• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Limburg
  • 29 maart 2017
  • ECLI:NL:RBLIM:2017:3046

Rb: eisen van zelfstandige onvoldoende onderbouwd

Verzekeraar heeft voor een ongeval in 2003 reeds € 270.000 betaald. De gewonde zelfstandige vordert een groot bedrag wegens VAV, mede aan de hand van een Duits rapport. De rechter acht het VAV onvoldoende onderbouwd omdat geen jaarrekeningen, begroting of strategisch plan zijn overgelegd. Onvoldoende is aangetoond dat het bedrijf winstgevend zou zijn geworden. Slechts op basis van veronderstellingen wordt van verliesgevend voor het ongeval naar winstgevendheid in de situatie zonder ongeval uitgegaan. De kosten van de door de benadeelde gestelde stakingskosten van de onderneming zijn enerzijds dubbel met andere posten en anderzijds niet onderbouwd. De vermindering van waarde van de onderneming is evenzeer onvoldoende onderbouwd omdat het Duitse rapport, waarop dit gebaseerd zou zijn, niet volledig is. Het smartengeld wordt afgewezen omdat ook dat onvoldoende is onderbouwd en niet toegelicht is. Het benoemen van een medisch deskundige wordt afgewezen omdat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt waarom de ontvangen uitkering van Achmea niet toereikend is geweest.

Instantie Rechtbank Limburg

datum uitspraak 29-03-2017

datum publicatie 05-04-2017

Zaaknummer C/03/206507 / HA ZA 15-293

Rechtsgebieden Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie Eiswijziging. Letselschade. Onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat meer schade is of zal worden geleden dan de reeds ontvangen vergoeding van de verzekeraar.

vindplaatsen Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/206507 / HA ZA 15-293

Vonnis in hoofdzaak van 29 maart 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. M. Moszkowicz Jr,

tegen

de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde,

advocaat mr. E. Bos-van den Berg.

Partijen zullen hierna [eiser] en Achmea genoemd worden.

1 Het verder verloop van de procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

 het tussenvonnis van 3 augustus 2016;

 de akte uitlating, tevens houdende wijziging van eis;

 de conclusie uitlating producties, tevens antwoordakte wijziging van eis en verzoek tot stellen zekerheid;

 de akte uitlating verzoek tot stellen zekerheid.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.  [eiser] heeft zijn eis gewijzigd bij akte van 19 oktober 2016. [eiser] vordert thans bij vonnis, voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1.         een deskundige, zijnde een verzekeringsgeneeskundige, te benoemen die als opdracht zal krijgen de beperkingen van [eiser] vast te stellen met inachtneming van de rapporten van dr. Kemperman en dr. Oosterhoff;

2.         Achmea te veroordelen tot betaling aan [eiser] een bedrag van € 4.819.850,00 ten titel van schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 augustus 2003, althans vanaf de dag van dagvaarding, althans vanaf heden tot die der algehele voldoening;

3. Achmea te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag wegens kosten van daadwerkelijke rechtsbijstand, tot en met 30 september 2016 begroot op € 39.163,27, zomede een bedrag ter zake van deskundigenkosten van € 7.013,96, beide genoemde schadebedragen vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 augustus 2003, althans vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf heden tot die der algehele voldoening;

4. Achmea te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding aan [eiser] , te vermeerderen met de (na)kosten en, voor geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen van af bedoelde termijn voor voldoening.

2.2. Achmea concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Achmea maakt bezwaar tegen de eiswijziging zoals weergegeven onder punt 3 van rechtsoverweging 2.1. Er wordt thans een hoger bedrag gevorderd dan bij dagvaarding. Achmea stelt voorts een voorwaardelijk verzoek tot het stellen van zekerheid door [eiser] in, ter zake van het bedrag inclusief rente en kosten, waartoe Achmea wordt veroordeeld, onder de voorwaarde dat Achmea wordt veroordeeld en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.

2.3. [eiser] concludeert tot afwijzing van bovengenoemd verzoek.

2.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.De rechtbank zal eerst beoordelen of de eiswijziging van [eiser] , voor zover die betrekking heeft op punt 3 van rechtsoverweging 2.1, kan worden toegewezen. Tegen die wijziging heeft Achmea immers bezwaar aangetekend. Dit bezwaar is door Achmea echter niet nader toegelicht, anders dan dat sprake is van een vermeerdering van de eis op dit punt. Het bezwaar tegen de wijziging van eis wordt ongegrond verklaard, omdat niet gebleken is dat die wijziging in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Het enkele feit dat sprake is van een vermeerdering van eis maakt niet dat de eisen van een goede procesorde zijn geschonden. Artikel 130 Wetboek van Rechtsvordering (hierna: ‘Rv’) bepaalt immers dat de eiser bevoegd is zijn eis bij conclusie of akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen.

3.2. Bij het tussenvonnis van 2 augustus 2016 heeft de rechtbank – kort samengevat – geoordeeld dat de vorderingen van [eiser] zien op het verkrijgen van een vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden en nog zal lijden als gevolg van het hem op 24 augustus 2003 overkomen ongeval. Omdat vaststaat dat Achmea reeds een bedrag van € 270.000,00 heeft uitgekeerd voor de hiervoor bedoelde schade (inclusief buitengerechtelijke kosten) zal [eiser] eerst inzichtelijk dienen te maken dat deze uitkering ontoereikend is geweest en er desondanks nog steeds sprake is van schade die door Achmea vergoed dient te worden. Daarbij geldt dat de rechtbank tevens heeft geoordeeld dat sprake is van een medische eindtoestand, en de schade derhalve begroot kan worden. [eiser] is in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. De eiswijziging brengt in het voorgaande geen verandering.

3.3.De rechtbank zal dan ook beoordelen of [eiser] voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de ontvangen uitkering van Achmea ontoereikend is geweest en er nog steeds sprake is van – nog niet vergoede – schade. Daarbij heeft te gelden dat [eiser] , op grond van artikel 150 Rv, de stelplicht en bewijslast draagt ten aanzien van het bestaan van meer schade dan reeds door Achmea vergoed is. [eiser] dient aldus voldoende omstandigheden en feiten te stellen waaruit volgt dat hij (meer) schade heeft geleden en deze, voor zover door Achmea betwist, tevens te bewijzen. Pas als daarvan is gebleken, wordt toegekomen aan een beoordeling of de door [eiser] thans nog ervaren klachten (en de eventuele daaruit voortvloeiende schade) toe te rekenen zijn aan het ongeval dat hem op 24 augustus 2003 is overkomen.

3.4. [eiser] begroot zijn totale schade op € 5.089.850,00, bestaande uit de volgende posten:

– verlies aan arbeidsvermogen € 3.578.850,00

– kosten als gevolg van het staken van de bedrijfsactiviteiten € 315.000,00

– vermogensschade € 1.161.000,00

– smartengeld € 35.000,00

Het bedrag dat door Achmea is betaald (€ 270.000,00) is daarmee – zo stelt [eiser] – dus niet toereikend. Ter onderbouwing van de schadebegroting heeft [eiser] een rapport ingebracht van de heer ing. E.J. Bakker van ‘Het Rekenbureau’ (productie 27 zijdens [eiser] , hierna: ‘Bakker’) waarin de posten ‘verlies aan arbeidsvermogen’ en ‘kosten als gevolg van het staken van de bedrijfsactiviteiten’ zijn berekend. De post ‘vermogensschade’ onderbouwt [eiser] door verwijzing naar een rapportage van een bedrijfsadviseur van EU-CON BeraterForum, de heer F. Reifenrath (hierna: ‘Reifenrath’) getiteld ‘Gutachten zum Unternehmenswert auf Basis der Daten 2004’ (productie 28, bijlage 4 zijdens [eiser] ). De post ‘smartengeld’ onderbouwt [eiser] met de stelling dat hij zijn leven lang serieuze gezondheidsproblemen zal ondervinden.

3.5. Achmea stelt zich op het standpunt dat [eiser] onvoldoende inzichtelijk gemaakt heeft dat zijn schade meer bedraagt dan het reeds uitgekeerde bedrag van € 270.000,00. Ter onderbouwing heeft Achmea een rapportage van de heer N. Pott van Pott Expertise overgelegd (hierna: ‘Pott’).

3.6. De rechtbank zal hierna per schadepost beoordelen of aan de stel- en bewijsplicht aan de zijde van [eiser] is voldaan.

Verlies aan arbeidsvermogen

3.7. [eiser] verwijst voor de onderbouwing van deze schade naar het rapport van Bakker, die zich baseert op een als bijlage toegevoegd rapport van 1 oktober 2011, getiteld ‘Gutachten zur Feststellung von Einkjommensverlusten auf Basis der Daten 2004’ (productie 28, bijlage 2 zijdens [eiser] ). Van het Duitstalige rapport is een vertaling overgelegd.

3.8. In dit rapport van Reifenrath is de potentiële inkomensontwikkeling van [eiser] met zijn bedrijf berekend indien het ongeval niet had plaatsgevonden. Bij deze berekening wordt ervan uitgegaan dat [eiser] zijn bedrijf volgens een beoogde strategische planning in de jaren na het ongeval zou weten uit te bouwen tot een succesvol winstgevend bedrijf. In het rapport van Reifenrath wordt tevens een overzicht gegeven van de feitelijk gerealiseerde inkomsten met het bedrijf van [eiser] na het ongeval van 2004 tot en met 2009. Op basis daarvan concludeert Bakker dat het inkomen in die periode nihil is geweest. Van de jaren 2010 tot 2017 zijn geen inkomsten bekend en worden de inkomsten eveneens op nihil gesteld. Op verzoek van [eiser] gaat Bakker ook voor de komende jaren – tot aan het pensioen van [eiser] – uit van inkomsten nihil. Dit afgezet tegen de resultaten die met het bedrijf volgens het rapport van Reifenrath zonder het ongeval bereikt zouden zijn, brengt het verlies aan arbeidsvermogen op € 3.578.850,00.

3.9. Achmea stelt dat de verstrekte cijfers waarnaar in de rapportages van Reifenrath en Bakker wordt verwezen, niet controleerbaar zijn en dat het uitgangspunt dat [eiser] zijn bedrijf zou weten uit te bouwen tot een winstgevend bedrijf niet realistisch is en niet voortvloeit uit het verloop van het bedrijf vóór het ongeval. [eiser] had volgens Achmea vanaf 1997 tot en met 2003 immers – met uitzondering van de jaren 1999 en 2000 – steeds een negatief bedrijfsresultaat. Achmea verwijst naar het rapport van Pott, die een overzicht heeft gemaakt van de met het bedrijf daadwerkelijk behaalde resultaten. Achmea betwist dat de strategische planning, van welke realisatie bij de berekening door Reifenrath wordt uitgegaan, al voor het ongeval bestond.

3.10. De rechtbank overweegt dat [eiser] het gestelde verlies aan arbeidsvermogen onvoldoende heeft onderbouwd. In de eerste plaats liggen aan de rapportages van Reifenrath en Bakker, zoals Achmea terecht stelt, geen jaarrekeningen of andere stukken ten grondslag zoals een door [eiser] voor het ongeval opgestelde begroting en strategisch plan . Dit leidt ertoe dat de gegevens, waarvan Reifenrath en Bakker uitgaan, niet te controleren zijn. Ten tweede is onvoldoende aangetoond dat het bedrijf van [eiser] , in de jaren na het ongeval, winstgevend zou zijn geworden en de strategische planning waarvan Reifenrath uitgaat, realistisch was. Reifenrath noemt indicatoren die volgens hem wijzen op een succesvolle voortzetting van het bedrijf (waaronder een aanwezige voorraad en de ontwikkeling van het verven met een ander bedrijf), maar dit zijn veronderstellingen die niet op een destijds al bestaand plan waren gebaseerd en zij tonen op geen enkele wijze aan dat de strategische planning daadwerkelijk kon worden, en zou worden, uitgevoerd. Daarbij wordt bovendien niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre de strategische planning – als die al realistisch was – uiteindelijk tot de door Reifenrath begrote resultaten hebben geleid.

Kosten als gevolg van het staken van de bedrijfsactiviteiten

3.11. [eiser] verwijst voor de onderbouwing van deze schade wederom naar het rapport van Bakker. Bakker somt in zijn rapport kosten op die door [eiser] zouden zijn gemaakt teneinde zijn bedrijfsactiviteiten na het ongeval te staken. Het kostenoverzicht is afkomstig van [eiser] zelf en bedraagt in totaal € 315.000,00. Achmea volstaat met een betwisting van elke post en constateert dat enkele posten dubbel zijn aangevoerd (ze zijn namelijk ook opgevoerd onder de posten ‘verlies aan arbeidsvermogen’ en ‘buitengerechtelijke kosten’).

3.12. De rechtbank overweegt dat de genoemde kosten op geen enkele wijze onderbouwd zijn. Het overzicht zou afkomstig zijn van [eiser] , maar er zijn geen stukken overgelegd of zelfs maar een toelichting gegeven waaruit blijkt dat de kosten daadwerkelijk gemaakt zijn. Ook dit deel van de schadevordering ligt dus voor afwijzing gereed.

Vermogensschade

3.13. [eiser] verwijst voor de onderbouwing van deze schade naar een analyse van Reifenrath van 15 juli 2009 getiteld ‘Gutachten zum Unternehmenswert auf Basis der Daten 2004’ (productie 28, bijlage 4 zijdens [eiser] ). Daarin wordt de waarde van de onderneming van [eiser] in twee hypothetische scenario’s zonder ongeval vergeleken met de feitelijke waarde waarin wel een ongeval heeft plaatsgevonden, hetgeen in de hypothetische meest gunstige situatie een vermogensschade van € 1.1610.000,00 oplevert.

3.14. Achmea betwist dat vermogensschade is geleden. Achmea voert in de eerste plaats aan dat de rapportage van Reifenrath niet compleet is nu de bijlagen bij het rapport, de bewijsstukken, ontbreken en het rapport niet op briefpapier van het bedrijf gesteld is. Voorts wordt van te gunstige uitgangspunten uitgegaan, terwijl de bedrijfsresultaten voorafgaand aan het ongeval niet goed waren. De economische (slechte) situatie en het uittreden van de partner van [eiser] uit de onderneming in 2001 zijn niet meegenomen.

3.15. De rechtbank constateert dat van het Duitstalige rapport geen vertaling is overgelegd. Bovendien is het rapport, zoals Achmea terecht opmerkt, niet compleet. Bij het rapport horen immers drie bijlagen met berekeningen, die niet zijn overgelegd. Door het ontbreken van de berekeningen is door de rechtbank niet na te gaan hoe tot de in het rapport genoemde cijfers is gekomen. Dit brengt de rechtbank reeds tot de conclusie dat de gestelde vermogensschade door [eiser] onvoldoende is onderbouwd en derhalve niet kan worden toegewezen.

Smartengeld

3.16. De rechtbank overweegt dat [eiser] zijn post ‘smartengeld’ onvoldoende heeft onderbouwd. Er is geen enkele toelichting gegeven hoe tot dit bedrag is gekomen en er is volstaan met het noemen van een bedrag in de akte uitlating van 19 oktober 2016. De schade in deze post zal daarom eveneens worden afgewezen.

3.17. De rechtbank komt op grond van het hiervoor overwogene tot de slotsom dat [eiser] onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de ontvangen uitkering van Achmea ontoereikend is geweest en er nog steeds sprake is van schade. Reeds om die reden zal de vordering tot schadevergoeding worden afgewezen. Ook de nevenvorderingen van [eiser] (benoeming van een deskundige en veroordeling van Achmea in de kosten van daadwerkelijke rechtsbijstand) zullen om die reden worden afgewezen. Aan het voorwaardelijke verzoek tot zekerheidsstelling van Achmea wordt niet meer toegekomen.

3.18. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Achmea worden begroot op:

– griffierecht € 1.909,00

– salaris advocaat € 2.682,00 (3 punten× tarief € 894,00)

Totaal € 4.591,00

3.19. De nakosten worden toegewezen op de wijze als in de beslissing vermeld.

3.20. Over de proces- en nakosten zal [eiser] bij niet tijdige betaling aan Achmea wettelijke rente verschuldigd zijn, zoals gevorderd door Achmea.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1. wijst de vorderingen af;

4.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Achmea tot op heden begroot op € 4.591,00, te voldoen binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

4.3. veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van vijftien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;

4.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2017.1 1type: CD coll: