• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Amsterdam
  • ECLI:NL:RBAMS:2013:8678
  • Zaaknummer: C/13/545036 / HA RK 13-186

Rb, deelgeschil: geen eigen schuld deelnemer fietsevenement bij aanrijding met auto

Benadeelde, deelnemer aan fietsclassic, komt ten val als hij moet remmen en uitwijken voor een tegemoetkomende, hard rijdende auto, waarna de auto hem aanrijdt. 1. In geschil is of sprake is van eigen schuld van benadeelde. De rechtbank oordeelt op basis van getuigenverklaringen dat er geen grond is de schadevergoedingsplicht te verminderen o.g.v. art 6:101 BW. Ook als geoordeeld wordt dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan benadeelde kan worden toegerekend (art. 6:101 BW) omdat hij (vrijwillig) deelnam aan dit sportieve fietsevenement, eist de billijkheid wegens de ernst van de door de automobilist gemaakte fout in relatie tot de bijdrage van benadeelde aan het ongeval dat de vergoedingsplicht geheel in stand blijft. 2. Kosten deelgeschil: € 5.170,60; uurtarief € 290,- (evenals in preprocessuele fase).

ECLI:NL:RBAMS:2013:8678

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak

19-12-2013

Datum publicatie

30-12-2013

Zaaknummer

C/13/545036 / HA RK 13-186

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Aanrijding tussen deelnemer fietsclassic en personenauto. Rechtbank stelt vast dat er geen grond is de vergoedingsplicht te verminderen op de voet van artikel 6:101 BW.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/545036 / HA RK 13-186

Beschikking van 19 december 2013

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. G.M. van Wassenaer te Amsterdam,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. [verweerder],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

verweerders,

advocaat mr. M.R. Lauxtermann te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en Allianz c.s. worden genoemd. Verweerders zullen Allianz en [verweerder] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

·        

het verzoek om te beslissen over een deelgeschil van 1 juli 2013 met bijlagen

·        

de tussenbeschikking van 18 juli 2013 waarin een mondelinge behandeling is bepaald

·        

het verweerschrift met bijlagen, ter griffie ingekomen op 1 november 2013

·        

het proces-verbaal van behandeling van een verzoekschrift gehouden op 8 november 2013 en de daarin genoemde aantekeningen van mr. Van Wassenaer.

1.2.

De beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 23 september 2012 heeft een aanrijding plaatsgevonden buiten de bebouwde kom op de openbare weg [weg] te [plaats], gemeente [gemeente] (hierna: [weg]), ter hoogte van perceel 16 tussen [verzoeker] als geoefende amateurwielrenner en [verweerder] als bestuurder van een personenauto van het type Seat Ibiza ST.

2.2.

De auto van [verweerder] was uit hoofde van de WAM verzekerd bij Allianz.

2.3.

Op [weg] mag door automobilisten (maximaal) 60 kilometer per uur worden gereden.

2.4.

Op de dag van het ongeval vond de aangekondigde, eenmaal per jaar georganiseerde, Dam tot Dam fietsclassic plaats, waar dat jaar 6.000 fietsers aan deelnamen. De route van deze fietsclassic liep over [weg]. Voor de overige weggebruikers was duidelijk dat er ten tijde van het ongeval veel wielrenners op de openbare weg aanwezig waren die al dan niet naast elkaar reden en hoge snelheden behaalden, van zo’n 30 tot 35 kilometer per uur.

3 Het deelgeschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank te beslissen over een tussen partijen bestaand deelgeschil en om daarbij de kosten als bedoeld in artikel 1019aa, lid 1, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te begroten en Allianz c.s. te veroordelen tot betaling daarvan. [verzoeker] beoogt dat door de rechtbank wordt beslist wat het percentage eigen schuld van [verzoeker] is als bedoeld in artikel 6:101 BW, zo is ter zitting gebleken. Het standpunt van [verzoeker] komt erop neer dat er geen grond is om de vergoedingsplicht te verminderen op de voet van artikel 6:101 BW omdat [verzoeker] geen schuld heeft aan het ongeval. [verzoeker] beroept zich ter onderbouwing van zijn standpunt op zijn eigen verklaringen en verklaringen van zijn vrienden [naam 1] en [naam 2], alsmede op verklaringen van de getuigen [naam 3], [naam 4], [naam 5] en [naam 6].

3.1.1.

[verzoeker] heeft blijkens het proces-verbaal van verhoor verdachte op 15 oktober 2012 tegenover de politie verklaard:

Op 23 september 2012 was ik aan het fietsen met drie vrienden, [naam 1], [naam 7] en [naam 2]. (…) Net voor het ongeval weet ik nog dat de fietsers voor mij schreeuwde “Auto, auto.” (…) Ik zag dat er een auto aan kwam rijden (…). Ik weet nog dat ik dacht: “Die rijdt veel te snel”. Ik denk dat deze auto ongeveer 50 tot 60 kilometer per uur reed. Dit baseer ik op het verschil met andere tegemoet komende auto’s. (…) Ik zag dat de auto in het midden van de weg reed en hij was voor mijn gevoel al te dichtbij. Ik schrok hiervan.

De fietsers voor mij gingen allemaal aan de kant voor de auto. Ik ben toen hard gaan remmen en heb toen geprobeerd om zoveel mogelijk aan de zijkant (rechterkant) van de weg te komen. Ik weet nog dat ik strak tegen de persoon naast me aan fietste en daardoor mijn balans verloor. Doordat ik mijn balans verloor, zwenkte ik iets terug naar de linkerkant. (…)

3.1.2.

Een daaraan voorafgaande door [verzoeker] afgelegde schriftelijke verklaring van 30 september 2012 bevat onder meer de volgende tekst:

(…) All of a sudden the front riders started not just shouting but screaming “auto, auto, auto, auto!” By the tone of the screaming it was apparent that something was not quite right. Looking to the front of the peloton, I saw a car driving unusually fast in the middle of the road. It was heading straight for us and wasn’t slowing down! (…)

3.1.3.

Getuige [naam 1] heeft in een schriftelijke verklaring van 16 oktober 2012 waarin hij blijkens het proces-verbaal verhoor getuige op 27 november 2012 heeft volhard, voor zover van belang verklaard:

Een aantal mensen riepen ‘auto, auto’ waardoor ik voorbij de groep keek en in de verte een auto vrij snel zag aankomen. Vanaf daar ging het heel erg snel:

Doordat de auto niet of nauwelijks vaart verminderde én niet goed aan de zijkant ging moest iedereen vol in de remmen om niet geraakt te worden. De auto reed zo’n 40 a 50 km per uur wat in deze situatie veel te snel was. Omdat er simpelweg geen ruimte was voor de groep fietsers én de auto probeerde iedereen (dus ook [verzoeker] ([verzoeker], rechtbank)) zo ver mogelijk naar rechts te gaan waarbij [verzoeker] links ten val kwam en door de auto frontaal werd aangereden.

(…)

De enige reden waardoor dit ongeluk heeft plaatsgevonden is doordat de automobilist op een veel te harde snelheid bleef doorrijden en niet aan de kant (…) ging waardoor de fietsers genoodzaakt werden om hard te remmen en uit te wijken.

3.1.4.

Getuige [naam 2] heeft in een schriftelijke verklaring van 20 oktober 2012 waarin hij blijkens het proces-verbaal verhoor getuige op 27 november 2012 heeft volhard, voor zover van belang verklaard:

All of a sudden, we heard the familiar auto, auto, however this time it was different. The front riders really screamed it out in panic: Auto, Auto, AUTO, AUTO!!!!

Hearing this alarmed scream, I looked to the front of the peleton and saw a car driving fast straight towards us. It was middle of the road and wasn’t slowing down!

Like everyone around me, I immediately applied the brakes hard and swerved to the right side of the road making the peleton narrower and making room for the car. I was riding just behind [verzoeker] on the outer-left of the peloton. As we braked, we reduced our speed to around 20-25 km/h. However, as the car was approaching us so fast, there was not enough time for us to safely move off the road. I saw [verzoeker] in front of me trying to move in behind [naam 1] who was just in front of him on the right-hand edge of the road, but all of a sudden, he lost his balance and his momentum pushed him forward and left (…) This was at the exact moment that the car (trying to race past the peloton) passed us. (…)

The car involved was travelling too fast and driving in an unsafe manner particularly considering that there were so many cyclists around. He apparently lived in the neighbourhood an appeared to be quite frustrated with all the cyclists.

3.1.5.

Getuige [naam 3] heeft in een schriftelijke verklaring van 9 oktober 2012 waarin hij blijkens het proces-verbaal verhoor getuige op 15 oktober 2012 heeft volhard, voor zover van belang verklaard:

De auto reed (…) zo hard dat ik en de man die voor mij reed (een kennis van mij) maar ternauwernood – onder fors remmen – op tijd naar rechts konden uitwijken. Dat kwam niet omdat wij de auto te laat zagen, maar omdat de auto zo hard reed. De auto reed rakelings langs mij. Ik herinner mij dat op het moment dat de auto langs mij reed ik van binnen al wist dat dat tot een ongeval moest leiden. De auto reed simpelweg te hard om de fietsers voldoende gelegenheid te geven ‘in te dikken’.

Een zeer kort ogenblik nadat de auto mij was gepasseerd hoorde ik ook daadwerkelijk een forse klap (…) Ik (…) ben even verderop (…) gaan staan. Ik hoorde dat de andere gestopte fietsers scholden op de automobilist en riepen dat deze veel te hard had gereden.

3.1.6.

Getuige [naam 4] heeft in een schriftelijke verklaring van 8 oktober 2012 waarin hij blijkens het proces-verbaal verhoor getuige op 15 oktober 2012 heeft volhard, voor zover van belang verklaard:

Halverwege de landweg kwam (…) een auto (…) ons tegemoet welke bij het passeren van ons extra gas bijgaf waarna ik nog tegen mijn beide vrienden riep dat het een gek en dwaas was om met dergelijke snelheid op deze drukke landweg te gaan rijden. Vlak hierna hoorde ik een doffe klap (…). Aangezien ik ambulance verpleegkundige ben en [naam 6] (getuige [naam 6], rechtbank) een zeer ervaren EHBO’er zijn wij omgekeerd en na enkele seconden arriveerden wij bij het slachtoffer (…) al snel merkte ik dat het slachtoffer (…) er niet goed bij lag. Het slachtoffer reageerde niet en had een bedreigde ademhaling. Daarnaast zag zijn gezicht blauw en grauw en had het slachtoffer een snurkende ademhaling. We zagen op het oog wat schaafwonden aanwezig op het lichaam.

Ik ben gelijk begonnen met het goed vrijmaken van zijn ademweg (…). Na ongeveer 2 minuten kwam de ademhaling van het slachtoffer weer goed op gang. De kleur van het gezicht werd weer normaal. Ook begon het slachtoffer weer te reageren. Echter bleef het slachtoffer de gehele hulpverlening welke zeker 30 minuten heeft geduurd gedesoriënteerd in tijd, plaats en persoon.

3.1.7.

Getuige [naam 5] heeft in een schriftelijke verklaring van 4 oktober 2012 waarin hij blijkens het proces-verbaal verhoor getuige op 15 oktober 2012 heeft volhard, voor zover van belang verklaard:

Bij een van de huizen kwam er een Seat (stationwagon) ons tegemoet, de bestuurder gaf veel gas toen deze naast ons was. Mijn vriend [naam 4] (getuige [naam 4], rechtbank) maakt hierbij de opmerking dat de bestuurder gek en dwaas bezig was. Dit heb ik bevestigd, dit alles werd een paar seconden later opgevolgd door een harde doffe klap. (…) het [verweerder] alsof de bestuurder erg geïrriteerd was door de vele fietsers op de weg. Dit werd niet op prijs gesteld. (…) het heeft mij persoonlijk verbaasd dat de chauffeur (…) zo veel snelheid ging maken terwijl er heel veel fietsers op de weg waren.

3.1.8.

Getuige [naam 6] heeft in een schriftelijke verklaring van 6 oktober 2012 waarin hij blijkens het proces-verbaal verhoor getuige op 15 oktober 2012 heeft volhard, voor zover van belang verklaard:

Op enig moment (…) kwam een (…)wagen ons tegemoet waarvan de bestuurder toen hij ons passeerde ineens veel gas begon te geven en onverantwoord veel snelheid kreeg (…) Ik had op dat moment oogcontact met mijn fietsmaat [naam 4] die reageerde wat voor een gek en dwaas hier bezig was, hierna hebben [naam 5], rechtbank) en ik zelf dit verbaal bevestigd met termen als die is niet goed wijs en dergelijke. Enkele momenten na onze woordenwisseling hoorde we een harde nogal doffe klap (…) ik kan niet begrijpen dat er blijkbaar personen zijn die zo geïrriteerd raken door mensen die voor hun plezier aan het fietsen zijn (…).

3.2.

Allianz c.s. hebben het standpunt betrokken dat de causale bijdrage van [verweerder] aan het ontstaan van het ongeval in het niet valt bij die van [verzoeker] en dat ook de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW niet noopt tot een bijstelling boven de standaard vergoeding van 50%. Allianz c.s. beroepen zich ter onderbouwing van hun standpunt op het aanrijdingsformulier van 23 september 2012; (overige) verklaringen van [verweerder]; het proces-verbaal van Aanrijding overtreding en een verklaring van getuige [naam 8].

3.2.1.

Het aanrijdingsformulier heeft, voor zover van belang, de volgende inhoud. Aangekruist is dat [verzoeker] op een rijbaan kwam bestemd voor het tegemoetkomend verkeer. Bij ‘Mijn opmerkingen’ is vermeld: ‘Kwam tegen fietser door uitwijken fietser kwam deze op de andere rijstrook.’ Vermeld is verder dat [verweerder] ongeveer 40 kilometer per uur reed en [verzoeker] ongeveer 30/35 kilometer per uur alsmede dat de weg ongeveer 5 meter breed was. Als getuige wordt [naam 8] genoemd. Bij de vraag wie om welke reden naar de mening van [verweerder] aansprakelijk is, is vermeld: ‘de fietser deze kwam op de verkeerde weghelft’.

3.2.2.

In het proces-verbaal van bevindingen van 25 september 2012 staat de volgende verklaring van [verweerder], voor zover van belang:

Er was op dat moment een fiets classic van de Dam tot Dam gaande en op de weg waar ik reed, kwamen de fietsers van verschillende afstanden samen. Op een bepaald moment zag ik een groep wielrenners mij tegemoet komen rijden. Ik zag dat de wielrenners, een aantal tourrenners aan het inhalen waren. Op het moment dat zij mij heel dicht genaderd waren zag ik dat een van hen ineens een stuurbeweging in de richting van mijn auto maakte. Ik denk dat ik de fietser op zijn voorwiel raakte.

3.2.3.

[verweerder] heeft blijkens het proces-verbaal van verhoor verdachte op 13 november 2012 tegenover de politie verklaard:

De fietsers die mij tegemoet kwamen reden in meerdere rijen naast elkaar en bij het naderen schoven de fietsers zich steeds meer in elkaar. (…) wielrenners probeerden tourfietsers in te halen. Het slachtoffer probeerde dit ook, echter kwam deze in aanraking met het achterwiel van een andere wielrenner, een vriend van hem genaamd [naam 1]. Hierdoor kon het slachtoffer die naar mijn idee op dat moment iets aan het eten was of in ieder geval iets met zijn handen aan het doen was, het stuur niet meer onder controle houden en kwam weer terugzetten naar de andere weghelft. Dit was voor mij niet meer te ontwijken.

(…)

’s Avonds ben ik nog gebeld door [naam 1], deze (…) gaf aan dat [verzoeker] ([verzoeker], rechtbank) er slecht aan toe was. (…) Daarnaast gaf hij aan dat hij vond dat ik te hard reed, maar dat het slachtoffer hem in zijn wiel had geraakt waardoor deze de macht over het stuur verloor. Ik hoorde dat hij tegen mij zei: “[verzoeker] raakte mij en hierdoor raakte [verzoeker] uit zijn evenwicht en hier kon jij niets aan doen.” Of woorden van gelijke strekking.

3.2.4.

[verweerder] heeft op 24 januari 2013 een schriftelijke verklaring afgelegd en daarin de hiervoor vermelde eerste alinea herhaald en zijn visie gegeven op door anderen afgelegde verklaringen. [verweerder] schrijft over de mededeling van genoemde [naam 1] (naar de rechtbank begrijpt: getuige [naam 1]): ‘Hij zei hier letterlijk over dat ik hier niks aan kon doen.’

3.2.5.

In het proces-verbaal Aanrijding overtreding van 23 september 2012 staat, voor zover van belang:

Sporen op de weg: Geen sporen op de weg aanwezig. Alleen bandensporen in de berm van de betrokken personenauto van [verweerder].

(…)

Vermoedelijke toedracht

Omschrijving artikel 5 wvw 1994

Beide hebben zich zo gedragen dat er gevaar en of hinder kan ontstaan voor de overige weggebruikers.

Bermsporen auto. Personenauto heeft uiterst rechts gereden.

Dit was te zien aan de bandensporen welke zichtbaar waren in de berm.

(…)

Getuige [naam 8]

Op dinsdag 13 november 2012 te 14:57 uur is een verklaring van onderstaand persoon opgenomen. (…)

3.2.6.

Getuige [naam 8] heeft in een schriftelijke verklaring van 8 november 2012 waarin hij blijkens het proces-verbaal verhoor getuige op 13 november 2012 heeft volhard, voor zover van belang verklaard:

ik reed +/- 30 meter achter het slachtoffer die, samen met de twee andere fietsers, twee langzaam rijdende fietsers naderde, deze wilden zij inhalen, daarbij werd het slachtoffer geraakt door de naast hem rijdende fietser. het slachtoffer kwam hierdoor ten val en kwam in aanrijding met, de tegemoetkomende, auto van [verweerder], die maximaal uitwijkend een aanrijding poogt te vermijden.

3.3.

Op de stellingen van partijen, voor zover van belang, wordt hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 1019x lid 1 Rv beoordeelt de rechter summierlijk of hij absoluut bevoegd is en of de zaak door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist. Dat laatste is niet het geval, nu geen van partijen – daarnaar ter zitting gevraagd – de stelling heeft betrokken dat de schade de competentiegrens van € 25.000,00 niet zal overschrijden. De rechter acht zich ook overigens bevoegd van onderhavig verzoek kennis te nemen.

4.2.

Vooreerst dient te worden onderzocht of het verzoek van [verzoeker] voor toewijzing in een deelgeschilprocedure vatbaar is. Het antwoord op die vraag luidt bevestigend, hetgeen als volgt wordt toegelicht. Nu niet aan (nadere) bewijslevering wordt toegekomen (zie r.o. 4.6 en volgende), faalt het verweer van Allianz c.s. dat het verzoek van [verzoeker] in dit deelgeschil tot niets kan leiden gezien de daarbij aan te leggen proportionaliteitstoets. Allianz c.s. worden evenmin gevolgd in hun stelling dat de discussie over de schuldvraag niet in de weg staat aan de verdere schadeafwikkeling. [verzoeker] is daaromtrent een andere mening toegedaan, zoals ter zitting is herhaald. Een beslissing over het percentage eigen schuld van [verzoeker] kan in onderhavig geval dan ook voldoende bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering als bedoeld in artikel 1019z Rv.

4.3.

De omstandigheid dat Allianz ter vermijding van onderhavig deelgeschil bereid is geweest om 75% van de schade te vergoeden, hetgeen overeenkwam met een door de advocaat van [verzoeker] in het kader van schikkingsonderhandelingen genoemd percentage, noopt evenmin tot afwijzing van de vordering. Ook Allianz c.s. stellen immers niet dat er overeenstemming is bereikt omtrent dat percentage. Dat betekent dat nu wordt toegekomen aan de inhoudelijke behandeling van het verzoek.

4.4.

Vaststaat dat [verweerder] op grond van artikel 185 juncto 5 en 6 Wegenverkeerswet 1994 juncto 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) jegens [verzoeker] aansprakelijk is voor het ongeval dat hem is overkomen, nu in de aanloop naar onderhavige procedure deze aansprakelijkheid is erkend. Het deelgeschil gaat, als gezegd, om de vraag of sprake is van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW aan de zijde van [verzoeker]. Onderzocht moet daarom worden of de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [verzoeker] kan worden toegerekend. Allianz c.s., die zich ter bevrijding van hun vergoedingsplicht boven 50% van de schade op deze bepaling beroepen, dragen in beginsel de stelplicht en bewijslast van de feitelijke grondslag van hun eigen-schuld-verweer. Allianz c.s. worden niet gevolgd waar zij ter zitting hebben betoogd dat – in algemene zin – voldoende is dat de eigen schuld aannemelijk wordt gemaakt op grond van een enkele verklaring. De eigen schuld zal op de voet van artikel 150 Rv moeten komen vast te staan.

4.5.

Vooropgesteld wordt dat er geen aanleiding is om de getuigenverklaringen waarop [verzoeker] zich beroept ter zijde te laten of daaraan minder waarde te hechten. [verzoeker] en diens vrienden [naam 1] en [naam 2] hebben uit eigen waarneming verklaard over het ontstaan van het ongeval. Zij kunnen daarom niet worden aangemerkt als enkel ‘klapgetuigen’. De verklaringen van [naam 1] en [naam 2] onderschrijven bovendien niet alleen de lezing van [verzoeker], maar sluiten ook aan bij de getuigenverklaringen van [naam 3], [naam 4], [naam 5] en [naam 6] die eveneens deelnamen aan de fietsclassic en die ten tijde van het ongeval op [weg] reden en uit eigen waarneming over het verkeersgedrag van [verweerder] hebben verklaard.

4.6.

In het proces-verbaal Aanrijding overtreding (zie r.o. 3.2.5) is vermeld dat [verweerder] en [verzoeker] zich zo hebben gedragen dat er gevaar of hinder kan ontstaan voor de overige weggebruikers. Dat is evenwel onvoldoende om te concluderen dat sprake is van eigen schuld van [verzoeker], wat in dit geval zou zijn gelegen in eigen gedrag van [verzoeker]. Voor die gevolgtrekking is nodig dat [verzoeker] zich anders heeft gedragen dan een redelijk mens onder de gegeven omstandigheden zou doen. Dat is niet vast komen te staan, hetgeen als volgt wordt toegelicht.

4.7.

Volgens Allianz c.s. is, gezien de verklaringen van [verweerder] en [naam 8], het ongeval het gevolg van het feit dat [verzoeker] en zijn vrienden, terwijl [verweerder] hen al vanuit tegemoet komende richting naderde, een groepje langzamer rijdende toerfietsers wilden inhalen, waardoor [verzoeker], die iets met zijn handen aan het doen was, zichzelf noodzaakte terug te sturen naar rechts, hierbij het achterwiel van een van zijn vrienden raakte en hierdoor de macht over het stuur verloor en vervolgens op de voor hem verkeerde weghelft tegen de auto van [verweerder] kwam. Hierover wordt als volgt geoordeeld.

4.8.

De enige die heeft verklaard dat [verzoeker] ‘iets met zijn handen aan het doen was’ is [verweerder]. Nu die verklaring geen steun vindt in andere verklaringen, en [verweerder] ter zitting desgevraagd heeft geantwoord niet te hebben gezien dat [verzoeker] zijn beide handen niet aan het stuur had maar dat hij tot die gevolgtrekking is gekomen omdat hij [verzoeker] met een zwabberend stuur op zich zag afkomen, wordt deze stelling gepasseerd. Voor zover Allianz c.s. menen dat [verzoeker] met gevaarzetting heeft ingehaald, zonder voldoende zicht, en dat dat het ongeval heeft veroorzaakt, kan dat ook niet worden vastgesteld op basis van het bewijs waarop zij zich beroepen, waaronder de verklaringen van [verweerder] en [naam 8]. In plaats daarvan is, als onvoldoende weersproken, komen vast te staan dat [verweerder], die [verzoeker] met de door hem bestuurde auto naderde, [verzoeker] heeft genoopt tot de manoeuvre die tot de schade heeft bijgedragen. Alleen al in zoverre verschilt onderhavige zaak dan ook van HR 24 mei 1991, NJ 1991, 506 waarop Allianz c.s. zich beroepen. [verweerder] heeft ter zitting immers toegelicht te hebben gezien dat [verzoeker] (vanuit hem gezien) na een inhaalmanoeuvre naar rechts ging. Ook in een e-mail van 28 maart 2013 van Allianz aan de advocaat van [verzoeker] staat dat [verzoeker] heeft gereageerd op [verweerder], ‘door hard remmend zijn snelheid terug te brengen naar 25 km/u en door naar de rechterzijde van de weg te gaan rijden’. In een e-mail van 23 april 2013 van Allianz aan de advocaat van [verzoeker] wordt herhaald dat [verzoeker] (fors) heeft geremd en is uitgeweken naar rechts. Ook in deze lezing is het dus niet de door [verweerder] en [naam 8] vermelde inhaalmanoeuvre die debet is geweest aan het ongeval, maar wat ook door [verweerder] wordt vermeld, namelijk het steeds meer in elkaar schuiven van de fietsers bij het naderen van een auto (ook wel ‘indikken’ genoemd). De stelling van [verzoeker] komt onbetwist erop neer dat een redelijk mens of meer in het bijzonder een geoefend amateurwielrenner op deze wijze reageert indien hij, als deelnemer van een fietsclassic, plotseling wordt geconfronteerd met een auto die hem met een snelheid van (ten minste) ongeveer 40 tot 45 kilometer per uur tegemoet komt rijden op een weg die volgens het in r.o. 3.2.1 vermelde aanrijdingsformulier ongeveer 5 meter breed was en omsloten werd door sloten (en volgens het proces-verbaal van bevindingen van 25 september 2012 zelfs slechts 3,50 meter breed was exclusief een berm van 1.10 meter). Allianz c.s. hebben ook niet bestreden dat dit een gebruikelijke reactie is onder wielrenners die deelnemen aan een fietsclassic. Daarom kan niet worden geoordeeld dat [verzoeker] zich anders heeft gedragen dan een redelijk mens onder de gegeven omstandigheden zou doen, ook niet als zou komen vast te staan dat [verzoeker] kort tevoren aan het inhalen was.

4.9.

Nu [verzoeker] voor [verweerder] is uitgeweken, faalt het betoog van Allianz c.s. dat niet valt in te zien waarom het overige verkeer voor [verzoeker] en zijn vrienden moest uitwijken in plaats van dat zij hun verkeersgedrag afstemden op de tegemoetkomende auto van [verweerder]. [verzoeker] heeft immers gereageerd en gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] anders had kunnen en moeten reageren dan hij heeft gedaan.

4.10.

Dat [verzoeker], terwijl hij genoodzaakt was terug te sturen naar rechts, in de lezing van Allianz c.s. daarbij het achterwiel van een van zijn vrienden raakte, de macht over het stuur verloor en vervolgens op de voor hem verkeerde weghelft tegen de auto van [verweerder] kwam, kan hem evenmin worden toegerekend in de zin van artikel 6:101 BW, anders dan Allianz c.s. kennelijk menen en afgeleid zou kunnen worden uit de hiervoor vermelde uitlating van genoemde ‘[naam 1]’ (zie r.o. 3.2.3 en 3.2.4). In zoverre is immers sprake geweest van een overmachtssituatie. Zoals hiervoor is vastgesteld, bereikten de wielrenners hoge snelheden, waardoor ook na krachtig remmen het uitwijken nog plaatsvond met hoge snelheid (getuige [naam 2] spreekt over 20 tot 25 kilometer per uur) en [verzoeker] een andere deelnemer raakte en ten val kwam. Dat het [verzoeker] zelf geweest die zich zonder noodzaak in de problemen heeft gebracht en vervolgens veel te ver op de voor hem verkeerde weghelft terecht is gekomen, is daardoor niet komen vast te staan.

4.11.

Nu geen andere feiten of omstandigheden aan het eigen-schuld-verweer ten grondslag zijn gelegd, is er geen grond de vergoedingsplicht te verminderen op grond van artikel 6:101 BW.

4.12.

Ook als hier anders over zou moeten worden geoordeeld, in die zin dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [verzoeker] kan worden toegerekend als bedoeld in artikel 6:101 BW omdat hij (vrijwillig) deelnam aan dit sportieve fietsevenement en als gevolg daarvan met hoge snelheid, niet zoveel mogelijk rechts en dicht op zijn medeweggebruikers op de openbare weg reed, terwijl hij rekening diende te houden met autoverkeer uit beide rijrichtingen, leidt dat niet tot een vermindering van de vergoedingsplicht. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.13.

Een ieder die aan het verkeer deelneemt en die wordt geconfronteerd met een eenmaal per jaar georganiseerde fietsclassic, dient zich zodanig te gedragen dat er geen verkeersongeval plaatsvindt. Dat betekent dat de verkeersdeelnemers hun verkeersgedrag adequaat op het verkeersgedrag van de deelnemers aan de fietsclassic moet afstemmen. Aan deze norm heeft [verweerder] niet voldaan. Zijn verkeersgedrag veroorzaakte in plaats daarvan een schrikreactie bij de wielrenners, zo volgt uit de verklaringen vermeld in r.o. 3.1.1 en volgende. De fietsers reden met hoge snelheid, niet zoveel mogelijk rechts en dicht op hun medeweggebruikers, aldus Allianz c.s. De gevaarzetting door [verweerder] was daarmee ernstig, ook als veronderstellenderwijs als juist wordt aangenomen dat [verweerder] uiterst rechts reed met minder dan de maximaal toegestane snelheid, te weten met ongeveer 40 tot 45 kilometer per uur. Het was immers waarschijnlijk dat [verweerder] op de weg meerdere al dan niet naast elkaar rijdende of elkaar inhalende tour- en wielrenners zou aantreffen. [verweerder], die pas 400 tot 600 meter op [weg] reed, had onbetwist al een reeks fietsers gepasseerd. Verder was waarschijnlijk dat de wielrenners niet alleen zouden schikken maar ook genoopt zouden worden om krachtig voor hem te remmen en naar rechts uit te wijken, alsmede dat zij elkaar daarbij (te) dicht zouden naderen met onverwachte manoeuvres tot gevolg. [verweerder], die volgens zijn verklaring ter zitting zelf ook wielrenner is, had dat gevaar moeten onderkennen en had het gevaar dat zich heeft gerealiseerd op betrekkelijk eenvoudige wijze kunnen voorkomen door zijn snelheid verder te matigen. Ook als juist is dat het herstel van [verzoeker] goed verloopt of dat [verweerder], in de korte tijdspanne dat hij zich op de weg bevond, andere wielrenners niet in gevaar heeft gebracht, leidt dat niet tot een ander oordeel. Het ongeval had (zoals aanvankelijk ook leek, zie onder meer de verklaring van [naam 4]) zeer ernstige gevolgen voor [verzoeker] kunnen hebben en het verkeersgedrag van [verweerder] had andere wielrenners in eenzelfde gevaarlijke positie kunnen brengen. Hiertegenover staat dan slechts dat de schade (mede) een gevolg is van de aan [verzoeker] toe te rekenen omstandigheid dat hij (kort gezegd), samen met vele anderen, deelnam aan een fietsclassic. Onder deze omstandigheden eist de billijkheid wegens de ernst van de door [verweerder] gemaakte fout in relatie tot de bijdrage van [verzoeker] aan het ongeval dat de vergoedingsplicht geheel in stand blijft.

4.14.

Aan bewijslevering of onderzoek door verkeersongevallendeskundigen wordt kortom niet meer toegekomen.

4.15.

De rechtbank zal gelet op de uitkomst van deze deelgeschilprocedure in onderhavige beschikking, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1019aa Rv, de kosten begroten en neemt daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 96, tweede lid, van Boek 6 BW in aanmerking. Zij onderschrijft de stelling van Allianz c.s. dat advocaatkosten die in de pre-processuele fase zijn gemaakt en die al bij Allianz in rekening zijn gebracht, niet voor vergoeding in aanmerking komen. Er is echter niet gebleken dat vergoeding van dubbele kosten wordt verzocht. De rechter acht de aanvankelijke verzochte vergoeding van veertien uur in overeenstemming met de dubbele redelijkheidstoets. Er is niet gebleken dat het redelijk was om aanvullend nog drie uur te besteden aan de bestudering van het verweerschrift naast de tijd (één uur) die daarvoor in de specificatie in het verzoekschrift is opgenomen. Hierbij neemt de rechtbank in overweging dat het verweer al aan [verzoeker] bekend was, zodat het meerdere (drie uur) waarmee het verzoek ter zitting is verhoogd, wordt afgewezen. Ter zitting is onbetwist gesteld dat aan [verzoeker] in de pre-processuele fase een uurtarief als verzocht (€ 290,00 exclusief btw) in rekening is gebracht, welk uurtarief de rechtbank zal volgen. De rechtbank begroot de kosten van de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoeker] daarom op € 5.170,60 inclusief 21% btw, zoals in het verzoekschrift verzocht.

4.16.

Beide partijen zijn van mening dat het verzoek om Allianz c.s. te veroordelen in de proceskosten moet worden getoetst aan het bepaalde in artikel 1019z Rv. Daarvan uitgaande overweegt de rechtbank als volgt. In het inleidende verzoekschrift is niet gesteld dat de verzochte proceskostenveroordeling kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De rechtbank acht, ook ter zitting daarnaar gevraagd, onvoldoende toegelicht dat een proceskostenveroordeling een oplossing tussen partijen dichterbij brengt, zodat het verzoek van [verzoeker] in zoverre wordt afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

stelt vast dat er geen grond is de vergoedingsplicht te verminderen op de voet van artikel 6:101 BW,

5.2.

begroot de kosten van de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoeker] op € 5.170,60 inclusief btw,

5.3.

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. Korsten – Krijnen en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2013.