• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Rotterdam
  • 8 december 2016
  • ECLI:NL:RBROT:2016:9274
  • Zaaknummer: C/10/508301 / HA RK 16-690

Rb: deelgeschil niet bedoeld voor betaling facturen BGK

In beginsel kan een verzoek tot toekenning van een voorschot op de buitengerechtelijke kosten in een deelgeschil aan de orde komen. Het is afhankelijk van de omstandigheden of wordt voldaan aan de voorwaarde dat de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Na het voorschot BGK gaat het buitengerechtelijke onderhandelingstraject tussen partijen voort. Er is slechts sprake van een mogelijk geschil over de BGK. Het onbetaald gebleven deel zijn nu geen breekpunt in het onderhandelingstraject. De verzochte beslissing kan onvoldoende bijdragen aan de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst. De deelgeschilprocedure is volstrekt onnodig of onterecht ingesteld. De kosten daarvan komen niet voor vergoeding in aanmerking. Het deelgeschil is ingesteld met het doel om betaling van facturen te verkrijgen en niet om een vaststellingsovereenkomst tot stand te brengen of dichterbij te brengen.

ECLI:NL:RBROT:2016:9274
Instantie Rechtbank Rotterdam
datum uitspraak 08-12-2016
datum publicatie 13-12-2016
Zaaknummer C/10/508301 / HA RK 16-690
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie
Deelgeschil letselschade. Buitengerechtelijke kosten.
vindplaatsen
Rechtspraak.nl
 
Uitspraak
beschikking
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/10/508301 / HA RK 16-690
Beschikking van 8 december 2016
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
advocaat mr. L.J. van Rooijen te Rotterdam,
tegen
naamloze vennootschap
HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
verweerster,
advocaat mr. N.C. Haase te Amsterdam.
Partijen zullen hierna worden aangeduid als [eiser] en HDI.
1
De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het verzoekschrift met producties,
– het verweerschrift met producties,
– de mondelinge behandeling ter openbare zitting van 10 november 2016. 2
De feiten
2.1. Op 9 april 2013 is [eiser] een verkeersongeval overkomen. Daarbij is [eiser] als fietser aangereden door de bestuurder van een ingevolge de bepalingen van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) bij HDI verzekerde vrachtauto. HDI heeft aansprakelijkheid voor dit ongeval erkend en de schaderegeling uitbesteed aan GRM Expertises.
2.2. Sinds het verkeersongeval heeft [eiser] gezondheidsklachten bestaande uit nek- en hoofdpijnklachten, vermoeidheidsklachten, psychische klachten (depressiviteit en post traumatisch stress syndroom).
2.3. In januari 2015 heeft mr. L.J. van Rooijen op verzoek van [eiser] de behartiging van diens belangen bij de vaststelling van zijn letselschade overgenomen van de toenmalige belangenbehartiger.
2.4. Ter zake de kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand heeft HDI aan de eerste belangenbehartiger van [eiser] € 4.000,- betaald.
2.5. Partijen hebben gezamenlijk een neurologische expertise en een psychiatrische expertise in gang gezet.
2.6. Voor zijn werkzaamheden heeft mr. Van Rooijen tot en met 12 mei 2016 drie declaraties verzonden. Het totaal van deze declaraties bedraagt € 10.407,06 inclusief BTW en € 1.905,- aan medische verschotten. Op deze kosten heeft HDI in totaal € 6.571,48 bevoorschot.
2.7. Bij brief aan mr. Van Rooijen van 6 juni 2016 heeft GRM Expertises – voor zover hier van belang – medegedeeld:
“[…]
Voor wat betreft de buitengerechtelijke kosten vraagt u waarom er een korting wordt toegepast op uw nota’s.
Zoals u bekend, dient de redelijkheid van de buitengerechtelijke kosten aan de hand van artikel 6:96 BW te worden beoordeeld. De redelijkheid van deze kosten kan echter eerst bij de eindafwikkeling van het dossier worden beoordeeld, zodat er tussentijds voorschotten ter zake de buitengerechtelijke kosten worden betaald.
Daarnaast is er aan de voormalig belangenbehartiger reeds een bedrag van € 4.231,59 betaald, zodat de totale bevoorschotting ter zake de kosten buiten rechte uitkomt op een bedrag van € 10.803,07. Uiteraard dienen de kosten van de voormalig belangenbehartiger ook in de totale buitengerechtelijke kosten te worden meegenomen.
Ik stel voor de discussie omtrent de bevoorschotting en redelijkheid van de buitengerechtelijke kosten op dit moment niet verder te voeren, temeer nu binnenkort ook de neurologische expertise zal plaatsvinden en de psychiatrische expertise inmiddels is verricht.
Nadat de expertiserapporten en de adviezen van beide medische adviseurs voorhanden zijn, kan wellicht tot afwikkeling van deze schadekwestie worden overgegaan.”
3
Het geschil
3.1. Het verzoek van [eiser] luidt:
te bepalen dat de door [eiser] gemaakte kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand redelijk zijn en als zodanig door HDI dienen te worden vergoed;
HDI te veroordelen om ter zake van deze kosten een bedrag van € 3.835,58 aan [eiser] te voldoen;
de kosten van deze procedure te begroten op € 2.559,15 en HDI te veroordelen om deze kosten aan [eiser] te voldoen;
de te wijzen beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2. HDI voert verweer dat strekt tot afwijzing van het verzoek.
4
De beoordeling
4.1. Het verzoek van [eiser] berust op artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In dat artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. Deze procedure biedt zowel de persoon die schade lijdt door dood of letsel, als degene die daarvoor aansprakelijk wordt gehouden, de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter te adiëren. Doel van de deelgeschilprocedure is de vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade. Gezien het bepaalde in artikel 1019z Rv wordt het verzoek afgewezen voor zover de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moet aldus worden afgewogen tegen het belang van het verzoek en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren.
4.2. HDI voert primair als verweer dat het verzoek zich niet leent voor een deelgeschilprocedure omdat beslechting van de discussie tussen partijen omtrent de buitengerechtelijke kosten niet kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. HDI heeft er recht en belang bij om de discussie over de buitengerechtelijke kosten uit te stellen totdat er meer duidelijkheid over de omvang van de schade is, zeker nu het openstaande bedrag aan buitengerechtelijke kosten relatief klein is en er, met de uitkomst van de neurologische expertise, op korte termijn duidelijkheid te verwachten valt. Van [eiser] mag worden verwacht dat hij die uitkomst afwacht. Het is niet zo dat de bevoorschotting van de buitengerechtelijke rechtsbijstand is gestopt en het kan niet zo zijn dat elke discussie over een declaratie tot een deelgeschilprocedure leidt, aldus nog steeds HDI.
4.3. [eiser] voert daartegen aan dat de beslechting van het geschil over de buitengerechtelijke kosten één van de stappen is die zal moeten worden gezet om tot een vaststellingsovereenkomst te kunnen komen. Het onderhandelingstraject loopt nog wel, maar de redelijkheid van de declaraties van zijn belangenbehartiger is een structureel terugkerend probleem. Van het slachtoffer of diens belangenbehartiger mag niet worden verwacht dat zij in redelijkheid gemaakte buitengerechtelijke kosten voor financieren totdat kan worden vastgesteld dat de omvang van de totale schade zo groot is dat de reeds gemaakte buitengerechtelijke kosten in een bepaald redelijk geachte verhouding tot die totale schade staan. Een andere opvatting zal er toe leiden dat de onafhankelijkheid van de belangenbehartiger in het geding komt en hij daardoor zijn werk niet goed zal kunnen doen, aldus nog steeds [eiser] .
4.4. In beginsel kan een verzoek tot toekenning van een (aanvullend) voorschot op de buitengerechtelijke kosten in een deelgeschil aan de orde komen. De investering in tijd, geld en moeite bij de behandeling van dat verzoek brengt echter mee dat dit niet voor ieder verzoek om een (aanvullend) voorschot op de buitengerechtelijke kosten geldt en dat het afhankelijk is van de omstandigheden van het geval of wordt voldaan aan de voorwaarde dat de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.
4.5. In dit geval gaat het buitengerechtelijke onderhandelingstraject tussen partijen voort en is er tot op heden slechts sprake van een mogelijk geschil tussen partijen over de redelijkheid van de door [eiser] gemaakte kosten van rechtskundige bijstand. HDI heeft daarover immers nog geen definitief standpunt ingenomen, maar wil de verdere discussie uitstellen totdat de uitkomst van de neurologische expertise bekend is. Niet in geschil is dat die uitkomst op korte termijn wordt verwacht. Voorts vormt het thans onbetaald gebleven deel van de declaraties van de belangenbehartiger van [eiser] geen breekpunt in het onderhandelingstraject. De belangenbehartiger heeft desgevraagd immers verklaard zijn werk niet te zullen neerleggen vanwege het thans openstaande bedrag en HDI heeft toegezegd dat de werkzaamheden van de belangenbehartiger die met de medische expertises samenhangen te zullen bevoorschotten. Het risico dat de belangenbehartiger door het openstaande bedrag van zijn declaraties beïnvloedbaar wordt en zijn taak niet naar behoren zal uitvoeren, komt gelet op de beperkte hoogte van dat bedrag niet reëel voor.
4.6. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verzochte beslissing – gelet op de investering in tijd, geld en moeite – onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst. Dit leidt tot afwijzing van de onderdelen A en B van het verzoek.
4.7. Op grond van artikel 1019aa Rv dient in beginsel begroting plaats te vinden van de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dit laatste is op grond van hetgeen onder 4.5. is overwogen naar het oordeel van de rechtbank het geval. Het deelgeschil is ingesteld met het doel om betaling van facturen te verkrijgen en niet om een vaststellingsovereenkomst tot stand te brengen of dichterbij te brengen. Dit leidt er toe dat de onderdelen C en D van het verzoek eveneens afgewezen dienen te worden.
5
De beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Boer en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2016. 2515/1629