Het beste paard struikelt wel eens. Over schade, veroorzaakt door paarden

Samenvatting:

“Het beste paard struikelt wel eens” of “Wie de teugel slap laat hangen, kan met een mak paard nog op hol raken”. Er zijn tal van spreekwoorden die zien op het gedrag van een paard. En dat is niets voor niets. Paarden kunnen soms gedrag vertonen dat niet wenselijk is. Het zijn immers dieren. Dit kan leiden tot ernstig letsel bij de ruiter of een omstander. Dit ongewenste gedrag kan zich in allerlei situaties voordoen, zoals tijdens het bestijgen van een paard, terwijl het paard naar een weiland wordt gebracht of tijdens het berijden van een paard. Jaarlijks belanden 9900 ruiters en amazones op de spoedeisende hulp na een val van een paard. Hiervan lopen 70 personen zelfs ernstig hersenletsel op.[1] Met zoveel schadegevallen lijkt het ons goed om art. 6:179 BW te belichten. De benadeelde ruiter heeft immers met art. 6:179 BW een sterke grondslag om zijn schade af te wentelen op de bezitter van het betreffende paard. In dit artikel zal de grondslag van art. 6:179 BW worden besproken en zal worden beschreven wanneer er sprake is van “eigen energie” van het paard. Daarna wordt aan de hand van de jurisprudentie de vraag beantwoord of de schadevergoedingsverplichting geheel of gedeeltelijk kan komen te vervallen door de toepasselijkheid van eigen schuld zoals opgenomen art. 6:101 BW en toepassing van de billijkheidscorrectie. Enkele concluderende opmerkingen naar aanleiding daarvan sluiten deze uiteenzetting af.

Grondslag van art. 6:179 BW

In hoeverre is de bezitter van het paard aansprakelijk voor de schade die door een paard is veroorzaakt? In veel gevallen zal de bezitter van een paard een manege zijn die wordt aangesproken voor het letsel dat is ontstaan tijdens of voorafgaand aan een paardrijles. De grondslag voor de aansprakelijkheid is opgenomen in art. 6:179 BW.

In de parlementaire geschiedenis wordt gewezen op de omvang van de aansprakelijkheid voor dieren.[2] In het dier schuilt een gevaar en dat kan worden verklaard door de ‘eigen energie van het dier’ dat een ‘onberekenbaar element’ bevat. Als dat gevaar zich verwezenlijkt, dan is krachtens de aansprakelijkheidsregel van art. 6:179 BW de bezitter van het dier aansprakelijk voor de schade die is ontstaan. Sinds het Stierkalf-arrest rust op de bezitter van het dier een risicoaansprakelijkheid.[3] Een bezitter kan zich niet van aansprakelijkheid bevrijden door te stellen en te bewijzen dat hem ten aanzien van de schade geen enkel verwijt valt te maken. Een bezitter van een dier is echter niet aansprakelijk, indien aansprakelijkheid krachtens art. 6:162 BW zou hebben ontbroken, indien de bezitter de gedragingen van het dier in zijn macht zou hebben gehad en dus bewust zou hebben toegelaten. Dit wordt ook wel aangeduid als de tenzij-regel. Een voorbeeld uit de jurisprudentie van deze regel bij ongevallen met paarden is ons niet bekend en zal zich naar alle waarschijnlijk niet snel voordoen. Ter verduidelijking van deze regel zal daarom enkel worden gewezen op een voorbeeld uit de rechtspraak waarbij een politiehond, zonder dat de hond daartoe een commando had gekregen van de hondenbegeleider, benadeelde in zijn arm had gebeten. Een beroep op de tenzij-formule werd gehonoreerd, aangezien de omstandigheden erop wezen dat benadeelde de hondenbegeleider wilde aanvallen. De hondenbegeleider had in dat geval de politiehond ook opdracht mogen geven om benadeelde in zijn arm te bijten. De tenzij-clausule ging in deze situatie dus op.[4]

Is er evenwel sprake van een bedrijfsmatig gebruiker in de zin van art. 6:181 BW, dan geldt dat uitsluitend de bedrijfsmatig gebruiker aansprakelijk gehouden kan worden. Art. 6:181 BW kanaliseert (of concentreert) de aansprakelijkheid bij de bedrijfsmatig gebruiker, zodat op de bezitter in die hoedanigheid geen aansprakelijkheid rust op grond van art. 6:179 BW.[5] Op deze plek kan niet uitvoerig worden ingegaan op alle aspecten van dit artikel. Wanneer sprake is van bedrijfsmatig gebruik is niet altijd eenvoudig te bepalen. De vraag of een gebruiker profijt trekt is een belangrijk aspect bij de beoordeling of sprake is van bedrijfsmatig gebruik.[6] Verder merken wij op dat het enkele stallen van een dier normaliter niet te gelden heeft als bedrijfsmatig gebruik.[7] Opfokken en beleren (tegen vergoeding) zal waarschijnlijk wel als bedrijfsmatig gebruik aangemerkt kunnen worden.[8] 

Vereiste voor aansprakelijkheid: eigen energie van het paard

In de jurisprudentie zijn tal van voorbeelden te vinden waarin de eigen energie en het onberekenbare element dat daarin ligt besloten een rol speelt. In sommige kwesties is het op het oog duidelijk dat de eigen energie van het dier een rol heeft gespeeld zonder voorafgaand handelen van de ruiter of van een ander, zoals bij een paard dat plotseling met zijn been naar achter schopt[9] of een paard dat op onverklaarbare wijze op hol is geslagen.[10] Andere situaties waarin er sprake is van de eigen energie van het paard is de situatie waarin het paard struikelt [11] of een paard dat schrikt van een startende tractor en letsel veroorzaakt.[12] Aldus gaat het in deze gevallen om gedragingen waarin het gedrag van het paard niet door een mens is gestuurd. Het is in die zin ‘natuurlijk en onvoorspelbaar gedrag’ van het paard en de daardoor ontstane schade wordt aangemerkt als ‘door het dier aangericht’. Tussen een bezitter en benadeelde bestaat in dit soort gevallen vaak ook geen discussie over de ‘eigen energie’ van het dier en de aansprakelijkheid van de bezitter.

Niet in alle gevallen is de bezitter van een paard ook aansprakelijk voor de schade die ontstaat waarbij een paard is betrokken. In de eerste plaats is de aansprakelijkheidsregel van art. 6:179 BW niet van toepassing als het lichaam van het paard slechts object is van krachten die van buiten komen, zonder dat de eigen energie van het paard als levend wezen een rol heeft gespeeld. Gedacht kan worden aan de situatie waarin het dier door een mens op de weg wordt geslingerd of de situatie waarin het dier is besmet met een besmettelijke ziekte die, anders dan door zijn eigen gedragingen, op een ander dier of mens wordt overgebracht.[13] In de tweede plaats is de bezitter van het paard niet aansprakelijk in de situatie waarin het paard als “instrument handelt van de persoon, die hem berijdt of leidt”. Een recente uitspraak, en naar ons weten de enige gepubliceerde uitspraak bij ongevallen met paarden, waarin geoordeeld werd dat een pony als instrument handelde, is de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland.[14] In deze casus was een amazone voornemens om met haar pony over een dubbele opgestelde hindernis te springen. De pony kreeg echter onvoldoende aansturing en kwam vervolgens, vrij abrupt, tot stilstand voor de tweede hindernis. Hierdoor viel de amazone voorover van de pony, met haar hoofd op de hindernis.

De rechtbank oordeelde dat de amazone wilde dat de pony over de hindernis zou springen. Aangezien een pony over het algemeen niet uit zichzelf over een hindernis zal springen, heeft het nadere aansturing nodig en is de pony doorlopend afhankelijk van de instructie van de amazone, aldus de rechtbank. Bij de uitvoering van een dergelijke, bijzondere, verrichting handelt de pony als het ware als instrument van de amazone, een berijder die op haar beurt het instrument bespeelt. Tot slot dient over deze casus te worden opgemerkt dat het gedrag van de pony niet te beschouwen was als een onberekenbaar gevolg van de eigen energie van de pony, maar door de onvoldoende aansturing van de amazone te beschouwen was als een te verwachten gedraging.

In veel aansprakelijkheidskwesties speelt tussen partijen met name de discussie of de schade is veroorzaakt door de desbetreffende ruiter of dat de schade is veroorzaakt door de eigen energie van het paard. Voor aansprakelijkheid is enkel causaal verband – in die zin dat zonder het paard er geen schade zou zijn ontstaan – onvoldoende.[15] In de literatuur rijst de vraag hoe ruim de grondslag in art. 6:179 BW moet worden uitgelegd naar aanleiding van de rechtspraak van de Hoge Raad in het arrest Zeug geel-113 en het arrest Zengerle/Blezer.[16] Hierin wordt namelijk het ‘onberekenbare element’ – volgens de literatuur – niet als vereiste aangemerkt voor toepassing van aansprakelijkheid op grond van art. 6:179 BW. In de literatuur wordt kort gezegd een ruimere uitleg van art. 6:179 BW bepleit, omdat – zo stelt Nieuwenhuis – voorkomen moet worden dat bij elk geschil discussie bestaat over de vraag of de schade het gevolg is van een onberekenbaar element in de eigen energie van het dier.[17] Ook A-G Asser staat, in zijn conclusie bij NJ 1990/365, p. 1404, een ruime uitleg van art. 6:179 BW voor, waarbij hij het niet van belang acht of de handeling van het dier wel of niet was te verwachten. Onzes inziens dient art. 6:179 BW niet ruim te worden uitgelegd zoals dat in de literatuur wordt gedaan. Noch de jurisprudentie noch de parlementaire geschiedenis biedt hiervoor aanleiding. Blijkens het arrest van Zengerle/Blezer is het onberekenbare element een voorwaarde voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:179 BW. Wij vinden het voor de beoordeling van de onberekenbaarheid wel van belang of de handeling van het paard was te verwachten of niet. Een ruime uitleg van art. 6:179 BW zou de parlementaire geschiedenis uit het oog verliezen. Daarin wordt door de woorden “dit vereiste” immers duidelijk aangegeven dat het dient te gaan om de eigen energie van het dier dat een onberekenbaar element bevat.

Vermindering van de vergoedingsplicht op grond van eigen schuld (art. 6:101 BW)

Staat de aansprakelijkheid van de bezitter op grond van art. 6:179 BW vast, dan dient zich de vraag aan of de schadevergoedingsplicht verminderd dient te worden omdat de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die toe te rekenen is aan de benadeelde. Bestijgt een ruiter immers niet vrijwillig een paard en kan een eventuele val niet aan die vrije keuze worden geweten? De vraag zou zelfs opgeworpen kunnen worden of met het bestijgen van het paard een ruiter niet het risico aanvaardt om afgeworpen te worden. Inmiddels is door de Hoge Raad echter duidelijk gemaakt dat risicoaanvaarding niet past in ons rechtssysteem.[18] Een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem bevestigde dit voor het specifieke geval waarin een ruiter van een paard wordt geworpen dat hij vrijwillig bereed.[19] Er is ook geen behoefte aan risicoaanvaarding nu een beroep op art. 6:101 BW mogelijk is.

Art. 6:101 BW ziet op de situatie waarin omstandigheden aan de zijde van de benadeelde hebben bijgedragen aan het ontstaan van schade. Het artikel is ook van toepassing als een benadeelde de omvang van de schade vergroot (bijvoorbeeld een ruiter die zijn cap niet droeg of een automobilist die zijn gordel niet om had). Daarop wordt hieronder niet verder ingegaan. Bij de toepassing van art. 6:101 BW wordt niet enkel gekeken of de benadeelde zich anders heeft gedragen dan een redelijk mens in dezelfde omstandigheden zou doen. Het artikel is ook van toepassing wanneer schade mede het gevolg is van omstandigheden die voor risico van de benadeelde komen en aan hem kunnen worden toegerekend.[20] Er zijn vervolgens geen aanwijzingen te vinden in de wetsgeschiedenis dat art. 6:101 BW terughoudend moet worden toegepast bij schades die door dieren zijn veroorzaakt.[21]

Toepassing van art. 6:101 BW in de rechtspraak

Hoe wordt art. 6:101 BW toegepast in de rechtspraak? Als antwoord op die vraag dient de aandacht gevestigd te worden op een instructief arrest van de Hoge Raad uit 2002, bekend onder de naam Bunink/ Manege Nieuw Amstelland.[22] De feiten lagen als volgt: benadeelde reed op een paard van de manege tijdens een door de manege georganiseerde buitenrit. Op enige moment schrok het paard en werd benadeelde afgeworpen met letsel tot gevolg. De Hoge Raad overweegt: “of en zo ja in hoeverre […] sprake is van een omstandigheid die in de risicosfeer van de berijder ligt en daarom aan hem moet worden toegerekend, hangt af van de inhoud van de overeenkomst en de overige omstandigheden van het geval. […] Een en ander is niet anders indien het paard door de eigenaar aan de berijder ter beschikking is gesteld in het kader van een door of onder verantwoordelijkheid van de eigenaar gegeven paardrijles. Wel zal in die situatie in gevallen waarin, zoals hier, ervan moet worden uitgegaan dat noch aan de benadeelde noch aan de eigenaar enige onzorgvuldigheid te verwijten is, uit aard en strekking van de overeenkomst in de regel voortvloeien dat het onberekenbare gedrag van het paard, dat immers in het kader van deze overeenkomst niet onverwacht is, in zoverre voor risico van de berijder is en aan hem moet worden toegerekend, dat de schade deels voor zijn rekening moet blijven. Het is echter afhankelijk van de inhoud van de overeenkomst en de verdere omstandigheden van het geval in hoeverre de vergoedingsplicht van de eigenaar dan moet worden verminderd door de schade over beide partijen te verdelen.”

Een rechtsverhouding tussen benadeelde en bezitter van een paard kan er dus toe leiden dat een deel van de schade voor rekening van benadeelde dient te blijven. Dit geldt met name voor de situatie, waarin partijen over en weer geen verwijt van onzorgvuldigheid valt te maken. Uit de aard en strekking van de overeenkomst kan volgen dat het onberekenbare gedrag van het dier, dat in het kader van de overeenkomst dus niet onverwacht is, deels voor risico van de berijder moet blijven. De inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval zijn bepalend voor de vraag of en in hoeverre de schadevergoedingsplicht moet worden verminderd. Uit het arrest volgt niet dat in beginsel telkens een 50/50 verdeling plaats dient te hebben.[23] Wel geeft de causale verdeling in de regel aanleiding voor deze verhouding in dergelijke gevallen.[24] De causale verdeling en eventuele billijkheidscorrectie samen leveren uiteindelijk de toe te passen verdeling op in een concreet geval.[25]

Uit eerdere rechtspraak volgde al een vergelijkbare benadering. Het Hof Arnhem bepaalde in 2000 al dat bij de toepassing van art. 6:101 BW als omstandigheid aan de zijde van de berijder van een paard heeft te gelden dat hij het paard vrijwillig is gaan berijden.[26] De schade die de berijder vervolgens zelf moet dragen, werd naar evenredigheid vastgesteld. In die uitspraak werd expliciet verwezen naar een uitspraak van het Hof Leeuwarden uit 1982.[27] Daarin werd aangenomen dat bij toepassing van eigen schuld in het kader van art. 1404 oud BW het vrijwillig nemen van paardrijles als omstandigheid in de risicosfeer van de benadeelde heeft te gelden. De huidige rechtspraak hanteert de formulering van Bunink/ Manege Nieuw Amstelland inmiddels expliciet als vaste norm.[28] Voorbeelden uit die rechtspraak bieden handvatten om art. 6:101 BW in concrete gevallen toe te passen. Daarop wordt hieronder nader ingegaan.

In de jurisprudentie wordt veelvuldig opgemerkt dat paardrijden een activiteit is waaraan risico`s kleven. Aan het berijden van een paard is het risico van schade verbonden vanwege het gevaar dat in de eigen energie van het dier schuilt.[29] De leeftijd en ervaring van de ruiter spelen een belangrijke rol bij de vaststelling van het schadevergoedingspercentage. In een uitspraak van de Rechtbank Gelderland werd een zeer ervaren ruiter die Nederlands kampioen in haar klasse was tijdens een proefrit door een pony afgeworpen. In dit verband werd geen paardrijles gegeven maar werd de pony ter beschikking gesteld aan de benadeelde voor een proefrit. De Rechtbank overwoog dat strikt genomen niet een situatie als in het arrest Bunink/ Manege Nieuw Amstelland aan de orde was. Maar, gezien de ervaring van benadeelde, wordt deze geacht op de hoogte te zijn van de risico’s die verbonden zijn aan het rijden op een onervaren jonge pony. Deze omstandigheid rechtvaardigde dat het onberekenbare gedrag, dat dus niet onverwacht was, in zoverre voor risico van benadeelde komt en aan haar kan worden toegerekend dat de schade deels (i.c. voor 33%) voor haar rekening moest blijven.[30] Een ervaren ruiter weet dat rustige paarden soms onberekenbaar gedrag vertonen.[31] In een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem werd zelfs in het kader van de billijkheidscorrectie geoordeeld dat de schade volledig voor eigen rekening moest blijven van een zeer ervaren ruiter die door steigeren van een geleend paard ten val kwam.[32] Ervaren ruiters weten dat er bij het paardrijden altijd de mogelijkheid bestaat dat de ruiter plotseling van het paard wordt geworpen, ook in het geval van een rustig en betrouwbaar dier. De benadeelde zou in dat geval niets zijn overkomen waarmee ze geen rekening hoefde te houden. Mogelijk speelt bij deze beoordeling een rol dat dit een regresactie van het toenmalige ziekenfonds betrof.

Omgekeerd geldt dat de jeugdigheid en onervarenheid van de ruiter in het kader van de billijkheidscorrectie in het voordeel van de benadeelde kan werken. In de uitspraak van Rechtbank Rotterdam uit 2009 werd uitdrukkelijk de jonge leeftijd (13 jaar) van benadeelde ten tijde van het voorval als factor meegewogen bij de toepassing van de billijkheidscorrectie.[33]  In een uitspraak van de Rechtbank Den Haag liep een zeer jonge ruiter (7 jaar) letsel op doordat het paard dat door een ander werd begeleid naar achter trapte en hem raakte.[34] Onder verwijzing naar het arrest Lars Ruröde[35] oordeelde de Rechtbank dat de benadeelde een beperkt inzicht had in de ernst van het gevaar dat schuilt in de eigen energie van paarden. Hierdoor moet de toepassing van de billijkheidscorrectie ertoe leiden dat de schade volledig vergoed dient te worden.[36] Het feit dat een benadeelde een gevorderde leeftijd heeft, waardoor de kans op ongevallen met een ernstiger gevolg groter is, moet weer als een omstandigheid worden gezien die voor risico van de benadeelde komt.[37] Het feit dat een benadeelde gehandicapt was ten tijde van een ongeval en daardoor een zekere mate van rijvaardigheid mist, is een factor ten voordele van de benadeelde bij toepassing van de billijkheidscorrectie.[38]

De vraag of een van beide partijen onzorgvuldigheid kan worden verweten ten aanzien van de veroorzaking van het ongeval wordt regelmatig gesteld. Vindt een ongeval plaats tijdens een paardrijles, dan wordt onderzocht of de begeleiding adequaat was en juiste instructies werden gegeven.[39] Een andere vraag die gesteld kan worden is of naar verhouding het juiste paard toegewezen is aan de berijder, gelet op diens ervaring en leeftijd.[40] In een recente uitspraak van de Rechtbank Gelderland[41] werd opgemerkt dat de schadevergoedingsplicht in causale zin met 50% wordt verminderd als het berijden van een paard zonder toestemming gebeurt, de berijder de gevaren van het rijden op een al dan niet onbekend paard kent en als toestemming niet zou zijn verleend aan de berijder als deze wel zou zijn gevraagd. Vanwege de jeugdigheid van het slachtoffer, ernst van het letsel en de aard en ernst van de over en weer gemaakte fouten gaf de billijkheid in deze aanleiding voor volledige instandhouding van de schadevergoedingsplicht. De aard van het letsel is een omstandigheid die kan meewegen bij de toepassing van de billijkheidscorrectie. Is sprake van ernstig letsel, blijvende invaliditeit, gevolgen voor verschillende schadecomponenten, dan kan dit een rechtvaardiging zijn om het schadevergoedingspercentage ten voordele van de benadeelde aan te passen.[42] Het al dan niet bestaan van verzekeringsdekking aan de zijde van de aansprakelijke partij is een factor om in overweging te nemen bij de toepassing van de billijkheidscorrectie. Heeft de benadeelde geen verzekering tegen de ontstane schade en de bezitter van het dier wel, of behoorde deze daarvoor een verzekering te hebben, dan geldt dit als een factor om de schadevergoedingsverplichting ten voordele van de benadeelde bij te stellen.[43]

Toepassing van art. 6:101 BW in situaties waarin de benadeelde niet als ruiter betrokken is

Kan onder verwijzing naar het bovengenoemd arrest Bunink/ Manege Nieuw Amstelland art. 6:101 BW een rol spelen wanneer men zich niet als ruiter maar in een andere hoedanigheid met een paard inlaat? Art. 6:101 BW is toepasbaar in die gevallen, maar niet op dezelfde manier.

Bij het bezoek aan een markt kan van de bezoeker bijvoorbeeld niet worden gevergd dat hij telkens dusdanige afstand houdt van de aanwezige paarden dat hij niet verwond kan worden, zo oordeelde de Rechtbank Assen in 1947.[44] Het eigen schuld-verweer gaat bij toevallige aanwezigheid te midden van paarden normaliter niet op.

In 2004 deed het Hof Den Bosch een uitspraak in een vergelijkbare situatie.[45] Een ervaren ruiter begeleidt haar paard door een gang in de manege, nadat zij op het paard had gereden. Een bevriende en eveneens ervaren ruiter, die als toeschouwer aanwezig was, loopt met haar mee. Op enig moment trapt het paard naar achteren en raakt de bevriende ruiter. Het ongeval vond plaats in een nauwe gang en voor beide partijen was duidelijk dat het dier onrustig en gespannen was. Bij de toepassing van art. 6:101 BW overweegt het hof dat aan de zijde van benadeelde sprake was van onvoorzichtig gedrag dat haar ook kan worden toegerekend. Zij begaf zich immers zo dicht achter het paard, dat zij geraakt kon worden door de trap. Naar aanleiding van die overweging wordt de schadevergoedingsplicht op 50% gesteld. Wellicht speelt impliciet in deze kwestie de vrijwillige en doelbewuste aanwezigheid van benadeelde op de betreffende plek een rol. Zij was immers niet genoodzaakt zich (dicht) achter het paard te begeven en had zich op grond van haar ervaring daarvan moeten onthouden.

Een dierenarts die wordt ingehuurd om de paarden van een manegehouder in te enten, laat zich echter zeker niet toevallig en ongewild in met paarden. Wat geldt in de situatie waarin het dier schade toebrengt aan de dierenarts? De Hoge Raad heeft zich daarover uitgelaten in 2001[46] op vergelijkbare wijze als later in het arrest Bunink/ Manege Nieuw Amsterdam. Het bestaan van een behandelingsovereenkomst laat de toepasselijkheid van art. 6:179 BW onverlet. Dit werd in dit geval niet contractueel uitgesloten. De Hoge Raad sanctioneert vervolgens de beoordeling van het hof aangaande de toepassing van art. 6:101 BW. Het hof onderkende dat er omstandigheden aanwezig kunnen zijn op grond waarvan de schade geheel of gedeeltelijk voor rekening van de benadeelde dierenarts moet blijven. Het hof overwoog in dat verband dat benadeelde een dierenarts is, dat hij gespecialiseerd is in paarden, dat hij een contractuele relatie met de manegehouder had ter inenting van het betrokken paard en dat hij had kunnen afzien van behandeling van het paard nu er geen dwingende medische noodzaak bestond het paard in te enten. Op grond van de overige omstandigheden overwoog het hof dat de schade niet (deels) voor rekening van de benadeelde diende te blijven, omdat het paard ineens en totaal onverwacht “door het lint” ging, dat beide partijen dit nog niet eerder hadden meegemaakt en dat benadeelde zich had gedragen als een bekwaam dierenarts.[47]

Er zijn evenwel ook situaties denkbaar waarin een rechtsverhouding bestaat tussen bezitter/ bedrijfsmatig gebruiker van een paard en een benadeelde, maar de formulering uit het arrest Bunink/Manege Nieuw Amstelland niet wordt gebruikt. Benadeelde maakt als inzittende een tochtje in een wagonette die voortgetrokken wordt door een paard dat van de menner van de wagen is. Op enig moment raakt de menner controle over het paard kwijt, versnelt het paard en valt de wagen om. Hierdoor ontstaat bij benadeelde letsel. De Rechtbank Oost-Nederland overwoog dat een eventuele vermindering van de omvang van de schadevergoedingsplicht niet moest worden beoordeeld aan de hand van hetgeen werd overwogen in bovengenoemd arrest.[48] Het arrest gaat ervan uit dat het onberekenbare gedrag van een paard soms niet onverwacht is voor een ruiter. Analoge toepassing gaat echter niet op, aangezien de risico`s in dit geval aanzienlijk verschillen ten opzichte van de risico`s van het berijden van een paard. Verder wordt overwogen dat een inzittende geen enkele invloed heeft op het gedrag van een paard. De rechtbank geeft aan dat het daarom onduidelijk is waarom het onberekenbare gedrag in dat geval niet onverwacht zou zijn voor benadeelde. Daarbij kwam dat de menner zeer ervaren was, het paard als braaf bekend stond, zij vaker een tocht had ondernomen en niet geconfronteerd werd met dergelijk gevaar. Dat zij wel eens had gezien dat het betreffende paard een ruiter afgeworpen had, is geen aanleiding om aan te nemen dat zij er ernstig rekening mee moest houden dat het paard tijdens de tocht onstuimig gedrag zou vertonen. De schadevergoedingsplicht blijft daarom volledig intact.

Concluderende opmerkingen

Welke conclusies kunnen getrokken worden uit voorgaande beschouwing? In algemene zin blijkt duidelijk dat een benadeelde niet zonder meer zijn schade altijd volledig af kan wentelen op de bezitter van een paard als dat paard betrokken is bij de veroorzaking van schade. Art. 6:179 BW betreft een risico-aansprakelijkheid. Aansprakelijkheid is enkel aan de orde als het schadeveroorzakende feit voortvloeit uit de eigen energie van het paard, dat een onberekenbaar element bevat. Oftewel, er moet sprake zijn van natuurlijk en onvoorspelbaar gedrag gelegen in de eigen energie van het dier. Handelt het paard als instrument van een ruiter, dan kan de bezitter niet aansprakelijk worden geacht.

Staat aansprakelijkheid op grond van art. 6:179 BW vast, dan zijn de inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval bepalend voor de vraag of en in hoeverre de schadevergoedingsplicht moet worden verminderd. De causale verdeling en eventuele billijkheidscorrectie samen leveren uiteindelijk de toe te passen verdeling op in een concreet geval.

[1] C. ten Kate, T de Kooter & W. Kramer, ‘Preventie van letsels in de paardensport’, NTvG 2015; 159:A8624.

[2] C.J. van Zeben en J.W. du Pon (red.) m.m.v. M.M. Olthof, Parlementaire geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk wetboek, Boek 6 Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 1981, p.762 e.v. (hierna: TM, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981).

[3] HR 7 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB7443, NJ 1980, 353 (Stierkalf).

[4] Rb Utrecht 8 augustus 2007, ECLI:NL:RBUTR:2007:BB1403, JA 2007, 153 (Hondenbeet).

[5] TM, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 746, 747.

[6] HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1475, NJ 2011, 405 (Loretta).

[7] Rb. Breda 16 januari 2008, ECLI:NL:RBBRE:2008:BC2035; vgl. HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1475, NJ 2011, 405 (Loretta).

[8] F.T. Oldenhuis, GS Onrechtmatige daad, art. 179 Boek 6 BW, aant. 71; Rb. Arnhem 20 april 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BQ3915: JA 2011, 116.

[9] Hof Arnhem 6 januari 2004, ECLI:NL:GHARN:2004:AO5607, NJF 2004, 285.  

[10] Hof Arnhem 17 februari 2004, NJ 2004, 405, r.o. 2.11.

[11] Hof Den Bosch 17 mei 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1938, JA 2016/106; Rb. Zeeland-West-Brabant 9 januari 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:2504.

[12] Rb. Zeeland-West-Brabant 13 juli 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:4351.

[13] TM, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 762 e.v.; HR 23 februari 1990, NJ 1990, 365 (Zengerle/Blezer).

[14] Rb. Noord-Nederland 19 oktober 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:4641. Tegen deze beschikking is hoger beroep ingesteld.

[15] TM, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 763.

[16] HR 24 februari 1984, NJ 1984/415 (Zeug geel-113) en HR 23 februari 1990, NJ 1990/365 (Zengerle/Blezer); zie ook A-G Asser, conclusie voor NJ 1990/365, p. 1404; annotatie Nieuwenhuis in AA 1984, p. 480; C.H.W.M. Sterk, Verhoogd gevaar in het aansprakelijkheidsrecht: een rechtsvergelijkend onderzoek naar aansprakelijkheid voor zaken, stoffen en motorrijtuigen, Deventer: Kluwer 1994, p. 236; F.T. Oldenhuis, GS Onrechtmatige daad, art. 179 Boek 6 BW, aant. 8.

[17] Annotatie Nieuwenhuis in AA 1984, p. 480.

[18] HR 28 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0300, NJ 1992, 622.

[19] Hof Arnhem 22 oktober 1996, VR 1997, 59.

[20] J. Spier e.a., Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding, Deventer: Kluwer 2009, p. 273; HR 23 december 2005, ECLI:NK:PHR:205:AU5654 (concl. P-G A.S. Hartkamp), par. 31; TM, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 351; zie ook: HR 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1335, NJ 2002, 54.  

[21] HR 23 december 2005, ECLI:NK:PHR:205:AU5654 (concl. P-G A.S. Hartkamp), par. 32; TM, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 765.

[22] HR 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7010, NJ 2004, 556.

[23] Hof Arnhem-Leeuwarden 15 juli 2014, ECLI:NLGHARL:2014:5670, r.o. 3.8.

[24] F.T. Oldenhuis, GS Onrechtmatige daad, art. 179 Boek 6 BW, aant. 90.6; S.C.P. Giesen & C.J. Rijken, ‘Paard en recht: in galop richting aansprakelijkheid?’, NTBR 2006/62, par 3.5.

[25] vgl. HR 7 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB7443, NJ 1980, 353 (Stierkalf).

[26] Hof Arnhem 28 november 2000, ECLI:NL:GHARN:2000:AA9009, r.o. 4.7.

[27] Hof Leeuwarden 13 januari 1982, ECLI:NL:GHLEE:1982:AC2814.

[28] Rb. Zutphen 26 mei 2010, ECLI:RBZUT:2010:BM6031, r.o. 5.9; Rb. Gelderland 19 augustus 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:5316, r.o. 5.7; en recentelijk: Rb. Gelderland 13 oktober 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:5470, r.o. 4.5.

[29] Rb. Zutphen 26 mei 2010, ECLI:RBZUT:2010:BM6031, r.o. 5.9; Rb. Rotterdam 15 februari 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AY6381; Rb. Gelderland 19 augustus 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:5316, r.o. 5.8.

[30] Rb. Gelderland 19 augustus 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:5316, r.o. 5.8.

[31] Hof Arnhem 17 februari 20014, ECLI:NL:GHARN:2004:AQ6696, NJ 2004, 405.

[32] Hof Arnhem 22 oktober 1996, VR 1997, 60.

[33] Rb. Rotterdam 18 februari 2009, ECLI:RBROT:2009:BH5636.

[34] Rb. Den Haag 5 december 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY5997, r.o. 5.10.

[35] HR 8 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC0663, NJ 1990, 778 (Lars Ruröde).

[36] Deels in dezelfde zin: Rb. Gelderland 29 november 2016, ECLI: NL:RBGEL:2016:7162.

[37] Hof Arnhem-Leeuwarden 15 juli 2014, ECLI:NLGHARL:2014:5670, r.o. 3.13.

[38] Hof Arnhem 22 oktober 1996, VR 1997, 59.

[39] Rb. Zutphen 26 mei 2010, ECLI:RBZUT:2010:BM6031; Rb. Rotterdam 15 februari 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AY6381.

[40] Rb. Rotterdam 18 februari 2009, ECLI:RBROT:2009:BH5636, r.o. 5.5; Rb. Gelderland 13 oktober 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:5470.

[41] Rb. Gelderland 29 november 2016, ECLI: NL:RBGEL:2016:7162, r.o. 2.14.

[42] Rb. Gelderland 19 augustus 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:5316, r.o. 5.9; vgl. Rb. Gelderland 29 november 2016, ECLI: NL:RBGEL:2016:7162.

[43] Rb. Zutphen 26 mei 2010, ECLI:RBZUT:2010:BM6031; Rb. Rotterdam 18 februari 2009, ECLI:RBROT:2009:BH5636; Hof Arnhem 17 februari 20014, ECLI:NL:GHARN:2004:AQ6696, NJ 2004, 405.

[44] Rb. Assen 17 november 1947, NJ 1949, 763.

[45] Hof Den Bosch 9 maart 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AO6194.

[46] HR 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1335, NJ 2002, 54.

[47] HR 27 april 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1335 (concl. A-G- A.S. Hartkamp) par.11.

[48] Rb. Oost-Nederland 16 januari 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:BZ0473.

  • Vaknieuws

  • Miroslav van de Braak, Letselschadebehandelaar bij Nh1816 Verzekeringen en Nicolien Verhoeks, advocaat aansprakelijkheids- en verzekeringsrecht bij Marree & Dijxhoorn Advocaten.
  • Bron: PIV-bulletin
  • folder Dieren, PIV-bulletin

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots