De (on)redelijkheid van het toerekenen van de gebrekkigheid van een medische hulpzaak aan de arts of het ziekenhuis ex art. 6:77 BW

Samenvatting:

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 november 2014 Risicoaansprakelijkheid geneeskundige behandelingsovereenkomst 
Vaste lijn in de rechtspraak bij het gebruik van medische hulpzaken in de uitvoering van een geneeskundige behandelingsovereenkomst is dat – wanneer een hulpmiddel op een later moment gebrekkig blijkt te zijn – het niet redelijk is om deze tekortkoming aan de arts of het ziekenhuis op grond van art. 6:77 BW toe te rekenen.

 

Het Gerechtshof Den Bosch heeft zich in zijn tussenarrest van 25 november 2014 – in een voorshandse overweging – eveneens uitgelaten over de toerekening van de tekort­koming door een gebrekkige hulpzaak, te weten een PIP-prothese (PIP: het Franse merk Poly Implant Protheses), aan het ziekenhuis en het oordeelt dat toerekening aan het ziekenhuis op grond van de omstandigheden in die zaak wel redelijk is1. Als argumenten voor de redelijkheid van die toerekening voert het hof aan dat de producent failliet is, het ziekenhuis heeft gekozen voor de bewuste hulpzaak en het hier niet gaat om een enkele gebrekkige hulpzaak, maar om een hele reeks gebrekkige hulpzaken. Het is de vraag of deze omstandigheden toerekening aan de arts of het ziekenhuis kunnen rechtvaardigen gezien de wetsgeschiedenis van art. 6:77 BW, het karakter van de geneeskundige behandelingsovereenkomst en de gewezen rechtspraak op dit punt. In dit artikel ga ik hier nader op in. Eerst bespreek ik de bedoeling van de wetgever voor toepassing van art. 6:77 BW bij medische hulpmiddelen die zijn gebruikt bij de uitvoering van een geneeskundige ­behandeling. Vervolgens ga ik in op de factoren die van belang zijn bij de beoordeling van de (on)redelijkheid van toerekening van het gebrek van de hulpzaak aan de arts en de rechtspraak die hierover beschikbaar is. Tenslotte komt de voorshandse overweging van het Gerechtshof Den Bosch aan de orde.

Art. 6:77 BW: “Wordt bij de uitvoering van een verbintenis gebruik gemaakt van een zaak die daartoe ongeschikt is, dan wordt de tekortkoming die daardoor ontstaat de ­schuldenaar toegerekend, tenzij dit, gelet op inhoud en strekking van de rechtshandeling waaruit de verbintenis voortspruit, de in het verkeer geldende opvattingen en overige omstandigheden van het geval, onredelijk zou zijn.”

heeft betrekking op een hulpzaak die is gebruikt bij de uitvoering van een overeenkomst en die, zoals later blijkt, daartoe ongeschikt was. Degene die gebruik maakt van deze ongeschikte hulpzaak is in beginsel risicoaansprakelijk voor de tekortkoming in de overeenkomst die daardoor is ontstaan, tenzij het niet redelijk is om hem deze tekortkoming toe te rekenen.

Art. 6:77 BW is in beginsel ook van toepassing indien bij de uitvoering van een geneeskundige behandelingsovereenkomst gebruik is gemaakt van een medische hulpzaak en deze hulpzaak uiteindelijk niet geschikt blijkt te zijn. Bij medische hulpzaken kan onder meer gedacht worden aan borstimplantaten, heupprotheses, het gebruik van een katheter en het toedienen van bloed.

Toch heeft de wetgever bij de invoering van art. 6:77 BW het niet wenselijk geacht om de arts en/of het ziekenhuis op grond van art. 6:77 BW aansprakelijk te houden in het geval een door de arts bij de medische behandeling gebruikte hulpzaak achteraf gebrekkig blijkt te zijn door productfalen waar zowel de arts als het ziekenhuis niets aan kan doen.

Uit de Parlementaire Geschiedenis van art. 6:77 BW volgt dat de wetgever er op heeft gewezen dat bij medische hulpmiddelen een uitzondering op de hoofdregel van aan­sprakelijkheid voor gebrekkige hulpzaken gerechtvaardigd is2: “Is een zodanige zorg in acht genomen, maar blijkt de zaak te falen, omdat zij door de producent daarvan in het verkeer is gebracht met een ook voor deskundige gebruikers niet te onderkennen gebrek, dan ligt naar de mening van de ondergetekende in de eerste plaats een aansprakelijkheid van de producent voor de hand. Hij meent daarom dat het nieuwe wetboek in deze soortgelijke gevallen de mogelijkheid moet openlaten een vordering te dier zake tegen de arts of het ziekenhuis af te wijzen.”

Toen op 1 april 1995 de wet op de geneeskundige ­behandelingsovereenkomst (WGBO; art. 7:446 BW e.v.) in werking trad, bestond art. 6:77 BW al. De wettelijke regeling inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst kent geen afzonderlijke bepaling met betrekking tot de aansprakelijkheid voor hulpzaken. De vraag, hoe art. 6:77 BW zich tot deze regeling verhoudt, werd in de parlementaire geschiedenis bij de invoering van de WGBO als volgt beantwoord3: “In het stelsel van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek is de buitencontractuele aansprakelijkheid voor zaken anders opgezet dan de contractuele. Eerstgenoemde aansprakelijkheid is geregeld in art. 6.3.2.5 juncto art. 6.3.2.10, bepalende (kort gezegd) dat de bezitter of bedrijfsmatige gebruiker (als hoedanig ook een ziekenhuis kan worden aangemerkt) van een zaak aansprakelijk is voor schade, die door een ‹‹gebrek›› van de zaak wordt veroorzaakt, zulks behoudens een uitzondering ten aanzien van de productaansprakelijkheid. Art. 6.1.8.3a, ­nzake de contractuele aansprakelijkheid, stelt ook de aansprakelijkheid van de schuldenaar voor bij de uitvoering van de verbintenis gebruikte zaken voorop, doch voegt daaraan als uitzondering toe ‹‹ tenzij dit, gelet op de inhoud en ­strekking van de rechtshandeling waaruit de verbintenis voortspruit, de in het verkeer geldende opvattingen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk zou zijn». In de memorie van antwoord bij deze bepaling, die met het geldende recht overeenstemt (zie Parl. Gesch. Boek 6, 270, 271), wordt in verband met deze uitzondering op de medische behandelingsovereenkomst gewezen: het nieuwe wetboek, zo wordt opgemerkt, dient de mogelijkheid open te laten een tegen een arts of ziekenhuis ter zake van het falen van gebruikte apparatuur of geneesmiddelen ingestelde vordering af te wijzen, zulks mede in verband met het feit dat een aansprakelijkheid van de producent meer voor de hand kan liggen (Parl. Gesch. Boek 6, 271272). Deze opvatting komt ons juist voor.”

Op grond van de wetsgeschiedenis kan worden aan­genomen dat toerekening van de gebrekkigheid van een medisch hulpmiddel aan de arts of het ziekenhuis, wanneer dat gebrek voor deskundige gebruikers niet is te onderkennen, in beginsel niet redelijk is.

Dit volgt ook uit het vonnis van de Rechtbank Arnhem van 28 november 2012 in een zaak die betrekking heeft op een door het ziekenhuis bij de uitvoering van de geneeskundige behandeling gebruikte hulpzaak, een ‘Miragel plombe’ (versteviging/kussentje, aangebracht onder een zogenoemd cerclagebandje ter afdichting van een scheur in het netvlies)4. Na een aantal jaar was het materiaal van de plombe gaan zwellen, waardoor deze moest worden verwijderd. De patiënt sprak het ziekenhuis aan, onder meer op grond van art. 6:77 BW. Op het moment dat de plombe was ingebracht, was nog niet bekend dat dit product gebrekkig was. De rechtbank oordeelt dat het ­tegen de achtergrond van de wetsgeschiedenis van art. 6:77 BW niet valt in te zien dat het ziekenhuis, die ten tijde van het inbrengen van de plombe met het gebrek niet bekend kon zijn en overigens zorgvuldig heeft gehandeld, op de voet van art. 6:77 BW aansprakelijk kan worden gehouden voor het gebruik van dat gebrekkige product.

De tenzij-factoren

De mogelijkheden om een vordering ex art. 6:77 BW jegens de arts of het ziekenhuis af te wijzen volgen uit de zogenoemde tenzij-clausule van art. 6:77 BW. Een dergelijke vordering kan worden afgewezen, indien toerekening aan de arts of het ziekenhuis als onredelijk wordt beoordeeld op grond van:

–            de inhoud en strekking van de rechtshandeling waaruit de verbintenis voortspruit;

–            de in het verkeer geldende opvattingen; en

–            de overige omstandigheden van het geval.

Inhoud en strekking van de rechtshandeling

Wanneer een medische hulpzaak wordt gebruikt bij de ­uitvoering van een geneeskundige behandeling, hebben we te maken met een bijzondere relatie tussen de arts en de patiënt. De rechtsbetrekking tussen arts en patiënt wordt beheerst door de wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Boek 7, titel 7, afdeling 5 BW). Een arts is uit hoofde van de behandelingsovereenkomst verplicht bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen en te handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid voortvloeiende uit de voor hem geldende professionele standaard (art. 7:453 BW). De norm die daarbij wordt toegepast is die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot onder gelijke omstandigheden. In zijn arrest van 6 juni 2010 heeft het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch geoordeeld dat de toe te passen zorgvuldigheidsnorm bij een medische behandeling niet zo streng is dat alleen het optimale handelen voldoende is5.

De zorgplicht die de arts bij de uitvoering van de geneeskundige behandeling in acht moet nemen wordt gekwalificeerd als een inspanningsverbintenis, niet als een resultaatsverbintenis. De arts kan immers niet volledig instaan voor het resultaat van een medische behandeling omdat ieder menselijk lichaam anders is en het resultaat van de medische behandeling afhankelijk is van dat lichaam. Van de arts mag worden verlangd dat hij zich inspant voor een zo goed mogelijk resultaat.Wijne, Van en Timmermans menen dat de arts een resultaatsverplichting kent ten aanzien van het aanwenden van geschikte hulpzaken6. Het menselijk lichaam is immers niet altijd een ongewisse factor. Terecht werpt Santen de vraag op of het gezien de aard van de geneeskundig behandelingsovereenkomst te billijken is om via art. 6:77 BW het risico van een slecht resultaat, dat zijn oorzaak vindt in de ongeschiktheid van een gebruikte hulpzaak aan de arts toe te rekenen, ook wanneer de arts daar niets aan kan doen7. Met Santen ben ik van mening dat een dergelijke toerekening niet redelijk is. Van de arts mag de nodige zorg worden verlangd bij het selecteren van een door hem te gebruiken hulpzaak. Blijkt de hulpzaak uiteindelijk gebrekkig te zijn, en was dit voor de arts, als professionele gebruiker, redelijkerwijze niet kenbaar uit het door hem te verrichten deugdelijkheidsonderzoek, dan kan het gezien de aard van de geneeskundige behandelingsovereenkomst niet aan de arts worden toegerekend dat het middel blijkt te falen. Door dit wel te doen, wordt de geneeskundige behandelingsovereenkomst van een schuldaansprakelijkheid een risicoaansprakelijkheid. Dat is niet de gedachte die ten grondslag heeft gelegen aan de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Anders is de situatie waarin de arts (of het ziekenhuis) wel iets te verwijten valt in de keuze voor het – later gebleken – gebrekkige hulpmiddel. Wanneer de arts bijvoorbeeld onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de deugdelijkheid van het hulpmiddel of het hulpmiddel door zijn verwijtbaar handelen gebrekkig is geworden (denk aan een niet steriele arthroscoop die wordt gebruikt bij een operatie of een door de arts veroorzaakte lekkage in een borstprothese) kan toerekening wel redelijk zijn8. Echter, veelal hoeft dan niet aan art. 6:77 BW te worden toegekomen omdat de patiënt in een dergelijk geval kan volstaan met een beroep op de algemene zorgvuldigheidsverplichting van art. 7:453 BW (eventueel in combinatie met de informatieplicht van art. 7:448 BW).

De in het verkeer geldende opvattingen en overige omstandigheden van het geval

De factoren die in het kader van de verkeersopvattingen en overige omstandigheden van het geval relevant zijn, zijn onder andere de verhaalsmogelijkheden van de arts/het ziekenhuis, de bewijsproblematiek, de mate waarin de arts de vrijheid heeft gehad de hulpmiddelen te kiezen en eventueel gesloten verzekeringen.

Verhaalsmogelijkheden

Wijne en Timmermans voeren aan dat de verhaalspositie van de arts en het ziekenhuis beduidend beter is dan die van de patiënt omdat de patiënt, anders dan de arts en/of het ziekenhuis, niet in een contractuele verhouding staat tot de producent of fabrikant van het hulpmiddel9. Het is voor de arts/het ziekenhuis aldus veel makkelijker de ­producent van het hulpmiddel te achterhalen. Afgezien van de mogelijkheid dat de arts de patiënt op eenvoudige wijze kan voorzien van de gegevens van de producent of fabrikant, vormt de contractuele relatie tussen de arts/het ziekenhuis en de producent nu juist een drempel voor verhaal omdat producenten over het algemeen vergaande exoneratie-clausules opnemen in hun contracten met ziekenhuizen. De mogelijkheid van verhaal is dan verre van eenvoudig. Ook Santen ziet de veronderstelde betere verhaals­mogelijkheid van de arts niet en wijst op de Tijdelijke Regeling Verhaalsrechten (art. 6:197 BW) en consumentenbeschermingsbepalingen die niet gelden voor de regres zoekende arts10.

De omstandigheid dat de producent geen verhaal biedt is als zodanig geen reden om de gebrekkigheid van het ­gebruikte hulpmiddel dan maar aan de arts toe te rekenen. Dat vond ook rechtbank Den Bosch in een zaak over een gebrekkige ballonkatheter11. De vordering van de patiënt jegens de producent was verjaard maar dat was voor de rechtbank geen reden om de gebrekkigheid van de ­gebruikte ballonkatheter aan het ziekenhuis toe te rekenen.

Bewijsproblematiek

In de literatuur wordt ook wel gesteld dat de arts betere mogelijkheden heeft om te onderzoeken wat er precies fout is gegaan bij de medische behandeling. Door Timmermans wordt aangegeven dat het voor de patiënt vaak lastig is om aan te tonen of de schade is veroorzaakt door een gebrekkige zaak of door foutief handelen van de arts12. Om die reden is het volgens Timmermans redelijk een productfalen aan de arts toe te rekenen, zodat in het midden kan blijven of de schade is ontstaan door een fout van de arts of een gebrek in de gebruikte hulpzaak. Deze voorgestelde benadering biedt vanuit het oogpunt van de bewijsproblematiek van de patiënt zeker een mooie oplossing, maar druist in tegen zowel de wettelijke regeling inzake de bewijslastverdeling als de ratio van de aansprakelijkheid van de arts/het ziekenhuis voor een ­medische fout die nog altijd is gebaseerd op een schuldaansprakelijkheid. Dit houdt in dat de arts een verwijt moet kunnen worden gemaakt alvorens tot aansprakelijkheid kan worden gekomen.

De bewijsproblematiek lag ten grondslag aan de uitspraak van de rechtbank Breda in een deelgeschilprocedure over het losschieten van slotjes van de onrustbanden waarmee de patiënt aan het bed was gefixeerd13. Door het los­schieten van het slotje is de patiënt uit bed gevallen en heeft daardoor schade geleden. Het betreffende slotje was echter, door toedoen van het ziekenhuis, niet meer voor onderzoek beschikbaar, omdat een verpleegster het slotje bij vergissing weer samen met de andere in het ziekenhuis aanwezige slotjes in gebruik had genomen. Een eventueel verhaal op de producent was door de bewijsproblematiek van de gebrekkigheid van het slot in grote mate bemoeilijkt. De rechtbank achtte het dan ook redelijk de eventuele gebrekkigheid van het slotje op grond van art. 6:77 BW toe te rekenen aan het ziekenhuis. Daarbij was ook van belang dat het ging om een eenvoudig en reeds voorafgaand aan het gebruik vast te stellen gebrek, namelijk door aan het slotje te trekken om te controleren of het slotje werkte. Ook deze omstandigheid maakte toerekening aan het ziekenhuis redelijk.

Keuzevrijheid

Een van de argumenten die wordt genoemd waarom toe­rekening van een gebrekkige medische hulpzaak aan de arts of het ziekenhuis redelijk is, is de omstandigheid dat de arts of het ziekenhuis heeft gekozen voor de bewuste hulpzaak. Hoewel het inderdaad vaak de arts of het ziekenhuis is die de keuze maakt voor de hulpzaken die bij de uitvoering van de medische behandeling worden gebruikt, is dit niet altijd het geval. Ook de patiënt heeft in bepaalde situaties de mogelijkheid om te kiezen welke medische hulpzaak zal worden gebruikt bij de uitvoering van zijn of haar medische behandeling. Een illustratief voorbeeld is het gebruik van het Implanon staafje dat als anticonceptiemiddel diende en waarmee de patiënt zich tot een arts wendde met het verzoek het staafje in de bovenarm te implanteren. Hier ligt de keuze van het medische hulpmiddel volledig bij de patiënt.

Ook komt het voor dat de arts de patiënt de keuze geeft uit verschillende hulpzaken. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij het gebruik van protheses en implantaten. Het is dan uiteindelijk de patiënt die, na uitgebreid geïnformeerd te zijn over de verschillende hulpmiddelen door de arts, de keuze maakt voor een bepaalde hulpzaak.

Naast de keuzevrijheid van de patiënt zijn er nog andere factoren die van invloed kunnen zijn op de keuze voor een bepaald medisch hulpmiddel. Zo zien we bijvoorbeeld de steeds grotere invloed van zorgverzekeraars op de keuze van medische hulpmiddelen. De zorgverzekeraar stuurt niet alleen (indirect) de keuze voor een bepaald hulpmiddel door middel van haar vergoedingsbeleid aan haar verzekerden, maar zij oefent ook meer en meer invloed uit op het inkoopbeleid van ziekenhuizen. Deze invloed zal in de toekomst naar verwachting alleen maar toenemen.

Het is de vraag, in hoeverre het redelijk is de gebrekkigheid van een gebruikte hulpzaak toe te rekenen aan de arts of het ziekenhuis, enkel omdat de arts/het ziekenhuis de keuze heeft gemaakt voor het betreffende hulpmiddel. Wanneer er aan de selectie van de te gebruiken hulpzaak een zorgvuldig onderzoek vooraf is gegaan en het betreffende hulpmiddel ook nog aan een visuele inspectie door de arts is onderworpen, mag de arts vertrouwen op de informatie die hij krijgt van de producent, die het middel ook op deugdelijkheid heeft getest en mag hij erop vertrouwen dat het hulpmiddel geschikt is om te gebruiken. De arts is in redelijkheid niet gehouden tot een verdere controle of, zoals Santen stelt, het dunnetjes overdoen van de fabrieks- en keuringsinstitutencontroles14.

Dat vond ook de rechtbank Den Bosch in de eerder ­besproken ballonkatheter zaak, door te oordelen dat de arts, afgezien van de door hem gehouden visuele inspectie, in redelijkheid niet zonder meer gehouden was tot een verdere controle die gelijkwaardig zou moeten zijn aan de fabriekscontrole15. Op basis van de omstandigheden in die zaak oordeelt de rechtbank dat het niet redelijk is de tekortkoming als gevolg van het gebruik van de hulpzaak aan het ziekenhuis toe te rekenen en dat het feit dat de keuze voor de te gebruiken hulpzaak bij het ziekenhuis lag (en het feit dat het ziekenhuis verzekerd was) daaraan in het geheel niet afdoet.

In vergelijkbare zin oordeelde ook de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een vonnis van 15 januari 2014 met betrekking tot het gebruik van een (gebrekkige) borstprotheses die bij een patiënte waren geplaatst in een privékliniek16. De rechtbank oordeelde dat op grond van de CE-markering, het strenge toelatingsregime en het feit dat de implantaten van de betreffende producent wereldwijd werden toegepast, de gebrekkigheid voor deskundige gebruikers niet was te onderkennen. De kliniek mocht op de deugdelijkheid van de implantaten vertrouwen. De rechtbank vond het niet redelijk om het gebrek aan de kliniek en/of de arts als haar tekortkoming (in de door haar met de patiënte gesloten geneeskundige behandelingsovereenkomst) toe te rekenen. Dat zou ook niet stroken met (de parlementaire geschiedenis van) art. 6:77 BW en de wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst.

Afgesloten verzekeringen

Hoewel hiertoe geen verplichting bestaat, hebben de meeste artsen en ziekenhuizen een verzekering afgesloten tegen risico’s van aansprakelijkheid voor schade die is ontstaan bij de uitvoering van een geneeskundige behandelingsovereenkomst. Het hebben van een verzekering betekent nog niet automatisch dat het dus redelijk is de schade die voortkomt uit het gebruik van een medische hulpzaak aan de arts of het ziekenhuis toe te rekenen. Bovendien kiezen ziekenhuizen steeds meer voor een hoog eigen risico waardoor eventuele schade vanwege een aansprakelijkheid voor rekening van de arts of het ziekenhuis blijft. Overigens zou het in het belang van de rechtsgelijkheid voor de patiënt, voor wat betreft de aansprakelijkheid van de arts, geen verschil moeten uitmaken of er wel of niet sprake is van een ver­zekering. Onwenselijk is de situatie waarin de ene patiënt wel een schadevergoeding ontvangt en de andere patiënt niet, terwijl het handelen van de artsen jegens deze patiënten vergelijkbaar is geweest, maar de arts in het eerste geval wel een verzekering had afgesloten en de arts in het tweede geval niet.

Op basis van de bedoeling van de wetgever, de aard van de geneeskundige behandelingsovereenkomst, de factoren van de tenzij-clausule en de gewezen rechtspraak lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat toerekening van een gebrekkige hulpzaak aan de arts aan wie geen verwijt kan worden gemaakt van deze gebrekkigheid niet redelijk is.

Hof Den Bosch 25 november 2014

Het hof Den Bosch heeft het in zijn arrest van 25 november 2014 wel redelijk geacht om – voorshands – de gebrekkigheid van de bij de patiënte geplaatste PIP-protheses toe te rekenen aan het ziekenhuis.

Het gaat in deze procedure om een patiënte die in 2001 in het Boerhaave Medisch Centrum een borstvergrotingsoperatie heeft ondergaan. Daarbij zijn PIP-implantaten geplaatst. Na acht jaar zijn deze implantaten gaan lekken, waarop de patiënte het ziekenhuis heeft aangesproken voor haar schade, onder meer op grond van art. 6:77 BW. De rechtbank in eerste aanleg heeft de vordering afgewezen, onder andere omdat de ongeschikte industriële siliconengel door de producent pas was gebruikt na 2001 en het gegeven dat de protheses waren gaan lekken na acht jaar niet zonder meer met zich meebracht dat de protheses ondeugdelijk waren op het moment van implantatie. Het hof oordeelt in hoger beroep anders. Zo overweegt het hof allereerst dat de bij de patiënte geplaatste protheses ongeschikt zijn in de zin van art. 6:77 BW indien komt vast te staan dat industriële gel is gebruikt. Mede naar aanleiding van het bericht van de IGZ dat de fabrikant van de PIP-protheses ook al vóór 2002 had gefraudeerd met implantaten gaat het hof er voorlopig van uit dat ook de implantaten die bij de patiënte zijn geplaatst deze ongeschikte gel bevatten. Vervolgens komt het hof toe aan de vraag of het redelijk is om de ongeschiktheid van de protheses toe te rekenen aan het ziekenhuis. Het overweegt hiertoe het volgende17: “Voorshands is het hof van oordeel dat het in het onderhavige geval, waar het gaat om een hele serie ondeugdelijke hulpmiddelen doordat de fabrikant daarmee heeft gefraudeerd door voor toe­passing in het menselijk lichaam ongeschikt materiaal te gebruiken, redelijk is dat toe te rekenen (art. 6:77 BW) aan het ziekenhuis en niet voor rekening te laten blijven van de groep patiënten – waaronder voorlopig veronderstellenderwijs appellante – die dit heeft getroffen. Daarbij betrekt het hof de omstandigheid dat de producent failliet is en dus geen verhaal biedt, dat Boerhaave degene is die voor deze prothese heeft gekozen – van welke keuze haar, zoals reeds overwogen, overigens geen verwijt kan worden gemaakt – en dat het hier niet gaat om een hulpzaak die door een gebrek in dit éne exemplaar één keer faalt, zoals in de zaak van de pacemaker (Hof Amsterdam 7 januari 1988, TvG 1989, 99), maar om een hele serie ondeugdelijke producten.”

Het hof acht aldus drie omstandigheden van belang die het redelijk maken om de gebrekkigheid van de protheses toe te rekenen aan het ziekenhuis:

–        de producent is failliet waardoor deze geen verhaal biedt;

–        het ziekenhuis heeft voor de protheses gekozen (waarvan haar overigens geen verwijt kan worden gemaakt); en

–        het niet gaat om één gebrekkige prothese, maar een hele serie gebrekkige protheses.

Ten aanzien van de omstandigheid dat de producent failliet is en aldus geen verhaal meer biedt voor de patiënt kan de vraag worden gesteld waarom toerekening aan de arts of het ziekenhuis dan wél redelijk is. Een van de in de literatuur genoemde factoren op basis waarvan het al dan niet redelijk is de gebrekkigheid van een hulpzaak toe te rekenen aan de arts of het ziekenhuis is de betere verhaalspositie van het ziekenhuis. In dit geval is de producent failliet en dus is de verhaalspositie van het ziekenhuis niet beter dan die van de patiënt. Uitgangspunt van ons rechtsstelsel is dat iemand die schade lijdt, deze zelf draagt, tenzij er een bijzondere reden is om de schade af te wentelen op een derde. Het feit dat de producent failliet is maakt nog niet dat het om die reden redelijk is de schade af te wentelen op het ziekenhuis.

Het enkele feit dat het ziekenhuis de keuze heeft gemaakt voor de PIP-protheses maakt dat het hof het redelijk acht de gebrekkigheid hiervan toe te rekenen aan het ziekenhuis. Zoals het hof tot twee keer toe duidelijk maakt, kan het ziekenhuis geen verwijt worden gemaakt van deze keuze, in die zin dat het ziekenhuis zou hebben geweten of had moeten weten van de ondeugdelijkheid van de protheses wegens de daarin gebruikte industriële gel. Het is jammer dat het hof geen nadere onderbouwing geeft waarom hij deze omstandigheid nu juist van belang vindt om tot de toerekening aan het ziekenhuis te komen. Met name omdat deze overweging niet strookt met eerdere rechtspraak op dit punt18. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat het hier niet gaat om één gebrekkige hulpzaak, maar om een hele serie gebrekkige hulpzaken. Het hof licht niet toe waarom het in het geval van een hele serie gebrekkige hulpzaken eerder redelijk is om de gebrekkigheid toe te rekenen aan het ziekenhuis. De overweging van het hof betreft een voorshandse overweging. Het hof laat uitdrukkelijk nog ruimte open voor een discussie want het heeft partijen in de gelegenheid gesteld bij akte te reageren op zijn voorlopige oordeel.

Conclusie

Zolang de overweging van het hof een voorshandse overweging betreft, is het nog te vroeg om conclusies aan dit oordeel te verbinden. Het is immers nog mogelijk dat het hof in een volgend arrest, naar aanleiding van de door partijen hierover gevoerde discussie, terugkomt op zijn voorlopige overweging en oordeelt dat toerekening van de gebrekkige PIP-prothese aan het ziekenhuis toch niet redelijk is. Dat zou gezien de wetsgeschiedenis, de aard van de geneeskundige behandelingsovereenkomst, de factoren van de tenzij-clausule en de over dit onderwerp gewezen rechtspraak geen verrassing zijn. Mocht het hof bij zijn voorshandse oordeel blijven, dan is het interessant te zien of andere rechtbanken en gerechtshoven het hof zullen volgen, maar vooral ook hoe de Hoge Raad dit juridische vraagstuk zal beoordelen. Bij bijna alle (invasieve) medische behandelingen wordt gebruik gemaakt van medische hulpmiddelen, waardoor met de toepassing van art. 6:77 BW een risicoaansprakelijkheid zou worden binnengehaald bij de geneeskundige behandelingsovereenkomst.

1            Hof Den Bosch 25 november 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4936.

2            MvA II, Parl. Gesch. p. 271-272.

3            MvT, TK 1989-1990, nr. 21561, nr. 3, p. 43- 44.

4            Rb. Arnhem 28 november 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BY6606.

5            Hof Den Bosch 6 juni 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BN2030.

6            A.J. Van, ‘De aansprakelijkheid voor gebrekkige medische hulpmiddelen – Implanon revisted’, TVP 2011/aflevering 2, p. 46; R.P. Wijne, ‘Wie betaalt de schade van de patiënt in geval van een disfunctionerende prothese?’, TvGR 2012, 4, p. 304; en I.C. Timmermans, ‘Contractuele aansprakelijkheid voor medische hulpzaken’, Verkeersrecht 2014, nr. 2, p. 49.

7            A.E. Santen, ‘De aansprakelijkheid voor de gebrekkige hulpzaak in het licht van de GBO’, PIV-Bulletin 2013, 3, p. 6-7.

8            Zie bijv. Hof Arnhem 7 september 2004, TvGR 2005, 44 (ongeschikte arthroscoop) en Hof Arnhem 27 juni 2000, VR 2002/112 (ondeugdelijke borstprothesen).

9            R.P. Wijne, ‘Aansprakelijkheid voor zorggerelateerde schade’, BJu: Den Haag 2013, p. 272; Timmermans, p. 50.

10          Santen, t.a.p. p. 7.

11          Rb. Den Bosch 21 juli 2010, Letsel & Schade 2011, nr. 3.

12          Timmermans, t.a.p. p. 50.

13          Rb. Breda 3 januari 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BO9631.

14          Santen, t.a.p. p. 7.

15          Rb. Den Bosch 21 juli 2010, Letsel & Schade 2011, nr. 3.

16          Rb. Zeeland-West-Brabant 15 januari 2014, ECLI;NL:RBZWB:2014:3600.

17          R.o. 3.6.3.5.

18          Hof Den Haag 18 september 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BX8413, Rb. Den Bosch 21 juli 2010, Letsel & Schade 2011, nr. 3, Rb. Zeeland-West-Brabant 15 januari 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:3600.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey