enerzijds “het criterium (…) van de premiebetaling” (dat de Hoge Raad eerst aanlegde, zij verwijst naar die arresten uit 1966 en 1975) en anderzijds “dat van de strekking van de wet in verband met de solidariteit binnen de onderneming” (welk criterium naderhand de bovenhand kreeg). Dat “premie-argument geldt inmiddels als achterhaald”, zo nemen C.C. Jongens & F.M. Ruitenbeek-Bart, Handboek Personenschade, Deventer: Wolters Kluwer 2018 (actueel t/m 1 juli 2018), aant. 4100.4.4.2 aan. Van Boom (2000), t.a.p., p. 81 merkt onder verwijzing naar het arrest uit 1988 m.i. terecht op dat de Hoge Raad bereid is gebleken de begrippen ‘werkgever’ en ‘collega’ “ruim uit te leggen, in overeenstemming met – wat de Hoge Raad noemt – ‘de in de rechtspraak (…) te onderkennen lijn dat de sociale verzekeraar geen regres moet kunnen nemen op hen die tot de kring der onderneming behoren’”. Zie verder o.a. S.D. Lindenbergh & I van der Zalm, Schadevergoeding: personenschade (Mon BW, nr. B37), Deventer: Kluwer 2015, nr. 52 (die m.i. evenzeer terecht opmerken dat “[d]e beperkingen van het regresrecht in de socialezekerheidswetten berusten op de gedachte dat de sociale verzekeraar geen regres moet kunnen nemen op hen die tot de kring der onderneming behoren”, gevolgd door rechtspraakverwijzingen waaronder het arrest uit 1988) en Kruijswijk Jansen & Veendrick (2016), t.a.p., 6 die erop wijzen dat een op art. 52b ZW gebaseerd verweer “ruim [wordt] uitgelegd”. Flexpoint verwijst in nr. 2.5 van de procesinleiding naar literatuur, maar die literatuur richt zich primair op die oudere rechtspraak en de focus die daarin (nog) ligt op het gezamenlijk dragen van de premielasten, waarop Flexpoint ook de nadruk legt in nr. 2.17 van de procesinleiding (de verwijzing in voetnoot 20 naar Kruijswijk Jansen & Veendrick (2016), t.a.p., 7 kan ik overigens niet plaatsen). In die literatuur wordt wel onderkend (zie de in voetnoot 4 door Flexpoint genoemde publicatie, op p. 154) dat “het gezamenlijk dragen van de premielasten niet een noodzakelijke voorwaarde [is].”

87

Waarmee niet gezegd is dat daaraan in dit kader geen betekenis toekomt.

88

HR 20 mei 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4596, NJ 1984/649, rov. 4.2. Over (bijdragen aan) de premiebetaling rept de Hoge Raad hier niet. Zie ook A-G Vranken in nr. 20 voor HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1175, NJ 1995/493.

89

Volgens A.T. Bolt, GS Schadevergoeding, Deventer: Wolters Kluwer 2016 (actueel t/m 19 oktober 2016), art. 6:108 BW, aant. 9.2.8.1 berust de “bewuste regel” (hij doelt op art. 91 WAO, art. 100 WIA en art. 52b ZW) op “de gedachte dat tussen degenen die binnen één en dezelfde onderneming sociale verzekeringspremies moeten betalen een zekere solidariteit bestaat ten opzichte van de uitvoeringsorganen van de sociale verzekering”. Bolt verwijst (“Aldus”) naar HR 13 februari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5540, NJ 1987/602, waarover voetnoot 65 hiervoor. Dat arrest dateert evenwel van vóór het zo-even geciteerde arrest uit 1988, waarover nrs. 3.37-3.38 hiervoor. Bovendien oordeelde de Hoge Raad in dat arrest uit 1987 (rov. 3.4) dat de daar bedoelde solidariteit (waarop Bolt doelt) ‘niet wordt doorbroken’ in een geval als daar aan de orde, waarvan onderdeel uitmaakte dat de werkgever geen WAO-premie voor de betrokkenen verschuldigd was en het werkgeversgedeelte van de WAO-premie werd voldaan door derden (de gemeenten waarvan betrokkenen hun betreffende uitkering ontvingen). Daarin tekende zich dus al een zekere verruiming af, waarvan ook het zo-even geciteerde arrest van de Hoge Raad uit 1983 blijk geeft. Zie over beide arresten ook A-G Biegman-Hartogh in nr. 6 voor HR 20 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0326, NJ 1988/1032, geciteerd in nr. 3.38 hiervoor. Bolt noemt daarna nog HR 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0073, NJ 1991/596, maar daarin lees ik die “gedachte” niet terug, integendeel: zie nr. 3.40 hierna. Zie verder voetnoten 84 en 86 hiervoor.

90

Zie o.a. Van Boom (2000), t.a.p., p. 81-82, bezien vanuit inlenersaansprakelijkheid op de voet van art. 16a CSV waarnaar o.a. art. 52b lid 2 ZW (oud) toen nog verwees (“Art. 16a CSV betreft aansprakelijkheid van inlenende werkgevers. Deze inleners zijn dus ook ‘immuun’ voor het verhaal”), en Kruijswijk Jansen & Veendrick (2016), t.a.p., p. 7, bezien vanuit inlenersaansprakelijkheid op de voet van art. 34 Iw 1990, waartoe dus ook hoofdelijke fiscale aansprakelijkheid behoort (“De ratio van de beperking van de verhaalsmogelijkheden op de inlener lijkt gevonden te moeten worden in het feit dat de materiële werkgever op grond van art. 34 van de Invorderingswet – waar in art. 52b lid 2 ZW en art. 100 lid 2 WIA naar wordt verwezen – hoofdelijk medeaansprakelijk is voor de loonbelasting, omzetbelasting en sociale verzekeringspremies[] die verschuldigd zijn door de formele werkgever”).

91

HR 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0073, NJ 1991/596.

92

Tot 1 januari 2006 voorzag de Ziekenfondswet in een sociale verzekering die vergoeding bood voor eenvoudige ziektekosten (medische herstelkosten). De regeling werd uitgevoerd door ziekenfondsen, die voor de door hen gedane uitkeringen regres konden nemen op de wettelijk aansprakelijke, krachtens het zelfstandige regresrecht van in art. 83b Zfw. In 83c Zfw was de verhaalsbescherming geregeld. Sinds 1 januari 2006 (met de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet, zie voetnoot 50 hiervoor) zijn de voormalige ziekenfondsverzekering en de particuliere ziektekostenverzekering als het ware samengevoegd in één algemene – particuliere – zorgverzekering. Daarmee is ook art. 83b Zfw komen te vervallen. De (gewone) zorgverzekeraar is nu aangewezen op de verzekeringsrechtelijke subrogatieregeling van art. 7:962 BW, waarin blijkens lid 3 regres is uitgesloten op de daarin genoemde actoren (een behoorlijk lange lijst). Zie o.a. Kamerstukken II 2003/04, 29763, 3, p. 6 en Jongens & Ruitenbeek-Bart (2018), t.a.p., aant. 4100.3.2.2.1, 4100.4.4.3. Ik wijs erop dat HR 7 november 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB4078, NJ 1976/332, waarover o.a. A-G Biegman-Hartogh in nr. 6 voor HR 20 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0326, NJ 1988/1032 (zie nr. 3.38 hiervoor), ook zag op art. 83c Zfw. De Hoge Raad verwijst evenwel niet daarnaar in HR 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0073, NJ 1991/596, rov. 3.2.1, maar naar HR 20 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0326, NJ 1988/1032, rov. 3.2, tweede alinea, laatste zin (in welk arrest evenmin wordt teruggegrepen op dat arrest uit 1975). Intussen maakt dat arrest uit 1975 wel duidelijk (i) dat de verhaalsbescherming van art. 83c Zfw niet slechts werkt “wanneer het ongeval verband houdt met de dienstbetrekking” (de wettekst en wetsgeschiedenis bieden daarvoor geen steun) en (ii) dat evenzeer steun in de wet ontbreekt voor de stelling dat voor toepassing van art. 83c Zfw in elk geval geen plaats is als bovendien nog – boven het gemis van verband tussen het ongeval en de dienstbetrekking – de ter zake van het ongeval aansprakelijke persoon tegen zijn wettelijke aansprakelijkheid te dier zake is verzekerd.

93

HR 4 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0352, NJ 1992/140.

94

HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7832, RvdW 2009/1404.

95

Art. 6:107a BW is ingevoerd bij art. XXI, onder A, van de Wet van 21 december 1995 tot nadere wijziging van een aantal sociale zekerheidswetten (Stb. 1995, 691) en in werking getreden op 1 februari 1996 (idem, art. XLIX, onder 4).

96

Kamerstukken II 1994/95, 24326, 3, p. 48: “In het BW wordt een bepaling opgenomen analoog aan de regresbepalingen in de huidige Ziektewet (de artt. 52, 52a en 52b). Hierin wordt vastgelegd dat de werkgever recht heeft op regres.”

97

Zie o.a. Kamerstukken II 1995/96, 24326, 7, p. 2 en Kamerstukken II 2005/06, 30034, 77 (brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid): “Vanwege deze uitbreiding van de verantwoordelijkheid voor de inkomensbescherming van de zieke werknemer is aan de werkgever in 1996 een regres- of verhaalsrecht toegekend. Dit is geregeld in artikel 6:107a BW.”

98

In de rechtspraak is wel aangenomen dat de verhaalsbescherming van art. 6:107a lid 4 BW alleen kan worden ingeroepen door een collega-werknemer, niet door een derde (zoals een inlener). Zie o.a. Rb. Leeuwarden 21 november 2012, ECLI:NL:RBLEE:2012:BY6954, JA 2013/13, rov. 4.4 en hetgeen het hof overweegt in rov. 6.5.8.

99

Zie o.a. Kamerstukken II 2000/01, 27873, 3, p. 11: “De aanspraken van de gewezen werknemers van de eigenrisicodrager blijven berusten op de ZW. De eigenrisicodrager betaalt ziekengeld op grond van de ZW, geen loon op grond van het Burgerlijk Wetboek.”

100

Illustratief voor waar Flexpoint naar toe wil, is nr. 2.29 van de procesinleiding: “De art. 52a en art. 52b Zw dienen derhalve zo te worden gelezen, dat het regresrecht van een eigenrisicodrager op een inlener niet wettelijk is uitgesloten, omdat de ratio van de uitsluiting van het regres van het UWV op de inlener niet opgaat in geval van eigenrisicodragen. De positie van de eigenrisicodrager dient veeleer gelijkgesteld te worden met die van de werkgever als bedoeld in art. 6:107a BW, met als gevolg dat regres niet wettelijk is uitgesloten.”

101

Zie voor die klachten nrs. 2.30-2.37 en 3.1 van de procesinleiding, waarin Flexpoint zich richt op het bestreden arrest. Ik kom daarop terug in nrs. 3.54-3.60 hierna.

102

Zie o.a. nr. 2.18 van de procesinleiding: “Bij de uitleg van art, 52b lid 2 Zw komt het niet aan op een zuiver taalkundige of wetssystematische uitleg”. In nr. 2.20 van de procesinleiding erkent Flexpoint dat “de letterlijke toepassing van art. 52b Zw in combinatie met het eigenrisico-dragerschap” ertoe leidt “dat regres van de uitlener op de inlener is uitgesloten”. In nr. 2.21 van de procesinleiding stelt zij dat het “niet zozeer aan[komt] op de tekst van de Ziektewet, maar op doel en strekking van de Wet eigenrisicodragen Ziektewet”.

103

Zie o.a. nr. 2.20 van de procesinleiding, waar Flexpoint stelt dat uit de passage inzake art. 52a lid 2 ZW in Kamerstukken II 2000/01, 27873, 3, p. 9 “volgt dat de wetgever de vraag naar de (on)mogelijkheid van het regres van de eigenrisicodrager op de inlener niet in zijn overwegingen heeft betrokken”.

104

En wordt door Flexpoint ook niet betwist. Zie nr. 3.49 hierna.

105

Dit naar aanleiding van commentaar van het Landelijk instituut sociale verzekeringen “dat het concept-wetsvoorstel geen duidelijke en volledige regeling van de bevoegdheden van de eigenrisicodrager geeft”, waarop wettekst en memorie van toelichting op enkele punten zijn aangepast.

106

Flexpoint stelt het tegendeel ook niet. Zie nr. 2.20 van de procesinleiding.

107

Verband houdend met de mogelijkheid die voor werkgevers tot 1 maart 1996 bestond om voor hun werknemers de in de Ziektewet verzekerde risico’s voor eigen rekening te nemen.

108

Men kan dit ook zo zeggen, in de woorden van Flexpoint zelf in nr. 2.20 van de procesinleiding, onder verwijzing naar art. 52a lid 2 ZW: “(…): het vervangt het UWV door de eigenrisicodrager wat betreft de mogelijkheid om regres uit te oefenen.’

109

Flexpoint wijst daarop in nr. 2.20 van de procesinleiding.

110

Een aanwijzing voor de door haar bepleite ‘gelijkstelling’ met art. 6:107a BW ziet Flexpoint in nr. 2.24 van de procesinleiding in dat woord “aanvullend”. Flexpoint legt niet uit waarom dit een aanwijzing zou zijn voor de juistheid van haar standpunt. M.i. is het dus ook geen aanwijzing daarvoor.

111

Zie ook nr. 2.34 van de procesinleiding: “Het gaat dus om de vraag of een redelijke wetsuitleg ertoe leidt dat de uitsluiting van het regres van het UWV op de inlener ook toepassing ingeval van regres van de eigenrisicodrager”.

112

Met name gericht op wat heet ‘doel en strekking’ van de Wet eigenrisicodragen Ziektewet. Zie nrs. 2.18-2.24 van de procesinleiding, in wezen herhaald in nrs. 2.25-2.29 van de procesinleiding (onder “Conclusie”).

113

Het aandeel in de loonsom van de eigenrisicodragers is aanmerkelijk groter dan 4% (want 45%), doordat in de Ziektewet vooral grote werkgevers eigenrisicodragers zijn.

114

Dus: de verhaalsbescherming die art. 52b ZW de inlener biedt, hoeft, anders dan het UWV, de eigenrisicodrager-ZW die regres zoekt bij een inlener op de voet van art. 52a ZW niet tegen zich te laten gelden.

115

De eigenrisicodrager-ZW draagt de financiële last van Ziektewetuitkeringen aan personen die arbeidsongeschikt zijn geworden op of na de aanvangsdag van dat eigenrisicodragen. Zie nr. 3.10 hiervoor en art. 63b ZW.

116

Zie nr. 2.22 van de procesinleiding: “Het grote verschil tussen een eigenrisicodrager en het UWV is dat het UWV bij premie-inning zowel de uitlener als de inlener kan aanspreken; de eigenrisicodrager int echter helemaal geen premie, maar draagt zelf het risico van ziekengeld.” Herhaald in nr. 2.26.

117

Zie de vorige voetnoot.

118

De heffing en inning van onder meer deze premie loopt immers via de loonbelasting, waarop de Belastingsdienst toeziet. Zie de UWV-website, bijvoorbeeld op https://www.uwv.nl/werkgevers/verzekeringen/detail/werknemersverzekeringen-via-uwv over premies werknemersverzekeringen, waaronder de Ziektewet: “Als werkgever draagt u de premies voor de werknemersverzekeringen af aan de Belastingdienst” en “UWV voert de werknemersverzekeringen uit. Wij hebben soms gegevens van u nodig die u van de Belastingdienst krijgt.”. Zie ook art. 34 Iw 1990, waarover nr. 3.17 hiervoor. Dit geldt sinds de invoering van de Wfsv, die in werking is getreden op 1 januari 2006. Daarin is de heffing en inning van premies voor de werknemersverzekeringen samengevoegd met de heffing en inning van loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, waardoor werkgevers ‘bij één loket’ terecht kunnen om één gecombineerde aangifte te doen voor loonbelasting, premie voor de volksverzekeringen en premies voor de werknemersverzekeringen. Daartoe is de daarvoor bestaande premieheffing- en inningtaak van het UWV overgeheveld naar de Belastingdienst.

119

Zie nr. 2.22 van de procesinleiding, herhaald in nr. 2.26. Daaronder begrijp ik ook de opmerking van Flexpoint dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor “doorberekening” door een uitzendonderneming die eigenrisicodrager-ZW is “van het aanhouden van de bedoelde reserves [de in nrs. 2.21 en 2.26 bedoelde “financiële reserves” die deze moet aanhouden “om de ziekengeldbetaling te verrichten”, A-G] aan “de klanten van uitzendbureaus”. Wat er in de praktijk allemaal feitelijk wel en niet wordt ‘doorberekend’ door een uitlener, laat zich hier niet vaststellen; het is intussen wel voorstelbaar dat een uitlener via een ‘opslag’ kosten doorberekent aan de inlener.

120

Dat is dan de werkgever wat betreft de Ziektewetpremie, en mede voor die premie is de inlener dan mede hoofdelijk aansprakelijk op de voet van art. 34 Iw 1990. Zie nr. 3.17 hiervoor. De in de vorige voetnoot bedoelde “doorberekening” speelt dan evenmin.

121

Zie nr. 2.22: “(…) deze klanten [van “uitzendbureaus”, A-G] zijn niet premieplichtig en zijn logischerwijs ook niet langer mede-aansprakelijk tegenover het UWV voor premiebetaling.” Herhaald in nr. 2.26. In wezen is dát ook waarop Flexpoint koerst in onderdeel I. Zie o.a. nr. 2.17 in verbinding met nrs. 2.22 en 2.26-2.29.

122

Zie ook Kruijswijk Jansen & Veendrick (2016), t.a.p., p. 6-7, die ook deze conclusie bereiken (“Op grond van art. 52b lid 1 jo. lid 2 ZW en art. 100 lid 2 WIA is de materiële werkgever dus immuun voor verhaal van het UWV respectievelijk een eigenrisicodrager ter zake betaalde uitkeringen en/of ziekengeld”) en daarbij mede opmerken dat het er “voor toepassing van het regresverbod” niet toe doet “of ook daadwerkelijk premies zijn afgedragen door de materiële werkgever”: het gaat om de inlenersaansprakelijkheid van art. 34 Iw 1990 als zodanig en de daarmee gepaard gaande risico’s voor de hoofdelijk aansprakelijke inlener.

123

Uiteraard behoudens het geval waarin sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid als bedoeld in art. 52b ZW.

124

Rechtspraak waarnaar Flexpoint overigens nergens verwijst in de procesinleiding, althans niet direct. Ik lees ook nergens in de procesinleiding waarom deze rechtspraak hier relevantie zou missen. M.i. is dat dus ook niet het geval. Zie nrs. 3.36-3.40 hiervoor.

125

Eenzelfde lijn kan worden aangehouden voor art. 100 lid 2 WIA.

126

De werkgever valt dan, gelet op zijn eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet, logischerwijs buiten het bereik van die verhaalsbescherming van art. 52b ZW. Het bepaalde in art. 52b lid 1 ZW, en daarmee het voorgaande, mist in zoverre toepassing. Dat heeft de wetgever ook onderkend in de toelichting op art. 52a lid 2 ZW. Zie nrs. 3.18-3.20 hiervoor. Dat is evenwel de voorzienbare consequentie van de vrijwillige keuze van de werkgever om eigenrisicodrager-ZW te zijn, waarover ook hierna, en doet aan het voorgaande niet af. Overigens valt een inlener m.i. ook buiten die kring waar hij niet in die hoedanigheid aansprakelijk is (als bedoeld in art. 52b ZW), maar in andere hoedanigheid: deze actor is dan een ‘gewone’ derde die buiten de verhaalsbescherming van art. 52b ZW valt. Dit laatste speelt in het onderhavige geval niet.

127

Ik laat daar dat als de inlener voor zijn eigen werknemers als werkgever onder meer Ziektewetpremie afdraagt, hij (ook) langs die weg bijdraagt aan de instandhouding van onder meer deze sociale zekerheidsvoorziening. Dat is dan ook de realiteit, maar voor de onderhavige kwestie niet noodzakelijk.

128

Dat de in art. 6:107a BW vervatte regeling niet een met art. 52b ZW vergelijkbare bepaling ten gunste van de inlener kent, laat zich mede verklaren doordat de inleneraansprakelijkheid van art. 34 Iw 1990 zich niet uitstrekt tot hoofdelijke aansprakelijkheid van de inlener voor verbintenissen van de werkgever als aan de orde zijn in art. 6:107a BW. Aldus bezien kan voor art. 6:107a BW worden gezegd dat, waar de werkgever op grond van die bepaling regres zoekt op een (aansprakelijke) inlener, “vanuit het perspectief van de verhaalzoekende werkgever de inlener en zijn personeel niet tot de kring van de onderneming [behoort]” (ik citeer hier Van Boom (2000), t.a.p., p. 82). Voor art. 52b ZW in verbinding met art. 52a ZW ligt dat dus anders. Ook dit laat zien dat voor een gelijkstelling met art. 6:107a BW als beoogd door Flexpoint – zie o.a. nrs. 2.22-2.24 en 2.27-2.29 van de procesinleiding – geen grond bestaat. Gelet daarop mist eveneens doel de stelling van Flexpoint in voetnoot 25 van de procesinleiding dat onjuist zou zijn de redenering van Kruijswijk Jansen & Veendrick (2016), t.a.p., p. 7, “inhoudende dat de grondslag waarop de formele werkgever regres neemt (ofwel voor loondoorbetaling of voor ziekengeld) bepalend is voor het al dan niet van toepassing zijn van de regresimmuniteit”. Die redenering snijdt hout. Flexpoint baseert zich ook daar immers op de door haar bepleite gelijkstelling met “de loon-doorbetalingsplichtige werkgever die regres neemt op grond van art. 6:107a BW”, welke gelijkstelling m.i. niet op gaat.

129

Erop neerkomend dat die persoon in feite de taken en verplichtingen van de werkgever heeft te vervullen.

130

Daarvan was in dat geval niet gebleken. De Hoge Raad zegt er ook niets over. Zie nrs. 3.37-3.38 hiervoor.

131

Zie ook Kruijswijk Jansen & Veendrick (2016), t.a.p., p. 6-7.

132

Hetgeen Flexpoint opmerkt in nrs. 2.18-2.21 en 2.25-2.26 van de procesinleiding omtrent – kort gezegd – meer technische aspecten van eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet doet aan het voorgaande niet af.

133

Ik lees nergens in de procesinleiding dat Flexpoint het tegendeel betoogt. Dat is m.i. ook terecht.

134

Die zelf geen eigenrisicodrager-ZW is, wat (veel) vaker het geval zal zijn dan het omgekeerde. Zie nrs. 3.10-3.12 hiervoor over de meerwaarde van het zijn van eigenrisicodrager-ZW voor met name uitzendondernemingen (dus uitleners) en het feit dat slechts circa 4% van de werkgevers eigenrisicodrager-ZW is.

135

Te meer nu deze ongelijke behandeling dan de ene inlener wel en de andere niet ten deel zou vallen, afhankelijk van de keuze van de uitlener om eigenrisicodrager-ZW te zijn of niet.

136

Iets anders is dat, waar de werkgever als eigenrisicodrager-ZW geen Ziektewetpremie verschuldigd is, de hoofdelijke aansprakelijkheid van de inlener op de voet van art. 34 Iw 1990 zich niet ook uitstrekt over die specifieke premie (wat overigens die aansprakelijkheid onverlet laat). Dat is m.i. geen reden aan de inlener de verhaalsbescherming van art. 52b ZW te ontzeggen, zie nrs. 3.50-3.51 hiervoor.

137

Een mogelijkheid die het hof aanneemt in rov. 6.4.7. Daarover wordt niet geklaagd door Flexpoint.

138

Omgekeerd wordt aangenomen – zie Van Boom (2000), t.a.p., p. 82 – dat een “contractuele risicoverdeling” tussen de regreszoekende werkgever als bedoeld in art. 6:107a BW en een (aansprakelijke) inlener kan afdoen aan de mogelijkheid voor die werkgever in het kader van art. 6:107a BW regres te nemen op die inlener.

139

Zie ook Kruijswijk Jansen & Veendrick (2016), t.a.p., p. 6-7 en verder o.a. T. de Bondt & E. Eikelboom, Sociaal Memo Ziekte & Zorg 2019, Deventer: Wolters Kluwer 2019, § 70.13 (ZW) die opmerken over art. 52a ZW en art. 52b ZW: “In rechterlijke uitspraken houdende vaststelling van schadevergoeding dient rekening te worden gehouden met ter zake ontstane ZW-aanspraken; UWV/eigenrisicodrager heeft beperkt verhaalsrecht inclusief kosten re-integratiemaatregelen op schadeveroorzaker alsmede op werkgever of collega-werknemer indien schade te wijten is aan opzet of bewuste roekeloosheid van werkgever of collega-werknemer; onder werkgever wordt in dit verband tevens verstaan inlener (zie Fiscaal Memo Wet-& Regelgeving, § 25.11)” [cursivering A-G].

140

Ik lees in nr. 2.32 van de procesinleiding verder geen klachten. Hetzelfde geldt voor nrs. 2.30-2.31, 2.33 en 2.35.

141

Daarop stuit ook nr. 2.35 van de procesinleiding af (waarin ik overigens dus geen klacht kan ontwaren). Ik wijs daarbij erop dat het “feit” waarvan Flexpoint in nr. 2.35 rept, m.i. niet aan de orde is. Zie nrs. 3.46-3.53 hiervoor.

142

Zie wel nr. 2.1 van de procesinleiding, maar dit betreft een (generieke) verwijzing die geen traceerbaar verband houdt met de klachten in nrs. 2.30-2.37. Ik heb dat verband in ieder geval niet kunnen ontwaren.

143

Het is mij overigens een raadsel wat Flexpoint bedoelt met “zulks gelet op al het voorgaande”.

____________________________________________________________________________-

 

 

ECLI:NL:GHSHE:2019:698

Uitspraak delen

Link gekopieerd naar het klembord

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Datum uitspraak

26-02-2019

Datum publicatie

01-03-2019

Zaaknummer

200.209.061_01

Formele relaties

Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:7708, Overig
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:739, Bekrachtiging/bevestiging

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

Verhaalsrecht ZW-eigenrisicodrager op inlener? Artt. 52a en 52b ZW

Wetsverwijzingen

Ziektewet 52a
Ziektewet 52b

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Prg. 2019/143

Verrijkte uitspraak

Uitspraak delen

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.209.061/01

arrest van 26 februari 2019

in de zaak van

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. L.M. Parisius-Doldersum te Arnhem,

tegen

[de vennootschap 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. H. Lebbing te Rotterdam,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 25 april 2017 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 4918893 \ CV EXPL 16-3163 gewezen vonnis van 7 september 2016 (hierna: het vonnis).

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenarrest van 25 april 2017 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

het proces-verbaal van comparitie van partijen van 13 juli 2017;

de memorie van grieven;

de memorie van antwoord met 1 productie;

het H12-formulier van [appellante] houdende inzending producties 18 t/m 22 ten behoeve van het pleidooi;

het pleidooi, waarbij partijen hun zaak hebben doen bepleiten, [appellante] door haar raadsvouw, [geïntimeerde] door mr. L.K. de Haan, advocaat te Rotterdam. Beide advocaten hebben een pleitnota overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1

Tegen de door de kantonrechter in zijn vonnis vastgestelde feiten zijn geen grieven gericht. Ook in dit hoger beroep wordt derhalve van die feiten uitgegaan, aangevuld met enkele andere feiten die inmiddels tussen partijen zijn komen vast te staan.

6.1.1

Op 15 april 2011 heeft bij [geïntimeerde] een arbeidsongeval plaatsgevonden waarbij [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) letsel heeft opgelopen. Het ongeval is niet te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van [geïntimeerde] . Het letsel was zodanig ernstig dat [betrokkene] in de periode van 20 april 2011 tot en met 25 juli 2012 arbeidsongeschikt was.

6.1.2

Tussen [appellante] en [betrokkene] bestond ingaande 23 november 2010 een Uitzendovereenkomst Uitzendbeding Fase A. Door de ziekmelding kwam aan de uitlening van [betrokkene] aan [geïntimeerde] een einde.

6.1.3

[appellante] heeft [betrokkene] uitgeleend aan [geïntimeerde] uit hoofde van de door partijen ingaande 30 maart 2009 gesloten samenwerkingsovereenkomst. In deze overeenkomst zijn (artikel 2 lid 1) “opgenomen algemene afspraken en algemene bepalingen die van toepassing zijn op de totstandkoming van uitvoeringsovereenkomsten tussen [geïntimeerde] en [appellante] en de wijze van terbeschikkingstelling van flexkrachten aan [geïntimeerde] .”

Volgens artikel 14 lid 2 van de samenwerkingsovereenkomst zijn beide partijen gebonden aan de regels vermeld in:

Algemene Voorwaarden van [appellante] (…);

de CAO voor Uitzendkrachten van ABU.

6.1.4

De artikelen 11 en 12 van de Algemene Voorwaarden voor het ter beschikking stellen van uitzendkrachten (hierna: ABU Algemene Voorwaarden 2006) luiden als volgt:

“Artikel 11: Arbeidsomstandigheden

De opdrachtgever verklaart zich bekend met het feit dat hij in de Arbeidsomstandighedenwet wordt aangemerkt als werkgever.

  1. De opdrachtgever is jegens de uitzendkracht en de uitzendonderneming verantwoordelijk voor de nakoming van de uit artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek, de Arbeidsomstandighedenwet en de daarmee samenhangende regelgeving voortvloeiende verplichtingen op het gebied van de veiligheid op de werkplek en goede arbeidsomstandigheden in het algemeen.
  2. (…)
  3. (…)
  4. De opdrachtgever zal aan de uitzendkracht vergoeden – en de uitzendonderneming vrijwaren tegen – alle schade (inclusief kosten met inbegrip van de daadwerkelijke kosten van rechtsbijstand) die de uitzendkracht in het kader van de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, indien en voor zover de opdrachtgever en/of de uitzendonderneming daarvoor aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 en/of artikel 7:611 Burgerlijk Wetboek.

(…)

  1. De opdrachtgever zal zich afdoende verzekeren tegen aansprakelijkheid op grond van het bepaalde in dit artikel. Op verzoek van de uitzendonderneming verstrekt de opdrachtgever een bewijs van verzekering.

Artikel 12 Aansprakelijkheid opdrachtgever

  1. De opdrachtgever die de verplichtingen die voor hem voortvloeien uit deze Algemene Voorwaarden, in het bijzonder de verplichtingen als omschreven in de artikelen 3 (leden 5, 6 en 7), 4 (lid 3), 8, 9 (leden 1, 3, 5 en 7), 10 (leden 1 t/m 5, 8 en 9), 11 (2 t/m 6), 14 (lid 2), 17 (lid 1), 19 en 20 (lid 1) niet nakomt, is gehouden tot vergoeding van alle daaruit voortvloeiende schade van de uitzendonderneming (inclusief alle kosten waaronder die van rechtsbijstand), zonder dat voorafgaande ingebrekestelling nodig is, en hij dient de uitzendonderneming zonodig terzake te vrijwaren. Dit laat onverlet, dat de uitzendonderneming eventuele andere vorderingen kan instellen, zoals het inroepen van ontbinding. Het bepaalde in dit artikel is van algemene gelding, zowel – zo nodig aanvullend – ten aanzien van onderwerpen waarbij de schadevergoedingsplicht reeds afzonderlijk in deze Algemene Voorwaarden is geregeld als ten aanzien van onderwerpen waarbij dat niet het geval is.”

6.1.5

De aansprakelijkheidsverzekeraar van [geïntimeerde] , [aansprakelijkheidsverzekeraar] , heeft namens [geïntimeerde] aansprakelijkheid jegens [betrokkene] erkend voor het in 6.1.1 genoemde ongeval.

6.1.6

[appellante] is bij beschikking van de Belastingdienst van 3 juni 2010 aangemerkt als eigen risicodrager voor de Ziektewet (ZW).

6.2.1

In eerste aanleg heeft [appellante] (samengevat) gevorderd [geïntimeerde] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling aan [appellante] van € 16.446,45 te vermeerderen met de wettelijke rente en met € 3.670,16 buitengerechtelijke kosten.

6.2.2

Aan deze vordering heeft [appellante] , tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, ten grondslag gelegd dat als de overeenkomst van een uitzendkracht tijdens ziekte eindigt, in beginsel op dat moment ook de loondoorbetalingsplicht van het uitzendbureau eindigt. De uitzendkracht is vervolgens aangewezen op een uitkering onder de Ziektewet. [appellante] heeft als eigenrisicodrager voor de ZW aan [betrokkene] een Ziektewetuitkering betaald in de periode dat [betrokkene] arbeidsongeschikt was. Daarnaast heeft zij re-integratiekosten van [betrokkene] en kosten voor casemanagement gemaakt.

Waar UWV op de voet van artikel 52a lid 1 ZW verhaal kan nemen op degene die in verband met het veroorzaken van de arbeidsongeschiktheid van deze werknemer naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, komt dit verhaalsrecht bij eigenrisicodragerschap op grond van artikel 52a lid 2 ZW toe (niet aan het UWV maar) aan de eigenrisicodrager. Volgens [appellante] is het regresrecht van artikel 52a ZW een aanvulling op het regresrecht volgens artikel 6:107a BW en is artikel 52b ZW een uitwerking van artikel 6:107a lid 4 BW. Het collega-verweer gaat niet op nu het niet gaat om dezelfde werkgever. Onder verwijzing naar de MvT II, 27873 nr. 3 p. 9 voert [appellante] aan dat artikel 52b ZW uitsluitend van toepassing is op het UWV en niet op de eigenrisicodrager .

6.2.3

Na daartoe door [geïntimeerde] gevoerd verweer heeft de kantonrechter de vordering van [appellante] afgewezen, met haar veroordeling in de proceskosten. De kantonrechter vermocht niet in te zien waarom, ook al is [appellante] geen sociaal verzekeraar, haar meer rechten zou toekomen dan het UWV. De aanwijzing van eigenrisicodrager levert [appellante] een korting op in de afdracht van sociale premies. De consequentie daarvan is dat kosten welke bij niet-risicodragers voor rekening van het UWV komen voor rekening van de eigenrisicodrager komen. Bij de aanvraag tot eigenrisicodrager heeft [appellante] een afweging gemaakt en gekozen voor die variant. Nu gesteld noch gebleken is van opzet of bewuste roekeloosheid die aan [geïntimeerde] kan worden verweten dient de vordering te worden afgewezen, aldus de kantonrechter.

6.3.1

[appellante] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. Zij concludeert in hoger beroep tot vernietiging van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank en, opnieuw rechtdoende door het hof, dat haar vorderingen alsnog worden toegewezen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten in beide instanties.

6.3.2

[geïntimeerde] concludeert in hoger beroep tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van [appellante] in de kosten in hoger beroep.

De contractuele grondslag

6.4.1

Volgens grief I heeft de kantonrechter ten onrechte geen aandacht besteed aan de contractuele afspraken tussen partijen. De kantonrechter heeft niet onderkend dat op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst, ingeval van een bedrijfsongeval waarvoor [geïntimeerde] op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk is, op [geïntimeerde] de verplichting rust om zowel de door de werknemer als de door [appellante] geleden schade te vergoeden.

In de toelichting op de grief wijst [appellante] er in aansluiting op de tussen partijen vaststaande feiten op dat daarmee vaststaat dat de arbeidsongeschiktheid van [betrokkene] het gevolg is geweest van het bedrijfsongeval waarvoor [geïntimeerde] op grond van art 7:658 BW aansprakelijk is, omdat [geïntimeerde] haar zorgplicht als (materiële) werkgever van [betrokkene] niet is nagekomen.

6.4.2

Voor de beoordeling neemt het hof tot uitgangspunt dat [appellante] tijdens het pleidooi heeft gesteld dat de door haar bij inleidende dagvaarding overgelegde algemene voorwaarden (versie 2014.1) niet op de overeenkomst van toepassing zijn. [appellante] heeft in plaats daarvan een beroep gedaan op de ABU Algemene Voorwaarden 2006 die volgens [appellante] bij het aangaan van de overeenkomst in 2009 aan [geïntimeerde] zijn overhandigd. Daarmee heeft [appellante] , die in de toelichting op grief I nog verwees naar de bij de inleidende dagvaarding als prod. 2. overgelegde algemene voorwaarden, in strijd met de hoofdregel van artikel 347 Rv dat partijen in hoger beroep ieder eenmaal de gelegenheid hebben gronden en verweer aan te voeren, een nieuw feit opgeworpen. In HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, heet het dat “van appellant in beginsel (mag) worden verlangd dat hij in zijn conclusie van eis (memorie van grieven) aanstonds niet alleen al zijn bezwaren tegen de beslissingen van de lagere rechter aanvoert, maar ook de nieuwe feiten of stellingen naar voren brengt waarop hij zich in appel mede wenst te beroepen.”

[appellante] heeft geen omstandigheden aangevoerd die rechtvaardigen dat haar alsnog een beroep op de ABU Algemene Voorwaarden 2006 toekomt en uit de houding van [geïntimeerde] ter zitting kan niet afgeleid worden dat zij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat dit als nieuwe grief te beschouwen feit (stelling) alsnog in de rechtsstrijd in hoger beroep wordt betrokken. Daarmee faalt het beroep op de (artt. 11 en 12 van de) ABU Algemene Voorwaarden 2006.

6.4.3

Indien aangenomen zou worden dat [geïntimeerde] het door [appellante] bij pleidooi in hoger beroep tot de toepasselijkheid van de ABU Algemene Voorwaarden 2006 uitgebreide debat wèl heeft aanvaard, dan geldt dat [geïntimeerde] terecht heeft opgeworpen dat tussen partijen niet vaststaat dat díe voorwaarden op de samenwerkingsovereenkomst van toepassing zijn. Dat de op blz. 2 van de samenwerkingsovereenkomst vermelde bijlage “2. Algemene Voorwaarden {uitzendbureau}” de ABU Algemene Voorwaarden 2006 betreft is door [geïntimeerde] betwist en uit de samenwerkingsovereenkomst blijkt het niet. De samenwerkingsovereenkomst spreekt in artikel 14 over toepasselijkheid van de algemene voorwaarden “van [appellante] ” en dat dat betreft de “Algemene Voorwaarden {uitzendbureau}” genoemd op blz. 2 en dus, in de huidige optiek van [appellante] , de ABU Algemene Voorwaarden 2006, is niet duidelijk. Evenmin blijkt uit de samenwerkingsovereenkomst dat, zoals gesteld door [appellante] , de ABU Algemene Voorwaarden 2006 (als bijlage) “zijn overhandigd” (pleitnota nr. 33); de verwijzing naar het handboek van Loos, nr. 117, helpt [appellante] in dit verband niet nu uit de ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst namens [geïntimeerde] niet blijkt dat déze algemene voorwaarden, de door [appellante] gestelde ABU Algemene Voorwaarden 2006, als bijlage bij de samenwerkingsovereenkomst zaten. De overgelegde verklaring van mw. [derde] (prod. 21) maakt dat niet anders want hóe de ABU Algemene Voorwaarden 2006 door [appellante] “van toepassing werden verklaard” blijkt noch in abstracte zin, noch in het kader van onderhavige samenwerkingsovereenkomst. Ook de verwijzing naar artikel 6:235 BW gaat niet op nu die bepaling aansluit op de artt. 6:233 en 6:234 BW die zien op de mogelijke vernietigbaarheid van tussen partijen overeengekomen algemene voorwaarden. In deze gaat het evenwel niet om overeengekomen algemene voorwaarden, maar om de daaraan voorafgaande vraag: zijn partijen de toepasselijkheid van déze algemene voorwaarden overeengekomen? Als gezegd, dat staat niet tussen partijen vast.

6.4.4

Veronderstellenderwijs aangenomen dat de ABU Algemene Voorwaarden 2006 op de samenwerkingsovereenkomst en de latere uitzending van [betrokkene] door [appellante] aan [geïntimeerde] , van toepassing zijn, overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt onder verwijzing naar de tekst van artikel 12 van de ABU Algemene Voorwaarden 2006 voorop dat, anders dan aangevoerd tijdens pleidooi door [appellante] (pleitnota nr 27 e.v.) niet valt in te zien dat dit artikel (in samenhang met artikel 11) tot aansprakelijkheid of draagplicht van [geïntimeerde] leidt; het komt het hof voor dat [appellante] over het hoofd heeft gezien dat artikel 12 verwijst naar “artikel 11 (2 t/m 6)” en – dus – niet naar artikel 11 lid 1 van die algemene voorwaarden. [appellante] heeft niet gesteld noch is gebleken dat in het licht van de Haviltexformule [geïntimeerde] heeft begrepen, althans heeft moeten begrijpen, dat de verwijzing naar “artikel 11 (2 t/m 6)” (ook) ziet op artikel 11 lid 1 van de ABU Algemene Voorwaarden 2006, ook niet wanneer in aanmerking wordt genomen dat artikel 11 lid 2 van de ABU Algemene Voorwaarden 2006 niet bestaat. Dat artikel 12 van de ABU Algemene Voorwaarden 2006 kan leiden tot aansprakelijkheid van [geïntimeerde] valt aldus niet in te zien.

6.4.5

Dit laatste klemt temeer waar volgens artikel 11 lid 1 in samenhang met lid 5 de opdrachtgever (i.c. [geïntimeerde] ) jegens de uitzendkracht en de uitzendonderneming verantwoordelijk is voor de nakoming van de uit artikel 7:658 BW voortvloeiende verplichtingen en de opdrachtgever aan de uitzendkracht zal vergoeden – en de uitzendonderneming vrijwaren tegen – alle schade die de uitzendkracht in het kader van de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt (enz.). (curs. hof). Dit artikel regelt derhalve de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] jegens [betrokkene] , welke aansprakelijkheid [geïntimeerde] ook heeft erkend, zie rov. 6.1.5. Anders dan [appellante] kennelijk voorstaat is met deze aansprakelijkheid jegens [betrokkene] en vrijwaring daarvoor van [appellante] niet tevens de aansprakelijkheid, althans draagplicht, van [geïntimeerde] jegens [appellante] uit hoofde van de gesloten samenwerkingsovereenkomst of de daarop voortbouwende uitzending gegeven.

6.4.6

[appellante] heeft voorts onvoldoende onderbouwd hoe, in het licht van de Haviltexformule, aangenomen kan worden dat met de op 30 maart 2009 gesloten samenwerkingsovereenkomst reeds is voorzien in aansprakelijkheid van [geïntimeerde] voortvloeiend uit de keuze van [appellante] voor eigenrisicodragerschap voor de ZW, welke aan haar eerst is toegekend per 3 juni 2010 (6.1.6). Gesteld noch gebleken is dat [appellante] [geïntimeerde] op enig moment – laatstelijk bij gelegenheid van de inlening van [betrokkene] door [geïntimeerde] – heeft ingelicht over de aansprakelijk-heidsconsequenties die, in de huidige opvatting van [appellante] , voor [geïntimeerde] uit dat eigenrisicodragerschap voortvloeien. Aldus valt niet in te zien dat [geïntimeerde] daarmee heeft ingestemd. Dat, in het verlengde hiervan, de ABU Algemene Voorwaarden 2006 dit probleem regelen valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, evenmin in te zien.

6.4.7

Ten slotte: het hof is er bij het voorgaande vanuit gegaan dat het mogelijk is bij overeenkomst tussen het uitzendbureau-eigenrisicodrager en de inlener af te wijken van het bepaalde in de artt. 52a en 52b ZW. Maar daarvoor moet dan wel de grondslag in de door hen gesloten overeenkomst liggen hetgeen in deze niet het geval is. Daarmee faalt grief I.

De buitencontractuele grondslag

6.5.1

De grieven II, III en IV luiden als volgt:

Grief II

Ten onrechte heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen op grond van de

redenering dat een eigenrisicodrager, zoals [appellante] , in het kader van het regresrecht ex art 52a ZW, gelijk gesteld moet worden aan het UWV en dus op grond van art 52b lid 1 ZW alleen een regresrecht heeft indien sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de (materiële) werkgever, in casu [geïntimeerde] .

Grief III

Ten onrechte heeft de kantonrechter in dit kader geoordeeld dat hij niet vermag in te zien waarom, ook al is [appellante] geen sociaal verzekeraar, haar meer rechten zou toekomen dan het UWV, nu [appellante] bij de aanvraag tot eigenrisicodrager een afweging heeft gemaakt en gekozen heeft voor die variant.

Grief IV

Tenslotte acht de kantonrechter ten onrechte relevant dat de aanwijzing van eigenrisicodrager

betrokkenen een korting oplevert in de afdracht van sociale premies aan de Belastingdienst en stelt daardoor ten onrechte dat de consequentie van een dergelijke aanwijzing is dat kosten welke bij niet-risicodragers voor rekening van het UWV komen, voor rekening van de eigenrisicodrager komen.

6.5.2

Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Het hof stelt voorop dat het er op lijkt dat de stellingen van [appellante] worden ingekleurd vanuit haar bij pleidooi geventileerde vertrekpunt “Ieder dient de door hem of haar veroorzaakte schade te vergoeden. Veel ingewikkelder is de kwestie (…) eigenlijk niet.” Dit vertrekpunt, althans dit adagium, staat tegenover het vanouds bekende adagium “ieder draagt zijn eigen schade.” Het hof weerstaat de verleiding uitvoerig in te gaan op de fundamenten waarop beide adagia zijn gebouwd1 maar stelt wel vast dat het enkele door [appellante] gekozen adagium geen vorderingsrecht schept. Ook uit de enkele “redelijkheid” (“het [is] niet redelijk dat de door [geïntimeerde] veroorzaakte schade door [appellante] gedragen zou moeten worden,” MvG nr. 20) vloeit geen vorderingsrecht voort.

6.5.3

De wetgever heeft na enige omzwervingen, zie de Parl.Gesch. op artikel 6.1.9.11a2, met artikel 6:107 BW de “niet onaanzienlijke uitbreiding van de aansprakelijkheid” waarin het vijfde gedeelte van de InvW. voorzag weer teruggedraaid en een regel gegeven “die vergelijkbaar is met het huidige artikel 1407 BW en die tot strekking heeft de kring van personen die in geval van letselschade, behalve de gekwetste zelf, recht op schadevergoeding hebben, te beperken.” Een uitzondering is blijkens de Parl.Gesch. slechts gemaakt voor de zgn. verplaatste schade, zie t.a.p. blz. 1288.

[appellante] valt niet onder de in 6:107 BW bedoelde kring van personen die recht op schadevergoeding hebben; zij heeft dat overigens zelf ook niet gesteld. [appellante] heeft – terecht overigens – ook geen beroep gedaan op artikel 6:107a BW nu het in dat artikel geregelde regresrecht ziet op het door de werkgever (in die hoedanigheid) van de arbeidsongeschikte werknemer doorbetaalde loon en kosten van re-integratie. In dit geval gaat het echter niet om loonbetaling maar om ZW-uitkeringen van [appellante] als ex-werkgever tevens eigenrisicodrager.

6.5.4

Het hof heeft de verwijzing naar de Parl.Gesch. in 6.5.3 opgenomen, omdat de wetgever ook onder het oude recht (artikel 1407 BW) zich ervan bewust was dat in beginsel aan anderen dan het slachtoffer zelf geen vorderingsrecht jegens de laedens toekwam; reeds krachtens artikel 89 van de Ongevallenwet 1901 werd daarom de “risicodrager” gesubrogeerd in de rechten van de verzekerde werknemer op gelijke wijze als de verzekeraar krachtens artikel 284 K (oud). Bij wet van 2 mei 1921, Stb 204, werd het subrogatierecht vervangen door een zelfstandig verhaalsrecht, het “eigen recht” van het uitvoeringsorgaan, artikel 95 Ongw. 1921. In de jaren daarna werd op overeenkomstige wijze in (o.m.) de ZW 19133, de ZFW en de WAO voorzien in een verhaalsrecht van de uitvoeringsorganen.

6.5.5

Bij de hiervoor, met name in 6.5.3, weergegeven strekking van de wet en wettelijke stand van zaken dringt zich de onjuistheid van het in 6.5.2 genoemde uitgangspunt van [appellante] op: er bestaat slechts een verhaalsrecht voor ZW-uitkeringen voorzover dat recht (uitdrukkelijk) door de wetgever is toegekend, incl. eventuele beperkingen.

6.5.6

Ingevolge artikel 52a ZW in samenhang met artikel 52b ZW heeft het UWV voor wat betreft door haar gemaakte kosten alleen regres op de werkgever van de gelaedeerde werknemer ingeval de arbeidsongeschiktheid van deze is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van de werkgever. Naar luid van artikel 52b lid 2 ZW wordt mede als werkgever beschouwd de inlener als bedoeld in artikel 34 InvWet 1990. Deze laatste bepaling heeft al oude papieren, immers ingevoerd bij wetsvoorstel 5865 uit 1959 waarbij nog werd verwezen naar “artikel 16a der Coördinatiewet Sociale Verzekering” om de materiële werkgever te duiden. “Op advies van de Sociale Verzekeringsraad is daarom voorgesteld ook voor de materiële werkgever de burgerrechtelijke aansprakelijkheid te beperken, welke ingevolge de hiervóór geciteerde wetten (toev. hof: onder meer artikel 52 ZW oud) voor de formele werkgever geldt” aldus de MvT.

Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] een inlener als bedoeld in artikel 34 InvWet 1990 is en dat van opzet of bewuste roekeloosheid van [geïntimeerde] geen sprake is.

6.5.7

De wetgever heeft als sequeel van de per 1 maart 2003 heringevoerde mogelijkheid voor werkgevers voor de ZW als eigenrisicodrager op te treden (Wet eigenrisicodragen Ziektewet, Stb. 2002, 584) aan artikel 52a ZW een tweede lid toegevoegd:

“2. De eigenrisicodrager treedt voor de toepassing van het eerste lid in de plaats van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.”

De MvT 27873 nr 3, p. 9 luidt op dit onderdeel: “Onderdeel E

In artikel 52a ZW is het recht van regres geregeld. Het UWV heeft ingevolge deze bepaling verhaal voor gemaakte kosten uit hoofde van de ZW (waaronder het ziekengeld), op degene die civielrechtelijk aansprakelijk is voor het veroorzaken van de ongeschiktheid tot werken. Toegevoegd wordt een tweede lid, waarin dit regresrecht aan de eigenrisicodrager wordt toegekend. Deze heeft een eigen verhaalsrecht dat in de plaats treedt van het recht van het UWV. Dit regresrecht is aanvullend op het regresrecht dat de werkgever heeft op grond van artikel 107a van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Dat artikel ziet immers op verhaal voor het door hem bij ziekte doorbetaalde loon. In artikel 52b ZW is nader geregeld onder welke voorwaarde recht op regres bestaat ten aanzien van de werkgever. Aanpassing van dat artikel is niet noodzakelijk. Een werkgever zal immers niet het door hem betaalde ziekengeld op zichzelf verhalen.”

Een verdere toelichting op het regresrecht van de eigenrisicodrager dan deze passage, ook door [appellante] geciteerd in haar memorie van grieven, ontbreekt.

Uit deze toelichting valt niet af te leiden dat de wetgever in afwijking van de regeling als hiervoor vermeld in 6.5.6, met de tekst van het (voorgestelde) tweede lid van artikel 52a ZW, aan de eigenrisicodrager een regresrecht heeft willen toekennen dat een ruimere strekking heeft dan het eigen recht van het UWV. [appellante] houdt het ervoor (MvG nr 20) dat de wetgever “geen rekening heeft gehouden met een situatie als deze.” Anders dan [appellante] wil het er bij het hof niet in dat dat dan aldus uitgelegd kan worden dat aan haar een niet in de wet geregeld regresrecht zou toekomen; het gaat naar het oordeel van het hof zijn rechtsvormende taak te buiten een zodanig regresrecht wel toe te kennen, althans aan te nemen.

6.5.8

[appellante] ziet er in haar vergelijking van artikel 6:107a BW en artikel 52a en 52b ZW aan voorbij dat het bij de uitleg van het eerstgenoemde artikel, anders dan bij artikel 52a in verbinding met artikel 52b ZW, niet ging om een uitdrukkelijk niet-toegekend regresrecht, maar om de vraag of het toegekende regresrecht verhaal op de inlener omvatte, vgl. in dit verband ook Hof Den Haag, 4 maart 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AS3575.

6.5.9

Ten slotte: waar [appellante] het standpunt huldigt dat het “gewone” schadevergoedingsrecht geldt nu zij (anders dan voor UWV zou gelden) geen premies ontvangt van [geïntimeerde] , ziet [appellante] eraan voorbij dat zij, zoals hiervoor reeds uitvoerig aan de orde gekomen, aan het gewone schadevergoedingsrecht zowel uit haar contractuele verhouding met [geïntimeerde] als uit o.d. geen rechten kan ontlenen.

6.5.10

Op het voorgaande stuiten de grieven II t/m IV af.

6.6

De conclusie is dat de vordering behoort te worden afgewezen. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij wordt [appellante] veroordeeld in de kosten aan de zijde van [geïntimeerde] in hoger beroep gevallen.

7 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 7 september 2016 van de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 4918893 \ CV EXPL 16-3163 tussen partijen gewezen;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 1.957,00 aan griffierecht en op € 4.173,00 aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [appellante] in de nakosten en begroot die kosten op € 131,– indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,– indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

Dit arrest is gewezen door mrs. A.J. Henzen, J.W. van Rijkom en P.S. Kamminga en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 februari 2019.

griffier rolraadsheer

1 Zie onder (veel) meer: Hartlief, Ieder draagt zijn eigen schade, Oratie Leiden, 1997; E.F.D. Engelhard & G.E. van Maanen, Aansprakelijkheid voor schade: contractueel en buitencontractueel (Monografieën BW, deel A15, nr 1 e.v.) en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015 nrs 18 e.v.

2 PG Inv 3, 5, en 6 Boek 6 blz. 1277 e.v.

3 Wet van 29 december 1934, Stb. 724

 

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey