Hof: Smartengeld na sexueel misbruik van 11-jarige

Samenvatting:

De dochter van 11 jaar woonde sinds de echtscheiding bij haar moeder, maar verbleef ook regelmatig bij haar vader. Een vriend van haar vader heeft gedurende ongeveer anderhalf jaar de vader geholpen met de verbouwing van diens woning. Hij bleef ook slapen. Dochter en moeder werden geconfronteerd met een echo waarop een compleet mensje zichtbaar was. De zwangerschap van 17 weken werd afgebroken. De rechtbank heeft in de strafzaak uit DNA- en haaronderzoek, waarin Temazepam werd aangetroffen, afgeleid en bewezenverklaard dat de vriend de dochter misbruikt heeft na haar in een staat van bewusteloosheid te hebben gebracht. Aansluiting zoekend bij de genormeerde bedragen van de letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven wees de strafrechter smartegeld toe voor dochter en moeder die beiden voor de psychische gevolgen behandeld worden. Het hof neemt de omstandigheden van het misbruik en de ernstige gevolgen voor beiden in aanmerking en komt tot de aanmerkelijk hogere vergoeding van smartengeld voor de dochter van € 50.000 en € 15.000 voor de moeder.

Instantie Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Datum uitspraak 15-01-2019
Datum publicatie 16-01-2019
Zaaknummer 200.233.881_01
Formele relaties Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:11181, Overig
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie
hoger beroep nadat in strafvonnis vorderingen benadeelde partijen deels zijn afgewezen; immateriële schadevergoeding wegens seksueel misbruik 11 jarig meisje, dat ongewenst zwanger is geraakt en na ruim 17 weken zwangerschap een abortus heeft ondergaan; dader is zeer berekenend te werk gegaan, onder meer door het meisje te drogeren met temazepan alvorens haar seksueel te misbruiken; vordering wegens shockschade van moeder die aanwezig is geweest bij de echo en haar dochter heeft begeleid bij het nemen van de beslissing tot abortus
Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.233.881/01

arrest van 15 januari 2019

in de zaak van

[moeder] mede in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter [minderjarige dochter] ,
wonende te [woonplaats] ,
[moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna appellante sub 1 aan te duiden als [minderjarige dochter] en appellante sub 2 als [moeder] of als moeder,
advocaat: mr. M.J.E. Spauwen te Kerkrade,

tegen

[geïntimeerde] ,
verblijvende te [verblijfplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. R.W.J.L. Loonen te Heerlen,

op het bij exploot van dagvaarding van 9 februari 2018 op de voet van artikel art. 421 lid 4 Sv. ingeleide hoger beroep van het door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen vonnis van 17 november 2017 tussen appellanten als benadeelde partijen en geïntimeerde als verdachte (hierna: het strafvonnis).

1 Het geding in eerste aanleg (parketnummer 03/704515-17)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de memorie van grieven (met vier producties);
– de memorie van antwoord.

3 De beoordeling

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1. [minderjarige dochter] , geboren op [geboortedatum] 2005, woont sinds de echtscheiding van haar ouders bij haar moeder, maar verblijft ook regelmatig bij haar vader.

3.1.2. [geïntimeerde] is een vriend van haar vader. [geïntimeerde] heeft gedurende ongeveer anderhalf jaar de vader van [minderjarige dochter] geholpen met de verbouwing van diens woning. Ongeveer anderhalve maand nadat hij met opknappen van de woning was begonnen, bleef hij daar ook slapen. Ook [minderjarige dochter] verbleef toen vaak in de woning van haar vader, ook ‘s nachts.

3.1.3. Op 16 december 2016 is [geïntimeerde] door de politie (niet in verband met de hierna te vermelden strafzaak) aangehouden en hij is daarna niet meer in de woning teruggekeerd. [geïntimeerde] gebruikte in de periode dat hij in de woning verbleef medicijnen, waaronder temazepam.

3.1.4. Op 1 februari 2017 heeft [minderjarige dochter] samen met haar moeder een gynaecoloog in een abortuskliniek bezocht en toen is vastgesteld dat zij 16 weken en 4 dagen zwanger was.
Op 2 februari 2017 is aldaar een echo gemaakt, waarbij ook haar moeder aanwezig was. Daarna is op 7 februari 2017 in die kliniek bij [minderjarige dochter] een abortus verricht. Het weggenomen zwangerschapsweefsel is voor DNA-onderzoek overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en op basis van dat onderzoek is geconcludeerd dat [geïntimeerde] de biologische vader is.

3.1.5. Op 4 februari 2017 heeft [moeder] namens [minderjarige dochter] aangifte gedaan tegen [geïntimeerde] wegens het seksueel binnendringen bij [minderjarige dochter] , ten gevolge waarvan zij zwanger is geraakt.

3.1.6. In het kader van het strafrechtelijk onderzoek jegens [geïntimeerde] is [minderjarige dochter] op 17 februari 2017 gehoord in de kindvriendelijke verhoorstudio in [plaats] . Zij heeft toen verklaard dat ze niet weet hoe het kwam dat ze zwanger was, dat zij niets heeft gedaan en niets heeft gevoeld. Over [geïntimeerde] heeft ze verklaard dat hij de woning opknapte van haar vader en dat hij er was, ook ’s nachts en ook als haar vader ’s nachts was werken. Ze heeft aangegeven dat [geïntimeerde] soms “aandringerig” was. Als zij naar boven ging, ging [geïntimeerde] ook naar boven. Als ze naar de wc ging, ging hij voor de deur staan. Als ze op de bank ging zitten, ging [geïntimeerde] naast haar zitten. Als ze naar boven ging en ze ging computeren, dan ging [geïntimeerde] op haar bed zitten. Soms ging zij kleren kijken of zich omkleden en dan vroeg ze of [geïntimeerde] weg wilde gaan. Hij keek dan zo raar naar haar en soms ging hij dan weg, maar soms ook niet. [geïntimeerde] stuurde haar elke ochtend en nacht een bericht: “Lieverd, ik wens je een fijne dag”. Dat vond zij vervelend. Ook heeft ze verklaard dat [geïntimeerde] precies wist wanneer zij ongesteld was en dat vond ze soms raar. Ook heeft [minderjarige dochter] verklaard dat er ’s nachts vaker iemand bij haar op de slaapkamer kwam. Ze heeft aan haar vader gevraagd of hij dat was, maar hij ontkende. Ze vroeg het ook aan [geïntimeerde] , maar die ontkende ook op haar kamer te zijn geweest. Verder heeft zij verklaard dat zij één keer heeft gezien dat [geïntimeerde] bij haar op de kamer was, dat hij toen met een lampje in haar gezicht scheen en zij wakker werd.

3.1.6. De vader van [minderjarige dochter] is op 20 februari en 22 mei 2017 door de politie als getuige gehoord. Hij heeft verklaard dat hij [geïntimeerde] , toen deze in zijn woning verbleef, een keer in het bed van zijn dochter heeft aangetroffen. Zij lagen toen allebei op hun zij, [geïntimeerde] met zijn buik tegen de rug van [minderjarige dochter] . Hij heeft [geïntimeerde] daar op aangesproken en deze verklaarde dat de vader zich geen zorgen hoefde te maken, dat hij een verhaaltje had voorgelezen en dat hij daarbij in slaap was gevallen. De vader van [minderjarige dochter] heeft ook verklaard dat hij toen niets op haar kamer heeft zien liggen waaruit [geïntimeerde] zou hebben kunnen voorlezen. De vader heeft verder verklaard dat hij een foto heeft gemaakt van de medicijnen (onder meer temazepam) die hij heeft gevonden tussen de in zijn woning achtergebleven spullen van [geïntimeerde] .

3.1.7. Aangezien [minderjarige dochter] niet kon verklaren hoe ze zwanger is geraakt en ook verklaarde geen herinnering te hebben aan enig daarvoor noodzakelijk lichamelijk contact met [geïntimeerde] en mede gelet op het feit dat onderzoek van de computer van [geïntimeerde] had opgeleverd dat hij op 23 december 2015 op Google op de termen verdovingsmiddel, bedwelmingsmiddel, chloroform en zware slaapmiddelen had gezocht, is besloten tot een onderzoek naar de aanwezigheid van bedwelmingsmiddelen bij [minderjarige dochter] . Het NFI heeft daartoe (in Frankrijk) toxicologisch onderzoek laten verrichten aan de hoofdharen van [minderjarige dochter] . De resultaten daarvan wijzen op blootstelling aan temazepam.

3.1.8. Uit het strafvonnis blijkt dat op een onder [geïntimeerde] inbeslaggenomen notebook filmfragmenten zijn aangetroffen, gemaakt op 28 en 29 juni 2015 waarop een (schaars geklede) slapende [minderjarige dochter] is te zien. Aan de vader van [minderjarige dochter] zijn daarvan tijdens zijn verhoor bij de politie fotoprints getoond, waarop [minderjarige dochter] is te zien in onderbroek en (omhoog geschoven) T-shirt en hij verklaart daarop zijn dochter in zijn woning te herkennen. Ook verklaart hij dat zij nooit alleen in een onderbroek en T-shirt in bed heeft gelegen en altijd een pyjama aan heeft als ze slaapt. [geïntimeerde] heeft op de zitting van 3 november 2017 verklaard dat hij de filmpjes in de vroege ochtend van 28 en 29 juni 2015 heeft gemaakt.

3.1.9. In het strafvonnis heeft de rechtbank bewezenverklaard dat [geïntimeerde] in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 1 november 2016 in de gemeente [gemeente] , eenmaal met [ [minderjarige dochter] ], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [ [minderjarige dochter] ], immers heeft hij, verdachte eenmaal zijn penis in de vagina van die [ [minderjarige dochter] ] gebracht, welk feit werd voorafgegaan en vergezeld van geweld, welk geweld heeft bestaan uit het in een staat van bewusteloosheid of onmacht brengen van die [ [minderjarige dochter] ] door haar heimelijk temazepam toe te dienen. De rechtbank heeft [geïntimeerde] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaren, met aftrek van voorarrest.

3.1.10. Noch [geïntimeerde] noch het openbaar ministerie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld, zodat dit op tegenspraak gewezen strafvonnis onherroepelijk is.

3.2.1. In de strafprocedure heeft [moeder] zich als wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige dochter] gevoegd als benadeelde partij. Namens [minderjarige dochter] heeft zij een vordering ingediend tot vergoeding van immateriële schade ad € 75.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2016. Daarnaast heeft zij ook voor zichzelf een vordering als benadeelde partij ingediend en vergoeding gevorderd van de door haar geleden immateriële schade tot een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2017. Zij stelt daartoe, kort gezegd, dat bij haar sprake is van shockschade en dat zij lijdt aan PTSS.

3.2.2. De rechtbank heeft in het strafvonnis overwogen, kort samengevat, dat vast is komen te staan dat met het door [geïntimeerde] gepleegde zedendelict een ernstige inbreuk is gemaakt op de integriteit en persoonlijke levenssfeer van [minderjarige dochter] , waardoor zij in haar persoon is aangetast en waardoor vergoeding van immateriële schade wettelijk mogelijk en redelijk is. De rechtbank is evenwel van oordeel dat in de rechtspraak onvoldoende steun is te vinden voor toekenning van het gevorderde bedrag van € 75.000,00. Aansluiting zoekend bij de genormeerde bedragen van de letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven en uitgaande van de van toepassing zijnde letselcategorie 4, acht de rechtbank een bedrag van € 10.000,00 toewijsbaar en wijst zij de vordering voor het meer gevorderde af.

3.2.3. Ten aanzien van de vordering van [moeder] is de rechtbank van oordeel dat [moeder] direct is geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het handelen van [geïntimeerde] , omdat zij als moeder op 1 februari 2017 is geconfronteerd met de zwangerschap van haar destijds 11-jarige dochter, haar vervolgens moest begeleiden in het begrijpen dat zij zwanger was, het beslissen over het al dan niet afbreken van de zwangerschap van een foetus van 17 weken, te zien op de echo, en haar begeleiden bij het ondergaan van de pijnlijke zwangerschapsonderbreking. Daarmee is, aldus de rechtbank, voldaan aan alle vereisten voor shockschade. Dit leidt ertoe dat [geïntimeerde] ook jegens [moeder] onrechtmatig heeft gehandeld en gehouden is tot de vergoeding van de door haar dientengevolge geleden schade nu niet betwist is dat zij hierdoor ernstig is geschokt en vast is komen te staan dat zij lijdt aan PTSS samenhangend met het misbruik van haar dochter. Ook hier ziet de rechtbank in de rechtspraak onvoldoende steun voor toekenning van het gevorderde bedrag en uitgaande van letselcategorie 2 van genoemde letsellijst, acht de rechtbank een bedrag van € 2.500,00 toewijsbaar en wijst zij het meer gevorderde af.

3.4. [moeder] heeft tegen het vonnis van de rechtbank zowel als wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige dochter] als namens zichzelf twee grieven aangevoerd, bewijs aangeboden en de gedeeltelijke vernietiging van het vonnis gevorderd. De grieven richten zich tegen het vonnis voor zover daarbij de vorderingen van [minderjarige dochter] en [moeder] als benadeelde partij zijn afgewezen. [moeder] heeft geconcludeerd, zo begrijpt het hof, tot het alsnog toewijzen van het meerdere.
Voor alle duidelijkheid merkt het hof op dat in dit hoger beroep enkel de – overwegingen en -beslissingen van het strafvonnis inzake de vorderingen van de benadeelde partij aan de orde zijn en dus niet de beslissingen over de schadevergoedingsmaatregel. Dat betreft immers het strafrechtelijk deel van genoemd vonnis.
Het hof zal hierna de vorderingen van [minderjarige dochter] en [moeder] afzonderlijk bespreken.

de vordering van [minderjarige dochter]

3.5. De grieven komen er in de kern op neer dat de rechtbank ten onrechte slechts een bedrag van € 10.000,00 heeft toegewezen en lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.

aansprakelijkheid

3.6. Vooropgesteld wordt dat [geïntimeerde] de bewezenverklaring van de rechtbank in het op tegenspraak gewezen strafvonnis (zie r.o. 3.1.9) in dit hoger beroep niet heeft betwist noch enige andere overweging van de rechtbank. Dus staat ook in dit hoger beroep vast dat [geïntimeerde] het elfjarig meisje [minderjarige dochter] in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 1 november 2016 heimelijk heeft gedrogeerd door haar temazepam toe te dienen, zodat zij in een staat van bewusteloosheid of onmacht is komen te verkeren en dat hij toen (in elk geval) éénmaal bij haar seksueel is binnengedrongen, waardoor zij zwanger is geraakt. Daarmee staat tevens vast dat [geïntimeerde] jegens [minderjarige dochter] onrechtmatig heeft gehandeld alsook dat dit handelen [geïntimeerde] kan worden toegerekend. Voorts staat als niet betwist vast dat de door [minderjarige dochter] gevorderde schade door het handelen van [geïntimeerde] is veroorzaakt. [geïntimeerde] is derhalve op grond van artikel 6:162 BW jegens [minderjarige dochter] aansprakelijk.

omvang van de schade

3.7. Het aldus plaatsgevonden hebbende seksueel misbruik van [minderjarige dochter] door [geïntimeerde] levert een zeer ernstige schending op van haar lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer. Dit is een aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW en [minderjarige dochter] heeft derhalve recht op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding. Volgens vaste jurisprudentie dient de rechter bij het vaststellen van de hoogte van die schadevergoeding rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, meer in het bijzonder met de aard en de ernst van de inbreuk en met de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, en daarnaast dient hij aansluiting te zoeken bij in vergelijkbare gevallen toegewezen bedragen, rekening houdend met de geldontwaarding.

3.8. In de toelichting op het schadeformulier van [minderjarige dochter] wordt in dat verband gesteld dat [minderjarige dochter] als gevolg van het seksueel misbruik lichamelijk en psychisch letsel heeft opgelopen. Zij heeft een abortus ondergaan en hoewel de gevolgen van een ongecompliceerde zwangerschapsafbreking over het algemeen gering zijn, is onbekend wat de gevolgen zijn van een zwangerschapsafbreking op jonge leeftijd. Bekend is wel dat negatieve seksuele ervaringen kunnen leiden tot ernstige en langdurige psychische problemen (zoals PTSS, depressie, borderline persoonlijkheidsstoornissen of eetstoornissen), seksuele problemen en lichamelijke problemen. Onder verwijzing naar een drietal wetenschappelijke artikelen wordt erop gewezen dat het risico op PTSS groter is als het slachtoffer van het vrouwelijk geslacht is, van jongere leeftijd en de gebeurtenis ernstig was (prod. 4 bij de toelichting), dat blootstelling aan seksueel misbruik kan leiden tot ontwikkelingsstoornissen en dat kinderen die het slachtoffer zijn geworden van seksueel misbruik in grote mate te maken krijgen met mentale problemen (prod. 5) alsook dat seksueel misbruik bij kinderen moet worden aangemerkt als een significante risicofactor voor angststoornissen, in het bijzonder PTSS (prod. 6). Opgemerkt wordt dat [minderjarige dochter] in behandeling is bij Clas (contextuele leergroepen voor alle betrokkenen bij seksueel misbruik, hof) en dat ze daar heeft aangegeven dat ze erg verdrietig is en dat ze het heel erg vindt dat ze een abortus heeft moeten ondergaan en dat zij het verder absoluut niet over de gebeurtenissen wil hebben. De inschatting van de therapeut is dat als [minderjarige dochter] niet wordt geconfronteerd met zaken gerelateerd aan de verkrachting, ze het ver weg kan stoppen en er niet aan hoeft te denken. Aannemelijk is echter dat [minderjarige dochter] op latere leeftijd te maken krijgt met psychische problemen, die haar leven op niet geringe wijze zullen beïnvloeden, aldus de toelichting.
Ter onderbouwing van het gevorderde bedrag van € 75.000,00 wordt in deze toelichting voorts gewezen op:
– de zeer jonge leeftijd van [minderjarige dochter] (11 jaar);
– de zeer ernstige aard van het misbruik en de onomkeerbaarheid daarvan;
– het onbeschermd plegen van seksuele handelingen door [geïntimeerde] ;
– de mate en de ernst van het toegebrachte leed en de psychische klachten die daaruit voortvloeien en de overige gevolgen voor [minderjarige dochter] ;
– de ernst van de normschending;
– de zeer ernstige gevolgen daarvan, in het bijzonder de ongewenste zwangerschap en abortus, en dat [minderjarige dochter] op zeer jonge leeftijd daarin keuzes heeft moeten maken;
– het blijvende leed en de heftige en voorzienbare impact van het misbruik op haar leven, nu en in de toekomst;
– de plaats waar het misbruik plaatsvond, in haar vertrouwde omgeving, en het misbruiken van de vertrouwensrelatie die [geïntimeerde] willens en wetens met [minderjarige dochter] had opgebouwd;
– het feit dat [minderjarige dochter] voorafgaand aan het misbruik werd gedrogeerd;
– het feit dat zij tijdens haar slaap door [geïntimeerde] is geobserveerd, gefilmd en gefotografeerd, nadat zij was gepositioneerd en (deels) ontkleed;
– de aantasting van het gevoel van veiligheid en geborgenheid;
– het feit dat [geïntimeerde] geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedrag;
– het toedienen van een chemisch middel waarvan onbekend is dat dit haar gezondheid heeft geschaad, c.q. zal kunnen (gaan) schaden, en de daarmee gepaard gaande onzekerheid en angstklachten;
– dat [geïntimeerde] heeft getracht om [minderjarige dochter] in diskrediet te brengen door uitspraken te doen die buiten alle realiteit staan (hetgeen secundaire victimisatie oplevert).
Deze omstandigheden worden in de toelichting op grief 1 herhaald. Tevens wordt in die toelichting onder meer verwezen naar een drietal uitspraken in zedenzaken, waarin aan slachtoffers van seksueel misbruik een smartengeldvergoeding van € 50.000,00 werd toegekend (ECLI:NL: RBAMS:2015:1618, ECLI:NL:RBOVE:2017:1909 en ECLI:NL:GHAMS:2011:BR4200). Vanwege bijkomende omstandigheden (de ernstige schending van de privacy, de secundaire victimisatie) alsmede wanneer wordt gekeken naar de ernstige derving van levensvreugde bij [minderjarige dochter] door de zeer ernstige onrechtmatige gedragingen van [geïntimeerde] , dan is een vordering van € 75.000,00 alleszins billijk, aldus [moeder] . Tot slot wordt nog verwezen naar een uitspraak van het Wuppertaler Landgericht waarin aan een 16-jarig na seksueel misbruik een vergoeding van € 100.000,00 werd toegekend (ECLI:DE:LGW:2013:0205.16095.12.00).

3.9. Volgens [geïntimeerde] wordt namens [minderjarige dochter] ten onrechte gesteld dat een schadevergoeding van € 75.000,00 gerechtvaardigd is. Hij wijst erop dat uit de drie aangehaalde zaken blijkt dat een vergoeding van € 50.000,00 slechts gerechtvaardigd is als er gedurende een langere periode sprake is geweest van seksueel misbruik of als sprake is geweest van bruut geweld. [geïntimeerde] verwijst op zijn beurt naar zaken uit de Smartengeldgids waarin veel lagere bedragen werden toegekend (€ 2.739,32, € 6.500,00, € 2.220,00, € 1.250,00, € 2.500,00 en € 3.069,00) en concludeert op grond daarvan dat een bedrag van € 75.000,00 buitensporig en onredelijk hoog is. [geïntimeerde] wijst er voorts op dat op grond van een hypothetische situatie schade wordt gevorderd omdat onduidelijk is wat de omvang van de impact en de schade van [minderjarige dochter] is en al helemaal wat die in de toekomst zal zijn.

3.10. Het hof overweegt als volgt.
Uit de vaststaande feiten valt af te leiden [geïntimeerde] bij het seksueel misbruik van [minderjarige dochter] zeer berekenend te werk is gegaan. Zo heeft hij allereerst het vertrouwen van haar vader gewonnen door te helpen bij het klussen van diens woning. Terwijl hij wist dat [minderjarige dochter] daar ook vaak verbleef en wetende dat haar vader vanwege werk soms ’s nachts afwezig was, bleef hij daar al vrij snel zelf ook slapen. In juni 2015 – [minderjarige dochter] was toen pas 10 jaar oud – heeft hij haar tijdens haar slaap gefilmd, waarbij gelet op de verklaring van haar vader het hof ervan uitgaat dat hij haar toen deels moet hebben ontkleed. Daarnaast heeft hij in december 2015 op internet informatie opgezocht over bedwelmingsmiddelen en vervolgens weten te bewerkstelligen dat hij kon beschikken over temazepam, een krachtig slaapmiddel. Uit het haaronderzoek blijkt dat [minderjarige dochter] gedurende het laatste half jaar van 2016 incidenteel dit middel toegediend heeft gekregen en het kan niet anders dan dat [geïntimeerde] haar dit heimelijk heeft toegediend. Nadat hij haar aldus in een toestand van bewusteloosheid heeft gebracht, heeft hij haar in elk geval éénmaal seksueel misbruikt waardoor zij zwanger is geraakt. Gelet op de uitkomst van het haaronderzoek alsook het feit dat [geïntimeerde] de cyclus van [minderjarige dochter] nauwlettend in de gaten hield is het aannemelijk dat [geïntimeerde] [minderjarige dochter] vaker heeft misbruikt. Zoals de rechtbank in het strafvonnis heeft overwogen, is [geïntimeerde] aldus zeer planmatig, heimelijk en berekenend te werk te gaan om bij de nog slechts 11 jaar oude [minderjarige dochter] seksueel te kunnen binnendringen in een haar vertrouwde omgeving. Aldus heeft [geïntimeerde] op zeer ernstige en uiterst laakbare wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [minderjarige dochter] .
Algemeen wordt aangenomen dat seksueel misbruik leidt tot ernstige lichamelijke en psychische gevolgen. Deze ervaringsregel wordt ook bevestigd door de namens [minderjarige dochter] overgelegde recente wetenschappelijke artikelen. Daaruit blijkt voorts dat de kans op deze gevolgen groter is naarmate het slachtoffer jong is en vrouw, zoals bij [minderjarige dochter] het geval is. Het is evenwel de vraag of de gestelde lichamelijke en psychische problemen zich ook bij [minderjarige dochter] zullen realiseren, hetgeen thans nog niet bekend is. Dat is in het onderhavige geval eens te meer de vraag omdat [minderjarige dochter] zich van het seksueel misbruik niets kan herinneren aangezien zij daaraan voorafgaand door [geïntimeerde] is gedrogeerd. Zij heeft het misbruik niet bewust meegemaakt. Het hof is dan ook van oordeel dat bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding met de mogelijke toekomstige psychische gevolgen van het seksueel misbruik bij [minderjarige dochter] geen rekening kan worden gehouden.
Dit doet er echter niet aan af dat [minderjarige dochter] op zeer indringende wijze is geconfronteerd met de gevolgen van het door [geïntimeerde] bij haar gepleegde seksueel misbruik. Zo bleek zij op het moment van de ontdekking van haar zwangerschap al bijna 17 weken ongewenst zwanger te zijn. Zij werd bij de echo geconfronteerd met een levend mensje met alles erop en eraan. Dat moet voor haar als 11-jarig meisje een zeer schokkende ervaring zijn geweest. Veelzeggend is dat zij volgens haar moeder bij het zien daarvan haar hoofd afwendde. Ook de samen met haar moeder in de gegeven omstandigheden alleszins begrijpelijke beslissing om tot abortus over te gaan, zal voor [minderjarige dochter] moeilijk en emotioneel zwaar zijn geweest, hetgeen het hof afleidt uit het feit dat zij tegenover haar therapeut bij Clas heeft aangegeven dat het haar verdrietig maakt, dat zij het heel erg vindt dat zij een abortus heeft moeten ondergaan en dat zij er liever niet over praat. De ingreep zelf was voor haar ook een heftige en zeer pijnlijke ervaring, waarbij zij het uitschreeuwde van de pijn.

3.11. Op grond van al deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof een immateriële schadevergoeding van € 50.000,00 billijk. Weliswaar wijst [geïntimeerde] er terecht op dat in de gevallen waar namens [minderjarige dochter] naar wordt verwezen en waarbij een bedrag van € 50.000,00 wordt toegekend, het steeds gaat om seksueel misbruik gedurende een langere periode. Dit laat evenwel onverlet dat er in dit geval sprake is van dermate zwaarwegende omstandigheden, zoals hiervoor besproken, dat naar het oordeel van het hof toekenning van genoemd bedrag gerechtvaardigd is.

de vordering van [moeder]

3.12. Tegen het oordeel van de rechtbank in genoemd strafvonnis, kort samengevat inhoudende, dat [moeder] direct is geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het handelen van [geïntimeerde] , dat zij lijdt aan PTSS en dat is voldaan aan alle vereisten voor het toekennen van shock-schade, heeft [geïntimeerde] geen (incidentele) grieven gericht. Dit betekent dat ook in dit hoger beroep vaststaat dat [geïntimeerde] jegens [moeder] onrechtmatig heeft gehandeld en gehouden is de schade die zij daardoor lijdt te vergoeden. Aan het ongemotiveerde verweer van [geïntimeerde] bij memorie van antwoord dat geen sprake is van een erkend ‘psychisch ziektebeeld’ gaat het hof voorbij.

3.13. Wat betreft haar psychische problemen meldt [moeder] dat zij in behandeling is bij Clas, en dat bij haar problemen zijn vastgesteld op het vlak van affectregulatie en impulscontrole (affectregulatie, agressieregulatie, zelfdestructief gedrag, suïcidaliteit, problemen op het vlak van seksualiteit); er zijn veranderingen op het vlak van aandacht en bewustzijn (amnesie), er zijn stoornissen in het zelfbeeld (onvoldoende zelfzorg, gevoel van permanent beschadigd zijn, schaamtegevoel, gevoel geïsoleerd te zijn), er zijn problemen in relaties met anderen (wantrouwen, secundaire victimisatie) en er zijn veranderingen in de kijk op het leven (het afwezig zijn van toekomstperspectieven), verlies van overtuigingen en persoonlijke waarden).
Volgens [moeder] heeft de gebeurtenis in het leven van haar dochter haar zo onderuit geslagen dat ze moeite moet doen om door te gaan. Zij kampt met schuldgevoelens omdat zij het niet heeft kunnen voorkomen, terwijl [geïntimeerde] geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden en geen blijkt geeft van inzicht in het leed dat hij ook bij haar als moeder heeft veroorzaakt. Ten aanzien van de hoogte van de vergoeding is zij van mening dat gelet op de ernst van het seksueel misbruik van haar dochter en de hevige confrontatie met de gevolgen daarvan, die zich vele jaren, zo niet het gehele leven zullen opdringen, een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2017, billijk is. Daarbij verwijst zij deels naar de in deze zaak spelende verzwarende omstandigheden, zoals hiervoor bij de vordering van [minderjarige dochter] vermeld.

3.14. Volgens [geïntimeerde] neemt [moeder] ten onrechte het standpunt in dat aan haar een hoger bedrag aan shockschade moet worden toegekend. Zij voert aan dat zij is geconfronteerd met de enorme pijn en het verdriet van haar dochter, de vorming van haar lichaam, de opname in verband met de abortus en het psychische leed waarmee haar dochter kampt. Schade die samenhangt met de emotionele en affectieve verbondenheid met een ander die kan worden gekwalificeerd als ernstig verdriet wordt aangeduid als ‘affectieschade’. Het huidige gesloten stelsel van de artikelen 6:106 t/m 108 BW brengt mee dat thans geen vordering geldend gemaakt kan worden tot vergoeding van affectieschade, aldus [geïntimeerde] .

3.1.5 Het hof overweegt als volgt.
Anders dan [geïntimeerde] betoogt, vordert [moeder] geen vergoeding van affectieschade. Vaststaat immers dat zij ten gevolge van de confrontatie met de gevolgen van het seksueel misbruik van haar dochter door [geïntimeerde] – de ongewenste zwangerschap van [minderjarige dochter] , het waarnemen van de foetus op de echo en het nemen van de beslissing tot abortus – aan PTSS lijdt. Het gaat derhalve om haar eigen verdriet en haar eigen angst. Dit geestelijk letsel in de vorm van PTSS levert een aantasting van haar persoon op en geeft recht op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 BW.

3.16. Bij de bepaling van de hoogte van dit bedrag dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Daarbij is van belang dat [moeder] niet alleen is geconfronteerd met het feit dat haar pas 11-jarige dochter na te zijn gedrogeerd en seksueel te zijn misbruikt zwanger is geraakt, maar bovendien is zij op zeer indringende wijze met die zwangerschap geconfronteerd. Zij was namelijk aanwezig bij de echo. Het is zeer invoelbaar dat zij het beeld van een compleet mensje als zeer schokkend heeft ervaren. Naar het hof aanneemt, is de begeleiding van haar dochter bij het maken van de keuze om tot abortus over te gaan, hoezeer in de gegeven omstandigheden alleszins begrijpelijk, ook voor [moeder] erg heftig en emotioneel zwaar geweest. Weliswaar heeft zij verklaard de keuze te hebben gemaakt die voor haar dochter het beste was, maar tegelijkertijd voelt zij zich de moordenaar van haar kleinkind. Uit de overgelegde medische informatie blijkt duidelijk dat het hele gebeuren tot ernstige psychische ontregeling van [moeder] heeft geleid.
Op grond van al deze omstandigheden acht het hof een immateriële schadevergoeding
€ 15.000,00 billijk.

3.17. Het voorgaande leidt ertoe dat het strafvonnis van 17 november 2017 zal worden vernietigd voor zover daarbij de vorderingen van [minderjarige dochter] en [moeder] voor het meerdere zijn afgewezen. Opnieuw rechtdoende, zal in aanvulling daarop [geïntimeerde] worden veroordeeld tot vergoeding van een bedrag aan immateriële schadevergoeding aan [minderjarige dochter] van € 40.000,00 (€ 50.000,00 minus de door de rechtbank toegekende € 10.000,00), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 15 oktober 2016, en tot vergoeding van een bedrag aan immateriële schadevergoeding aan [moeder] van € 12.500,00 (€ 15.000,00 minus het door de rechtbank toegekende bedrag van € 2.500,00), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 februari 2017.

3.18. Als in het ongelijk gestelde partij wordt [geïntimeerde] veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep, waaronder de gevorderde en niet betwiste nakosten. Het hof gaat bij het liquidatietarief uit van het in totaal toegewezen bedrag, dus van tarief IV.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 17 november 2017 voor zover daarbij de vorderingen van de benadeelde partijen zijn afgewezen, en

in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [minderjarige dochter] , in deze procedure wettelijk vertegenwoordigd door [moeder] , te betalen ter zake van immateriële schade een bedrag van € 40.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat [geïntimeerde] dit bedrag dient te betalen op de ten behoeve van [minderjarige dochter] geopende BEM-rekening;

veroordeelt [geïntimeerde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [moeder] ter zake van immateriële schade te betalen een bedrag van € 12.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

bekrachtigt het strafvonnis voor zover betrekking hebbend op de vorderingen van de benadeelde partijen voor het overige;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [moeder] c.s. op € 98,01 aan dagvaardingskosten en op € 1.959,00 aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, H.A.W. Vermeulen en J.W. van Rijkom en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 januari 2019.

griffier rolraadsheer

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots