Hof: toedracht niet komen vast te staan, achteroprijder niet aansprakelijk

Samenvatting:

Achterop-aanrijding op kruising, tegenstijdige verklaringen. 1. Het hof stelt voorop staat dat de verklaring van de bestuurder van de aangereden auto, die als echtgenoot van appellante direct belanghebbende is bij de uitkomst van de procedure, kritisch moet worden bezien. 2. De verklaring die de bestuurder heeft afgelegd bevat geen aanknopingspunten waaruit zou kunnen blijken dat de achteroprijder onvoldoende afstand heeft gehouden. Het enkele feit dat de aanrijding heeft plaatsgevonden is op zichzelf onvoldoende om daaruit af te kunnen leiden dat hij onvoldoende afstand heeft gehouden.

ECLI:NL:GHSHE:2019:1032

 

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Datum uitspraak

19-03-2019

Datum publicatie

21-03-2019

Zaaknummer

200.206.855_01

Formele relaties

Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:8198

Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:3631

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

 

Team Handelsrecht

 

zaaknummer gerechtshof 200.206.855/01

 

(zaaknummer rechtbank Limburg, locatie Roermond, 4846858)

 

arrest van 19 maart 2019

 

in de zaak van

 

[appellante] ,

 

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

 

appellante,

 

hierna aan te duiden als [appellante] ,

 

advocaat: R.H.A. Julicher,

 

tegen

 

[de vennootschap] ,

 

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

 

geïntimeerde,

 

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

 

advocaat: mr. F. van Kersbergen.

1 Het verdere geding in hoger beroep

1.1

 

Voor het verloop van de procedure tot 28 augustus 2018 wordt verwezen naar het arrest van die datum (hierna: het tussenarrest). Op 14 november 2018 heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden en op 26 februari 2019 het tegengetuigenverhoor. De processen-verbaal van deze verhoren bevinden zich bij de stukken.

1.2.

 

Daarna heeft het hof in overleg met partijen arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

 

Het hof blijft bij hetgeen in het tussenarrest is overwogen en beslist. Dat betekent dat, zoals in het tussenarrest is overwogen, het geschil in volle omvang aan het hof is voorgelegd en dat allereerst de vraag voorligt of [de verzekerde van geintimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW jegens [appellante] als eigenaar van de door [echtgenoot van appellante] bestuurde auto, zoals door [appellante] is gesteld en door [geïntimeerde] is betwist. Daarbij is van belang wat de toedracht van het ongeval is geweest (zie ook r.o. 3.4. tussenarrest). Bij tussenarrest is [appellante] – overeenkomstig haar aanbod – toegelaten tot het bewijs dat de verzekerde van [geïntimeerde] , [de verzekerde van geintimeerde] , onvoldoende afstand heeft gehouden tot de door [echtgenoot van appellante] bestuurde auto van [appellante] en daardoor tegen deze auto is aangereden.

2.2.

 

Hierop heeft [appellante] haar echtgenoot, [echtgenoot van appellante] , als getuige doen horen. In tegengetuigenverhoor is [de verzekerde van geintimeerde] als getuige gehoord.

3.3.

 

[echtgenoot van appellante] heeft als getuige onder meer verklaard:

 

“Het is juist dat mijn auto midden op de kruising stond. Op het moment van de aanrijding stond ik voorgesorteerd om linksaf te slaan, ik stond ongeveer een minuut lang stil. Ik had mijn knipperlicht aan om links af te slaan. Ik heb mijn knipperlicht aangezet al voordat ik stil stond, toen ik begon met remmen. Ik heb gewacht omdat er tegenliggers aankwamen. Ik stond stil op het moment van de aanrijding. Ik heb de auto die achterop mij reed niet zien aankomen. Ik weet het niet meer allemaal precies, want het is al 5 jaar geleden. (…) Het ongeval vond op het midden van de kruising plaats en dus niet achter het kruispunt. Ik ben het kruispunt niet voorbij gereden en heb geen U-bocht gemaakt. Ik wilde links afslaan heb mijn knipperlicht aangezet ben gaan remmen en moest toen wachten in verband met tegenliggers.”

3.4.

 

[de verzekerde van geintimeerde] (in het proces-verbaal van getuigenverhoor abusievelijk aangeduid als “[abusievelijk verkeerd geschreven achternaam van de verzekerde van geintimeerde]”) heeft als getuige onder andere verklaard:

 

“Het stoplicht stond op rood toen ik aan kwam rijden. Ik heb mijn gaspedaal losgelaten toen ik zag dat het stoplicht op rood stond. Ik schat in dat ik circa 40 km/u reed toen ik op het kruispunt aankwam. Ik ben niet gestopt omdat het stoplicht inmiddels groen was. Er was maar één auto voor mij, de betreffende Mercedes. (…) De auto voor mij stuurde voor mij onverwachts naar links ter hoogte van de doorgetrokken streep net voorbij de kruising. Toen ik aan kwam gereden, stond de Mercedes stil voor het rode stoplicht. Op het moment dat ik de kruising naderde, trok de Mercedes al op. Pas op het moment dat de Mercedes instuurde om naar links te gaan, zag ik remlichten branden. Op het moment van de aanrijding reed de Mercedes stapvoets. (…) De Mercedes gaf geen richting aan om naar links af te slaan. Op het moment dat de Mercedes het kruispunt eigenlijk al was gepasseerd, stuurde deze voor mij plotseling naar links. Ik kan mij niet herinneren of het moment van de aanrijding zelf er tegenliggers waren. Na de aanrijding heeft de Mercedes een parkeerplek gevonden en werd daarbij niet gehinderd door tegenliggers. (…) U toont mij het aanrijdingsformulier dat zich in het dossier bevindt. Ik kan mij niet herinneren wie de tekening heeft gemaakt. Op die tekening ben ik auto A. De plaatsing van de auto’s klopt niet helemaal met hoe ik het mij herinner. De Mercedes hoort voorbij de kruising te zijn getekend. Op het moment dat ik de Mercedes raakte was hij de kruising half gepasseerd. De Mercedes maakte in eens een rare bocht. De tekening geeft die manoeuvre niet goed weer.”

3.5.

 

Voorop staat dat de verklaring van [echtgenoot van appellante] , die als echtgenoot van [appellante] direct belanghebbende is bij de uitkomst van de procedure, kritisch moet worden bezien.

 

De verklaring die [echtgenoot van appellante] als getuige heeft afgelegd bevat geen aanknopingspunten waaruit zou kunnen blijken dat [de verzekerde van geintimeerde] onvoldoende afstand heeft gehouden tot de door [echtgenoot van appellante] bestuurde auto van [appellante] . [echtgenoot van appellante] heeft [de verzekerde van geintimeerde] in het geheel niet zien aan komen rijden. Het enkele feit dat de aanrijding heeft plaatsgevonden is op zichzelf onvoldoende om daaruit af te kunnen leiden dat [de verzekerde van geintimeerde] onvoldoende afstand heeft gehouden.

3.6.

 

Hier komt nog bij dat de verklaring van [echtgenoot van appellante] door de verklaring van [de verzekerde van geintimeerde] wordt weersproken. Daar waar [echtgenoot van appellante] verklaart stil te hebben gestaan, met zijn knipperlicht aan om te wachten op tegenliggers alvorens op het midden van de kruising over te gaan steken, heeft [de verzekerde van geintimeerde] verklaard dat [echtgenoot van appellante] een volstrekt abrupte stuurbeweging naar links heeft ingezet (de remlichten brandden pas bij het inzetten van de bocht), zonder richting aan te geven en op het moment dat [echtgenoot van appellante] al het door de doorgetrokken streep gemarkeerde einde van de kruising geheel of deels was gepasseerd. Volgens [de verzekerde van geintimeerde] reed [echtgenoot van appellante] op het moment van de aanrijding stapvoets. Tegenliggers heeft [de verzekerde van geintimeerde] niet gezien.

 

Nu in r.o. 3.7. van het tussenarrest reeds is overwogen dat uit de in het geding gebrachte producties (waaronder het aanrijdingsformulier, het mutatierapport van de politie en diverse verklaringen) het bewijs van de door [appellante] gestelde toedracht van het ongeval vooralsnog niet is gebleken, en uit de getuigenverklaring van [echtgenoot van appellante] dit bewijs evenmin volgt, mede gezien de op essentiële punten andersluidende verklaring van [de verzekerde van geintimeerde] , kan [appellante] niet worden gevolgd in de door haar gestelde toedracht van het ongeval waardoor de grondslag van haar vordering ontvalt. Dat betekent dat de vordering van [appellante] reeds daarom dient te worden afgewezen en dat het vonnis van de kantonrechter zal worden bekrachtigd. De grieven behoeven in het licht van het voorgaande geen verdere bespreking.

3.7.

 

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

 

De kosten aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

 

– griffierecht € 718,00

 

– getuigentaxen € 450,00

 

totaal verschotten € 1.168,00

 

– salaris advocaat € 2.685,00 (2,5 punten x tarief € 1.074)

3.8.

 

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4 De uitspraak

 

Het hof:

4.1.

 

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Limburg, zittingsplaats Roermond, van 21 september 2016;

4.2.

 

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.168,00 voor verschotten en op

 

€ 2.685,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

4.3.

 

veroordeelt [appellante] in de nakosten, begroot op € 157,00, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

4.4.

 

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, O.G.H. Milar en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 maart 2019.

 

de griffier, de rolraadsheer,

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots