Hof: OPS; werkgever geslaagd in tegenbewijs langdurige blootstelling aan neurotoxische stoffen, vordering werknemer afgewezen

Samenvatting:

OPS-zaak. In eerder tussenarrest heeft het hof overwogen dat werknemer dient te stellen en te bewijzen dat hij tijdens zijn werkzaamheden door (in relevante mate) is blootgesteld aan neurotoxische stoffen en dat hij dient te stellen dat zijn gezondheidsklachten door die blootstelling kunnen zijn veroorzaakt. Het hof achtte op basis van de gedingstukken, voorshands bewezen dat werknemer gedurende lange tijd is blootgesteld aan neurotoxische stoffen, behoudens door de werkgever te leveren tegenbewijs. De werkgever slaagt nu door middel van een deskundigenbericht in dit tegenbewijs. Nu werkgever in het tegenbewijs is geslaagd, is daarmee gegeven dat werknemer, op wie de bewijslast rust van het causaal verband tussen de blootstelling en zijn gezondheidsklachten, het door hem te leveren bewijs niet heeft geleverd. Werknemer kan zich ook niet op de arbeidsrechtelijke omkeringsregel beroepen, omdat niet vaststaat dat is voldaan aan de vereisten voor toepassing van die regel. Vordering afgewezen.

ECLI:NL:GHARL:2013:6202
Instantie: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak: 20-08-2013

Datum publicatie: 21-08-2013
Zaaknummer: 107.001.363-01

Rechtsgebieden: Civiel recht
Bijzondere kenmerken: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: OPS-zaak. Werkgever na deskundigenbericht geslaagd in het tegenbewijs van het bestaan van een relevante blootstelling aan oplosmiddelen. Vordering afgewezen omdat het verband tussen de blootstelling en de gezondheidsklachten niet is bewezen.
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl


Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 107.001.363/01
(zaaknummer rechtbank Groningen 216893/04-71)


arrest van de eerste kamer van 20 augustus 2013


in de zaak van


[appellant],

wonende te [woonplaats],
appellant,
in eerste aanleg eiser,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. P. Stehouwer, kantoorhoudend te Sneek,


tegen


[geïntimeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde,
in eerste aanleg gedaagde,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudend te Leeuwarden.


Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 20 november 2012 hier over.


1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep


1.1 Op 21 februari 2013 heeft het verhoor van de door het hof benoemde deskundigen, dr. J.G.M. van Rooij en ir. R.T.M. Cornelissen (hierna: Van Rooij en Cornelissen) plaatsgevonden. Van dit verhoor is proces-verbaal opgemaakt.


1.2 Vervolgens heeft [appellant] een akte genomen. Bij deze akte is een rapport overgelegd van drs. H.B.W. Bunnik (hierna Bunnik). Ook [geïntimeerde] heeft een akte genomen.


1.3 Ten slotte hebben partijen wederom de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.


2 De verdere beoordeling


Appelprocedure tot nu toe

4.1 In het tussenarrest van 21 mei 2008 heeft het hof overwogen dat [appellant] dient te stellen en te bewijzen dat hij tijdens zijn werkzaamheden door [geïntimeerde] (in relevante mate) is blootgesteld aan neurotoxische stoffen en dat hij dient te stellen en zo nodig aannemelijk moet maken dat zijn gezondheidsklachten door die blootstelling kunnen zijn veroorzaakt (r.o. 13). In dat tussenarrest heeft het hof ook overwogen dat het op basis van de gedingstukken, voorshands, behoudens door [geïntimeerde] te leveren tegenbewijs, bewezen acht dat [appellant] gedurende lange tijd is blootgesteld aan neurotoxische stoffen en dat in het kader van dat tegenbewijs een deskundigenbericht zal worden gelast (r.o. 14-16).


4.2 In het tussenarrest van 31 maart 2009 is prof. dr. ir. Tj. Smid (hierna: Smid) tot deskundige benoemd. Nadat Smid had meegedeeld niet in zijn staat te zijn het onderzoek af te ronden – Smid heeft wel een deskundigenbericht betreffende een deel van de hem voorgelegde vragen ter griffie gedeponeerd – zijn in het tussenarrest van 28 juni 2011 Van Rooij en Cornelissen tot deskundige benoemd.


4.3 Van Roo j en Cornelissen hebben hun definitieve rapport op 6 april 2012 ter griffie van het hof gedeponeerd. [appellant] heeft dit rapport bekritiseerd en heeft zich in dat verband beroepen op een rapport van Bunnik. In het tussenarrest van 20 november 2012 heeft het hof overwogen dat het bij het antwoord op de vraag of het de bevindingen van Van Rooij en Cornelissen volgt, dient in te gaan op de kritiek van Bunnik en dat het de deskundigen in de gelegenheid wil stellen zich over deze kritiek uit te laten. Om die reden heeft het hof een verhoor van de deskundigen gelast.


Toelaatbaarheid rapport Bunnik

4.6 [geïntimeerde] maakt bezwaar tegen het in het geding brengen van het rapport van Bunnik d.d. 12 april 2013. Volgens haar dreigt een eindeloze discussie te ontstaan en is het rapport in een te laat stadium van de procedure in het geding gebracht. Bunnik was aanwezig bij het verhoor van de deskundigen en had zich bij die gelegenheid dienen uit te spreken, aldus [geïntimeerde]. [geïntimeerde] meent dan ook dat het rapport van Bunnik buiten beschouwing moet worden gelaten.


4.7 Het hof volgt [geïntimeerde] niet in dit betoog. Bunnik was weliswaar aanwezig bij het verhoor van Van Rooij en Cornelissen, maar het hof heeft hem toen niet in de gelegenheid gesteld te reageren op hetgeen toen door Van Rooij en Cornelissen is verklaard. Het hof heeft Bunnik ook geen vragen gesteld. Het hof heeft partijen wel in de gelegenheid gesteld op de verklaringen van de deskundigen te reageren. Het stond beide partijen vrij om bij die reactie gebruik te maken van de bevindingen van een partijdeskundige en om in dat verband een rapport van een partijdeskundige in het geding te brengen. Het hof zal het rapport van Bunnik dan ook niet buiten beschouwing laten.


Beoordeling van het te leveren (tegen)bewijs

4.8 In de appelprocedure staat de vraag centraal of [appellant] lijdt aan gezondheidsklachten die zijn ontstaan aan de blootstelling aan gevaarlijke stoffen tijdens zijn werkzaamheden voor [geïntimeerde]. In een arrest van 7 juni 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ1721) heeft de Hoge Raad ten aanzien van de stelplicht en bewijslast bij de blootstelling aan gevaarlijke stoffen het volgende overwogen:“Wanneer een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen, moet het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade in beginsel worden aangenomen indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze regel is nodig dat de werknemer niet alleen stelt en zo nodig bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt (HR 17 november 2000, LJN AA8369, NJ 2001/596, Unilever/[A], HR 23 juni 2006, LJN AW6166, NJ 2006/354, [B/C], en HR 9 januari 2009, LJN BF8875, NJ 2011/252, [D]/BAM).”
De Hoge Raad heeft in dat arrest over deze regel – in de literatuur bekend als de arbeidsrechtelijke omkeringsregel – nog overwogen: “De hier bedoelde regel drukt het vermoeden uit dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen. Gelet daarop is voor dit vermoeden geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is."


4.9 [appellant] dient dan ook te stellen en te bewijzen dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die door de arbeidsomstandigheden bij [geïntimeerde], meer in het bijzonder door blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij [geïntimeerde], zijn veroorzaakt. Wil hij in dat verband met succes een beroep kunnen doen op de arbeidsrechtelijke omkeringsregel, is allereerst vereist dat [appellant] bewijst dat hij in relevante mate – dat wil zeggen in die mate dat daardoor zijn klachten kunnen zijn veroorzaakt – is blootgesteld aan gevaarlijke stoffen. Het hof heeft [appellant] in het hiervoor aangehaalde tussenarrest van 21 mei 2008 voorshands in dat bewijs geslaagd geacht en heeft [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren. De vraag die nu voorligt is of [geïntimeerde] dat tegenbewijs heeft geleverd.


4.10 Bij het antwoord op deze vraag stelt het hof voorop dat [geïntimeerde] tegenbewijs diende te leveren, en anders dan [appellant] lijkt te veronderstellen, geen tegendeelbewijs. [geïntimeerde] kan volstaan met het zaaien van twijfel ten aanzien van de juistheid van het vorenbedoelde vermoeden van het hof in het tussenarrest van 21 mei 2008, dat sprake is geweest van een relevante mate van blootstelling. Bij de beoordeling van het door [geïntimeerde] te leveren tegenbewijs dient verder in aanmerking te worden genomen dat uit het arrest van de

Hoge Raad van 7 juni 2013 volgt dat het verband tussen de gezondheidsschade en de blootstelling aan gevaarlijke stoffen niet te onzeker of onbepaald mag zijn.


4.11 [geïntimeerde] heeft zich beroepen op een deskundigenonderzoek dat in opdracht van het toenmalige hof Leeuwarden is uitgebracht door de deskundigen dr. ir. F.J. Jongeneelen en ir. J. Terwoert (hierna: Jongeneelen en Terwoert). Jongeneelen en Terwoert hebben onderzoek gedaan naar de oorzaken van het ontstaan van OPS/CTE en zijn in dat verband ingegaan op de vraag of een minimale blootstellingsduur is vereist en wat de invloed is van piekblootstellingen. Hun, uitvoerige, deskundigenrapport is integraal opgenomen in een arrest van dat hof van 18 september 2012 (ECLI:NL:GHLEE:2012:BX7965). Het hof heeft in laatstgenoemd arrest de bevindingen van Jongeneelen en Terwoert grotendeels overgenomen.


4.12 In hun rapport hebben Jongeneelen en Terwoert onder meer het volgende geschreven:

“Vraag 1
Is er een criterium (eenheid/maat/getal) om vast te stellen of er sprake is van een relevante blootstelling (die OPS veroorzaakt of kan veroorzaken)? Zo ja welke?
(…)
Antwoord vraag 1
Er is weinig kennis van het verband tussen CTE en de blootstelling en nog minder kennis van de juiste blootstellingmaat. De meest gangbare veronderstelling is dat de gesommeerde blootstelling aan oplosmiddelen over alle dienstjaren gerelateerd is aan de ernst van de CTE-aandoeningen. Deze aanpak volgt een regel die in de toxicologie bekend als de regel van Haber. Deze regel geeft aan dat het toxisch effect binnen zekere grenzen bepaald wordt door het product van concentratie en blootstellingsduur. Door de meeste onderzoekers wordt daarom de cumulatieve blootstelling aan oplosmiddelen (in mg/m3*jaren of ppm*jaren) gedurende de loopbaan gezien als de beste schatter voor de individuele dosis. Deze kan ook als OEL*jaren uitgedrukt worden, maar door de verlaging van grenswaarden in de loop van de tijd is dit geen eenduidige maat. Soms wordt als alternatief de werkleven gewogen gemiddelde blootstelling (in ppm of mg/m3) genomen. Deze maat heeft sterke overeenkomsten met de eerst genoemde. Tenslotte wordt opgemerkt dat sommige onderzoekers ook andere, meer indirecte blootstellingsmaten hanteren, zoals frequentie van acute gezondheidsklachten.
Vraag 2.
In de registratierichtlijnen voor OPS van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten staat beschreven: “Naar de huidige inzichten moet, om een CTE = OPS te induceren de blootstelling gedurende een periode van 5 jaar substantieel hoger zijn geweest dan de hieronder aangegeven waarden (…). De termijn kan korter zijn in het geval van blootstelling aan zeer hoge concentraties."
a. Geeft de registratierichtlijn op dit punt de heersende wetenschappelijke opvatting weer?
b. Bent u het eens met hetgeen de registratierichtlijn op dit punt vermeldt?
Overwegingen
(…)
Huidige opvattingen over niveau en duur van blootstelling in relatie tot ontstaan van CTE.

De richtlijnen van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten voor de diagnostiek van CTE ging het afgelopen decennium uit van een minimale duur van beroepsblootstelling van 5 jaar. Inmiddels is dit verhoogd tot 8 jaar (zie website NCvB). Hieraan wordt toegevoegd dat de blootstelling gedurende deze periode “substantieel hoger [moet] zijn geweest dan de hieronder aangegeven waarden” (verwezen wordt hierbij naar de op dat moment gelden grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling aan oplosmiddelen. Het criterium in de NCvB-richtlijn moet dus worden verstaan als een minimale blootstelling van 5, resp. 8, OEL-jaren. Verder wordt eraan toegevoegd: “De termijn kan korter zijn in het geval van blootstelling aan zeer hoge concentraties”. Ook in andere landen worden dergelijke toevoegingen gegeven (zie tabel 1). De periode van 8 jaar is vastgesteld op basis van expert-consensus. Dit is dan ook de verklaring dat in andere landen in Europa andere criteria gehanteerd worden. In tabel 1 hieronder zijn deze criteria weergegeven. Ook is het zo dat CTE niet in alle landen erkend als een beroepsziekte. Dit is bijvoorbeeld in Engeland het geval (Elsner, 2008).
(…)
Antwoord vraag 2.
a. Een solide wetenschappelijke onderbouwing van de stelling dat 5 jaar blootstelling nodig zou zijn voordat OPS ontstaat, ontbreekt.
b. In alle internationale criteria wordt – soms impliciet geformuleerd – uitgegaan van de maat “OEL-jaren”, waarin tijdsduur per dag, frequentie over de werkdagen en hoogte van de blootstelling meegewogen worden. Het is echter met de huidige stand van de wetenschap niet mogelijk een eenduidige, absolute drempel aan te geven waarboven CTE ontstaat. Dat is de reden dat in de landen van Europa een verschillende drempel wordt aangehouden (range = 5-10 OEL-jaren); er is geen eenduidige opvatting van experts.
Overigens wordt in de criteria van de EU en de WHO – net als in die van Nederland – als aanvullend criterium genoemd het optreden van “frequente acute (pre-) narcotische effecten” genoemd als indicator voor een (voldoende) hoge blootstelling om CTE te induceren. Echter, dit criterium is niet nader gespecificeerd (immers, hoe vaak is “frequent”?), hetgeen het gebruik bemoeilijkt.
Vraag 3

Welke mate van blootstelling (en gedurende welke periode) is minimaal vereist om gezondheidsklachten te kunnen veroorzaken? Kunt u bij de beantwoording van deze vraag toelichten of, en zo ja op welke wijze uw antwoord afhangt van:
a. het type oplosmiddel dat door de werknemer wordt gebruikt;
b. De wijze waarop de oplosmiddelen zijn gebruikt. (spuitwerk, rollen etc) de mate van ventilatie, de persoonlijke beschermingsmiddelen die zijn gebruikt en of sprake is van binnen- dan wel buitenwerk
c. Piekblootstellingen en huidopname
d. Het aantal maanden per jaar dat een werknemer (al dan niet aaneengesloten niet werkt c.q. geen blootstelling ondergaat (en zo ja, welk aantal maanden dan relevant is)
Overwegingen

Minimale blootstelling die CTE veroorzaakt
Er is consensus over de opvatting dat de blootstelling hoog geweest is als CTE zich voordoet. Op dit moment zijn deskundigen van de Gezondheidsraad het er over eens dat chronische blootstelling aan concentraties beneden de grenswaarden (v.h. “MAC-waarde”) het ontstaan van CTE niet bevordert (Gezondheidsraad, 1999).
(…)
Blootstellingverhogende omstandigheden
Omstandigheden die de emissie van oplosmiddelen verhogen, zoals spuiten van verf, de mate van verdunning van de verontreinigde werkpleklucht verminderen, zoals (te) weinig ventilatie en inpandig werken, of de opname van oplosmiddeldamp niet voorkomen, zoals het niet gebruiken van persoonlijke beschermingsmiddelen zullen alle tot een hogere blootstelling leiden. Aangezien de kans op CTE toeneemt met de mate van blootstelling, zijn genoemde factoren te beschouwen als risico verhogend.
Piekblootstelling en langjarig gemiddelde blootstelling
Het is mogelijk dat er een verband bestaat tussen piekblootstelling aan organische oplosmiddeldampen en dat de ontwikkeling van CTE. Deze veronderstelling kan op grond van de beschikbare gegevens worden bewezen noch worden ontkend. Ook als vast zou staan dat piekblootstelling tot CTE leidt, blijft het onduidelijk of dit komt door de hoogte van de concentratie in de piek of door de totale dosis tijdens de kortdurende hoge blootstelling (Gezondheidsraad, 1999). In de literatuur bestaat geen algemene overeenstemming over de betekenis van de verschillende blootstellingsmaten voor oplosmiddelblootstelling voor het ontstaan van CTE. Dit geldt zowel voor de invloed van kortdurende hoge blootstelling als voor andere blootstellingsmaten, zoals cumulatieve (lifetime) blootstelling, en langjarige- of daggemiddelden. (…)
Huidopname
Opname via de huid speelt een rol. Immers, oplosmiddelen kunnen percutaan opgenomen worden. Echter oplosmiddelen zijn bijna altijd vluchtige stoffen. Als oplosmiddelen op de huid terecht komen, zal een aanzienlijk deel verdampen (de huid heeft een temperatuur van ca 27 C). Het deel aan de lichaamsdosis dat via de huid het lichaam binnentreedt is in bijna alle gevallen beperkt tot 10% van de dosis die via de luchtwegen wordt opgenomen.
Aantal maanden per jaar schilderswerk
Aangezien CTE is een chronische aandoening is, waarvoor de werkleven gemiddelde concentratie of de cumulatieve blootstelling vaak wordt gezien als de twee meest geschikte dosismaten, is de over de jaren van blootstelling gemiddelde of de gesommeerde blootstelling bepalend. Dat betekent dat als in een jaar een aantal maanden geen werk met blootstelling aan oplosmiddelen is verricht, dit proportioneel zal meewegen en dat de blootstelling evenredig aan het aantal maanden schilderswerk per jaar lager zal zijn. Bijvoorbeeld: bij 25 jaar schilderen, met 3 uur per dag werkelijk schilderen met een gemiddelde blootstelling ter hoogte van de helft van de grenswaarde, gedurende 10 maanden per jaar is de cumulatieve blootstelling = 25 * 0,5 * 3/8 * 10/12 = 3,9 OEL-jaren en de langjarig gemiddelde blootstelling over 25 jaar: 0,5 * 3/8 * 10/12 = 0,15 OEL. Als er enig herstel optreedt, zal de ontwikkeling van CTE uiteindelijk langzamer kunnen verlopen – of bij jaarlijks zeer langdurige werkvrije perioden zelfs zou kunnen uitblijven. Een recent review met betrekking tot deze vraag wees uit, dat in enkele studies aanwijzingen voor een licht herstel werden gevonden na het stoppen van de blootstelling, maar dat in andere studies géén herstel werd gevonden (Van Valen et al., 2009). Al met al vonden de auteurs dat er onvoldoende bewijs was voor het optreden van herstel tijdens perioden zonder blootstelling. Vooralsnog zijn er geen argumenten om uit te gaan van herstel.
Antwoord vraag 3
a. Er is geen betrouwbare kennis van de relatieve potentie van specifieke oplosmiddelen om CTE te veroorzaken.
b. Werkomstandigheden en werkwijzen die de concentratie in de ademzone doen verhogen tot boven de grenswaarde leiden in ieder geval tot een hogere kans op het ontstaan van CTE. Hierbij wordt echter opgemerkt dat het niet in alle gevallen zeker is of de huidige en vroegere grenswaarden voldoende beschermend zijn, c.q. waren. Zie ook het antwoord op vraag 2b.
c. De veronderstelling dat piekblootstelling het ontstaan van CTE zou kunnen bevorderen kan noch bewezen worden noch ontkend worden, al zijn er serieuze aanwijzingen voor een dergelijk effect. Een drempel voor effecten door piekblootstelling kan niet aangegeven worden. Opname van oplosmiddelen via de huid kan tot extra inwendige belasting leiden, maar dit blijft beperkt tot ca 10% extra t.o.v. de geïnhaleerde dosis.
d. Het aantal maanden per jaar dat een werknemer (al dan niet aaneengesloten) niet werkt c.q. geen blootstelling ondergaat, kan proportioneel worden verrekend in de langjarige gemiddelde blootstelling of in de cumulatieve blootstelling. Er is onvoldoende bewijs dat in deze blootstellingsvrije perioden herstel optreedt.”


4.13 Uit het rapport van Jongeneelen en Terwoert volgt dat er nog weinig kennis is over de relatie tussen blootstelling en CTE, maar dat de meest gangbare veronderstelling is dat de gesommeerde blootstelling aan oplosmiddelen over alle dienstjaren gerelateerd is aan de ernst van de CTE-aandoeningen en dat cumulatieve blootstelling aan oplosmiddelen gedurende de loopbaan, die ook kan worden uitgedrukt in OEL-jaren, de beste schatter is voor de individuele dosis. Ook volgt uit hun rapport dat naar de huidige stand van de wetenschap geen eenduidige, absolute drempel in OEL-jaren kan worden aangegeven, maar dat in de landen van Europa een drempel van 5 tot 10 jaren (in Nederland 8 jaren) wordt aangehouden. Wanneer sprake is geweest van piekblootstellingen (en in mindere mate van huidopname) kan deze termijn korter zijn.


4.14 In zijn laatste rapport heeft Bunnik het rapport van Jongeneelen en Terwoert kritisch besproken. Volgens hem is de door Jongeneelen en Terwoert beschreven blootstelling uitgedrukt als cumulatieve blootstelling, de dagelijkse blootstelling maal de tijd, “nogal triviaal bij gebrek aan alternatieven”. De expertconsensus van 8 OEL jaren dan wel 5 jaar blootstelling is om die reden niet wetenschappelijk gefundeerd, aldus Bunnik. Bunnik wijst er op dat Jongeneelen en Terwoert de effecten van huidblootstelling ten onrechte beperken tot 10% van de dosis die in de luchtwegen wordt opgenomen. Bij gebrek aan een gevalideerde methode om de dosis die via de huid in het lichaam terechtkomt te berekenen, kan over de mate waarin huidblootstelling een rol speelt geen uitspraak worden gedaan, meent Bunnik. Bunnik verwijst in dat verband naar een rapport van de Gezondheidsraad, waarin is aangegeven dat bij de algemene risicobeoordeling van gevaarlijke stoffen meer dan tot nu toe het geval is geweest, aandacht moet worden besteed aan de risico’s van huidabsorptie.


4.15 Het hof constateert dat Bunnik vooral kritiek uit op de beperkte wetenschappelijke basis van de bevindingen van Jongeneelen en Terwoert. Uit het rapport van Jongeneelen en Terwoert volgt dat zij zich daarvan ook bewust zijn geweest. Zij hebben in hun rapport weergegeven wat in de wetenschappelijke literatuur wel bekend is over het verband tussen de mate van blootstelling en het ontstaan van CTE. Dat betekent echter niet dat aan het rapport van Jongeneelen en Terwoert geen betekenis toekomt voor het geschil tussen [appellant] en [geïntimeerde]. Uit het rapport van Jongeneelen en Terwoert volgt dat op dit moment consensus bestaat over het hanteren van de maatstaf OEL-jaren en dat in vrijwel alle Europese landen een drempel van minimaal 5 OEL-jaren wordt gehanteerd. Die vaststelling van Jongeneelen en Terwoert is door Bunnik niet ter discussie gesteld. Wanneer uit het onderzoek van Van Rooij en Cornelissen naar de feitelijke blootstelling van [appellant] volgt dat de drempel van 5 OEL-jaren niet is gehaald, heeft [appellant] naar het oordeel van het hof voldoende twijfel gezaaid ten aanzien van de juistheid van de eerdere feitelijke vaststelling door het hof dat sprake is geweest van een relevante mate van blootstelling. Er staat dan immers vast dat wanneer de op dit moment meest gangbare blootstellingsnorm wordt toegepast op de situatie van [appellant], en daarbij in het voordeel van [appellant] wordt uitgegaan van een drempel van 5 OEL-jaren (in plaats van 8 OEL-jaren), [appellant] de drempel niet heeft gehaald. Die vaststelling rechtvaardigt, zeker in het licht van wat de Hoge Raad in het hiervoor aangehaalde arrest heeft overwogen over de toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel, gerede twijfel over de aanwezigheid van een relevante blootstelling bij [appellant]. Het is dan vervolgens aan [appellant] om (nader) te stellen en te bewijzen dat, ondanks dat niet is voldaan aan de drempelwaarde van 5 OEL-jaren, zijn gezondheidsklachten toch zijn veroorzaakt door de blootstelling van gevaarlijke stoffen.


4.16 Het hof zal, gelet op wat hiervoor is overwogen, nagaan of het onderzoek van

Van Rooij en Cornelissen voldoende grond biedt voor de conclusie dat [appellant] niet aan de norm van 5 OEL-jaren voldoet.


4.17 Aan Van Rooij en Cornelissen is gevraagd om een retrospectieve beoordeling uit te voeren naar de mate van blootstelling aan oplosmiddelhoudende producten van [appellant] gedurende zijn dienstverband bij [geïntimeerde]. Bij deze beoordeling dienden de deskundigen rekening te houden met de rapportage van Smid en dienden zij als toxicologisch toezichtskader de jaargemiddelde dagblootstelling (toetsing aan de MAC-waarde) en het aantal jaren blootstelling te hanteren en dienden zij zo mogelijk gebruik te maken van referentiemateriaal c.q. maatgegevens van vergelijkbare branches voor wat betreft blootstellingsgevens indien (voldoende) concrete meetgegevens ontbreken en niet door eigen onderzoek achterhaald kunnen worden.


4.18 De conclusie van het onderzoek van Van Rooij en Cornelissen is de volgende: “De geschatte gemiddelde werkdagconcentratie oplosmiddelendampen die dhr. [appellant] tijdens zijn dienstverband bij [geïntimeerde] te [vestigingsplaats] (periode 1973-1993: in totaal 20-21 jaar) heeft ingeademd, bedraagt afgerond 10 ppm., ofwel 12% van de gesommeerde MAC-waarde.
Op basis van 10.000 simultaties is berekend dat de blootstelling van dhr. [appellant] op 95% van zijn werkdagen bij [geïntimeerde] te [vestigingsplaats] onder 16 ppm, ofwel onder 20% van de MAC-waarde heeft gelegen.”
Bij gelegenheid van het verhoor van de deskundigen heeft Van Rooij een “indicatieve berekening cumulatieve blootstelling van Dhr. [appellant] (in OEL x jaren)” overgelegd. De berekening sluit op een aantal OEL-jaren van 2,3 (gemiddeld; bij 5-percentiel 1,3 en bij 95-percentiel 4,0).


4.19 In hun rapport hebben Van Rooij en Cornelissen uiteengezet hoe zij tot deze conclusie zijn gekomen. Zij hebben eerst een beroepsanamnese vervaardigd (stap 1), waarin zij een inventarisatie hebben gemaakt van de uitgevoerde werkzaamheden, duur, gebruikte chemische producten en werkplekkenmerken gedurende het (actieve) dienstverband van [appellant] bij [geïntimeerde]. Daarbij hebben zij drie periodes onderscheiden.
Vervolgens hebben zij een schatting gemaakt van de concentratie oplosmiddelendampen bij verschillende werkzaamheden (stap 2). Zij hebben daarbij gebruik gemaakt van meetgegevens uit onderzoeken bij autospuiters, waarbij de concentratie oplosmiddelendampen wordt uitgedrukt als concentratie totaal koolwaterstoffen (in ppm) en als fractie van de MAC-waarde (in %).
Van Rooij en Cornelissen hebben ook een berekening gemaakt van de gemiddelde concentratie oplosmiddelendampen per tijdsblok als fractie van de MAC-waarde (stap 3).
Ten slotte hebben zij (stap 4) een onzekerheidsmarge vastgesteld.


4.20 In zijn rapport naar aanleiding van het rapport van Van Rooij en Cornelissen heeft Bunnik allereerst kritiek uitgeoefend op de vraagstelling aan Van Rooij en Cornelissen. De gehanteerde maat, de MAC-waarde, is in verband met CTE toxicologisch niet relevant, meent Bunnik, die aangeeft er geen dosis-effect relatie bekend is tussen de blootstelling aan oplosmiddelen en het gevaar van CTE. Het hof volgt Bunnik niet in deze kritiek op de vraagstelling aan Van Rooij en Cornelissen, en daarmee op hun rapport. Het hof stelt allereerst vast dat de gehanteerde vraagstelling ook door [appellant] is voorgesteld. Nu [appellant] de kritiek van Bunnik overneemt, levert hij kritiek op de door hemzelf voorgestelde, of in elk geval geaccordeerde, vraagstelling. Daarvan afgezien, uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen omtrent het onderzoek door Jongeneelen en Terwoert volgt dat een vaststelling van het aantal OEL-jaren, bij gebreke van andere methoden, op dit moment de meest geëigende methode is om een verband tussen blootstelling aan oplosmiddelen en CTE te onderzoeken, zeker in het kader van tegenbewijs tegen het vermoeden van de aanwezigheid van een dergelijk verband.


4.21 Bunnik heeft vervolgens betoogd dat Van Rooij en Cornelissen onvoldoende onderzoek hebben gedaan naar de feitelijke situatie op de werkplek. Van Rooij en Cornelissen baseren zich op een gesprek met [appellant] en met diens voormalige collega [X]. Het gesprek met [appellant] is onplezierig verlopen, volgens Bunnik (die zich daarbij baseert op een door [appellant] bij hem afgelegde verklaring), terwijl [X] gelet op zijn positie binnen het bedrijf niet over relevante informatie kan beschikken. Het hof is, gelet op deze kritiek, bij gelegenheid van het verhoor van Van Rooij en Cornelissen ingegaan op het horen van [appellant] en [X]. Daarover is toen het volgende verklaard:

“Gespreksverslag
Dhr. Cornelissen: Van het gesprek met de heer [appellant] hebben Van Rooij en ik aantekeningen bijgehouden. Die aantekeningen hebben we niet uitgewerkt in een gespreksverslag dat aan de heer [appellant] ter goedkeuring is voorgelegd.
Dhr. Van Rooij: Op de vraag van mr. Ruers waarom wij geen gespreksverslag hebben voorgelegd aan dhr. [appellant] antwoord ik dat dat gespreksverslag in de vorm van ons conceptrapport is voorgelegd aan mr. Ruers en daarmee aan dhr. [appellant]. Ook van het gesprek met [X] hebben wij handgeschreven aantekeningen. Die aantekeningen zijn verwerkt in het verslag. We hebben [X] geen gespreksverslag voorgelegd.
Dhr. Van Rooij en dhr. Cornelissen hebben vervolgens ter zitting hun handgeschreven aantekeningen van de interviews met dhr. [appellant] en dhr. [X] ter beschikking gesteld. Deze aantekeningen zullen aan het proces-verbaal worden gehecht.

Gesprek met [appellant]
Dhr. Van Rooij: Wij hebben ter voorbereiding op de gesprekken die wij hebben gevoerd het dossier geanalyseerd. We hebben het dossier bekeken met een arbeidshygiënische bril op. De gegevens die voor ons onderzoek van belang waren hebben we op een rij gezet en we zijn nagegaan op welke punten aanvullende informatie wenselijk was. De gesprekken waren bedoeld om die aanvullende informatie te verkrijgen. Die aanvullende informatie had vooral betrekking op de tijdsduur van de handelingen waarbij sprake kon zijn van blootstelling. Het ligt voor de hand dat we op dit punt hebben doorgevraagd, omdat het voor ons onderzoek van groot belang was om precies te weten hoeveel tijd er met die handelingen gemoeid was.
Om nog even terug te komen op de vorige vraag: over de verslaglegging. Wij hebben van de gesprekken, niet alleen van het gesprek met [appellant] maar ook van de andere gesprekken, handgeschreven aantekeningen. De aantekeningen zijn door ons uitgewerkt in het rapport. De neerslag ervan vindt u voor wat betreft de tijdsduur van de verschillende handelingen in tabel 2, 3, 5 en 6 van ons rapport.
U houdt mij bijlage 4 bij het rapport van dhr. Bunnik voor, de schriftelijke verklaring van dhr. [appellant]. Uit die verklaring volgt dat dhr. [appellant] zich onder druk gezet voelde om gedetailleerde informatie te geven over feiten die zich in een ver verleden hebben afgespeeld. Het spijt me dat dhr. [appellant] zich geërgerd heeft aan het gesprek met hem. Het is niet mijn indruk dat wij hem onder druk hebben gezet. We hebben bijvoorbeeld halverwege het gesprek een pauze ingelast. Wel hebben we in het gesprek veel aandacht besteed aan de tijd die gemoeid was met de diverse door hem verrichte handelingen. Het dossier bevatte op dat punt uiteenlopende informatie. Omdat het voor ons onderzoek essentieel is welke tijd met die handelingen gemoeid was, hebben we daarop doorgevraagd. We hebben vooral geprobeerd om een boven- en een ondergrens in beeld te krijgen. Om een voorbeeld te noemen: voor wat betreft het plamuren heeft dhr. [X] blijkend mijn aantekeningen een tijdspanne van drie tot tien minuten aangegeven. [appellant] kwam uit om twee tot vijftien minuten per object. Het gaat dan alleen om het plamuren, niet om het schuren. Dat verklaart waarom prof. Smid in zijn rapport bij het plamuren een tijdspanne van een uur vermeldt; bij hem is dat inclusief schuren en het drogen van het plamuur. Dat laatste neemt overigens niet veel tijd in beslag.
Dhr. Cornelissen: Ik vond het gesprek met [appellant] een open gesprek. Ook de dochter van dhr. [appellant] was bij het gesprek aanwezig. Ik had tijdens het gesprek niet de indruk dat [appellant] het gesprek onaangenaam vond. Ik heb daar toen geen signalen van hem of van zijn dochter van opgevangen. De gang van zaken tijdens het gesprek dat dhr. Van Rooij zich concentreerde op het stellen van de vragen en ik op de verslaglegging.
Dhr. [appellant]: Bijlage 4 bij het rapport van Bunnik is door Bunnik opgesteld naar aanleiding van een gesprek dat hij met mij heeft gehad. Ik herken mij in het verslag van dit gesprek.

Het horen van [X]
Dhr. Van Rooij: We hebben eerst een gesprek gehad met dhr. Bulthuis, de huidige directeur, maar die was in de periode waarom het hier gaat niet bij het bedrijf betrokken. We zijn toen op zoek gegaan naar iemand anders er in de bewuste periode al wel werkte en kwamen toen uit bij dhr. [X]. Dhr. [X] was weliswaar monteur, maar het was een klein bedrijf waar de mensen wel van elkaar wisten wat ze deden. Hij heeft ook hand-en-spandiensten verricht bij de werkzaamheden die aan het spuitwerk vooraf gingen en die erop volgden. Volgens ons was hij dus wel in staat om een inschatting te maken van de tijd die in de verschillende werkzaamheden was gemoeid.
Dhr. Cornelissen: Het horen van dhr. [X] was waardevol omdat hij vanuit zijn eigen ervaringen kon vertellen hoe het er in het bedrijf aan toe ging. [X] wist bijvoorbeeld wanneer de nieuwe spuitcabine was gebouwd en heeft ons op dit punt waardevolle informatie kunnen verstrekken. Ook hebben wij van hem begrepen dat hij intensief samenwerkte met [appellant], ook bij klussen die buiten werktijd werden gedaan. Ik hoor mr. Ruers zeggen dat zijn cliënt dat ontkent. Ik antwoord dat volgens mijn aantekeningen dhr. [X] heeft gezegd dat hij weleens buiten werktijd klussen met [appellant] deed. Uit het feit dat het een klein bedrijf betreft, leid ik af dat [appellant] en [X] intensief hebben samengewerkt. [X] heeft over het klussen buiten werktijd aangegeven dat het om monteurswerk ging, niet om spuitwerk.

Dhr. Van Rooij: U vraagt mij hoe wij de informatie van [appellant] en [X] hebben gewogen in ons rapport. Ik kan het beste illustreren aan de hand van de gegevens die ik net heb verstrekt over het plamuren, waar [appellant] twee tot vijftien minuten en [X] drie tot tien minuten noemde. In tabel 3 van ons rapport vindt u daar een minimum van drie en een maximum van vijftien, gemiddeld negen. We hebben dus gekozen voor een conservatieve benadering, in die zin dat we zowel bij het minimum als bij het maximum van de hoogste waarde zijn uitgegaan. Dat hebben we ook bij de andere onderdelen gedaan.
Dhr. Cornelissen: Op een vraag van mr. Ruers antwoord ik dat we er om praktische redenen ervoor hebben gekozen om dhr. [X] en niet een of meer van de andere door de kantonrechter gehoorde ex-collega’s van [appellant] te horen. Toen wij, conform onze opdracht, het bedrijf bezochten was [X] daar aanwezig. De anderen niet. Uit het dossier blijkt ook dat een aantal van de eerder geïnterviewde personen maar kort met [appellant] heeft gewerkt.”


4.22 Naar het oordeel van het hof hebben Van Rooij en Cornelissen met deze toelichting de kritiek van [appellant], dat zij onvoldoende onderzoek hebben gedaan naar de werkzaamheden, voldoende weerlegd. Van Rooij en Cornelissen hebben zich niet alleen gebaseerd op de informatie uit de gesprekken met [appellant] en [X], maar ook op de zich in het dossier bevindende verklaringen van (andere) oud collega´s van [appellant]. Hun keuze om deze collega’s niet te horen, en [X] wel, doet daaraan niet af. Uit de toelichting van Van Rooij en Cornelissen volgt bovendien dat de verklaring van [X] bij de berekening van de blootstellingsduur van de verschillende door [appellant] verrichte werkzaamheden niet van beslissende betekenis is geweest. Van Rooij en Cornelissen hebben steeds rekening gehouden met de, op basis van de verklaringen van [X] en [appellant] vast te stellen, maximale tijdsduur.


4.23 Voor zover [appellant], in navolging van Bunnik, stelt dat Van Rooij en Cornelissen zijn uitgegaan van een te gering aantal activiteiten van [appellant] op het gebied van het spuiten van auto’s en van onjuiste tijdseenheden, overweegt het hof als volgt. Van Rooij en Cornelissen hebben bij gelegenheid van hun verhoor toegelicht hoe zij het tijdsbeslag hebben berekend. In dat verband hebben zij het volgende verklaard:

“Het aantal auto’s in het rapport
Dhr. Cornelissen: In ons rapport zijn wij uitgegaan van verschillende aantallen auto’s die in de loop der tijd wekelijks werden gespoten. De informatie over die aantallen hebben wij uit eerdere rapporten, uit de overige informatie uit het dossier en uit de interviews die wij zelf gehouden hebben met [appellant] en [X].
Dhr. Van Rooij: In ons rapport hebben wij drie periodes onderscheiden. [appellant] heeft aangegeven dat in het begin sprake was van een a twee auto’s per week en aan het eind vier a vijf auto’s. [X] hield het bij geen auto in periode 1, bij een auto bij periode 2 en bij vier a vijf auto’s in periode 3. In ons rapport kunt u lezen dat wij voor periode 1 zijn uitgegaan van een a twee auto’s, in periode 2 van twee a vier auto’s en in periode 3 van vier a vijf auto’s. Ook hier hebben we een conservatieve benadering toegepast. U vindt dat terug in tabel 2 van ons rapport.
Op een vraag van mr. Ruers hoe [X] een verklaring kan afleggen over het aantal auto’s in een periode dat hij niet bij het bedrijf heeft gewerkt, antwoord ik dat ik dat ook niet precies weet. Voor ons rapport is dat ook niet zo van belang, omdat we op dit punt voornamelijk zijn uitgegaan van de verklaring van [appellant].
Het berekende tijdsbeslag van de verschillende werkzaamheden

Dhr. Van Rooij: U vraagt mij of wij de door ons berekende tijdsduur van de verschillende werkzaamheden ook hebben getoetst aan objectieve gegevens uit de branche. Ik antwoord dat ik goed bekend ben met de branche. In ons rapport wordt ook verwezen naar een onderzoeksrapport van TNO. Uit dat onderzoeksrapport is veel informatie te halen over het tijdsbeslag van de verschillende werkzaamheden. Die informatie hebben we gebruikt om te kunnen toetsen of de resultaten van ons ‘veldonderzoek’ in deze zaak plausibel waren. Dat was het geval.”
Het hof acht deze toelichting plausibel. Nu hij heeft nagelaten aan te geven van welke activiteiten, en met welk tijdsbeslag per activiteit, Van Rooij en Cornelissen hadden moeten uitgaan, heeft [appellant] zijn kritiek op het rapport van de deskundigen op dit punt onvoldoende onderbouwd. Het hof zal er dan ook aan voorbij gaan.


4.24 [appellant] heeft verder kritiek op de door Van Rooij en Cornelissen gehanteerde blootstelling per activiteit. Volgens [appellant], die zich op dit punt baseert op de rapporten van Bunnik, zijn Van Rooij en Cornelissen ten onrechte uitgegaan van meetgegevens uit een TNO-rapport over 1996-1997. Deze gegevens zouden niet representatief zijn voor de autoschadebranche en zeker niet van toepassing zijn op de primitieve omstandigheden waaronder [appellant] tot en met 1983, toen een spuitcabine werd aangeschaft, heeft moeten werken. Bovendien hebben Van Rooij en Cornelissen onvoldoende onderzocht of de door [appellant] gebruikte stoffen wel overeenkomen met de stoffen die zijn gebruikt door de bedrijven uit het onderzoek van TNO.


4.25 Van Rooij en Cornelissen hebben bij gelegenheid van hun verhoor over dit onderwerp het volgende verklaard:

“Dhr. Van Rooij: U gaat met mij naar paragraaf 5.3. van ons rapport en houdt ons de kritiek van de zijde van [appellant] op dat rapport voor, waar het betreft de waarde van de meetgegevens over 1996-1997 voor de periode 1973-1993. Ik antwoord dat de meetgegevens in het rapport over 1996-1997 betrekking hebben op verschillende bedrijven, bedrijven die vooruitstrevend zijn en die dat minder zijn. Laatstgenoemde bedrijven worden in bijlage 2 bij ons rapport, waarin de meetgegevens worden samengevat, aangeduid met een O. Wij zijn voor de blootstelling aan oplosmiddelen die [appellant] heeft ondergaan voor de laatste periode van zijn werkzaamheden uitgegaan van de gegevens van met een O aangeduide bedrijven. Voor de tweede periode hebben we de uitstoot met een factor 2 vermenigvuldigd, voor de eerste periode hebben we een factor 3 gehanteerd. U vraagt mij waar die factoren op zijn gebaseerd. Ik antwoord dat dat uiteindelijk expert judgement is. Volgens mij zijn we voor periode 1 dan ook nog aan de hoge kant uitgekomen. Er zijn geen (Nederlandse) onderzoeksgegevens bekend over de concentratie oplosmiddelendampen in desbetreffende periodes, zodat we de gegevens over 1996-1997, die dus wel bekend zijn, wel moesten extrapoleren.
Ik merk op dat dhr. [appellant] volgens onze informatie in alle periodes een spuitmasker heeft gedragen, behalve bij de kleinere klussen. We hebben dat van dhr. [appellant] zelf gehoord. Het gebruik van dat masker is wel relevant voor de daadwerkelijke blootstelling van [appellant]. De meetgegevens hebben betrekking op de concentratie in de werkatmosfeer. Die is niet gelijk aan de concentratie van de met een masker daadwerkelijk ingeademde lucht.
Huidblootstelling zorgt maar voor een beperkt deel van de inname van oplosmiddelen, maximaal 10% van datgene dat wordt ingeademd zonder masker. Wanneer je handschoenen draagt kan die 10% nog veel verder worden teruggedrongen, mits de goede handschoenen worden gebruikt en ze tijdig worden vervangen. Vanwege die beperkte bijdrage hebben we in ons rapport niet apart aandacht besteed aan de blootstelling via de huid.
Dhr. Cornelissen: We zijn uitgegaan van de meetgegevens over 1996-1997 omdat die betrekking hebben op de Nederlandse situatie en afkomstig zijn van een gerenommeerd instituut, TNO.
Op een vraag van mr. Ruers antwoord ik dat door ons niet is onderzocht welke maskers in de periode 1973-1993 bij [geïntimeerde] werden gebruikt en wat de effectiviteit van deze maskers was.
Dhr. Van Rooij: In aanvulling daarop merk ik op dat er wel onderzoek is gegaan naar de effectiviteit van ademhalingsbeschermingsmiddelen. Dat onderzoek zal dateren uit de jaren ’90. Uit dat onderzoek komt een reductie naar voren met een factor 5 tot 20, bij goed gebruik. Bij een baarddrager is de bescherming wat minder, eerder factor 5 dat factor 20.
Mr. Ruers vraagt mij naar de effectiviteit van een stofmasker en merkt ter toelichting van die vraag toe dat hij van zijn cliënt heeft begrepen dat hij de eerste periode een stofmasker heeft gebruikt. Ik antwoord dat de effectiviteit van een stofmasker ter bescherming tegen dampen gering tot nul is. Ik moet zeggen dat ik het wel een vreemd verhaal vind dat een stofmasker zou zijn gedragen bij spuitwerk. Een stofmasker draag je ter bescherming bij het schuren, tegen stof dat dan vrij komt. Een spuitcabine moet juist stofvrij zijn. Een stofmasker is weer wel effectief tegen spuitnevel, druppeltjesverf in de lucht.”

Mr. Oskam houdt ons voor wat in het rapport van prof. Smid is vermeld over de beschermingsmiddelen die door [appellant] zijn gebruikt. In (het hof leest: dat) rapport wordt melding gemaakt van een koolstofmasker en ook van een airstreamkap. Voor het koolstofmasker geldt wat ik heb verklaard over de factor 5 tot 20. Een airstreamkap leidt tot een nog betere bescherming, zeker in situaties van baardgroei.
Dhr. Cornelissen: Ter aanvulling merk ik op dat we dhr. [appellant] wel hebben gevraagd naar het gebruik van de airstreamhelm maar dat we van hem hebben begrepen dat hij deze helm wel heeft geprobeerd, maar dat dat hem niet beviel.

(…)
Wij hebben rekening gehouden met het feit dat sprake is geweest van blootstelling aan een mengsel. We hebben dat op de in de branche gebruikelijke manier gedaan, met toepassing van de zogenaamde additieregel. Op pagina vier van ons rapport vindt u dat ook verwoord onder ‘stap 2’.
Op een vraag mr. Ruers antwoord ik dat wij hebben op basis van het rapport van prof. Smid hebben nagegaan welke stoffen door [appellant] zijn gebruikt. Wij konden daaruit concluderen dat bij het bedrijf van [geïntimeerde] stoffen werden gebruikt die toen in de branche gebruikelijk waren. Om die reden was het verantwoord om voor de berekening van de blootstelling van [appellant] uit te gaan van de gegevens van TNO uit 1996-1997, voor wat betreft de bedrijven die in dat rapport met een O zijn aangeduid. Het middelengebruik bij [geïntimeerde] zal daarvan niet substantieel hebben afgeweken. In dit verband merk ik nog op dat ook na het onderzoek dat is verricht naar het ontstaan van CTE welke stof ‘CTE-potenter’ is dan andere stoffen.
Mr. Ruers vraagt mij of het juist is of in het TNO-rapport van 1996-1997 zuivere stoffen, en geen mengsels, zijn gemeten. Ik antwoord dat TNO luchtmonsters heeft geanalyseerd. Die monsters bestaan uit een mengsel van dampen en op basis van de analyse van het luchtmonster is de blootstellingsindex van het mengsel bepaald. Het gaat dan om actief koolmetingen. Daarnaast heeft TNO zogenaamde PID-metingen gedaan, waarin het totaal koolwaterstoffengehalte is bepaald en gerapporteerd. Die meting vindt plaats met behulp van een direct afmeetbaar meetapparaat.
Mr. Ruers houdt mij pagina twee van het rapport van Bunnik voor, in het bijzonder de tweede alinea onder punt vier. Hij vraagt ons om op deze passage te reageren. Ik antwoord dat dhr. Bunnik een terecht punt heeft als hij stelt dat de grenswaarden van individuele stoffen niet zijn vastgesteld met het oog op het risico voor het ontstaan van CTE. Hij gaat naar mijn mening echter te kort door de bocht wanneer hij aangeeft dat de gesommeerde waarden in verband met CTE toxicologisch niet relevant is. Uit het onderzoek naar CTE blijkt, zoals al eerder is verklaard, dat er wel consensus bestaat over de visie dat er vijf tot tien OEL-jaren moeten zijn geweest om CTE te ontwikkelen.”


4.26 Het hof is van oordeel dat Van Rooij en Cornelissen met deze toelichting de kritiek op de door hen gehanteerde blootstelling per activiteit naar behoren hebben weerlegd. Het hof laat dan nog buiten beschouwing dat bij de door de deskundigen gehanteerde blootstellingsgegevens geen rekening is gehouden met het gebruik van beschermende middelen. Over het gebruik van die middelen in de jaren tot 1983 bestaat verschil van mening tussen partijen, maar dat [appellant] vanaf 1984 tot 1993 een masker droeg, staat niet ter discussie. Met de reductie vanwege het dragen van dat masker (minimaal factor 5) is in het rapport van Van Rooij en Cornelissen, naar het hof begrijpt, geen rekening gehouden. Nu ten aanzien van de effecten van huidblootstelling geen eenduidige wetenschappelijke gegevens beschikbaar zijn, is het buiten beschouwing laten van de (mogelijke) effecten daarvan door Van Rooij en Cornelissen, anders dan [appellant] betoogt, niet onjuist. Bovendien zou het wel rekening houden met huidbesloting, gelet op hetgeen hierna onder rechtsoverweging 2.30 wordt overwogen, slechts tot een andere uitkomst leiden indien zou worden uitgegaan van een buitengewoon fors effect. Een effect van 10% van de blootstelling via de luchtwegen, overeenkomstig het rapport van Jongeneelen en Terwoert, zou in geen geval volstaan.


4.27 Dat de stoffen die door [appellant] werden gebruikt niet precies overeenkomen met de stoffen die worden vermeld in het TNO-rapport, betekent niet dat Van Rooij en Cornelissen niet van de gegevens uit dit rapport gebruik mochten maken. Zij hebben immers vastgesteld dat [appellant] steoffen heeft gebruikt die in de branche gebruikelijk waren. [appellant] heeft, ofschoon dat gelet op de door hem geuite kritiek wel op zijn weg had gelegen, nagelaten te stellen dat de door hem gebruikte stoffen veel toxischer zijn dan de stoffen waarvan sprake is in het TNO-rapport. Daarmee heeft hij zijn kritiek onvoldoende onderbouwd.


4.28 Van Rooij en Cornelissen hebben niet apart rekening gehouden met piekblootstellingen. Zij hebben dat als volgt toegelicht: “Met eventuele piekblootstellingen is rekening gehouden bij het bepalen van de tijdgemiddelde blootsteling. Ook in de Monte Carlo simulatie die door ons is toegepast is het effect van piekblootstellingen verdisconteerd. In die zin zijn piekblootstellingen verdisconteerd. Het is de vraag – de literatuur is op dit punt niet eenstemmig – of piekblootstellingen meer dan proportioneel bijdragen aan het ontstaan van CTE. In onze berekeningen hebben we er om die redenen niet apart rekening mee gehouden.
Dhr. Cornelissen: In aanvulling daarop verwijs ik naar wat er in het al genoemde rapport van Jongeneelen en Terwoert over piekblootstellingen is vermeld. U kunt dat lezen als antwoord op vraag drie in dat rapport.”


4.31 Het hof acht de keuze van Van Rooij en Cornelissen om niet apart rekening te houden met piekblootstellingen in het licht van het hiervoor aangehaalde onderzoek van Jongeneelen en Terwoert verdedigbaar. Aan de kritiek van [appellant] op deze keuze, gaat het hof dan ook voorbij.


4.32 Het hof overweegt, ten slotte, dat het Van Rooij en Cornelissen volgt in hun beslissing om bij de berekening van het aantal OEL-jaren uit te gaan van de MAC-waarden zoals die golden ten tijde van de blootstelling en niet van de huidige MAC-waarden. Van Rooij heeft deze beslissing tijdens het verhoor als volgt toegelicht:
“Dhr. Van Rooij: De MAC-waarden van enkele stoffen zijn in 1998 verlaagd. U vindt dat terug in bijlage 3 van ons rapport. Bij de berekening van de MAC-waarden van de blootstelling van [appellant] (tabel 8 van ons rapport) zijn wij uitgegaan van de MAC-waarden zoals die golden in de verschillende door ons onderscheidde perioden van blootstelling. We hebben aangesloten bij de MAC-waarden zoals die aan het eind van die periode golden. Als het gaat om de vraag of [geïntimeerde] aan haar zorgplicht heeft voldaan is de door ons gekozen benadering correct. De toen geldende MAC-waarden bepalen waaraan het bedrijf moest voldoen. Als het gaat om de vraag of [appellant] in relevante mate is blootgesteld aan oplosmiddelen, is onze benadering ook juist. Ik licht dat als volgt toe. Volgens de nieuwe inzichten wordt het risico op het ontstaan van CTE gekoppeld aan een aantal OEL-jaren. U vindt dat ook terug in het onderzoek Jongeneelen en Terwoert, waar in het arrest van hof naar wordt verwezen. Het relevante aantal OEL-jaren is gebaseerd op onderzoek naar werknemers die zijn blootgesteld aan oplosmiddelen in de jaren ’80 en ’90. In dat onderzoek is uitgegaan van de toen geldende MAC-waarden. De internationale benaming voor MAC-waarden is OEL. Op basis van de toen geldende OEL-waarden leidde het onderzoek tot de conclusie dat voor het ontstaan van CTE vijf tot tien OEL-jaren nodig waren.”


4.33 Het hof acht deze toelichting overtuigend. Voor zover [appellant] deze toelichting heeft willen bestrijden – helemaal duidelijk is dat niet -, heeft hij deze bestrijding onvoldoende onderbouwd.


4.34 De slotsom is dat het hof [appellant] niet volgt in diens kritiek op het rapport van Van Rooij en Cornelissen. Nu Van Rooij en Cornelissen uitkomen op een blootstelling van 2,3 OEL-jaren, en derhalve aanzienlijk minder dan 5 OEL-jaren, heeft [geïntimeerde] met het rapport het door hem te leveren tegenbewijs geleverd. Het hof overweegt in dit verband dat zelfs wanneer, zoals Bunnik heeft aangevoerd, Van Rooij en Cornelissen geen rekening hebben gehouden met de blootstelling ten gevolge van het plamuren en het rapport van

Van Rooij en Cornelissen daarmee wordt gecorrigeerd op basis van de stelling van Bunnik dat met het plamuren een blootstelling van 1,3 OEL-jaren is gemoeid, het aantal OEL-jaren ruimschoots minder dan 5 is.


4.35 Nu [geïntimeerde] in het door hem te leveren tegenbewijs is geslaagd, is daarmee gegeven dat [appellant], op wie de bewijslast rust van het causaal verband tussen de blootstelling en zijn gezondheidsklachten, het door hem te leveren bewijs niet heeft geleverd. [appellant] kan zich ook niet op de arbeidsrechtelijke omkeringsregel beroepen, omdat niet vaststaat dat is voldaan aan de vereisten voor toepassing van die regel. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] het door hem te leveren bewijs ook niet met de rapporten van Bunnik (in combinatie met de in het arrest van 21 mei 2008 al besproken rapporten) geleverd. Deze rapporten zijn niet gebaseerd op een onderzoek naar de mate van blootstelling. Bunnik heeft de blootstelling van [appellant] niet zelf onderzocht, maar heeft vooral kritiek geleverd op het door Van Rooij en Cornelissen verrichte onderzoek. [appellant] heeft in de memorie van grieven een algemeen bewijsaanbod gedaan. Hij heeft dat aanbod in de loop van de appelprocedure niet gespecificeerd, ook niet na het rapport van Van Rooij en Cornelissen. Indien [appellant] nog bewijs had willen leveren, heeft hij zijn bewijsaanbod onvoldoende gespecificeerd en zal het hof eraan voorbijgaan.


4.36 De conclusie is dat de vordering van [appellant] niet toewijsbaar is. De grieven falen. Het hof zal de bestreden vonnissen dan ook bekrachtigen. [appellant] zal worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep (geliquideerd salaris van de advocaat: 4 punten, tarief III), te vermeerderen met wettelijke rente, en in de nakosten, als weergegeven in het dictum. [appellant] zal tevens worden verwezen in de kosten van het deskundigenonderzoek.


5 De beslissing


Het gerechtshof:


bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;


veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, op € 248,- aan verschotten, op € 18.008,- aan voorgeschoten kosten van de deskundigen en op € 4.652,- voor geliquideerd salaris van de advocaat en op € 131,- voor nasalaris van de advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten vanaf veertien dagen na betekening van dit arrest tot de dag der algehele voldoening en met € 68,- voor nasalaris van de advocaat indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak is voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;


verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;


wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit arrest is gewezen door mr. K.E. Mollema, mr. H. de Hek en mr. A.M. Koene en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 20 augustus 2013.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots