Hof: benoemt deskundige voor dekking pakketverzekering voor garage, 7:611 BW.

Samenvatting:

Een werknemer van een garage liep als bestuurder van een autoambulance letsel op. De garage had een pakket autobedrijvenverzekering met o.a. de modules ‘Schade Inzittenden/Opzittenden’, verzekerd bedrag € 2.269,– per persoon, ‘Ongevallenverzekering inzittenden Collectief’ verzekerde som € 27.227,-, die volledig tot uitkering kwam. Het hof kan uit de stukken niet afleiden dat geen variatie mogelijk zou zijn binnen het pakket. De Hoge Raad heeft bij herhaling geoordeeld dat de omvang van de hier aan de orde zijnde verzekeringsverplichting van geval tot geval nader vastgesteld moet worden met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij in het bijzonder betekenis toekomt aan de in de betrokken tijd bestaande verzekeringsmogelijkheden. Uit een rapport van het PIV van 28 april 2009 volgt niet dat het mogelijk was voor een garage een SVI met een dekking variërend van fl.100.000,- tot fl.2.000.000,- af te sluiten. Uit onderzoek van prof. J.G.C. Kamphuisen blijkt dat voor taxichauffeurs het risico niet verzekerbaar was (Hof Den Bosch 20 september 2011 BT2751), maar dat heeft geen betrekking op garages. Of de garage de AVB-verzekering had moeten aanspreken die volgens de HR dekking biedt voor nalatigheid een behoorlijke verzekering af te sluiten staat buiten de vraag of de garage haar verplichting daartoe heeft geschonden, waarvoor onderzoek nodig is.

Instantie Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch datum uitspraak 10-02-2015 datum publicatie 12-02-2015 Zaaknummer HD 200.108.360_01 en HD 200.123.595_01
Formele relaties Na prejudiciële beslissing van : ECLI:NL:HR:2008:BG7775
Tussenuitspraak : ECLI:NL:GHSHE:2013:4188
Tussenuitspraak : ECLI:NL:GHSHE:2014:1065
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Vervolg HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG7775 Autoster/Hendriks
Verkeersongeval
Schade ex artikel 7:611 BW
Volledige schade of verzekeringsplafond
Adequate verzekering
WetsverwijzingenBurgerlijk Wetboek Boek 7 611, geldigheid: 2015-02-12
vindplaatsen Rechtspraak.nl
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.108.360/01 en HD 200.123.595/01
arrest van 10 februari 2015
in de zaak van
[automotive 2] Automotive B.V., voorheen genaamd [automotive 1] Automotive B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
appellante in principaal appel,
geïntimeerde in incidenteel appel,
advocaat: mr. P.A.J.M. Lodestijn te Plasmolen,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde in principaal appel,
appellant in incidenteel appel,
advocaat: mr. J.F. Vermeulen te Nijmegen,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 10 september 2013 en 15 april 2014 (HD 200.108.360/01) in het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Venlo, gewezen vonnis van 23 mei 2012 tussen appellante, [appellante], als eiseres en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als gedaagde,
en als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 15 april 2014 (HD 200.123.595/01) in het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond, sector burgerlijk recht, gewezen vonnis van 16 januari 2013 tussen appellante, [appellante], als gedaagde en geïntimeerde, [geïntimeerde], als eiser.
11 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
11.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
–  het tussenarrest van 15 april 2014 in HD 200.108.360/01 en HD 200.123.595/01;
–  de akte na tussenarrest van [geïntimeerde] met producties;
–  de memorie na tussenarrest van [appellante] met producties;
–  de antwoordakte van [geïntimeerde];
–  de antwoordmemorie van [appellante].
Partijen hebben arrest gevraagd.
12 De verdere beoordeling in principaal en incidenteel appel
12.1. Bij genoemd tussenarrest heeft het hof de zaak verwezen naar de rol teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over, kort gezegd, de vraag wat op 22 juli 1998 een adequate verzekering zou zijn geweest volgens de toen heersende maatschappelijke opvattingen en over de vraag of één of meer deskundige(n) benoemd moet(en) worden en welke vragen beantwoord moeten worden. Voorts heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de aard en de voorwaarden van de verzekering die [appellante] heeft afgesloten en die tot uitkering is gekomen.
12.2. Het hof zal eerst ingaan op de door [appellante] afgesloten verzekering en daarna op de vraag naar wat op 22 juli 1998 (hierna: de peil datum) een adequate verzekering zou zijn geweest.
De door [appellante] gesloten verzekering
12.3. [appellante] heeft vanwege de korte termijn waarop zij de memorie moest indienen, niet de mogelijkheid gehad om de juiste polisbladen in het geding te brengen. [geïntimeerde] heeft polisbladen van 18 juni 2003 van de door [appellante] gesloten verzekering overgelegd, bij gebreke van de polisbladen van 1998. [appellante] dient er rekening mee te houden dat zij op eventueel verlangen van een nog te benoemen deskundige alsnog de polisbladen van 1998 zal moeten verstrekken.
12.4. De op de peildatum geldende, door [appellante] voor haar onderneming afgesloten verzekering, was een autobedrijvenverzekering die werd aangeboden door Bovemij Verzekeringen (hierna: Bovemij). Volgens [appellante] was Bovemij marktleider op het gebied van garageverzekeringen en had Bovemij voor de automobielbranche een compleet verzekeringspakket samengesteld, de zogenaamde Autobedrijvenpolis. Volgens [appellante] betrof het een pakketpolis bestaande uit een aantal vaste modules waarbinnen de verzekeringnemer niet kon differentiëren. Volgens [appellante] heeft zij met het afsluiten van deze pakketpolis meer gedaan dan destijds in de automobielbranche gebruikelijk was. In dit verband is van belang dat op de peildatum de concurrentie in de autobranche hevig was, en dat geen enkele erkende Mercedes Benz dealer het aan de orde zijnde risico verzekerd had voor een bedrag van fl.1.000.000,- of fl.2.000.000,-, aldus [appellante].
12.5. Uit de polisbladen blijkt dat de verzekering uit meerdere onderdelen bestond. In dit geschil is relevant de module ‘Schade Inzittenden/Opzittenden’ waarvan het maximaal verzekerde bedrag volgens het polisblad € 2.269,– per persoon per gebeurtenis bedroeg. Volgens [appellante] was het onderdeel ‘Schade Inzittenden/Opzittenden’ vooral bedoeld om dekking te bieden tegen verlies van eigendommen van werknemers. Voorts is relevant de module ‘Ongevallenverzekering inzittenden Collectief’ waarvan de verzekerde som bij invaliditeit volgens het polisblad € 27.227,- bedroeg. Laatstgenoemd bedrag komt overeen met fl.60.000,-. Op grond van laatstgenoemde module van de pakketpolis heeft Bovemij aan [geïntimeerde] fl.60.000,- betaald, nadat Bovemij het percentage van blijvende invaliditeit had bepaald op 100%. Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] het maximale uitgekeerd heeft gekregen waarop de door [appellante] afgesloten pakketpolis recht gaf voor het verwezenlijkte risico.
12.6. Het hof kan uit de stukken niet afleiden of de stelling van [appellante], dat geen variatie mogelijk was binnen het pakket, juist is. Het hof kan uit de stukken ook niet afleiden of het onderdeel ‘Schade Inzittenden/Opzittenden’ was bedoeld om dekking te bieden tegen verlies van eigendommen van werknemers en of een hoger bedrag aan dekking mogelijk was. Het hof heeft behoefte aan nadere inlichtingen over deze onduidelijkheid. Het hof wil voorts weten of het mogelijk was om de verzekerde som van de module ‘Ongevallenverzekering inzittenden Collectief’ op een hoger bedrag te stellen. [appellante] heeft in haar antwoordmemorie gesteld dat de verzekerde som op de peildatum als een behoorlijk ruim bedrag werd beschouwd, omdat het correspondeerde met factor 3 van het jaarinkomen van [geïntimeerde]. Het hof begrijpt deze stelling niet. In de eerste plaats niet, omdat de verzekerde som kennelijk voor alle werknemers gold en uit de voorwaarden niet kan worden opgemaakt dat daarin een onderscheid werd gemaakt naar inkomen. In de tweede plaats niet, omdat het jaarinkomen van [geïntimeerde] (onbetwist) € 16.080,- was, zodat de verzekerde som aanzienlijk minder was dan drie keer het jaarinkomen. Het hof heeft behoefte aan nadere inlichtingen over de verzekerde som. Het hof zal over voornoemde punten een vraag stellen aan de te benoemen deskundige.
12.7. Het hof zal een deskundige benoemen om nader onderzoek te doen. Voor zover [appellante] met haar stelling over hetgeen gebruikelijk was in de branche heeft bedoeld dat zij slechts kan worden vergeleken met andere erkende Mercedes Benz dealers, acht het hof die kring te beperkt. Het hof is van oordeel dat bij de beantwoording van de vraag wat de maatschappelijke opvattingen waren kort voor de peil datum, dient te worden gelet op de wijze waarop andere garagebedrijven (met bedrijfsactiviteiten als die van [appellante]) verzekerd waren, ongeacht het door die bedrijven gevoerde merk.
Adequate verzekering
12.8. [geïntimeerde] heeft in zijn akte na tussenarrest (randnummer 26) aangevoerd dat het hof buiten beschouwing dient te laten of het op de peildatum voor een werkgever gebruikelijk was om een behoorlijke verzekering af te sluiten ten behoeve van werknemers, omdat daarmee de door de Hoge Raad aan werknemers geboden bescherming tegen verkeersongevallen ongedaan wordt gemaakt. Het hof begrijpt de stellingen van [geïntimeerde] dienaangaande niet. Het hof heeft in zijn tussenarrest van 15 april 2014 nog geen (voorlopige) vragen aan een deskundige geformuleerd en evenmin overwogen dat het erom gaat of het in de branche gebruikelijk was om een SVI verzekering te sluiten. De stelling van [geïntimeerde] dat het hof dat wel heeft gedaan, berust dus op een verkeerde lezing van genoemd tussenarrest. [geïntimeerde] heeft wel terecht aangevoerd dat het toetsen of het ‘gebruikelijk’ was om een behoorlijke verzekering af te sluiten, kan leiden tot een te beperkt resultaat van hetgeen de deskundige dient te onderzoeken. Heersende maatschappelijke opvattingen vallen immers niet per definitie samen met hetgeen gebruikelijk is, zoals [geïntimeerde] terecht naar voren heeft gebracht.
12.9. Voor zover [geïntimeerde] met zijn betoog over de grondslag van de verzekeringsplicht heeft bedoeld het hof te verzoeken volledig terug te komen op genoemd tussenarrest, gaat het hof aan dat verzoek voorbij. De Hoge Raad heeft bij herhaling geoordeeld dat de omvang van de hier aan de orde zijnde verzekeringsverplichting van geval tot geval nader vastgesteld moet worden met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij in het bijzonder betekenis toekomt aan de in de betrokken tijd bestaande verzekeringsmogelijkheden – waarbij mede van belang is of verzekering kon worden verkregen tegen een premie waarvan betaling in redelijkheid van de werkgever kon worden gevergd – en de heersende maatschappelijke opvattingen omtrent de vraag voor welke schade (zowel naar aard als naar omvang) een behoorlijke verzekering dekking diende te verlenen (vlg. HR 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6175 Maasman/Akzo en ECLLI:NL:HR:2008:BB4767 Kooiker/Taxicentrale Nijverdal en HR 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129 Maatzorg/Van der Graaf). Voor zover al uit het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV1295 De Onderlinge/Nationale Nederlanden) kan worden afgeleid dat de Hoge Raad niet heeft gewild dat de door de werknemer geleden schade onbetaald blijft, zoals [geïntimeerde] heeft gesteld, kan uit dat arrest ook worden afgeleid dat de Hoge Raad het niet wenselijk heeft gevonden dat de werkgever voor die schade opdraait. Hetgeen [geïntimeerde] heeft betoogd, zou er echter toe leiden dat de werkgever wel de door de werknemer geleden schade dient te vergoeden. Het hof is daarom van oordeel dat dit arrest van de Hoge Raad er niet toe kan leiden dat het hof een andere dan de hiervoor weergegeven maatstaf toepast. [geïntimeerde] ziet over het hoofd dat hij buiten de relatie staat die [appellante] heeft tot Bovemij voor zover het betreft een AVB-polis (zie verder rov. 12.17).
Schadeverzekering Inzittenden (SVI)
12.10. Volgens [geïntimeerde] had [appellante] een SVI kunnen sluiten voorafgaand aan de peildatum en zou een SVI de door hem geleden schade afdoende hebben gedekt. Onder verwijzing naar een rapport van de Stichting Personenschade Instituut van Verzekeraars (PIV) van 28 april 2009 heeft [geïntimeerde] betoogd dat en waarom dit van [appellante] verlangd had mogen worden. Samengevat heeft [geïntimeerde] gesteld dat uit het rapport van PIV volgt dat het voor [appellante] mogelijk was een SVI af te sluiten ter dekking van de schade die [geïntimeerde] lijdt ten gevolge van het hem op 22 juli 1998 overkomen verkeersongeval. [appellante] heeft zich daartegen verweerd door te stellen dat dit niet gebruikelijk was op de peil datum.
12.11. Voor zover er op grond van het als productie 3 door [geïntimeerde] overgelegde rapport van PIV vanuit moet worden gegaan dat in 1998 de mogelijkheid bestond een SVI af te sluiten voor een verzekerde som variërend van fl.100.000,- tot fl.2.000.000,-, waarmee dekking werd verleend voor de volledige schade als gevolg van letsel of overlijden alsof sprake was van een onrechtmatige daad, dan is het hof van oordeel dat dit nog niet meebrengt dat dit in redelijkheid van [appellante] gevergd kon worden. Volgens [appellante] was de SVI destijds slechts bedoeld voor particulieren. Volgens [appellante] richtte de verzekeringsbranche zich met deze polis niet op het MKB en was het destijds niet gangbaar om een SVI af te sluiten voor ondernemingen als die van haar. Het hof verwerpt het daartegen ingebrachte betoog van [geïntimeerde] dat met die stelling geen rekening hoeft te worden gehouden en dat het er slechts om gaat dat de mogelijkheid bestond een SVI af te sluiten. Zoals de Hoge Raad in zijn hiervoor genoemde arresten van 1 februari 2008 en 12 december 2008 heeft beslist, dient onder meer te worden onderzocht wat de heersende maatschappelijke opvattingen waren omtrent de vraag voor welke schade (zowel naar aard als naar omvang) een behoorlijke verzekering dekking diende te verlenen. Het hof kan [geïntimeerde] niet volgen in zijn stelling dat de heersende maatschappelijke opvattingen reeds blijken uit het enkele feit dat een adequaat verzekeringsproduct bestond op de peildatum. Het enkele bestaan van een verzekeringsproduct kan wellicht duiden op een maatschappelijke opvatting, maar leidt niet zonder meer tot de conclusie dat die opvattingen zodanig waren dat van [appellante] mocht worden verlangd dat zij als garage-onderneming een SVI had ten behoeve van haar werknemers. Bovendien blijkt uit het rapport van PIV een grote verscheidenheid in de te verzekeren som, zodat, als al aangenomen zou worden dat [appellante] een SVI had moeten afsluiten, dan nog steeds niet duidelijk is tegen welke verzekerde som zij dat had moeten doen.
12.12. [appellante] heeft wederom aangevoerd dat uit het door prof. J.G.C. Kamphuisen als deskundige uitgevoerde onderzoek in het kader van de procedures Regiotaxi en Maasman/Akzo, dient te volgen dat op de peildatum niet de gehoudenheid bestond voor [appellante] om een SVI verzekering af te sluiten. In het tussenarrest van 15 april 2014 heeft het hof reeds overwogen dat daarvan niet zonder meer in dit geding vanuit kan worden gegaan. Voor de redenen verwijst het hof kortheidshalve naar rov. 9.15 van het tussenarrest van 15 april 2014. In aanvulling daarop is het volgende redengevend.
12.13. In rov. 9.15 van het tussenarrest van 15 april 2014 is het hof er voorshands vanuit gegaan dat, anders dan in de zaak Regiotaxi, in de onderneming van [appellante] geen sprake is geweest van een situatie dat de werknemers (waaronder [geïntimeerde]) gedurende de gehele dag aan het verkeer deelnamen. In hetgeen door [appellante] daarover wordt gesteld ziet het hof een bevestiging van de juistheid van dat voorshandse oordeel. Anderzijds is het zeker niet zo dat het deelnemen aan het verkeer een uitzonderlijk onderdeel was van de door de werknemers van [appellante] te verrichten werkzaamheden, integendeel. Volgens [appellante] nemen werknemers in de automobielbranche regelmatig als bestuurder deel aan het verkeer. Het hof gaat voorbij aan de blote ontkenning daarvan door [geïntimeerde], nu [geïntimeerde] de hierna genoemde, door [appellante] gegeven voorbeelden niet heeft betwist. [appellante] heeft de volgende voorbeelden gegeven: het verzorgen van proefritten voor kandidaat-kopers, het onderzoeken van defecten aan auto’s (waarbij dus wordt gereden met een defecte auto), haal- en brengservice ten behoeve van reparatieklanten, het bieden van hulp aan gestrande automobilisten door te rijden met een dienstwagen, een auto-ambulance of een oplegger. Het hof begrijpt de stellingen van [appellante] aldus, dat nu uit het onderzoek van prof. J.G.C. Kamphuisen blijkt dat voor taxichauffeurs het risico niet verzekerbaar was, dat zeker ook heeft te gelden voor de werknemers in de automobielbranche, omdat het bestuurdersrisico moeilijk (en wellicht zelfs nog moeilijker dan in de taxibranche) verzekerbaar is. Daartoe heeft [appellante] aangevoerd dat voor al deze bestuurdersactiviteiten kenmerkend is dat de aandacht van de bestuurder meestal niet volledig is gericht op het deelnemen aan het verkeer en dat de bestuurder niet vertrouwd is met het bestuurde motorvoertuig. Het hof kan niet uitsluiten dat [appellante] die stelling terecht heeft ingenomen, maar ziet thans onvoldoende aanleiding om die stelling zonder nader onderzoek door een deskundige voor waar aan te nemen. Daarin verschillen de werkzaamheden van werknemers in de automobielbranche te veel van die van werknemers in de taxibranche. Voorts is in dit verband van belang dat [appellante] wel degelijk een SVI had afgesloten op de peildatum. Dat doet de vraag rijzen waarom de dekking beperkt was tot fl. 5.000,-, en of [appellante], juist omdat zij wel degelijk een SVI had afgesloten, geen aanleiding had moeten zien om een SVI met een hogere dekking af te sluiten.
12.14. Beide partijen stellen met een beroep op de SVI dat geen nader onderzoek nodig is. De daaraan door partijen verbonden conclusies staan evenwel lijnrecht tegenover elkaar. Volgens [geïntimeerde] was een SVI mogelijk en had deze zijn schade volledig gedekt. Volgens [appellante] was een SVI ongebruikelijk op de peildatum, zodat de vordering van [geïntimeerde] dient te worden afgewezen. Het hof kan niet op basis van de stellingen van partijen en de door hen overgelegde stukken voor het ene of het andere standpunt kiezen. Het hof heeft behoefte aan nadere inlichtingen en zal daarom een deskundige benoemen.
Aansprakelijkheidsverzekering Bedrijven (AVB)
12.1.5 [geïntimeerde] heeft onder verwijzing naar de polisbladen gesteld dat op de peildatum de maatschappelijke opvatting aldus was, dat veelal een AVB werd afgesloten met een dekking voor personenschade tot een bedrag van ruim € 2.000.000,-. [geïntimeerde] lijkt die maatschappelijke opvatting wederom af te leiden uit het enkele bestaan van het verzekeringsproduct. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor reeds daarover is overwogen. De door [geïntimeerde] overgelegde polisbladen dateren van 2003. De stelling van [geïntimeerde] dat in 1998 een vergelijkbare maximale som zal hebben gegolden, faalt. Het tijdsverloop acht het hof te groot om zonder meer die conclusie te kunnen trekken. Bovendien biedt deze module, met een verzekerde som van € 2.268.902,- geen dekking tegen het verwezenlijkte risico.
12.16. [geïntimeerde] heeft onder verwijzing naar HR 30 maart 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV1295 De Onderlinge/Nationale Nederlanden) gesteld dat [appellante] Bovemij had moeten aanspreken tot betaling uit hoofde van de AVB. [appellante] heeft aangevoerd dat zij dat heeft gedaan, maar dat Bovemij uitkering heeft geweigerd omdat de verzekering geen dekking bood. In rov. 9.17 van genoemd tussenarrest heeft het hof hierover overwogen dat de beslissing over dit geschilpunt wordt aangehouden in afwachting van nadere gegevens over de door [appellante] gesloten verzekering.
12.17. Het hof verwerpt de stelling van [geïntimeerde]. In dit geschil is immers slechts relevant of [appellante] haar verplichting heeft geschonden om een adequate verzekering te sluiten. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat [appellante] die verplichting heeft geschonden, dan heeft de eventuele mogelijkheid van [appellante] om Bovemij aan te spreken op grond van de AVB slechts tot gevolg dat [appellante] eventueel regres heeft op Bovemij voor hetgeen zij aan [geïntimeerde] dient te betalen. Of [appellante] Bovemij al dan niet wenst aan te spreken met een beroep op De Onderlinge/Nationale Nederlanden, is een uitsluitend aan [appellante] voorbehouden beslissing. [geïntimeerde] staat buiten die relatie. De keuze van [appellante] om dat al dan niet te doen (zo dit al een keuze zou zijn), is niet relevant voor het antwoord op de vraag of [appellante] haar verplichting heeft geschonden om een adequate verzekering te sluiten.
Wettelijke aansprakelijkheid Motorvoertuigen (WAM)
12.18. Volgens de polisbladen van 2003 had [appellante] een WAM verzekering voor een maximum van € 2.268.902,-. [geïntimeerde] heeft niet gesteld dat hij een uitkering uit hoofde van de WAM had kunnen krijgen. Het hof begrijpt dat dit niet mogelijk is geweest vanwege het niet gedekt zijn van aansprakelijkheid voor schade toegebracht aan de bestuurder van het motorrijtuig dat het ongeval heeft veroorzaakt. Het hof begrijpt dat [geïntimeerde] slechts heeft verwezen naar de WAM om aan te geven dat een verzekerd bedrag van ruim € 2.000.000,- niet uitzonderlijk was. Het hof zal de deskundige vragen stellen over het maximaal te verzekeren bedrag, kort voor de peil datum, maar die vraag zal worden gesteld in het kader van de modules ‘Schade Inzittenden/Opzittenden’ en ‘Ongevallenverzekering inzittenden Collectief’, en meer in het algemeen in het kader van een SVI. Vanwege de uitsluiting van de chauffeur van het motorrijtuig, hoeft de deskundige geen nader onderzoek te verrichten naar de WAM.
Ongevallenverzekering Inzittenden (OVI) en Algemene Collectieve Ongevallenverzekering (OV)
12.19. [geïntimeerde] heeft gesteld dat [appellante] een OVI heeft afgesloten die heeft geleid tot een uitkering van fl.60.000,-, dat [appellante] deze tot een hogere verzekerde som had moeten afsluiten en voorts dat [appellante] een OV had moeten afsluiten.
12.20. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] hier enkele zaken dubbel heeft benoemd. Zoals in rov. 12.5 al is overwogen had [appellante] een pakketpolis waarvan onderdeel waren de modules ‘Schade Inzittenden/Opzittenden’ met een verzekerde som van € 2.269,– en ‘Ongevallenverzekering inzittenden Collectief’ met een verzekerde som van € 27.227,-. Het hof begrijpt dat [geïntimeerde] met de module ‘Schade Inzittenden/Opzittenden’ hetzelfde heeft bedoeld als een OVI en dat hij met de module ‘Ongevallenverzekering inzittenden Collectief’ hetzelfde heeft bedoeld als een OV. Het hof is voornemens over beide modules vragen te stellen (zie rov. 12.6 en rov. 12.25). De door [geïntimeerde] als productie 7 in het geding gebrachte informatie over een collectieve ongevallenverzekering heeft betrekking op de huidige mogelijkheden om zo’n verzekering af te sluiten en zegt dus niets over de situatie op de peildatum. Het hof acht deze stukken daarom niet relevant.
12.21. In aanvulling daarop overweegt het hof het volgende. Bij genoemd tussenarrest heeft het hof reeds overwogen dat onderzocht dient te worden of sprake was van een cao die eventueel regelingen of verplichtingen kende ten aanzien van de verzekering van werknemers in de branche. Volgens [appellante] was in de cao (het hof begrijpt: de cao voor het Motorvoertuigenbedrijf en Tweewielerbedrijf) die van toepassing was in de periode 1 januari 1997 tot 28 februari 1999 niets opgenomen over zo’n verplichting.
12.22. Het hof constateert dat in de cao, die algemeen verbindend was op de peildatum, wel degelijk relevante bepalingen waren opgenomen. Het hof wijst op de volgende bepalingen:
“Artikel 8
Veiligheid
1. De werkgever zal die maatregelen nemen welke nodig zijn voor de veiligheid in zijn onderneming, zulks met inachtneming van de wettelijke voorschriften.
2. De werknemer kan niet worden verplicht tot het verrichten van werkzaamheden waarbij aan de wettelijke voorschriften omtrent veiligheid niet is voldaan.
3. Indien werkzaamheden het gebruik van veiligheidsmiddelen noodzakelijk maken, zal de werkgever deze aan de werknemer verstrekken.
4. De werknemer is verplicht eigen veiligheid en die van anderen in acht te nemen, door de werkgever gegeven voorschriften op te volgen, veiligheidsmiddelen te gebruiken en voorgeschreven beveiligingen toe te passen.
Aantekening:
Voor een wat meer uitvoerige toelichting op het in dit artikel genoemde
onderwerp wordt verwezen naar bijlage 1.
BIJLAGE 1
VEILIGHEID
Zie artikel 8 CAO
1. De veiligheid in de onderneming is een zeer belangrijke zaak, waartoe zowel op de werkgever als op de werknemer verplichtingen rusten.
Veel van deze verplichtingen vloeien voort uit wettelijke voorschriften, terwijl andere verplichtingen worden ingegeven door de zorgvuldigheid die een ieder in acht heeft te nemen t.o.v. het leven en goed van een ander.
2. De werkgever heeft de verplichting de lokaliteiten waarin wordt gewerkt alsmede het gereedschap en de machinerieën waarmee wordt gewerkt zodanig te doen zijn dat er redelijkerwijs, in verband met de aard van het werk, een voldoende bescherming bestaat voor de werknemer tegen ongevallen en gezondheidsschade. (…)
3. Anderzijds heeft de werknemer de verplichting van de aanwijzingen en instructies van de werkgever kennis te nemen en deze op te volgen en de door de werkgever ter beschikking gestelde beschuttingsmiddelen te gebruiken. (…)
4. Duidelijk verschillen de omstandigheden van bedrijf tot bedrijf. (…)
Zo kunnen zich in een onderneming werkzaamheden voordoen met een uitzonderlijk hoog
ongevallenrisico, waartegen niet altijd afdoende veiligheidsmaatregelen te treffen zijn, in welk geval alsdan gedacht zou kunnen worden aan het afsluiten van een extra ongevallenverzekering ten behoeve van de werknemer en/of personen voor wie hij kostwinner is.” [onderstreping hof].
12.23. Het hof is van oordeel dat de deskundige hiermee rekening dient te houden bij de beantwoording van de hierna te formuleren vragen.
Deskundigenbericht
12.24. Uit het voorgaande volgt dat het hof aanleiding ziet een deskundige te benoemen.
[geïntimeerde] heeft voorgesteld (iemand van) PIV als deskundige te benoemen. Nu [appellante] daar gemotiveerd bezwaar tegen heeft gemaakt, ziet het hof geen aanleiding om iemand van PIV als deskundige te benoemen. [appellante] heeft voorgesteld prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde als deskundige te benoemen, waartegen [geïntimeerde] geen bezwaar heeft geuit. Prof. mr. N. van Tiggele-van der Velde bleek echter niet beschikbaar te zijn. Het hof zal zelf tot benoeming van een deskundige overgaan. Het hof zal mr. dr. W.C.T. Weterings als deskundige benoemen. Het hof zal tot benoeming van deze deskundige overgaan, nadat partijen in de gelegenheid zijn geweest zich uit te laten over de aan de deskundige te stellen vragen.
12.25. Het hof is voornemens aan de te benoemen deskundige de volgende vragen voor te leggen:
i. i) Had [appellante] de mogelijkheid variatie aan te brengen in de modules van de pakketpolis die zij bij Bovemij had afgesloten en zo ja, welke?
ii) Zou het mogelijk zijn geweest om een verzekering af te sluiten specifiek voor het rijden met een auto-ambulance? Zo ja, wat voor soort verzekering zou dat dan zijn geweest en wat zou dan de verzekerde som/het verzekerde bedrag zijn geweest? Wat zouden de voorwaarden zijn geweest?
iii) Was de module ‘Schade Inzittenden/Opzittenden’ van de door [appellante] bij Bovemij afgesloten pakketpolis slechts bedoeld om dekking te bieden tegen verlies van eigendommen van werknemers, en zo nee, was het in dat geval mogelijk om de verzekerde som/ het verzekerde bedrag op een hoger bedrag te stellen?
iv) Was het mogelijk om de verzekerde som van de module ‘Ongevallenverzekering inzittenden Collectief’ van de door [appellante] bij Bovemij afgesloten pakketpolis op een hoger bedrag te stellen?
v) Wilt u in uw beantwoording van de vorige vraag aandacht besteden aan de wijze waarop de verzekerde som werd vastgesteld? Werd aansluiting gezocht bij een factor van het jaarinkomen van één of meer werknemers? Hoe werd rekening gehouden met verschillende jaarinkomens van de diverse werknemers?
vi) Was het voor [appellante] mogelijk een SVI af te sluiten voor haar werknemers? Zo ja, tegen welke voorwaarden en tegen welke verzekerde som/welk verzekerd bedrag?
vii) Als het antwoord op één van de vorige vragen tot gevolg heeft dat een andere, voor [geïntimeerde] gunstigere, verzekering mogelijk was geweest, kunt u dan aangeven welk bedrag in dat geval naar alle waarschijnlijkheid (maximaal) aan [geïntimeerde] was uitgekeerd? Zouden daaraan voorwaarden verbonden zijn geweest? Welke premie had [appellante] daarvoor moeten betalen?
viii) Hebben bij de cao aangesloten werkgevers uitvoering gegeven aan de hiervoor onder rov. 12.22 weergegeven bepalingen? Zo ja, op welke wijze? Hebben de werkgeversorganisaties of vakbonden die de cao hebben gesloten adviezen of richtlijnen gegeven of aanbevelingen gedaan over hetgeen in die bepalingen is vermeld? Zijn er verzekeringsmaatschappijen geweest die met het oog op die bepalingen producten hebben aangeboden? Zo ja, kunt u dan aangeven wat de aard was van die producten, de voorwaarden, het verzekerde bedrag en de hoogte van de premie? Zijn er producten aangeboden die in het bijzonder zien op risico’s voor werknemers in de automobielbranche?
ix) Heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neemt?
De deskundige dient bij de beantwoording van alle hiervoor geformuleerde vragen antwoord te geven naar de stand van zaken kort voor de peil datum (22 juli 1998). Voorts dient de deskundige bij de beantwoording van de vragen aan te geven wat de maatschappelijke opvattingen waren over de vraag voor welke schade (zowel naar aard als naar omvang) een behoorlijke verzekering dekking diende te verlenen in relatie tot het betreffende verzekeringsproduct, binnen het MKB en meer specifiek binnen de hier aan de orde zijnde branche, dat wil zeggen, de automobielbranche, waaronder wordt verstaan: garagebedrijven in Nederland, ongeacht in welk automerk werd gehandeld.
12.26. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld om zich (tegelijkertijd) bij akte uit te laten over de voorgestelde vragen. Daarna zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld om (eveneens tegelijkertijd) op elkaars akte te reageren bij antwoordakte.
12.27. Het deskundigenbericht dient ter beoordeling van het geschil in zowel de verklaringsprocedure als de schadestaatprocedure. In de verklaringsprocedure is [appellante] de eisende partij, in de schadestaatprocedure is [geïntimeerde] de eisende partij. Het hof is om die reden voornemens het voorschot op de kosten van de deskundige voorshands ten laste van beide partijen te brengen, ieder voor de helft.
12.28. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.
13 De uitspraak
Het hof:
in de verklaringsprocedure en de schadestaatprocedure:
verwijst de zaak naar de rol van 10 maart 2015 voor akte na tussenarrest aan beide zijden met de hiervoor in rov. 12.26 vermelde doeleinden, waarna partijen in de gelegenheid worden gesteld hierop bij antwoordakte te reageren;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, M. van Ham en Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 februari 2015.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey