Evaluatie Wet deelgeschillen – Stijgende aantallen en hoger beroep …

Samenvatting:

Op 1 juli 2015 was het vijf jaar geleden dat de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade in werking trad. De verwachting dat de nieuwe wet grote impact zou hebben op de buitengerechtelijke schadeafwikkeling lijkt te zijn uitgekomen. Er wordt veel gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een deelgeschilprocedure te voeren; het aantal zoekresultaten op www.rechtspraak.nl met de zoekterm ‘deelgeschil’ stevent af op 5001. In deze korte update bespreken wij de evaluatie van de deelgeschillenwet die in 2014 plaatshad, gevolgd door enig overdenkingen naar aanleiding van de evaluatie. Daarnaast besteden wij aandacht rechtspraak die is gewezen over het instellen van hoger beroep tegen deelgeschilbeschikkingen omdat deze recent is en relevant voor de praktijk.

Met de invoering van de deelgeschillenwet werd beoogd het buitengerechtelijke traject bij de afhandeling van personenschade te versterken door middel van een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter ter oplossing van een deel-geschil. Daartoe werd een nieuwe processuele mogelijkheid geïntroduceerd: de deelgeschilprocedure, die wordt gestart met een verzoekschrift. De rechter kan in de deelgeschilprocedure knopen doorhakken in het buitengerechtelijke traject. De rechter heeft veel ruimte om tot het oordeel te kunnen komen of van een deelgeschil sprake is. Toetssteen voor deze beslissing is immers of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moeten worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (‘het proportionaliteitscriterium’). Nieuw ten opzichte van de bestaande processuele mogelijkheden was ook (en vooral) dat de kosten van de procedure worden beschouwd als buitengerechtelijke kosten in de zin van art. 6:96 BW. De aansprakelijke partij betaalt daarom in beginsel voor het voeren van de procedure. Ook nieuw waren de beperkte mogelijkheden voor het instellen van hoger beroep. 

Evaluatie

In het wetsvoorstel werd al aangekondigd dat de effecten van invoering van de wet binnen vier jaar na inwerkingtreding zouden worden onderzocht. M. Wesselink heeft intussen in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) onderzoek verricht naar de doeltreffendheid en effecten van de wet in de praktijk2. Wesselink maakte gebruik van verschillende onderzoeksmethodes: literatuurstudie, jurisprudentieanalyse, observatieonderzoek (waaronder het bijwonen van zittingen), interviews en gevalsstudies. In de evaluatie is onderzocht of de wet deelgeschilprocedure doeltreffend is. Daarvoor is bezien of de buitengerechtelijke onderhandelingen zijn versneld. Wij zetten een aantal onderzoeksresultaten kort op een rij:

–             Deelgeschilprocedures worden in de praktijk vrijwel altijd eenzijdig door de benadeelde aangespannen. In de gepubliceerde rechtspraak zijn zeer weinig zaken te vinden die door de aansprakelijke verzekeraar aanhangig werden gemaakt. Redenen hiervan zijn blijkens het onderzoek van Wesselink de aan het voeren van een deelgeschilprocedure verbonden kosten, het risico van negatieve precedentwerking en de drempel om een benadeelde in rechte te betrekken.

–             Uit het onderzoek volgt voorts dat de enkele mogelijkheid van het kunnen voeren van een deelgeschilprocedure de buitengerechtelijke onderhandelingen versnelt, in de woorden van Wesselink “omdat het bijdraagt aan het herstel van de onevenwichtige machtsbalans tussen de onervaren benadeelde enerzijds en de ervaren aansprakelijkheidsverzekeraar anderzijds. De benadeelde krijgt door deze procedure toegang tot kennis, kunde en een onafhankelijk gerechtelijk oordeel dat hij niet door gebrek aan samenwerking met de wederpartij of om financiële redenen achterwege hoeft te laten.”3 Daarbij komt dat de enkele dreiging door (de belangenbehartiger van) de benadeelde met een deelgeschilprocedure soms al helpt om vastgelopen onderhandelingen vlot te trekken. Aansprakelijkheidsverzekeraars anticiperen daarop, door hun beleid preventief aan te passen en zich communicatiever en coöperatiever op te stellen.

–             Een duidelijk meetbare versnelling in de afwikkeling van letselschadezaken zit in de doorlooptijd van de deelgeschilprocedure. De gemiddelde doorlooptijd bij de in het onderzoek betrokken kantonzaken bedraagt vier maanden. Bij de sector civiel is de doorlooptijd nog iets sneller: 3,7 maanden. Vergeleken met de voor de komst van de deelgeschilprocedure vaak ingezette dagvaardingsprocedure in letselschadezaken is dit zonder meer een versnelling. Keerzijde is wel dat het buitengerechtelijke onderhandelingstraject tijdens deze doorlooptijd meestal stilligt. Wesselink geeft in haar onderzoek aan dat het niet meetbaar is of door de invoering van de wet deelgeschilprocedure het aantal dagvaardingsprocedures in letselschadezaken is afgenomen. Onze ervaring is wel dat er sinds de invoering van de wet in letselschadezaken vaker deelgeschilprocedures dan dagvaardingsprocedures worden gevoerd.

–             Tegenover de hiervoor genoemde versnelling van het onderhandelingsproces en de vlotte doorlooptijden van deelgeschilprocedure staat dat Wesselink ook een aantal factoren vond dat de onderhandelingen kan vertragen. Ze wijst onder meer op de niet-ontvankelijkverklaring en de afwijzing op grond van het proportionaliteitscriterium (waarmee partijen in feite geen stap verder zijn), het onvoldoende uitoefenen van een bindende functie, een gebrek aan uniformiteit in de rechtspraak en het onvoldoende of gekleurd overdragen van de zaak na een deelgeschilprocedure. De rechter zou een meer rol kunnen spelen door bijvoorbeeld een afwijzing van een verzoek op grond van het proportionaliteitscriterium met partijen te bespreken en ondanks de afwijzing wel handvatten mee te geven voor de verdere buitengerechtelijke onderhandelingen. Belangenbehartigers en aansprakelijkheidsverzekeraars kunnen de faciliterende werking van de deelgeschilprocedure verhogen door tot normering van de buitengerechtelijke kosten te komen.

–             Bij de invoering van het wetsvoorstel werd al geopperd dat afhankelijk van het succes van de nieuwe wet overwogen zou kunnen worden om het instrument van de deelgeschilprocedure ook op andere rechtsgebieden dan personenschade in te zetten. Wesselink geeft in haar onderzoek aan dat daartoe nog nader onderzoek noodzakelijk is. Wel kan, zo geeft zij aan, overwogen worden om het toepassingsgebied uit te breiden naar first party-verzekeringen, zoals arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en proefpersonenverzekeringen. Op die terreinen kunnen zich immers vergelijkbare discussies voordoen als in het bestaande toepassingsgebied. In een recente uitspraak oordeelde de Rechtbank Limburg4 in overeenstemming met de wet deelgeschilprocedure dat deze wet (inderdaad) toepassing mist als het gaat om first party-verzekeringen (zoals in die uitspraak de schadeverzekering voor inzittenden).

Enige overdenkingen

Grotendeels kunnen wij ons wel vinden in de door Wesselink uitgevoerde evaluatie. Ook wij menen dat de deelgeschilprocedure een nuttig en innovatief instrument is om bij serieuze geschilpunten de rechter te vragen daarover te beslissen. Hierdoor kan het onderhandelingstraject worden vlot getrokken. Een lang afwikkelingstraject is in de eerste plaats erg belastend voor de benadeelde en evenmin in het voordeel van een verzekeraar, al was het maar omdat onderzoek uitwijst dat een langer schaderegelingstraject vrijwel altijd duurder voor hem uitvalt. Om bij dat laatste aan te haken vinden wij dat verzekeraars zelf nog steeds te weinig gebruik maken van de deelgeschilprocedure. Evenals benadeelden komen verzekeraars met regelmaat niet verder in het buitengerechtelijke behandelingstraject doordat de wederpartij een onjuist juridisch standpunt inneemt, niet of veel te traag reageert of noodzakelijke gegevens voor beoordeling van de schade – bijvoorbeeld medische informatie of gegevens over carrière – niet verstrekt. In de inleiding is al aangegeven dat de term ‘deelgeschil’ in de zin van art. 1019 Rv ruim is en de rechter veel speelruimte geeft bij de invulling ervan. Daarbij komt dat de deelgeschilrechter bij uitstek geschikt is om regie te voeren en naar onze mening deze rol, mits goed voorgelicht, soms nog wel wat meer kan pakken. Wesselink wijst daar in haar evaluatie ook op. Zoals Akkermans en De Groot schrijven: “Het geven van een beslissing is lang niet altijd het eerste waarnaar de gedachten hoeven uit te gaan bij de behandeling van een deelgeschilverzoek. Het kan natuurlijk best zijn dat er gewoon een knoop moet worden doorgehakt, maar het is ook heel wel mogelijk dat partijen met een andere interventie beter op weg worden geholpen naar een minnelijke regeling.”5 Wanneer partijen bijvoorbeeld twisten over het al dan niet verstrekken van een voorschot, kan het achterliggende probleem zijn dat onvoldoende of veel te traag (medische) informatie door de benadeelde is of wordt verstrekt. De rechter kan in het deel geschil aan dit debat sturing geven, juist als partijen, zoals zij bij een deelgeschil verplicht zijn te doen, de rechter ruim inlichten over het buitengerechtelijke traject en de discussie die tot dan toe is gevoerd. Juist deze elementen maken dat het deelgeschil de verzekeraar interessante mogelijkheden geeft indien het buitengerechtelijke traject, de vlotte afhandeling ervan of anderszins, juist wordt verstoord door (de belangenbehartiger van) benadeelde. Bovendien zal de verzekeraar zelf toch ook met enige regelmaat behoefte hebben aan snelle juridische duidelijkheid over een deelgeschilpunt. Naar onze mening is er op dat punt te veel koudwatervrees bij verzekeraars waardoor zij met enige regelmaat de regie te veel uit handen geven. Een ander punt dat ons opvalt, is dat benadeelden nog steeds te vaak een deelgeschil starten terwijl er over de feiten onvoldoende duidelijkheid is of dat zij het gehele geschil aan de deelgeschilrechter proberen voor te leggen. Dat is niet wenselijk, omdat de rechter dan niet kan beslissen over het geschilpunt. Hier geldt voor hem immers: bij twijfel niet inhalen. Zoals bekend zijn voor hem de mogelijkheden om in deelgeschil getuigen te horen of deskundigen te benoemen (erg) smal. Als dit zich voordoet of sprake is van een om andere reden kansloos verzoek, zouden rechters naar onze mening zo langzamerhand strenger moeten worden en eerder moeten oordelen dat het deelgeschil volstrekt onnodig of volstrekt ten onrechte aanhangig is gemaakt, met als consequentie dat de verzekeraar de kosten van het deelgeschil van de benadeelde niet behoeft te dragen. De rechter dient zich te realiseren dat het starten van een deelgeschil voor de benadeelde anders wel heel erg een gok zonder nieten wordt. Een te lankmoedige houding van de rechter bij het in die gevallen toch toekennen van deze kosten maakt bovendien dat dit gegeven in de onderhandelingen door een (belangenbehartiger van een) benadeelde oneigenlijk kan worden – en in de praktijk ook wel wordt – ingezet. Ten aanzien van de kosten gemoeid met een deelgeschil pleiten wij voorts onverminderd voor meer standaardisatie. In de diverse deelgeschillen worden nog steeds te verschillende bedragen (uren en uurtarief) in vergelijkbare zaken toegewezen. Tot slot: met Wesselink menen wij dat overwogen moet worden het toepassingsgebied van het deelgeschil uit te breiden naar first party-verzekeringen, zoals arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en proefpersonenverzekeringen. Het gaat op deze terreinen om grotendeels vergelijkbare discussies.

Het hoger beroep in deelgeschillen

Zoals bekend is in beginsel geen (direct) hoger beroep (of cassatie) mogelijk tegen een beslissing in de deelgeschilprocedure, behalve dan door het starten van een afzonderlijke en reguliere bodemprocedure (art. 1019bb Rv). Voor een beslissing die uitdrukkelijk en zonder voorbehoud één of meer geschilpunten tussen partijen over hun materiële rechtsverhouding6 – zoals over aansprakelijkheid of causaal verband – beslecht, geldt bovendien dat de rechter in eerste aanleg van die bodemprocedure aan die beslissing in beginsel gehouden is als ware deze een bindende eindbeslissing van die rechter zelf (art. 1019cc lid 1 Rv). Overigens komt aan een veroordeling (bijvoorbeeld tot een geldbedrag) in deelgeschil geen verdere betekenis toe dan aan een veroordeling in kort geding. Daaraan is de bodemrechter dus niet gebonden. Acht de rechter in de bodemprocedure zich gebonden aan de deelgeschilbeslissing dan is (tussentijds) hoger beroep slechts mogelijk met tussentijds verlof van hem7, en bij gebreke daarvan, pas tegelijk met het hoger beroep van het eindvonnis. De rechter kan een tussentijds hoger beroep (of cassatie) toestaan als het doelmatig is dat partijen een cruciale kwestie die in feite bepalend is voor de afloop van de zaak, bij het gerechtshof (en eventueel bij de Hoge Raad) uit procederen, zonder dat zij gedwongen zijn om eerst de gehele bodemprocedure in eerste aanleg af te ronden. Op 18 april 2014 kreeg de Hoge Raad de vraag voorgelegd of dit verbod tot het (direct) instellen van hoger beroep kan worden doorbroken op een van de daarvoor in de buiten deelgeschil in de jurisprudentie ontwikkelde gronden, namelijk in het geval dat de rechter de procedure ten onrechte heeft toegepast, of ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van het verzoek essentiële vormen heeft verzuimd8. Vanuit de consistentie van procesrecht en omdat de deelgeschilbeschikking ook andere beslissingen dan omtrent de materiële rechtsverhouding kan bevatten verbaast het niet dat de Hoge Raad oordeelt dat deze doorbrekingsgronden ook in deelgeschil gelden. Als met een beroep op een doorbrekingsgrond een rechtsmiddel tegen een deelgeschil wordt ingesteld, dan zijn, aldus de Hoge Raad, echter de bepalingen uit de deelgeschilprocedure onverkort van toepassing. Dit betekent onder meer dat een aansprakelijke partij in zo’n hoger beroep in beginsel de volledige proceskosten van de benadeelde moeten betalen, en dat dus geen kostenveroordeling ten laste van de benadeelde wordt uitgesproken. Terzijde merken wij nog op dat de stelling dat beëindiging van een deelgeschil niet kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst geen doorbrekingsgrond oplevert. Het proceskostenregime van de deelgeschilprocedure geldt echter niet voor de bodemprocedure, waarin wordt opgekomen tegen de deelgeschilbeschikking. In dat geval heeft de benadeelde geen recht op vergoeding van zijn kosten als ware de kosten gemoeid met de procedure buitengerechtelijke kosten, zo oordeelde de Hoge Raad op 19 juni 2015: “(r.o. 4.9.3) (…) Aldus is blijkens de totstandkomingsgeschiedenis de regeling van art. 1019aa Rv voor de begroting van de kosten slechts gegeven voor de deelgeschilprocedure, en is die regeling niet van toepassing op de proceskosten van de dagvaardingsprocedure tussen dezelfde partijen waarin op de voet van art. 1019cc lid 3 Rv wordt opgenomen tegen de deelgeschilbeschikking.”9 De proceskosten worden in dat geval dus slechts beoordeeld aan de hand van het liquidatietarief bij procedures. In de uitspraak van 19 juni 2015 besliste de Hoge Raad voorts dat een bodemprocedure na deelgeschil of na een door de rechter toegestaan tussentijds hoger beroep (en cassatie) niet bij verzoekschrift moet gebeuren maar bij dagvaarding moet worden ingesteld.

Conclusie

Het deelgeschil is uniek in de wereld. Vanwege het succes mogen partijen zich in Nederland gelukkig prijzen dat wij over dit instrument kunnen beschikken. De Hoge Raad heeft inmiddels een aantal belangrijke discussiepunten over de hoger beroepsregeling tot tevredenheid verduidelijkt. In dit artikel hebben wij nog wel een aantal verbeterpunten geschetst, die met name zien op de wijze waarop partijen en de rechter met het deelgeschil omgaan. Tot slot ligt wat ons betreft onderzoek voor de hand naar het antwoord op de vraag of een deelgeschil ook voor andere rechtsgebieden een bruikbaar middel kan zijn.

1            457 resultaten op 23 oktober 2015.

2            M. Wesselink, Deeltjesversneller in het recht? Onderzoek naar de mogelijke versnellende factoren van de gerechtelijke deelgeschilprocedure voor letsel. en overlijdensschade op de buitengerechtelijke onderhandelingen, WODC, Ministerie van Veiligheid en Justitie 2014.

3            Wesselink, a.w., p. 81. 4 Rechtbank Limburg 7 oktober 2015, C/03/208211 / HA RK 5-150, niet-gepubliceerd, te raadplegen via www.stichtingpiv.nl.

5            A.J. Akkermans en G. de Groot, ‘De deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade: nieuwe verantwoordelijkheden voor de rechter en voor partijen.’, TVP 2010, nr. 2 p. 34.

6            Dit zijn bijvoorbeeld vragen van aansprakelijkheid of schade. Zie Kamerstukken II 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 19-20.

7            Vgl. art. 337 lid 2 Rv en HR 23 april 2005, ECLI:NL:HR:2004:AL7051, NJ 2005, 510 en voor deelgeschil HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1689.

8            HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:943.

9            HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1689.

  • Vaknieuws

  • Mevrouw mr. P. Oskam en mr. Chr.H. van Dijk – Kennedy Van der Laan Advocaten
  • Bron: PIV-bulletin
  • folder Deelgeschil, PIV-bulletin

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey