• Jurisprudentie
  • ECLI:NL:RBGEL:2015:1230
  • Zaaknummer: 275228

Rb, deelgeschil: reflexwerking art 185 WVW, plotseling linksaf slaande fietser is geen overmacht

Botsing tussen inhalende motorfiets en plotseling linksaf slaande fietser. Motorrijder stelt fietser aansprakelijk voor het opgelopen beenletsel. De rechtbank stelt vast dat het geschil dient te worden beoordeeld aan de hand van de reflexwerking van art. 185 WVW (HR 6 februari 1987, NJ 1988, 57 en HR 4 mei 2001, NJ 2002, 214), waarbij de 100%- en 50%- regel niet reflecteert. De rechtbank overweegt dat indien het beroep op overmacht slaagt de ongemotoriseerde (verweerder) de schade van de gemotoriseerde (verzoeker) volledig dient te vergoeden (HR 6 februari 1987, NJ 1988, 57). De rechtbank verwerpt echter het beroep op overmacht. Ook als de motor niet te hard reed, de fietser niet voorgesorteerd was zonder waarschuwing en linksaf sloeg, is geen sprake van overmacht. De wegsituatie ter plaatse was overzichtelijk en de motorrijder had de fietser zien fietsen. De motorrijder had rekening moeten houden met de kans dat de fietser plotseling linksaf zou kunnen slaan. Verzoek afgewezen. Kosten deelgeschil € 9.730,13, uurtarief € 255,00
(geen verweer tegen kosten gevoerd).

ECLI:NL:RBGEL:2015:1230

 

Instantie

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak

29-01-2015

Datum publicatie

25-02-2015

Zaaknummer

275228

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Reflexwerking artikel WVW

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

http://uitspraken.rechtspraak.nl/image/?id=87f6deb4-0668-4f2e-9b00-777e147f2c86http://uitspraken.rechtspraak.nl/image/?id=931d745b-b577-4239-babe-dfe2034b0ac8beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rekestnummer: C/05/275228 / HA RK 14-167

Beschikking van 29 januari 2015

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te Arnhem,

verzoeker,

advocaat mr. S. Demirtas te Arnhem,

tegen

[verweerder],

wonende te Arnhem,

verweerder,

advocaat mr. A.T.L. van der Meulen te Arnhem.

Partijen worden hierna [verzoeker] en [verweerder] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

·        

het verzoekschrift,

·        

het verweerschrift,

·        

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 december 2014 waaruit volgt dat de kantonrechter de zaak (met zaaknummer 3498275 AZ VERZ 14-73) heeft verwezen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken,

·        

de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 11 december 2014.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] en [verweerder] zijn op 19 juni 2013 omstreeks 21:00 uur betrokken geweest bij een verkeersongeval op de Gelderse Rooslaan te Arnhem. [verzoeker] reed op een motor en [verweerder] op een fiets. Zij kwamen beiden uit de richting van de Nelson Mandelabrug en reden beiden in de richting van de Huissensestraat, [verweerder] voorop (op de fietsstrook aan de rechterzijde van de weg) en [verzoeker] daar achter. Op enig moment heeft [verweerder] zijn weg willen vervolgen op het fietspad dat links van de weg op een dijk was gelegen (Malburgse Bandijk). [verzoeker] heeft [verweerder] tijdens deze manoeuvre aangereden, als gevolg waarvan zowel [verweerder] als [verzoeker] ten val zijn gekomen. [verzoeker] heeft bij die val onder meer zijn rechter sleutelbeen gebroken.

2.2.

Uit het ongevalsdossier van de politie Gelderland-midden wordt als volgt geciteerd:

“(…)

Proces-Verbaal aanrijding overtreding

(…)

Vermoedelijke toedracht

De motorrijder kwam met de normale snelheid de Gelderse Rooslaan op rijden. Hij wilde een fietser inhalen. Dit deed hij ruim. De fietser sloeg ineens linksaf zonder richting aan te geven of achterom te kijken. De fietser wilde links van hem de dijk op. Hierop reed de motorrijder, de fietser in de flank.

(…)

Wij [naam] en [naam] hebben [verweerder] voornoemd als verdachte aangemerkt, omdat wij uit bovenstaande omstandigheden hebben afgeleid dat ten aanzien van deze persoon sprake was van een redelijk vermoeden van schuld dan wel betrokkenheid bij het ongeval.

Dit bleek ons uit de gedraging:

– Afslaan zonder richting aan te geven.

Dit bleek uit de omstandigheden zoals die zijn beschreven bij “Vermoedelijke toedracht”.

(…)

Proces-Verbaal verhoor benadeelde (toevoeging rb: [verzoeker])

(…)

Op woensdag 19 juni 2013 omstreeks 21.00 uur was ik onderweg vanuit Apeldoorn naar de woning van mijn moeder aan het [adres] te Arnhem. Toen ik vanaf de Nelson Mandelabrug de Gelderserooslaan op reed, zag ik voor mij een fietser fietsen op de fietsstrook aan de rechterzijde van de weg. Ik reed op dat moment ongeveer 40 km/u. Toen ik de fietser wilde inhalen, ging ik naar het midden van de weg, omdat mij geleerd is ruim in te halen zodat de fietsers dan niet schrikken. Op het moment dat ik vlakbij was, sloeg de fietser ineens linksaf, ik kon toen niet meer remmen en raakte de fietser aan de linkerzijde. Ik denk dat de fietser afsloeg om het fietspad op de Malburgse bandijk op te gaan.

Ik ben toen gevallen en voelde direct een hevige pijn aan mijn rechterschouder en aan mijn nek. Ik ben nog wel opgestaan en heb mijn helm afgedaan. Daarna ben ik gaan liggen in de berm.

Ik hoorde van verschillende getuigen dat zij hadden gezien wat er was gebeurd en dit aan de politie zouden vertellen.

(…)

Proces-Verbaal verhoor getuige

(…)

Achternaam: [naam]

Voornamen: [naam]

(…)

Op woensdag 19 juni 2013, omstreeks 21.00 uur, liep ik op de Gelderse Rooslaan te Arnhem. Ik zag een motorrijder mij tegemoet komen rijden. Ik zag dat hij met normale snelheid aan kwam rijden. Ik zag ook een fietser. Ik zag dat deze ineens naar links ging. Voor mij gezien naar rechts. Hij wilde waarschijnlijk de dijk op. Ik zag dat de motorrijder hard tegen de fietser klapte. De man op de fiets vloog van zijn fiets af en kwam met zijn hoofd op de grond. Hij bleef even liggen. De motorrijder viel ook en schuurde over de weg. Hij bleef ook liggen. Ik ging kijken en zag dat het [verzoeker] betrof. Ik ken hem als jongerenwerker.”

(…)

Proces-verbaal verhoor verdachte (toevoeging rb: [verweerder])

(…)

Op woensdag 19 juni 2013, omstreeks 21.00 uur, fietste ik op de Gelderse Rooslaan te Arnhem, richting het Monchyplein. Ik fietste op het fietspad (de fietsstrook) aan de rechterzijde van de weg. Ik zag drie jongens lopen aan de overkant van de weg. Ik wachtte totdat zij voorbij liepen, zodat ik af kon slaan naar links. Ik wilde de dijk op. Ineens klapte er een motor tegen mij aan. Hij raakte mij aan mijn linkerzijde. Ik had een black out. Ik weet niets meer totdat de ambulance kwam. In het ziekenhuis hebben ze een wondje op mijn onderbeen gehecht. Verder heb ik meerdere schaafplekken. Hierna ben ik weer naar huis gestuurd.

Ik heb niet achter me gekeken toen ik linksaf sloeg.

(…)

Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse

(…)

2.1.3.

Verkeersmaatregelen ter plaatse

Wij zagen het volgende:

·        

Voor de motorfiets bedroeg te ter plaatse toegestane maximumsnelheid 50 km/h.

·        

Ter plaatse waren geen verkeerstekens van toepassing, welke van invloed waren op het ontstaan van dit ongeval.

(…)

5.2.

Oorzaak, toedracht en gevolg

Op woensdag 19 juni 2013, omstreeks 21:04, reden de bestuurders van de fiets en de motorfiets over de Gelderse Rooslaan te Arnhem. Beide bestuurders kwamen uit de richting van de Eldenseweg en reden in de richting van de Malburgse Bandijk te Arnhem. Ter hoogte van de kruising, gevormd door de Gelderse Rooslaan en de Malburgse Bandijk, reed de bestuurder van de fiets naar links, kennelijk om de Malburgse Bandijk op te rijden. Hierbij liet de bestuurder van de fiets, de rechtdoor rijdende bestuurder van de motorfiets niet voorgaan en ontstond er een botsing tussen beide. Beide bestuurders kwamen hierdoor ten val en raakten beide gewond. De bestuurder van de motorfiets raakte hierbij ernstig gewond.

(…)”

2.3.

[verzoeker] stelt door het ongeval schade te hebben geleden waarvoor hij [verweerder] bij brief van 10 september 2013 aansprakelijk heeft gesteld.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] verzoekt bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

1.    te bepalen dat [verweerder] aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade en dat [verweerder] gehouden is de als gevolg van het ongeval d.d. 19 juni 2013 geleden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van het intreden van schade;

2.    [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 7.843,08 als voorschot op de door [verzoeker] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van de aanrijding, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van het verzoekschrift;

3.    [verweerder] te veroordelen overeenkomstig artikel 1019aa Rv jo. 6:96 BW tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 9.730,13;

4. [verweerder] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

Aan zijn verzoek heeft [verzoeker] – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat [verweerder] op grond van artikel 6:162 BW, dan wel artikel 185 lid 1 WVW, aansprakelijk is voor de schade die hij als gevolg van het hem op 19 juni 2013 overkomen ongeval heeft geleden. In het kader van artikel 185 WVW heeft [verzoeker] een beroep gedaan op overmacht.

3.3.

[verweerder] heeft verweer gevoerd. Hij heeft primair aangevoerd dat het onderhavige geschil zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure, nu er omtrent de feitelijke toedracht van het ongeval geen overeenstemming bestaat en het geschil voorts te complex is voor een beoordeling in de deelgeschilprocedure (onder meer vanwege de stelling van [verweerder] dat ook hij ten gevolge van het ongeval schade heeft geleden welke hij op [verzoeker] wenst te verhalen). Subsidiair heeft [verweerder] op inhoudelijke gronden betwist aansprakelijk te zijn voor de door [verzoeker] geleden schade.

4 De beoordeling

4.1.

De kern van het geschil betreft de vraag of [verweerder] aansprakelijk is voor de door [verzoeker] – ten gevolge van het ongeval op 19 juni 2013 – geleden schade. Vast staat dat het ongeval heeft plaats gevonden op de weg en dat bij het ongeval een gemotoriseerde en een ongemotoriseerde verkeersdeelnemer waren betrokken. In zoverre dient het geschil te worden beoordeeld aan de hand van artikel 185 WVW en in deze concrete situatie waarin de gemotoriseerde ([verzoeker]) schadevergoeding vordert van de ongemotoriseerde ([verweerder]) aan de hand van de reflexwerking van artikel 185 WVW (zie onder meer HR 6 februari 1987, NJ 1988, 57 en HR 4 mei 2001, NJ 2002, 214).

4.2.

De reflexwerking van artikel 185 WVW houdt in dat bij een aanrijding tussen een motorrijtuig waarmee op een weg wordt gereden en een fietser, waarbij schade wordt toegebracht aan de bestuurder van het motorrijtuig of aan het motorrijtuig zelf, behoudens overmacht aan de zijde van de gemotoriseerde, de schade (letsel-, dan wel zaakschade) – hoewel de fietser schuld heeft aan de aanrijding – in beginsel voor een gedeelte voor rekening blijft van de eigenaar van het motorrijtuig (zie onder meer HR 6 februari 1987, NJ 1988, 57 en HR 4 mei 2001, NJ 2002, 214). Het antwoord op de vraag voor wélk gedeelte, hangt af van de causaliteitsafweging die in het kader van artikel 6:101 lid 1 BW dient te worden gemaakt, waarna de in dat artikel opgenomen billijkheidscorrectie aan de orde kan komen. Daaruit kan voortvloeien dat de gehele schade van de gemotoriseerde door de ongemotoriseerde moet worden vergoed. Voor overeenkomstige toepassing van de door de Hoge Raad ontwikkelde 100% en 50% regel is – zowel in het geval van letsel- als zaakschade – geen plaats (HR 4 mei 2001, NJ 2002, 214).

4.3.

Het beroep van de eigenaar van een motorrijtuig op overmacht in de zin van artikel 185 lid 1 van de WVW gaat slechts op als hij aannemelijk maakt dat aan de bestuurder van het motorrijtuig ter zake van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen, voor zover van belang voor de veroorzaking van het ongeval, rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Daarbij zijn eventuele fouten van andere weggebruikers — daaronder begrepen het slachtoffer zelf — alleen van belang, indien zij voor de bestuurder van het motorrijtuig zo onwaarschijnlijk waren dat deze bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden. (HR 4 mei 2001, NJ 2002, 214 onder 3.6 sub 2.) Wat betreft het criterium ‘rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt’ gaat het daarom niet erom of [verzoeker] ‘in redelijkheid geen verwijt valt te maken’ (HR 4 oktober 1996, NJ 1997/147) of dat ‘menselijkerwijs’ aan [verzoeker] iets te verwijten valt (vergelijk de conclusie van de A-G bij laatstgenoemd arrest). Indien in juridisch opzicht aan [verzoeker] enig verwijt te maken valt, hoe gering ook, faalt het beroep op overmacht.

4.4.

Gegeven het verzoek van [verzoeker] en het gevoerde partijdebat is in dit deelgeschil (enkel) aan de orde of aan [verzoeker] een beroep toekomt op overmacht in de hiervoor onder 4.3. bedoelde zin. Het is aan degene die zich op overmacht beroept, [verzoeker], om de feiten te bewijzen op grond waarvan kan worden aangenomen dat het ongeval is te wijten aan overmacht van de bestuurder (HR 17 november 2000, NJ 2001, 260). Slaagt het beroep op overmacht dan dient in het geval van reflexwerking van artikel 185 WVW de ongemotoriseerde ([verweerder]) de schade van de gemotoriseerde ([verzoeker]) volledig te vergoeden (HR 6 februari 1987, NJ 1988, 57).

4.5.

[verzoeker] stelt dat hem rechtens gezien geen enkel verwijt valt te maken. Hij betwist dat [verweerder] op het moment van de aanrijding reeds was voorgesorteerd. Hij stelt zeer voorzichtig te hebben gereden. Hij heeft [verweerder] die voor hem reed goed in de gaten gehouden en tijdig vaart geminderd. Ook heeft hij voldoende afstand tot [verweerder] bewaard. Toen hij [verweerder] links wilde inhalen is [verweerder] plotseling, zonder om te kijken of zijn hand uit te steken, linksaf geslagen, zodat uitwijken voor [verzoeker] onmogelijk was en een aanrijding niet meer te vermijden was. Ter onderbouwing van deze stellingen heeft [verzoeker] gewezen op het ongevalsdossier van de politie Gelderland-midden en twee schriftelijk afgelegde verklaringen van [naam] en [naam].

4.6.

[verweerder] voert aan dat hij, op het moment dat hij door [verzoeker] werd aangereden, reeds was voorgesorteerd op het midden van de weg, toen hij zijn weg wilde vervolgen op het fietspad links van de weg gelegen. Daaruit volgt dat [verzoeker] moet hebben gezien dat hij, [verweerder], wilde gaan oversteken. Van een abrupte manoeuvre is dan ook geen sprake geweest. [verzoeker] was verder bekend met de verkeerssituatie ter plekke en moest er dus op bedacht zijn dat fietsers daar oversteken om hun weg te vervolgen op (het fietspad op) de Malburgse Bandijk. Daarop is door [verzoeker] onvoldoende geanticipeerd. Verder is aangevoerd dat [verzoeker] te hard heeft gereden. Van overmacht aan de zijde van [verzoeker] is dan ook geen sprake, aldus [verweerder]. Verder heeft [verweerder] de betrouwbaarheid van de overgelegde getuigenverklaringen in twijfel getrokken.

4.7.

De rechtbank overweegt dat ook als wordt uitgegaan van de juistheid van de door [verzoeker] gestelde feiten, namelijk dat hij niet te hard reed, dat [verweerder] niet voorgesorteerd was en opeens, zonder waarschuwing, linksaf sloeg, [verzoeker] geen beroep op overmacht toekomt. Vaststaat dat de wegsituatie ter plaatse overzichtelijk was en dat [verzoeker] [verweerder] voor zich heeft zien fietsen. [verzoeker] heeft niet weersproken dat hij bekend was met de verkeerssituatie ter plaatse en het feit dat veel fietsers daar oversteken om hun weg te vervolgen op de links gelegen Malburgse Bandijk. Gelet op het een en ander diende [verzoeker] dan ook rekening te houden met de kans dat [verweerder] daar plotseling linksaf zou kunnen slaan. Daaraan doet niet af dat [verweerder] zijn linkerhand niet zou hebben uitgestoken voordat hij linksaf sloeg. Er moet immers ook rekening worden gehouden met de minder oplettende verkeersdeelnemers die zich niet volledig volgens de in het verkeer geldende regels gedragen. De fout van [verweerder] was niet zo onwaarschijnlijk dat [verzoeker] bij het bepalen van zijn verkeersgedrag daarmee naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden. Hij had zodanige afstand moeten houden of zijn snelheid dermate moeten minderen dat hij, rekening houdend met dergelijk verkeersgedrag van anderen, zijn voertuig tijdig tot stilstand kon brengen. Het beroep van [verzoeker] op overmacht gaat dus niet op, zelfs niet als wordt uitgegaan van zijn lezing van de toedracht van het ongeval. De verzoeken onder 1. en 2. zullen worden afgewezen.

4.8.

Dan resteert de verzochte kostenbegroting (verzoek 3.) op grond van artikel 1019 aa Rv. [verzoeker] heeft verzocht deze kosten te begroten op een bedrag van € 9.730,13 (inclusief BTW en kantoorkosten). Deze begroting is gebaseerd op een uurtarief van € 255,00 en afgerond 30 uren. [verweerder] heeft daartegen geen verweer gevoerd, zodat de kosten zullen worden begroot zoals verzocht. Voor een veroordeling in die kosten bestaat, gelet op het niet vast staan van de aansprakelijkheid, echter geen aanleiding, zodat het verzoek onder 3. eveneens zal worden afgewezen.

4.9.

Op grond van artikel 1019 aa lid 3 Rv is artikel 289 Rv, dat de grondslag vormt voor een veroordeling in de proceskosten, niet van toepassing. Ook het daarop gerichte verzoek (4.) zal worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank,

wijst de verzoeken af,

begroot de kosten van de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoeker] op € 9.730,13.

Deze beschikking is gegeven door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2015.