Het ACPV werkt aan de ‘academisering’ van de private verzekeringsgeneeskunde – een interview – Private verzekeringsgeneeskundige …

Samenvatting:

In de afgelopen jaren is de behoefte gegroeid aan meer wetenschappelijke onderbouwing van de private ver­zekeringsgeneeskunde. In de branche ervaart men dat een goede wetenschappelijke onderbouwing van het medisch­ advies noodzakelijk is. Om deze reden werd in september 2012 het Academisch Centrum voor Private Verzekeringsgeneeskunde (ACPV) opgericht, op initiatief van de Nederlandse Vereniging van Geneeskundig Adviseurs in particuliere Verzekeringszaken (GAV) en de afdeling Sociale Geneeskunde van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Een gesprek over de activiteiten van dit centrum met dr. J. Buitenhuis – medisch adviseur bij Univé Verzekeringen in Assen en bestuursvoorzitter van het ACPV.

In tegenstelling tot de gang van zaken in de private sector kent de wetenschappelijke benadering van de publieke verzekeringsgeneeskunde al enige historie. Dit is te danken aan het feit dat veruit de meeste verzekerings­artsen in publieke dienst werken, bij het Uitvoerings­instituut Werk­nemersverzekeringen (UWV). Op initiatief van (en ge­financierd door) onder meer het UWV werd in 2006 het Kenniscentrum Verzekeringsgeneeskunde (KCVG) in Amsterdam opgericht. Dit instituut heeft al diverse onderzoeken geïnitieerd, al of niet uitmondend in een proefschrift. Ook heeft het de publieke verzekeringsgeneeskunde een meer prominente plaats gegeven in het on­der­­wijs aan studenten geneeskunde en basisartsen. Deze zelfde taken heeft het ACPV nu op zich genomen ten behoeve van de private verzekeringsgeneeskunde. Het academisch centrum wil, meer gestructureerd dan tot nu toe het geval is geweest, het werk van private verzekeringsartsen wetenschappelijk onderbouwen, de private verzekeringsgeneeskunde in het universitair onderwijs duidelijker aan de orde stellen, wetenschappelijk onderzoek initiëren en in dat kader meer promoties in het vakgebied laten plaatsvinden.

Betrokkenen

Verzekeringsarts Jan Buitenhuis is vanaf het eerste uur bij de plannen voor een academisch centrum betrokken geweest. Hij is al langere tijd wetenschappelijk actief. In 2009 promoveerde hij op een proefschrift over de psychologische parameters die de prognose van nekklachten (whiplash) na een verkeersongeval bepalen. Met medewerking van zijn werkgever Univé onderzocht hij onder meer de fenomenen coping (de wijze waarop iemand gedragsmatig, cognitief en emotioneel met in- en externe stres­soren omgaat), kinesiofobie (bewegingsangst), PTSS (posttraumatisch stresssyndroom) en het catastroferen van pijn (een overdreven negatieve oriëntatie richting actuele of verwachte pijn). Op basis hiervan deed hij uitspraken over de relaties tussen deze fenomenen enerzijds en het chronisch worden van klachten en arbeidsongeschiktheid als gevolg daarvan anderzijds. Een van zijn promotoren was prof. dr. Johan Groothoff 1. Ook Groothoff is nauw betrokken geweest, en is dat nog steeds, bij de ontwikkeling van het ACPV. Hij is voorzitter van de wetenschapsraad van het academisch centrum. Ook zijn opvolger op de universiteit, prof. dr. Jac van der Klink, is lid van deze wetenschapsraad. De twee overige leden zijn dr. mr. Nico Croon2 en Robert Kneepkens3. Het ACPV kent naast een wetenschapsraad nog een raad van advies. Mr. Theo Kremer4 is lid van deze raad van advies. Het bestuur van het ACPV telt naast voorzitter Jan Buitenhuis twee leden, te weten dr. Sandra Brouwer5 en Astrid Blaauw-Hoeksma6. Het bestuur wordt ondersteund door dr. Erik Noordik7.

Onderzoeksprogramma

Op basis van adviezen van de wetenschapsraad heeft het bestuur van het ACPV een conceptonderzoeksprogramma opgesteld voor de periode van 2014 tot en met 2018. In dit onderzoeksprogramma zijn enkele hoofdlijnen geschetst en is een eerste uitwerking richting concrete onderzoeksprojecten gegeven. Met dit programma wordt volgens het bestuur van het ACPV voor het eerst in Nederland systematisch aan de verbetering van evidence based medische advisering voor particuliere verzekeraars gewerkt en wordt het fundament gelegd voor een wetenschappelijke innovatie van het vakgebied. Het ACPV beschouwt het onderzoeksprogramma deels als een voortzetting van al lopende onderzoeksactiviteiten van het UMCG in samenwerking met enkele particuliere verzekeraars, terwijl het daarnaast ruimte biedt om de komende jaren nieuwe projecten toe te voegen. De raad van advies zal periodiek de maatschappelijke relevantie, uitvoering en impact van het onderzoeksprogramma in de praktijk toetsen. Voor het onderzoeksprogramma zijn drie hoofdlijnen voor onderzoek geformuleerd, die bij het verzekerings­geneeskundig proces aansluiten. Deze hoofdlijnen hebben betrekking op een betere onderbouwing van de medische advisering in relatie tot 1) de toegankelijkheid en acceptatie van particuliere verzekeringen, 2) het voorkomen van schade en claims die daarmee samenhangen en 3) de bevordering van herstel en re-integratie. Deze hoofdlijnen zijn op dit moment in zeven project­ideeën uitgewerkt, te weten:

1  de verzekerbaarheid na kanker; een analyse van Nederlandse overlevingscijfers;

2  zelfrapportage door diabetici bij de aanvraag van een levensverzekering;

3  van een medisch naar een biopsychosociaal acceptatiemodel voor arbeidsongeschiktheidsverzekeringen;

4  kwetsbare groepen voor arbeidsongeschiktheids­verzekeringen;

5  het compensatie- en claimproces: emotionele cognities in letselschadeprocessen;

6  een predictiemodel voor herstel en claimduur bij arbeidsongeschiktheid;

7  herstelbevordering en effectieve interventies bij arbeidsongeschiktheid en in letselschadeprocessen.

In de komende maanden zal worden verkend of deze ideeën uitvoerbaar en financierbaar zijn, waarna het conceptprogramma door het bestuur kan worden bekrachtigd. De afdeling Sociale Geneeskunde van het UMCG draagt zorg voor de wetenschappelijke begeleiding van het onderzoek.

Claimgerelateerde factoren

De projectideeën houden verband met levensverzekeringen (projecten 1 en 2), arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (projecten 3, 4, 6 en 7) en letselschade (projecten 5 en 7). In relatie tot letselschade is projectidee 5 op een onderbouwing gericht van de rol van emotionele en claimgerelateerde factoren in het claimproces en hun invloed op gezondheid, herstel en re-integratie. Het project beoogt kennis op te leveren over de wijze waarop medisch adviseurs deze factoren gunstig kunnen beïnvloeden. Jan Buitenhuis: “In relatie tot letselschade is ‘compensation health research’ een van de belangrijkste pijlers in het onderzoeksprogramma. We willen onderzoeken hoe het claimproces verschillende gezondheidsparameters kan beïnvloeden. Uit verschillende onderzoeken wereldwijd blijkt dat mensen die in een letselschadeprocedure zijn verwikkeld, het qua gezondheid slechter doen dan mensen die dat niet zijn. Uiteraard wil je geen letselschadeprocedure hebben die mensen misschien wel slechter maakt dan ze zonder procedure zouden zijn. Daar zitten verschillende interessante onderzoeksaspecten in.” Projectidee 7, ook gerelateerd aan letselschade, is gericht op het identificeren van de meest effectieve behandelingen en interventieprogramma’s voor de drie meest voorkomende aandoeningen in relatie tot verzekeringsclaims, te weten nekpijn, lage rugpijn en psychische klachten. Medisch adviseurs kunnen hiermee zowel verzekerden als verzekeraars een beter onderbouwd advies geven. 

Financiering

“Van belang is nu belanghebbenden bij onze projectideeën ertoe te bewegen deze te financieren”, aldus Jan Buitenhuis. “Het ACPV heeft een eigen budget, onder andere beschikbaar gesteld door de GAV, maar dat is beperkt. Daarnaast kent het ACPV deelnemers: instellingen of bedrijven die achter de doelen van het ACPV staan. Zij ondersteunen het ACPV financieel, in beperkte mate en met expliciete erkenning van de onafhankelijkheid van het ACPV, maar bieden daarnaast vaak een ingang voor onderzoek. Verder is men natuurlijk snel geneigd om voor financiering naar verzekeraars te kijken, want die beschikken over kapitaal. Het is enerzijds geen gelukkige tijd om aan verzekeraars financiering te vragen, maar anderzijds is het verstandig juist in economisch mindere tijden investeringen te doen in ‘evidence based medicine’, omdat dat bijdraagt aan een hogere klanttevredenheid, een zorgvuldigere premiestelling, schadelastbeheersing en een toename van de betrouwbaarheid van verzekeraars. Verzekeraars en ook het Verbond van Verzekeraars begrijpen dat goed onderzoek tijd en geld kost. Voor de financiering werven we verder fondsen bij verschillende ministeries en de traditionele fondsen als NWO en ZonMw. Bij ZonMw komt de private verzekeringsgeneeskunde tot nu toe niet expliciet aan bod. Dat is onterecht en verdient verandering. Als laatste hebben we dan nog Europese fondsen die mogelijkheden voor financiering bieden, want er zitten in het onderzoeksprogramma ook onderwerpen die zich voor internationaal onderzoek lenen.”

Onderwijs

Het wetenschappelijk onderzoek is een eerste aandachtsveld voor het ACPV, het universitair onderwijs een tweede. De verzekeringsgeneeskunde is een vierjarige specialisatie van basisartsen, waarvoor zij in Nederland vooralsnog bij één instituut terechtkunnen, namelijk de Netherlands School of Public & Occupational Health (NSPOH) in Utrecht. Momenteel gaan echter niet veel studenten geneeskunde studeren met het oogmerk verzekeringsarts te worden, “en ik vind dat een probleem”, zegt Jan Buitenhuis. “Daar zou iets aan moeten gebeuren. Het is een kwestie van beeldvorming. De meeste mensen denken dat dokters in ziekenhuizen of als huisarts werken, terwijl een op de drie dokters daar helemaal niets mee te maken heeft. In de sociale geneeskunde en ook in andere vakken werken allemaal dokters die niet primair bij de patiëntenzorg in de eerste lijn of de zorg in een ziekenhuis betrokken zijn.” De beroepsopleiding voor verzekeringsgeneeskundigen en medisch adviseurs die door de NSPOH wordt aangeboden, is niet lang geleden in samenspraak met de GAV vernieuwd. De opleiding sluit nu beter aan bij het publieke en private werkveld van de verzekeringsarts. Na deze beroepsopleiding kan een verzekeringsarts de opleiding volgen tot register geneeskundig adviseur (rga), wat een beschermde beroepsverenigingregistratie betreft. Om nu voor voldoende instroom en vernieuwing van de verzekeringsgeneeskundige beroepsgroep te zorgen, is het van belang beter zichtbaar te worden in de initiële opleiding tot basisarts. Jan Buitenhuis, die voor het geven van onderwijs een kleine aanstelling aan het UMCG heeft, levert daar nu al een bijdrage aan.

Nog niet erg rooskleurig

“Ik ben in Groningen in het collegeprogramma voor studenten geneeskunde ingeroosterd”, vertelt Buitenhuis. “Tegenwoordig is dat allemaal probleemgeoriënteerd onderwijs, zoals dat heet, met maar een beperkt aantal uren colleges. Daarin breng ik dan wel vaak de verzekerings­geneeskunde naar voren en zeker ook de private verzekeringsgeneeskunde, inclusief de letselschadeproblematiek. Drie, vier jaar geleden was dat nog niet het geval. Toch is het totale beeld in Nederland nog niet erg rooskleurig. Er is wel een raamplan waarin is aangegeven wat de studenten geneeskunde moeten kennen, maar de onderdelen van de sociale geneeskunde worden op de verschillende medische faculteiten heel divers ingevuld. Zeker de verzekerings­geneeskunde komt dan maar heel beperkt aan bod. Het wordt dus nog lastig om dat landelijk goed onder de aandacht te brengen.” De onderwerpen die Buitenhuis in zijn colleges aan de orde stelt, worden over het algemeen interessant gevonden, “niet alleen door studenten”, zegt hij, “maar ook door collega-docenten. Veel behandelend dokters hebben er natuurlijk in hun werk mee te maken, bijvoorbeeld omdat ze om wat voor reden ook informatieaanvragen krijgen. Toch kan ik in mijn colleges niet te veel in details treden, het moeten grote lijnen blijven. Bijvoorbeeld de on­afhankelijkheid van artsen en de beeldvorming daaromheen komt aan de orde.”

Inzicht en begrip

Een betere zichtbaarheid in de initiële opleiding kan dus naar verwachting bij later curatief werkende collega’s tot meer inzicht en begrip voor het verzekeringsgeneeskundige werkveld leiden. Dit kan dan aan een soepel verloop van de informatie-uitwisseling tussen behandelend artsen en verzekeringsgeneeskundigen bijdragen. Zo’n goede informatie-uitwisseling is nog lang niet altijd vanzelf­sprekend en vergt continue aandacht, naast wederzijds inzicht en begrip, voor elkaars positie en vakgebied. Het ACPV heeft daarom op dit punt een belangrijke taak, vindt ook Jan Buitenhuis. Hij zegt tot slot: “Het is een van de doelstellingen om onder studenten geneeskunde, maar ook in bredere zin onder beroepsgenoten, duidelijk te maken wat de private verzekeringsgeneeskunde inhoudt. Er bestaat wat dat betreft veel onbegrip en onduidelijkheid. Doorgaans weten verzekeringsartsen wel hoe huisartsen werken en wat er in een ziekenhuis gebeurt, maar is er omgekeerd veel onbegrip over het werk van de verzekeringsarts. Het is zeker een van de taken van het ACPV om dat te veranderen. Op dit moment ligt de focus nog vooral op het onderzoeksprogramma en het onderwijsdeel, maar over enige tijd zullen de voorlichtingsaspecten absoluut ook aan de orde komen.”

  1. Emeritus hoogleraar Arbeid en gezondheid Rijksuniversiteit Groningen (RUG).
  2. Verzekeringsarts De Amersfoortse.
  3. Arts klinisch epidemioloog en geneeskundig adviseur Achmea.
  4. Directeur Stichting PIV.
  5. Universitair docent en senior onderzoeker Sociale Geneeskunde Universitair Medische Centrum, Groningen (UMCG).
  6. Verzekeringsarts Movir en voorzitter GAV.
  7. Adviseur/onderzoeker Sociale Geneeskunde UMCG.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey