HR: geen beroep op opzetclausule bij seksueel misbruik, cassatieberoep verworpen (art 81 RO) (1)

Samenvatting:

De Hoge Raad verwerpt zonder nadere motivering (art 81 RO) het cassatieberoep tegen het oordeel van het hof. Verweerder in cassatie was veroordeeld tot gevangenisstraf wegens seksueel misbruik van meisje en deed een beroep op zijn AVP-verzekering . Het hof oordeelde de AVP-verzekeraar geen beroep kon doen op de opzetclausule (“Niet gedekt is de aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade die voor hem het beoogde of zekere gevolg is van zijn handelen”) en derhalve gehouden was uitkering te doen onder de polis. (A.-G. Spier stelt in zijn conclusie dat alle klachten in cassatie stuklopen op het onjuiste perspectief waarop ze zijn gebaseerd. Het gaat volgens Spier om de band tussen de opzet van de verzekerde/dader en de schade en hierop hebben de klachten geen betrekking. ) .

Volledige uitspraak:

LJN: BY6786, Hoge Raad , 11/05488

 

Datum uitspraak: 01-03-2013

Datum publicatie: 01-03-2013

Rechtsgebied: Civiel overig

Soort procedure: Cassatie

Inhoudsindicatie: Art. 81 lid 1 RO. Verzekeringsrecht. Opzetclausule. Dekking voor schade als gevolg van ontuchtige handelingen verzekerde waarvoor hij strafrechtelijk is veroordeeld?

Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

 

 

 

 

 

Uitspraak

 

1 maart 2013

Eerste Kamer

11/05488

TT / TJ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., h.o.d.n. INTERPOLIS,

gevestigd te Apeldoorn,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Interpolis en [verweerder].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 192845 / HA ZA 08-1332 van de rechtbank Breda van 10 juni 2009;

b. het arrest in de zaak HD 200.041.586/01 van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 6 september 2011.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Interpolis beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerder] is verstek verleend.

De zaak is voor Interpolis toegelicht door haar advocaat en mr. K.J.O. Jansen, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

Mr. Jansen voornoemd en mr. K. Teuben hebben namens Interpolis bij brief van 11 januari 2013 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Interpolis in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 1 maart 2013.

 

 

 

Conclusie

 

11/05488

mr. J. Spier

Zitting 14 december 2012

Conclusie inzake

Achmea Schadeverzekeringen N.V., handelende onder de naam Interpolis

(hierna: Interpolis)

tegen

[Verweerder])

1. Feiten

1.1 In cassatie kan van de navolgende feiten worden uitgegaan.(1)

1.2 [Verweerder] had met ingang van 2 april 1999 zijn aansprakelijkheid als particulier bij Interpolis verzekerd. Deze verzekering is per 17 december 2007 door Interpolis beëindigd.

1.3 Vanaf 18 december 2001 zijn de verzekeringsvoorwaarden aangepast in die zin dat aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door en/of voortvloeiende uit seksuele of seksueel getinte gedragingen van welke aard ook, is uitgesloten van de dekking.

1.4 Eind januari 2006 hebben [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 1] (hierna: de slachtoffers, aangeefsters of [betrokkene] c.s.) bij de politie aangifte gedaan van seksueel misbruik door [verweerder], gepleegd in de periode van 1997 tot en met 2003. [Verweerder] heeft ontkend zich aan dit seksueel misbruik te hebben schuldig gemaakt. Op 30 januari 2007 heeft het Hof ‘s-Gravenhage [verweerder] veroordeeld voor het plegen van ontuchtige handelingen met [betrokkene] c.s., die toen de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien hadden bereikt, waarbij de ontuchtige handelingen bestonden uit het binnendringen van het lichaam van betrokkenen. [Verweerder] is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van voorarrest.(2)

1.5 Bij dagvaarding van 26 april 2006 hebben [betrokkene] c.s. schadevergoeding gevorderd van [verweerder]; [betrokkene 3] voor ruim € 17.000, [betrokkene 2] voor ruim € 16.000 en [betrokkene 1] ter hoogte van ruim € 20.000. De vorderingen zijn gebaseerd op onrechtmatig handelen van [verweerder], bestaande uit het seksueel misbruik waarvan eerder aangifte is gedaan. [Verweerder] heeft deze vorderingen bestreden.

2. Procesverloop

2.1 Bij dagvaarding van 28 juli 2008 heeft [verweerder] Interpolis gedagvaard voor de Rechtbank Breda. [Verweerder] vordert een verklaring voor recht dat Interpolis gehouden is hem dekking te verlenen onder de aansprakelijkheidsverzekering en uitkering te doen, "in hoogte gelijk aan de bedragen waartoe eiser gehouden zal zijn in de letselschadezaak van" [betrokkene] c.s.

2.2.1 Interpolis heeft de vordering van [verweerder] bestreden. Voor zover thans van belang beroept zij zich op de uitsluitingsclausule die tot 18 december 2001 onderdeel uitmaakte van de polisvoorwaarden. Deze clausule (hierna: de opzetclausule) houdt in:

"Niet gedekt is de aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade die voor hem het beoogde of zekere gevolg is van zijn handelen of nalaten."

2.2.2 Subsidiair stelt Interpolis dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [verweerder] in deze zaak aanspraak zou kunnen maken op een uitkering onder de polis.

2.3 In haar vonnis van 10 juni 2009 heeft de Rechtbank Breda [verweerder]s vordering afgewezen onder verwijzing naar de opzetclausule. Naar het oordeel van de Rechtbank is sprake van schade die het zekere gevolg is van [verweerder]s handelen. In haar visie heeft [verweerder] de gevolgen van zijn handelen ook gewild (rov. 3.6). Volgens de Rechtbank wist [verweerder] dat ontucht met kinderen die nog geen 16 jaar oud zijn "hun lichamelijke en geestelijke integriteit aantast en tot schade leidt." Hij heeft "schade in ieder geval bewust op de koop toe (..) genomen" (rov. 3.9).

2.4 [Verweerder] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen.

2.5 In zijn arrest van 6 september 2011 heeft het Hof voor recht verklaard dat Interpolis gehouden is om aan [verweerder] onder de aan "deze" (het Hof bedoelt: [verweerder]) afgegeven polis dekking te verlenen en uitkering te doen, "in hoogte gelijk aan de bedragen waartoe [verweerder] in de door de drie aangeefsters voornoemd tegen hem aangespannen letselschadezaak verwezen zal worden wegens door hem in de periode van 2 april 1999 tot 18 december 2001 veroorzaakte schade".

2.6 Interpolis heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. Tegen [verweerder] is verstek verleend. Interpolis heeft haar standpunt uitvoerig schriftelijk doen toelichten.

3. Inleiding

3.1 De Rechtbank heeft vastgesteld dat [verweerder] in rechte wordt aangesproken door drie slachtoffers van de door hem gepleegde ontucht. Volgens de Rechtbank hebben zij respectievelijk ruim € 17.000, € 16.000 en € 20.000 aan schadevergoeding gevorderd. Het Hof heeft deze feitenvaststelling, zoals we al zagen, overgenomen. [Verweerder] heeft in cassatie verstek laten gaan; hij heeft deze vaststelling dus niet bestreden.

3.2 De onder 3.1 weergegeven vaststelling is juist, maar nogal onvolledig. Uit de als productie 7 bij de inleidende dagvaarding in geding gebrachte dagvaarding van [verweerder]s slachtoffers blijkt dat zij de genoemde bedragen bij wege van provisionele voorziening hebben gevorderd als voorschot. Zij vorderen tevens een verklaring voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor de door hen geleden schade, met verdere verwijzing naar de schadestaatprocedure.

3.3 De onder 3.2 genoemde vorderingen zijn vooral (zij het niet uitsluitend) gebaseerd op de stelling dat de slachtoffers hun opleidingen niet hebben kunnen afronden en bijgevolg carrièreschade hebben geleden (zie inleidende dagvaarding onder 11-14). Daarnaast behelst de vordering een betrekkelijk bescheiden smartengeld-component van respectievelijk € 2.000, € 2.000 en € 5.000 (naast hetgeen in de strafzaak al was gevorderd); de slachtoffers reserveren uitdrukkelijk het recht deze laatste bedragen nog te verhogen (onder 17).

3.4 Alle klachten lijken te vertrekken van en zijn klaarblijkelijk gebaseerd op het onder 3.1 genoemde uitgangspunt; zie voetnoot 3 van de cassatiedagvaarding. Dat uitgangspunt is zo onvolledig en doet m.i. zo weinig recht aan de werkelijke – onder 3.2 geschetste – gang van zaken dat het middel in zijn geheel is gebaseerd op een ondeugdelijk uitgangspunt. Het legt evenmin een verband met de feitelijke basis voor de vorderingen van de slachtoffers zoals kort geschetst onder 3.3.

3.5.1 Voor de goede orde stip ik aan dat de onder 2.1 weergegeven vordering van [verweerder] (evenmin) erg helder is. Met name komt niet geheel uit de verf of hij het oog heeft op de in de door [betrokkene] c.s. geëntameerde schadebedragen zoals genoemd in hun inleidende dagvaarding dan wel of hij mede probeert om de verklaring voor recht te betrekken op hetgeen eventueel in de schadestaatprocedure zal worden toegewezen.

3.5.2 Voor het navolgende is de precieze strekking van [verweerder]s vordering lood om oud ijzer. Datzelfde geldt voor de vraag hoe het bij [verweerder]s vordering aanhakende dictum van ‘s Hofs arrest moet worden verstaan. Of men vordering en dictum beperkt uitlegt (zij zien slechts op de concreet door [betrokkene] c.s. gevorderde bedragen) dan wel ruim (dus mede omvattend hetgeen in de schadestaatprocedure zal worden toegewezen), in beide gevallen blijft immers overeind dat de vordering van [betrokkene] c.s. in overwegende mate betrekking heeft op – kort gezegd – carrièreschade.

3.6.1 Het verhaal wordt wat eentonig, maar evenmin is erg duidelijk of het Hof hetgeen onder 3.2 en 3.3 werd vermeld voor ogen heeft gestaan. Wanneer we aannemen dat het Hof in rov. 5.5 tot uitdrukking bedoelt te brengen dat carrièreschade als onder 3.3 vermeld zeker niet zonder meer en steeds het gevolg is van seksueel misbruik en dat daarom niet kan worden gezegd dat deze schade "het beoogde of zekere gevolg is van zijn handelen", dan valt op dat oordeel hooguit wat af te dingen met een klacht dat een dergelijk oordeel onbegrijpelijk is. Een klacht van die strekking is in het middel evenwel met geen mogelijkheid te lezen.

3.6.2 Daarbij valt te bedenken dat het Hof het woordje "zekere schade" kennelijk niet zo letterlijk bedoelt als bij eerste lezing wellicht zou kunnen worden vermoed. Het Hof heeft, weliswaar in minder gelukkig gekozen bewoordingen, kennelijk willen zeggen dat seksueel misbruik weliswaar voor betrokkenen ingrijpende gevolgen pleegt te hebben (rov. 5.4), maar dat deze gevolgen zich op allerlei manieren kunnen uiten, afhankelijk van de weerbaarheid en de kwetsbaarheid van slachtoffers (rov. 5.5 halverwege). Daarom kan niet worden gezegd dat [verweerder]s opzet was gericht de door [betrokkene] c.s. gevorderde schade (in hoofdzaak carrièreschade). Dat is een feitelijk oordeel dat Interpolis klaarblijkelijk onderschrijft; het wordt immers niet bestreden.

3.6.3 ‘s Hofs oordeel is m.i. onbegrijpelijk voor zover de vordering van [verweerder] aanhaakt bij de smartengeldvordering van [betrokkene] c.s. en wel op de in rov. 5.4 genoemde grond. Maar een daarop toegesneden klacht is in geen velden of wegen te bekennen zodat ik hierop niet verder behoef in te gaan.

3.7 De onder 3.6.1 besproken lezing is zeker niet dwingend. Met name de daarin veronderstelde koppeling met de in essentie op carrièreschade geënte vorderingen van de slachtoffers heeft het Hof niet uitgeschreven. Laten we die koppeling weg, dan is ‘s Hofs oordeel minder gemakkelijk te begrijpen. Maar ook dan blijft overeind dat de (in de financiële zin) schadelijke gevolgen voor slachtoffers (allicht) mede afhangen van hun kwetsbaarheid en weerbaarheid, zij het dan ook dat een begrijpelijke motivering waarom de gevorderde schade geen "zekere schade" is in de door het Hof bedoelde zin ontbreekt in het bestreden arrest.

4. Opzetclausule in verzekeringsovereenkomsten

4.1 Naar gangbare inzichten heeft een aansprakelijkheidsverzekering (mede) een maatschappelijke functie, des dat zij de aansprakelijke in staat stelt om de door hem onrechtmatig toegebrachte schade aan de benadeelde(n) te vergoeden.(3) Aangenomen mag worden dat deze strekking Uw Raad er in een aantal hierna te bespreken arresten toe gebracht heeft om de opzetclausule in dergelijke verzekeringen zo uit te leggen dat benadeelden niet spoedig in de kou (kunnen) komen te staan.

4.2.1 In een reeks arresten heeft Uw Raad een drempel opgeworpen tegen een gemakkelijk beroep door de aangesproken WA-verzekeraar op de opzetclausule zoals deze gold in de periode waarvoor het Hof heeft aangenomen dat Interpolis de door [verweerder] toegebrachte schade moet vergoeden.

4.2.2 Inmiddels is die clausule aangepast in dier voege dat – kort gezegd – schade verband houdend met seksuele gedragingen niet (meer) is gedekt. Ook overigens is die clausule inmiddels ten detrimente van verzekerden en hun slachtoffers aangescherpt door een koppeling aan te brengen met de schade-berokkenende gedraging en niet meer met de schade.(4)(5)

4.3 Over de destijds geldende opzetclausule, die het speerpunt van deze procedure vormt, heeft de Hoge Raad zich voor het eerst uitgesproken in het Veerman-arrest.(6) In dat geval ging het om een – kennelijk licht ontvlambare – amateur bokser die (onder meer) Kuipers met één gerichte en trefzeker geplaatste klap tegen de grond sloeg. Het gevolg van deze klap was ernstig oogletsel bij Kuipers. Volgens het Hof vond dat oogletsel eerder zijn verklaring in de extra kwetsbaarheid van Kuipers dan in de klap.(7) Het Hof honoreerde daarom het beroep door de aangesproken aansprakelijkheidsverzekeraar op de opzetclausule niet. De Hoge Raad overwoog dat in een geval waarin een verzekerde letsel heeft toegebracht de opzetclausule geen verdere strekking heeft dan van de dekking uit te sluiten de aansprakelijkheid van een verzekerde die het letsel heeft beoogd of zich ervan bewust was dat letsel, zoals zich dat in concreto heeft voorgedaan, het gevolg van zijn handelen zou zijn (rov. 3.3.2). Het cassatieberoep wordt verworpen, onder meer omdat in ‘s Hofs oordeel ligt besloten dat Veerman zich er niet van bewust was dat het letsel van het slachtoffer het gevolg van de klap zou zijn, zodat niet kan worden gezegd dat het oogletsel van het slachtoffer voor Veerman het zekere gevolg was van zijn handelen.

4.4 De NJ-annotator Mendel vroeg zich af of en sprak de hoop uit dat de Hoge Raad in dit arrest de zogenaamde categoriebenadering heeft omarmd.(8) Die benadering houdt in dat voor de vraag of iets het zekere gevolg is van des daders handelen, niet vereist is dat de verzekerde precies het feitelijk ingetreden gevolg van zijn gedraging voorzag, maar dat enig gevolg van vergelijkbare ernst – behorend tot dezelfde categorie van gevolgen als het feitelijk ingetreden gevolg – zozeer te verwachten viel dat de verzekerde zich van de noodzakelijkheid van zo’n gevolg bewust moet zijn geweest. Een dergelijke benadering helpt de verzekeraar het bestaan van opzet bij de verzekerde te bewijzen. De verzekeraar behoeft dan immers slechts aan te tonen dat het opgetreden letsel vergelijkbaar is met letsel dat gewoonlijk uit dergelijk handelen volgt. Behoort dit tot dezelfde categorie dan is dat niet gedekt.

4.5.1 De Hoge Raad is in het Aegon/Van der Linden-arrest nader ingegaan op de in het Veerman-arrest ingezette koers.(9) In dit latere arrest was sprake van een mishandeling in een café, waarbij het slachtoffer door klappen in het gezicht en trappen in de buik en tegen het hoofd, ernstig letsel (blijvende littekenvorming in het aangezicht, aanzienlijk slinken van het rechter oog waardoor het slachtoffer een zonnebril, ooglapje of prothese moest dragen en verlies van het gezichtsvermogen van het rechter oog) opliep. Het beroep op de opzetclausule werd door het Hof verworpen. De Hoge Raad overweegt (rov. 3.4):

"Een in de voorwaarden van een aansprakelijkheidsverzekering als de onderhavige opgenomen bepaling als de opzetclausule heeft in een geval waarin de verzekerde letsel heeft toegebracht, geen verdere strekking dan van de dekking uit te sluiten de aansprakelijkheid van een verzekerde die het in feite toegebrachte letsel heeft beoogd of zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn: zie HR 18 oktober 1996, nr. 16 114, NJ 1997, 326, welk arrest in deze zin moet worden verstaan. […] Overigens verdient nog aantekening dat de rechter onder omstandigheden uit de gedragingen van de verzekerde kan afleiden dat deze het letsel heeft beoogd of zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn."

4.5.2 Volgens de Hoge Raad ligt in de niet onbegrijpelijke en voldoende gemotiveerde overwegingen van het Hof besloten dat de aard van de mishandeling op zichzelf nog niet de gevolgtrekking wettigt dat de dader het letsel heeft beoogd of zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg zou zijn van dit handelen (rov. 3.5).(10)

4.6 Het Aegon/Van der Linden-arrest maakt m.i. duidelijk dat de Hoge Raad de categoriebenadering verwerpt: de opzet van de dader moet gericht zijn op het in feite toegebrachte letsel.(11)

4.7 Het Aegon/Van der Linden-arrest heeft niet alom bewondering gewekt.(12) Het strenge criterium dat de Hoge Raad heeft aangelegd, maakt een geslaagd beroep op de opzetclausule (inderdaad) erg moeilijk, zij het – zoals we zo dadelijk zullen zien – niet onmogelijk. Voor zover al melding wordt gemaakt van de escape die de Hoge Raad in zijn arrest omschrijft, wordt algemeen aangenomen dat daarvoor geen (belangrijke) rol is weggelegd, omdat het ondoenlijk is om de schade die met zekerheid uit het handelen voortvloeit, aan te tonen.

4.8 Voor de kritiek op de hiervoor besproken arresten valt ongetwijfeld wat te zeggen,(13) maar datzelfde geldt voor de koers van Uw Raad. Voor de door de Hoge Raad gevolgde weg pleit in de eerste plaats dat aldus slachtoffers van – doorgaans – ernstige misdragingen niet in de kou blijven staan.(14) Wanneer verzekeraars een dergelijke dekking niet wensen, dan kunnen zij dat duidelijk en op niet voor redelijk misverstand vatbare wijze in de polisvoorwaarden tot uitdrukking brengen. Dat ze, naar de aan de rechter voorgelegde gevallen lijken uit te wijzen, niet steeds voldoende werk maken van het goed doordenken van gekozen formuleringen en/of het inspelen op gewezen arresten van de Hoge Raad kan m.i. in alle redelijkheid voor hun rekening blijven.

4.9 Latere rechtspraak heeft duidelijk gemaakt dat de opzetclausule geen zinloze bepaling is in die zin dat een beroep daarop bij voorbaat tot mislukken gedoemd is. Als ik het goed zie dan is het eerste arrest waaruit dat blijkt [A]/Interpolis.(15) In die zaak had zekere [A] met een ijzeren staaf, die hij met beide handen vasthield, een klap gegeven tegen [B]s linker-bovenbeen dat als gevolg daarvan brak. Anders dan in de hiervoor besproken arresten honoreerde het Hof het beroep door de aangesproken WA-verzekeraar op de opzetclausule. Het Hof leidde uit de gedragingen van [A] af dat hij zich ervan bewust was dat het opgetreden letsel het zekere gevolg was van zijn handelen. De Hoge Raad overweegt, na zijn kernoverweging uit het Aegon/Van der Linden-arrest te hebben herhaald (rov. 3.5):

"Het Hof heeft vastgesteld dat [A] met een ijzeren staaf die hij met twee handen vasthield zo hard tegen het bovenbeen van [B] heeft geslagen dat een botbreuk in dat bovenbeen is ontstaan. In het licht van deze vaststelling van het Hof, die erop neerkomt dat [A] heeft geslagen met een voorwerp dat geëigend is om ernstig letsel toe te brengen en dat hij met grote kracht tegen het bovenbeen heeft geslagen, is het oordeel van het Hof dat [A] zich ervan bewust was dat het in feite toegebrachte letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn, niet onbegrijpelijk."(16)

4.10 De volgende aan Uw Raad voorgelegde zaak, waarin ik eveneens de eer had te concluderen, betrof het volgende. X had Y met een mes meermalen in haar nek gestoken als gevolg waarvan Y letsel aan onderarm en sleutelbeen had opgelopen. X was voor zijn handelen strafrechtelijk veroordeeld. Volgens het Hof was de opzet van X gericht op het toebrengen van een messteek in de hand van Y opdat deze Y een ketting zou loslaten. Bij die stand van zaken was voor het Hof niet komen vast te staan dat voor X zeker was dat het litigieuze letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn doordien het beroep op de opzet clausule in rook opging. In de conclusie wordt betoogd dat in ‘s Hofs oordeel besloten ligt dat X zozeer was gefixeerd op de afwenteling van het gevaar van de jegens hem door Y gehanteerde ketting dat hij tijd noch gelegenheid had om zich bezig te houden met de vraag welk effect het mes waarmee hij ter afwering zwaaide zou kunnen hebben. In zo’n geval is een afwijzing van het beroep op de opzetclausule niet onbegrijpelijk (onder 5.3 en 5.4). De Hoge Raad deed de zaak (in een vijf-formatie) af met art. 81 RO.(17)

4.11 Ten slotte verdient vermelding de zaak waarin ene H zijn toenmalige eega S meermalen met een hamer op haar hoofd sloeg, met ernstig lichamelijk en psychisch letsel voor S tot gevolg.(18) Volgens Uw Raad had het Hof zijn oordeel dat het beroep op de opzetclausule voorshands gegrond was, mede hierop gebaseerd dat het "gelet op het feit dat H S met een zware hamer meermalen op het hoofd heeft geslagen – handelingen die door het hof zijn aangemerkt als bij uitstek geëigend om het feitelijk toegebrachte ernstige letsel te veroorzaken – geoordeeld moet worden dat [de man] zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn." Dit oordeel houdt in cassatie stand omdat

"er in het onderhavige geval – iemand meermalen met een zware hamer op het hoofd slaan – aanleiding was om, behoudens tegenbewijs, ervan uit te gaan dat het opzet van [de man] was gericht op het toebrengen van voormeld ernstig letsel, in die zin dat hij zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg van dat slaan zou zijn, geen nadere motivering behoefde dan door het hof is gegeven" (rov. 3.6).(19)

4.12 In mijn conclusie voor het onder 4.10 genoemde arrest heb ik erop gewezen dat gevallen waarin de ‘oude’ opzetclausule speelt zich niet zo vaak meer zullen voordoen nu sinds 2000, als gezegd, een nieuwe opzetclausule in de aansprakelijkheidsverzekeringen is opgenomen. Ik had niet verwacht 7 jaar later nog zo’n zaak op mijn bureau aan te treffen (de zaak is daar trouwens eerst na een omzwerving beland), maar ik meen ook nu nog dat het daarom weinig voor de hand ligt om ten aanzien van de ‘oude’ opzetclausule een wezenlijk andere koers in te slaan dan gevolgd in de hiervoor besproken arresten.(20)

4.13.1 De feitenrechtspraak biedt een verdeeld beeld met betrekking tot de vraag of de aangesproken WA-verzekeraar met vrucht beroep kan doen op de opzetclausule. Een aantal colleges heeft zo’n beroep gehonoreerd.(21) Het Hof Leeuwarden overwoog in een obiter dictum dat voldoende is dat destijds al duidelijk was dát seksueel misbruik psychische klachten teweeg zou (kunnen) brengen,(22) een opvatting die feitelijk ongetwijfeld juist is maar die juridisch m.i. niet geheel strookt met de hiervoor besproken rechtspraak van Uw Raad.

4.13.2 In een aantal zaken is het beroep op de opzetclausule van tafel geveegd. Het Hof Amsterdam(23), het Hof Arnhem(24), het Hof ‘s-Hertogenbosch in onderhavige zaak en de Rechtbank Arnhem(25) huldigen deze opvatting. De gevolgde redeneringen komen er op neer dat de dader/verzekerde heeft niet beoogd om aan de schadelijdende derde het toegebrachte letsel toe te brengen en dat hij zich er ook niet van bewust was dat dit letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn. Van handelen met het opzet als oogmerk of opzet als zekerheidsbewustzijn zoals de opzetclausule dit vereist, is dus geen sprake.

4.14 Met alle respect voor de zojuist genoemde rechterlijke uitspraken, ze brengen ons m.i. niet veel verder omdat de meeste, voor zover de feiten en de vordering van het slachtoffer al voldoende duidelijk zijn, ofwel zijn gebaseerd op aan de feitenrechter voorbehouden feitelijke oordelen dan wel stoelen op een kennelijk onjuiste rechtsopvatting.

4.15.1 In zijn standaardwerk over de algemene aansprakelijkheidsverzekering besteedt Wansink ruim aandacht aan de verzekeringsdekking voor seksueel misbruik. Hij wijst erop dat

"de in concreto door het slachtoffer ondervonden psychische klachten voor verzekerde ten minste het zekere gevolg van diens seksuele gedragingen [moeten] zijn geweest."(26)

Wansink meent weliswaar "op zichzelf" dat het onder de dekking brengen van seksueel misbruik onder omstandigheden strijdig zou zijn met de openbare orde en de goede zeden, maar hij acht die opvatting moeilijk te verzoenen met het hiervoor besproken arrest Aegon/Van der Linden.

4.15.2 Ook Tolman, een gezaghebbend jurist in de verzekeringswereld, wijst erop dat de opzetclausule verzekeraars in gevallen van seksueel misbruik niet spoedig soelaas zal brengen. Na erop te hebben gewezen dat de norm niet is dat de dader wist dát psychische klachten het gevolg zouden zijn van zijn handelen, ongeacht de omvang daarvan, laakt hij de hiervoor vermelde opvatting van het Hof Leeuwarden in vrij krachtige bewoordingen:

"hier hebben we een scheidsrechter die een doelpunt goedkeurt zonder zich ervan te vergewissen of de bal wel over de doellijn is gegaan en protesten afwimpelt met de mededeling dat zelfs als de bal de doellijn niet zou zijn gepasseerd, hij het doelpunt toch toekent omdat hij van mening is dat het redelijk is dat de andere partij de wedstrijd wint."(27)

4.16 Tegen de achtergrond van het voorafgaande moeten de klachten worden beoordeeld. Ik voel mij geroepen, noch in staat om een eigen oordeel te geven nopens hetgeen daders van seksueel misbruik in het algemeen of in het onderhavige geval al dan niet kunnen of zouden moeten bevroeden. Ik onthoud me eveneens van een oordeel over de vraag welke schade gemeenlijk het gevolg is of zou kunnen zijn van seksueel misbruik; als leek komt het mij trouwens aannemelijk voor dat daarover moeilijk stellige en algemene uitspraken kunnen worden gedaan.

4.17 Partijen hebben het kennelijk – het is hun goed recht, zij het niet per se verstandig – niet nuttig of nodig gevonden om in te gaan op de vraag of schade zoals door [betrokkene] c.s. gevorderd pleegt voort te vloeien uit seksueel misbruik als het onderhavige. De s.t. onder 5.9 van Interpolis blijft steken in de nietszeggende verwijzing naar "vroeger of later fysieke, pyschische en/of psychosomatische schade". Zij gaat evenwel niet in op de gevorderde schade, in essentie carrièreschade. Interpolis voert evenmin (zelfs) niet aan dat laatstbedoelde schade het gevolg pleegt te zijn van schade als door haar genoemd.

5. Het arrest a quo met betrekking tot de opzetclausule

5.1 Zoals reeds vermeld heeft het Hof het beroep van Interpolis op de opzetclausule niet gehonoreerd. Het Hof heeft zijn oordeel als volgt gemotiveerd:

"5.4 Seksueel misbruik zal, zoals elke ingrijpende, al dan niet seksuele levenservaring, noodzakelijkerwijze voor de betrokkenen gevolgen hebben, al is het maar in de zin van indringende en hardnekkige herinneringen die zij nog lang, zo niet gedurende de rest van hun leven met zich zullen meedragen. Waar het hier echter om gaat zijn de gevolgen die ook schade, dat is: nadeel, opleveren.

5.5 Het is van algemene bekendheid (en het was dat ook al in de tijd dat [verweerder] de aangeefsters seksueel misbruikte) dat seksueel misbruik tot grote schade kan leiden en tot ernstige, soms pas veel later tot uiting komende klachten van geestelijke en/of maatschappelijke, soms ook van lichamelijke aard. Om te kunnen spreken van "zekere schade" zoals de opzetclausule die eist, moet echter ook acht geslagen worden op de mogelijkheid dat dergelijke schade uitblijft. De verontwaardiging over de grote gevaren waar seksueel misbruik zijn slachtoffers aan blootstelt, mag niet uit het oog doen verliezen dat die gevaren zich niet noodzakelijkerwijs altijd verwezenlijken, dat mensen van elkaar verschillen en dat ook kinderen van elkaar verschillen in weerbaarheid en kwetsbaarheid en dat er ook slachtoffers zijn, of op zijn minst kunnen zijn die in staat zijn hun ervaringen achter zich te laten en hun leven betrekkelijk ongeschonden voort te zetten, in elk geval zonder schade die zelfs maar vergelijkbaar is met de door de aangeefster in deze zaak gestelde schade. Over die mogelijkheid bestaat veel minder algemene bekendheid en kan ook niet gemakkelijk kennis worden verworven omdat bij daders en slachtoffers in het algemeen weinig neiging zal bestaan ruchtbaarheid aan hun ervaringen te geven in verband met de strafrechtelijke en andere maatschappelijke repercussies die dat zou kunnen hebben. Betrouwbare wetenschappelijke gegevens over die mogelijkheid zijn het hof onbekend en partijen hebben die ook niet aangedragen. Voor de morele verwerpelijkheid van seksueel misbruik en voor de rechtvaardiging van strafbedreiging en maatschappelijke afkeuring maakt die mogelijkheid ook niet veel verschil, maar zij maakt wel groot verschil voor de toepassing van de polisvoorwaarden omdat die nu eenmaal onderscheid maken tussen het "zekerheidsbewustzijn" dat tot uitsluiting leidt en het "waarschijnlijkheidsbewustzijn" dat dat niet doet.

5.6 Het hof is daarom van oordeel dat de schade waarvoor de aangeefster [verweerder] aansprakelijk houdt, niet kan worden beschouwd als "schade die het voor hem beoogde of zekere gevolg is van zijn handelen". Het beroep op de opzetclausule moet worden verworpen […]."

5.2 Onderdeel I behelst in essentie een uitvoerige inleiding uitmondend in een vage kernklacht. Subonderdeel 1.8 postuleert, naar ik begrijp, de klacht dat de dader/verzekerde niet behoeft te weten "welke schade, in welke omvang zijn handelen teweeg zal brengen". In vage bewoordingen keert deze klacht terug in subonderdeel 1.11.

5.3 Deze kernklacht faalt. Het is mogelijk niet onjuist dat de dader/verzekerde niet precies weet behoeft te hebben van de (omvang van de) schade die zijn handelen teweegbrengt, maar de opvatting dat hij een en ander niet behoeft te weten, is onverenigbaar met de onder 4 besproken rechtspraak van Uw Raad.

5.4 Ik vermeldde reeds dat Interpolis geheel voorbij gaat aan de vraag waar het rechtens om gaat. Te weten of [verweerder]s opzet, in de betekenis die Uw Raad daaraan in een aantal onder 4 besproken arresten heeft gehecht, was gericht op toebrenging van de schade zoals deze in casu is gevorderd. Reeds daarop stuit de kernklacht af.

5.5 Onderdeel II.1.1 postuleert vervolgens de klacht dat de mogelijkheid dat de litigieuze schade uitblijft onvoldoende is om een beroep op de opzetclausule van tafel te vegen.

5.6.1 Op zich is juist dat de enkele, naar het onderdeel veronderstelt "minimale", kans dat de gevorderde schade uitblijft onvoldoende is om een beroep op de opzetclausule af te weren. Wanneer ‘s Hofs arrest heel letterlijk wordt genomen, dan lijkt het zich inderdaad tot deze onjuiste opvatting te bekeren. Ik benadruk dat dit zo lijkt te zijn, want zelfs wanneer we slechts acht slaan op de letterlijke bewoordingen van het bestreden arrest dan staat er niet wat Interpolis erin leest. Het Hof laat zich immers niet uit over de grootte van de kans dat "dergelijke schade" uitblijft. M.i. moet ‘s Hofs arrest worden verstaan zoals weergegeven onder 3.6.1 en 3.6.2. In die lezing mist de klacht feitelijke grondslag.

5.6.2 Ware dit al anders dan valt Interpolis in haar eigen zwaard. Immers heeft het Hof niets vastgesteld waaruit blijkt dat "dergelijke schade" "praktisch zeker" voortvloeit uit de misdragingen van [verweerder], zoals Interpolis zelf als beslissend criterium naar voren schuift (eerste alinea van onderdeel II.1.1). Interpolis heeft op dat punt evenmin iets nuttigs te berde gebracht, laat staan dat het middel op dergelijke stellingen beroep doet. Daarbij teken ik andermaal aan dat het bij "dergelijke schade" moet gaan om schade zoals door de benadeelde gevorderd. Ook onderdeel II.2, dat slechts rept van "dit soort schade", loopt hierin vast, nu het evenmin aanhaakt bij de schade waarom het in casu gaat.

5.7.1 Onderdeel II.1.3 postuleert een klacht over de door het Hof gehanteerde ervaringsregel. Deze klacht voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen omdat volstrekt onduidelijk is wat het Hof nauwkeurig wordt verweten en waarom dat oordeel onjuist zou zijn. In de meest voor de hand liggende lezing heeft het Hof, als gezegd, geoordeeld dat de schade die in concreto door [betrokkene] c.s. wordt gevorderd onvoldoende zeker was of viel te verwachten. Het onderdeel geeft niet aan waarom die ervaringsregel niet juist zou zijn. Het laat met name na om te verwijzen naar enige nuttige, want voldoende concrete en op hetgeen [betrokkene] c.s. hebben gevorderd toegesneden, uiteenzetting in feitelijke aanleg van Interpolis die het Hof tot nadere onderbouwing noopte of waarop het had moeten responderen.

5.7.2 De enkele omstandigheid dat over een bepaalde kwestie "veel minder algemeen bekend is", betekent niet zonder meer dat er daaromtrent in het geheel geen ervaringsregels zouden kunnen bestaan, al wil ik best toegeven dat het Hof zich niet heel erg gelukkig heeft uitgedrukt.

5.8.1 Anders dan onderdeel II.1.4 meent, is voor een ervaringsfeit niet vereist dat dit kenbaar is uit "een ieder toegankelijke bronnen."(28) Bij wege van voorbeeld: vermoedelijk blijkt wel uit bronnen dat straten glad worden als regenwater opvriest, maar ook wanneer dat er niet uit zou blijken, mag de rechter deze algemeen bekende wijsheid (ervaringsregel) aan zijn oordeel ten grondslag leggen.

5.8.2 Anders ook dan het onderdeel veronderstelt, is er geen enkele aanwijzing dat het Hof op eigen onderzoek is uitgegaan en/of in het geheim derden heeft geraadpleegd, wat inderdaad een schending van hoor en wederhoor zou zijn geweest.

5.9 Voor zover onderdeel II.1 nog meer of andere klachten postuleert, voegen ze niets wezenlijks toe aan het hiervoor besprokene zodat ze geen afzonderlijke bespreking behoeven.

6. ‘s Hofs oordeel met betrekking tot Interpolis’ beroep op redelijkheid en billijkheid

6.1 Onderdeel II.2 kant zich in essentie tegen de verwerping van het beroep van Interpolis op de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid. Het Hof stelt voorop dat zo’n beroep niet behoeft af te stuiten op de enkele grond dat het beroep op de opzetclausule faalt. Het benadrukt evenwel dat terughoudendheid moet worden betracht bij het honoreren van zo’n beroep vermits de opzetclausule er juist toe strekt

"te regelen wanneer de intenties en wetenschap waarmee de verzekerde gehandeld heeft, moeten leiden tot uitsluiting van dekking en dat is een sterke aanwijzing dat het der partijen bedoeling was dat in andere gevallen de dekking niet zou zijn uitgesloten" (rov. 6.4).

6.2 Vervolgens analyseert het Hof het in rov. 6.4 genoemde arrest waarop Interpolis haar kaarten heeft gezet.(29) Hierop zet het Hof zich tot bespreking van hetgeen Interpolis concreet heeft aangevoerd:

"6.6 Interpolis heeft ter motivering van haar beroep op redelijkheid en billijkheid uiteengezet dat het handelen van [verweerder] als ernstig crimineel en maatschappelijk uiterst verwerpelijk gedrag moet worden gezien. Dat is op zichzelf juist. [Verweerder] heeft de onderhavige schade toegebracht door het vele malen ten nadele van de aangeefsters plegen van het misdrijf van artikel 245 Wetboek van Strafrecht. Maar wie bereid is aansprakelijkheid te verzekeren, weet dat hij daarmee verzekert tegen de gevolgen van gedrag dat welhaast in enige mate verwerpelijk is want het toebrengen van schade aan anderen zal in het algemeen af te keuren zijn. Aan die bereidheid kunnen en zullen doorgaans grenzen zijn, maar die grenzen dienen hun uitdrukking te vinden in de polisvoorwaarden en de daarin voorkomende uitsluitingsclausules. De verzekerde mag verwachten dat de verzekeraar voor de risico’s die hij niet uitsluit, dekking verleent. Het hof is van oordeel dat de verwerpelijkheid van wat [verweerder] de aangeefsters heeft aangedaan, geen beslissende invloed heeft op de tussen [verweerder] en Interpolis geldende maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Het beroep op de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid moet daarom worden verworpen.

6.7[…]

6.8 Voor het geval Interpolis bedoeld mocht hebben als zelfstandig verweer aan te voeren dat [verweerder] voldoende gegoed is om de schade zelf en uit eigen middelen te vergoeden, verwerpt het hof dat verweer omdat de polis voor dat geval geen uitsluiting kent."

6.3 Onderdeel II.2 valt uiteen in drie subonderdelen. In subonderdeel II.2.1 wordt aangevoerd dat ‘s Hofs oordeel dat de verzekeraar, indien hij niet duidelijk de grenzen van zijn dekking omschrijft, nooit een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid kan doen, rechtens onjuist is, gezien de bijzondere rol die de redelijkheid en billijkheid ook bij verzekeringsovereenkomsten hebben. Het onderdeel is nadrukkelijk gebaseerd op de veronderstelling dat ‘s Hofs oordeel een wet van Meden en Perzen zou zijn, des dat de door het Hof geformuleerde regel altijd zou gelden.

6.4 Reeds uit rov. 6.4 volgt dat ‘s Hofs oordeel niet zo kan worden gelezen dat de dekkingsomschrijving altijd en ongeacht de omstandigheden beslissend is.

6.5.1 Ten overvloede: ‘s Hofs oordeel is rechtens juist. Dat blijkt reeds uit het arrest Winterthur/X.(30)

6.5.2 Na dit laatste arrest heeft Uw Raad de gelegenheid aangegrepen om de rechtsontwikkeling op dit punt nader gestalte te geven. Dat is met name gebeurd in het arrest Eindhoven/Allianz dat gaat over het beroep van de verzekeraar op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid nadat tevergeefs een beroep op de opzetclausule is gedaan.(31) Het ging in die zaak om het volgende. De gemeente Eindhoven had in 1986 een aantal woningen verworven met het doel deze te slopen en op de grond en omgeving nieuwe woningen te doen ontwikkelen en realiseren. De woningen waren op dat moment verhuurd. In verband met de sloopwerkzaamheden heeft de gemeente de huur opgezegd. Omdat de huurder niet tot ontruiming bereid bleek, vorderde de gemeente ontruiming bij de rechter, die de ontruiming, uitvoerbaar bij voorbaat, heeft bevolen. De gemeente heeft dit vonnis ten uitvoer gelegd en de woningen gesloopt. In het door de huurder ingestelde hoger beroep heeft de rechtbank het vonnis vernietigd en de vordering van de gemeente tot ontruiming afgewezen. De huurder vordert van de gemeente schadevergoeding wegens onterechte ontruiming en sloop. De gemeente heeft haar aansprakelijkheidsverzekeraar in vrijwaring gedagvaard. De Hoge Raad overweegt ten aanzien van het beroep van de verzekeraar op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (rov. 4.2.1):

"Bij een verzekering als hier in het geding is niet uitgesloten dat feiten en omstandigheden die niet toereikend zijn om een beroep op […] een opzetclausule als de onderhavige te doen slagen, niettemin van dien aard zijn dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar geacht moet worden dat de verzekerde aanspraak maakt op een uitkering onder de polis (art. 6:248 lid 2 BW). […]

Naar het hof heeft vastgesteld, heeft Allianz gesteld dat de Gemeente, kort gezegd, zich bij haar besluit tot onmiddellijke sloop heeft laten leiden door haar wens optimaal financieel voordeel te trekken uit haar handelwijze – ontruimen en slopen op basis van een niet definitief vonnis, teneinde te kunnen profiteren van medefinanciering door de rijksoverheid van het ter plaatse te ontwikkelen project – terwijl zij de eventuele nadelen daarvan zou kunnen afwentelen op haar verzekeraar en zich aldus een onontkoombare vrijwillige schadeloosstelling zou besparen. Uit hetgeen het hof […] heeft overwogen, volgt dat het van oordeel was dat onder die omstandigheden van onaanvaardbaarheid in de zin van art. 6:248 lid 2 BW sprake kan zijn indien bij de besluitvorming door de Gemeente het bestaan van de aansprakelijkheidsverzekering een factor van gewicht is geweest. Dit laatste kan het geval zijn als de Gemeente, zich bewust van het bestaan van een verzekering, uit de mogelijke alternatieven die weg kiest, die de grootst mogelijke kans op schade voor Allianz schept en tegelijkertijd voor de Gemeente zelf het meest voordelig is. Aan ‘s hofs oordeel ligt kennelijk de gedachte ten grondslag dat met een aansprakelijkheidsverzekering niet wordt beoogd dekking te bieden tegen het risico dat de verzekerde aansprakelijk wordt als gevolg van een gedraging die het resultaat is van een juist door het bestaan van die verzekering verstoorde afweging van belangen. Dit een en ander geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, noch is het onbegrijpelijk."(32)

6.5.3 In zijn NJ-noot onder dit arrest geeft Mendel aan dat vooral, zij het niet "exclusief", moet worden gedacht aan gevallen van rechtsverwerking.

6.6.1 Voor zover het onderdeel nog een motiveringsklacht vertolkt, behoeft deze geen bespreking omdat die klacht niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Immers wordt in het geheel niet aangegeven waarom ‘s Hofs oordeel ontoereikend zou zijn gemotiveerd.

6.6.2 Bovendien faalt de klacht omdat niet wordt bestreden ‘s Hofs oordeel aan het slot van rov. 6.5 dat er op neerkomt dat er in casu geen bijzondere omstandigheden zijn die vergelijkbaar zijn met, of – zo ligt in ‘s Hofs oordeel besloten – anderszins voldoende klemmend zijn om een uitzondering als bedoeld in het door Interpolis genoemde arrest te kunnen rechtvaardigen.

6.7 In ieder geval is ‘s Hofs oordeel dat het beroep van Interpolis op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid niet opgaat, onvoldoende gemotiveerd, aldus subonderdeel II.2.2, nu het Hof geen aandacht heeft besteed aan de stelling van Interpolis dat [verweerder] zelf over voldoende middelen beschikt om de door [betrokkene] c.s. geleden schade te voldoen.

6.8 Deze klacht mist feitelijke grondslag omdat het Hof deze stelling in rov. 6.8 bespreekt. Weliswaar is rov. 6.8 niet met zoveel woorden (mede) toegespitst op de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid (de invalshoek van de klacht), maar in de context gelezen, is m.i. voldoende duidelijk dat het Hof daarop mede het oog heeft.

6.9.1 Bovendien is niet juist de bewering van de klacht dat een dergelijk betoog is ontwikkeld in de dingtalen op de in het onderdeel genoemde plaatsen. Zo wordt in de cva onder 4.7 de derogerende werking niet genoemd en wordt slechts aangegeven dat – kort gezegd – de (reële?) mogelijkheid bestaat dat [verweerder] zonder verzekeringsdekking de schade zou kunnen betalen. In de cvd onder 8 wordt de derogerende werking wel genoemd en wordt [verweerder] gemaand om gegevens over zijn financiële middelen te produceren. Ook de mva onder 1.3 is vaag.

6.9.2 Daar komt bij dat duister is van welke vorderingen van de slachtoffers Interpolis ter plaatse uitgaat.

6.9.3 Ware dit alles al anders dan faalt de klacht omdat niet op een wijze die aan de daaraan te stellen eisen voldoet wordt opgekomen tegen het oordeel geveld in rov. 6.8.

6.10 Subonderdeel II.2.3, ten slotte, bevat een klacht gericht tegen rov. 2.3 van het arrest. Hierin overweegt het Hof dat de door Interpolis bij akte (na memorie-wisseling) in het geding gebrachte productie (een memorie in een procedure tussen AVZ, de verzekeraar in de parallel-procedure waarin eveneens heden wordt geconcludeerd, en [verweerder]), in verband met de goede procesorde wordt geweigerd. Geklaagd wordt dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat het onvoldoende gemotiveerd is, nu de omvang van de memorie die bij akte is ingebracht en die betrekking hebben op de berekening van de eigen middelen van [verweerder], slechts tweeënhalve pagina beslaat. Uit het betoog van de andere verzekeraar (AVZ) spreekt dat [verweerder] zelf voldoende verhaal biedt voor de schade en dit gegeven is, volgens Interpolis, van belang voor haar beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, zodat het Hof deze informatie in zijn beoordeling had moeten betrekken, althans [verweerder] in de gelegenheid had moeten bieden op deze informatie te reageren. In dat verband wordt aangevoerd dat het betoog van AVZ "geheel in lijn [ligt] met de stellingen van Interpolis zelf en is dus als zodanig in de onderhavige procedure niet als nieuw te duiden."

6.11 Ook deze klacht berust op een verkeerde voorstelling van zaken. In de litigieuze akte vraagt (inmiddels) Achmea het Hof op een aantal stellingen van de andere verzekeraar acht te slaan en niet alleen, zoals zij thans wil doen geloven, de stellingen nopens [verweerder]s pretense financiële gegoedheid (alleen al deze stellingen laatste beslaan bijna 3 pagina’s als men goed telt). Anders dan de vage stellingen van Interpolis zijn de stellingen van de andere verzekeraar met betrekking tot [verweerder]s financiële situatie vrij concreet, vooral onder 49. Van een "geheel in lijn liggen" met de vage stellingen van Interpolis is dus geen sprake. Ten slotte wijst het Hof er terecht op dat de producties die zouden zijn gehecht aan de in geding gebrachte memorie ontbreken wat, zo ligt in ‘s Hofs oordeel besloten, beoordeling bemoeilijkt. Op dit een en ander stuit de klacht af.

6.12 Bovendien zien de ontboezemingen van Interpolis er opnieuw aan voorbij dat [betrokkene] c.s. een verklaring voor recht hebben gevorderd alsmede verwijzing naar de schadestaatprocedure. Daarom behoefde nadere toelichting, die evenwel niet wordt gegeven, waarom [verweerder] de schade, waarvan de omvang nog ongewis is, zou kunnen betalen uit eigen middelen.

7. Afronding

7.1 Op grond van de hiervoor ontwikkelde gronden mislukken de klachten. Wanneer Uw Raad het bestreden arrest leest zoals onder 3.6.1 en 3.6.2 uiteengezet, mislukken de klachten reeds omdat zij daar geheel aan voorbij gaan. Wordt ‘s Hofs arrest letterlijk genomen, dan verdient het zeker geen schoonheidsprijs. Maar zelfs dan is het m.i. bestand tegen de toets der kritiek, vooral omdat partijen ervoor hebben gekozen het debat te voeren over algemeenheden in plaats van het toe te spitsen op de in concreto door de slachtoffers gevorderde schade. In cassatie was dat een gegeven.

7.2 M.i. leent deze zaak zich niet voor verdere rechtsontwikkeling, al was het maar omdat de polisvoorwaarde waarom het gaat reeds 12 jaar geleden is aangepast. Om dezelfde reden én omdat de uiteenlopende rechterlijke uitspraken klaarblijkelijk evenmin veel belangstelling tonen voor waar het rechtens om gaat, is de rechtseenheid niet in geding.

7.3 Bij deze stand van zaken is afhandeling op de voet van art. 81 lid 1 RO m.i. aangewezen.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 De feiten zijn ontleend aan rov. 4 van het in cassatie bestreden arrest, waarin het Hof verwijst naar de door de Rechtbank Breda vastgestelde feiten in rov. 3.1 van haar vonnis van 10 juni 2009.

2 Het door [verweerder] tegen dat arrest ingestelde cassatieberoep is bij arrest van de Hoge Raad van 14 april 2009 (LJN BH3920) verworpen, behoudens ten aanzien van de strafduur, welke met twee maanden is verminderd.

3 Zie ook J.H. Wansink, De algemene aansprakelijkheidsverzekering (2006) p. 268; M.J. Tolman, AV&S 2004/4 p. 162/163.

4 Zie J.H. Wansink, a.w, p. 287/288.

5 Zie over de nieuwe opzetclausule o.m. J.C. van Eijk-Graveland, ‘Opzet en tegen een persoon of zaak gericht wederrechtelijk handelen’. De opzetclausule in de AVP-polis, NTHR 2009-6, p. 250-256; J.H. Wansink, De nieuwe uitsluiting voor opzet en seksueel misbruik in de AVP-polis 2000: een terugblik op vijf jaar, AV&S 2006-4, p. 25-32; M.É. Kibédi Varga, De opzetclausule en de uitsluiting voor seksuele gedragingen bij de aansprakelijkheidsverzekering, in: Y.L.L.A.M. Delfos-Roy e.a. (red.), Zekerheidshalve. Opstellen aangeboden aan Prof.mr. M.M. Mendel, 2003, p. 71-82; H.Th. Vos, De gereviseerde opzetclausule, Vrb 2000-2, p. 23-27.

6 HR 18 oktober 1996, LJN ZC2173, NJ 1997, 326 MMM.

7 Zie conclusie van wnd. A-G Bloembergen onder 1.

8 Zie zijn NJ-noot onder 3-5.

9 HR 6 november 1998, LJN ZC2771, NJ 1999, 220 MMM.

10 Mijn geëerde oud-ambtgenoot Strikwerda wees er in zijn aan het arrest voorafgaande conclusie op dat een ander oordeel mogelijk was geweest; hij benadrukt de feitelijke situatie van het voorliggende geval (onder 21).

11 In gelijke zin Wansink, a.w. p. 285.

12 Zie onder meer J.H. Wansink, a.w. p. 282-287; M.J. Tolman, Opzetclausule scoort in blessuretijd; een beschouwing over de uitleg van polisvoorwaarden, AV&S 2004, p. 157-165; M.L. Hendrikse, Eigen schuld, bereddingsplicht en medewerkingsplicht in het schadeverzekeringsrecht (diss. UvA), 2002, p. 134-135; H. Th. Vos, De opzetclausule, in: T. Hartlief en M.M. Mendel (red.), Verzekering en maatschappij, 2000, p. 64-65; J.C. van Eijk-Graveland, Verzekerbaarheid van opzet in het schadeverzekeringsrecht (diss. Leiden), 1999, p. 86-87; Mendel in zijn NJ-noot onder 3 en 4. W.G.A. van Gerner, De strekking van de AVP-opzetclausule bij toegebracht letsel, Vrb 1999/1, p. 6, acht de rol van de categoriebenadering evenwel niet geheel uitgespeeld.

13 Vooral wanneer juist zou zijn dat in het door Mendel in zijn NJ-noot onder 3 onder het Aegon/Van der Linden-arrest genoemde voorbeeld een beroep op de opzetclausule om de daar genoemde reden zou moeten mislukken. Hij wijst er verder – terecht – op dat de in het arrest verwoorde opvatting niet wordt gemotiveerd, waartoe – zo voeg ik toe – rechtens ook enkele geen verplichting bestond. Hoewel ik de verzuchting over het achterwege blijven van een motivering begrijp, ben ik geneigd te denken dat dit per saldo de beste oplossing was, al was het maar omdat iedere motivering vermoedelijk meer vragen zou hebben opgeroepen dan beantwoord.

14 In gelijke zin Wansink, a.w. p. 284. Een vergelijkbare gedachte ligt ten grondslag aan het recente arrest over de vraag of aansprakelijkheid op de voet van art. 7:611 BW onder een AVB-dekking valt; zie HR 30 maart 2012, LJN BV1295, RvdW 2012/496 en daarover o.m. de interessante beschouwing van M.J. Tolman, AV&S 2012/4 p. 125 e.v.

15 HR 27 juni 2003, LJN AF7425, NJ 2005, 140.

16 In mijn aan het arrest voorafgaande conclusie onder 3.23 heb ik betoogd dat er grenzen zijn aan wat verzekeraars als (ongewenste) dekking kan worden opgedrongen; Uw Raad heeft, zo schreef ik toen en vind ik nog steeds, ruim oog gehad voor de noden van verzekerden (en vooral ook van benadeelden).

17 HR 3 juni 2005, LJN AT1736.

18 HR 21 december 2007, LJN BB5408, NJ 2008, 283 M.M. Mendel.

19 In het voetspoor van mijn ambtgenoot Wuisman meent Mendel dat te weinig aandacht is besteed aan het argument van de dader dat hij – kort gezegd – niet toerekeningsvatbaar was (noot onder 1).

20 Voor HR 3 juni 2005, LJN AT1736 onder 5.17.

21 Rb. Zutphen, 26 januari 2005, LJN AS3860, JA 2005, 29; Rb. Arnhem 7 juli 2004, LJN AQ5087, JA 2004, 9 M.J. Tolman; deze uitspraak is intussen van weinig belang omdat niet blijkt wat werd gevorderd en dus evenmin of er enige band bestaat tussen die vordering van de benadeelde en het oordeel van de Rechtbank. Dat laatste geldt eveneens voor Rb. Leeuwarden 24 juli 2002, LJN AE6069.

22 Hof Leeuwarden 19 mei 2004, LJN AO9834, NJ 2004, 510.

23 Hof Amsterdam 24 april 2008, LJN BF0118, NJF 2008, 369 (in essentie op grond van de bevindingen van een psychiater omtrent hetgeen waarvan de dader zich bewust was).

24 Hof Arnhem 7 maart 2006, LJN AV5250, NJF 2006, 354; Hof Arnhem 27 september 2005, LJN AU4186, JA 2005, 107, zij het dat ‘s Hofs redengeving moeilijk valt te doorgronden; Hof Arnhem 9 december 2003, LJN AO1617, VR 2004, 119, NJF 2004, 142 (onder meer op grond van een persoonlijkheidsstoornis van de dader).

25 Rb. Arnhem 2 maart 2005, LJN AT2938, JA 2005, 52; Pres. Rb. Arnhem 12 november 2001, LJN AD5532, KG 2001, 290.

26 A.w. p. 292/293.

27 AV&S 2004/4 p. 159. Op, als ik het goed zie, maatschappelijke gronden meent Renée Kool dat een beroep op de uitsluitingsclausule zou moeten worden gehonoreerd, maar haar uiteenzetting kan ik moeilijk doorgronden (Nemesis 2000/6 p. 198 en 199).

28 Zie losbladige Burgerlijke Rechtsvordering art. 149 (Rutgers) aant. 16; A-G Asser voor HR 30 juni 1989, LJN AD0844, NJ 1989, 805 onder 2.3 e.v. met veel verdere verwijzingen; PG Nieuw Bewijsrecht p. 77, 78 en 85; E.M. Wesseling-van Gent, NJB 1988 p. 1119.

29 HR 12 januari 2007, LJN AZ1581.

30 HR 10 december 1976, LJN AC1715, NJ 1978, 114 B.W.

31 HR 12 januari 2007, LJN AZ1581, NJ 2007, 371 M.M. Mendel.

32 Zie ook Wansink, a.w. p. 295.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey