• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden
  • 12 mei 2015
  • ECLI:NL:GHARL:2015:3437
  • Zaaknummer: 200.087.964-01

Hof: vuurwerkhandelaar aansprakelijk voor letsel door te vroeg ontploft vuurwerk (behoudens tegenbewijs)

Vuurwerkhandelaar brengt een siervuurwerkpot mee naar oudejaarsfeest, waar het vuurwerk door benadeelde wordt aangestoken en onmiddellijk tot ontploffing komt, als gevolg waarvan benadeelde ernstig gewond raakt. Het hof oordeelt dat voorshands voldoende vaststaat dat het vuurwerk geen voldoende ontstekingsvertraging had en daardoor niet voldeed aan de geldende regelgeving. Het hof komt tot het oordeel, dat indien de vuurwerkhandelaar niet slaagt in het leveren van tegenbewijs, hij tekort is geschoten in de zorgvuldigheid die van hem kon worden gevergd en aansprakelijk is voor de schade. De vuurwerkhandelaar wordt toegelaten te bewijzen in welke mate de aan benadeelde toe te rekenen gedragingen tot het ontstaan van de schade hebben bijgedragen.

Hof: vuurwerkhandelaar aansprakelijk voor letsel door te vroeg ontploft vuurwerk (behoudens tegenbewijs)

 

Vuurwerkhandelaar brengt een siervuurwerkpot mee naar een oudejaarsfeest, waar het vuurwerk door benadeelde wordt aangestoken en onmiddellijk tot ontploffing komt, als gevolg waarvan benadeelde ernstig gewond raakt. Het hof oordeelt dat voorshands voldoende vaststaat dat het vuurwerk geen voldoende ontstekingsvertraging had en daardoor niet voldeed aan de geldende regelgeving. Het hof komt tot het oordeel, dat indien de vuurwerkhandelaar niet slaagt in het leveren van tegenbewijs, hij tekort is geschoten in de zorgvuldigheid die van hem kon worden gevergd en aansprakelijk is voor de schade. De vuurwerkhandelaar wordt toegelaten te bewijzen in welke mate de aan benadeelde toe te rekenen gedragingen tot het ontstaan van de schade hebben bijgedragen.

 

 

ECLI:NL:GHARL:2015:3437

 

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak12-05-2015 Datum publicatie20-05-2015

Zaaknummer200.087.964-01

RechtsgebiedenCiviel recht

Bijzondere kenmerkenHoger beroep

Inhoudsindicatie

 

Vuurwerkongeval tijdens oudejaarsviering. Vuurwerkhandelaar brengt een siervuurwerkpot mee naar een oudejaarsfeest, waar het vuurwerk door appellant wordt aangestoken en onmiddellijk tot ontploffing komt, als gevolg waarvan appellant ernstig gewond raakt. Appellant vordert een verklaring voor recht dat de vuurwerkhandelaar aansprakelijk is voor de door hem, appellant, geleden en nog te lijden schade als gevolg van onrechtmatig handelen van de vuurwerkhandelaar. Het hof bespreekt alle omstandigheden van het geval om te kunnen komen tot de beantwoording van de vraag of de vuurwerkhandelaar aansprakelijk is voor de door appellant geleden en te lijden schade als gevolg van het ongeval. Het hof oordeelt dat voorshands voldoende vaststaat dat het vuurwerk geen voldoende ontstekingsvertraging had en daardoor niet voldeed aan de geldende regelgeving. De vuurwerkhandelaar heeft betoogd dat het onmiddellijk afgaan van het vuurwerk gelegen is in de gedragingen van appellant zelf. De vuurwerkhandelaar wordt tot het leveren van tegenbewijs toegelaten. Het hof komt vervolgens op grond van alle omstandigheden van het geval tot de conclusie dat de vuurwerkhandelaar, indien hij niet slaagt in het leveren van tegenbewijs, hij tekort is geschoten in de zorgvuldigheid die van hem kon worden gevergd en dientengevolge aansprakelijk is voor de door appellant geleden en te lijden schade als gevolg van het ongeval. Vervolgens gaat het hof over tot beantwoording van de vraag of, voorshands uitgaande van de aansprakelijkheid van de vuurwerkhandelaar, appellant de gehele schade dan wel een deel daarvan voor eigen rekening zal dienen te nemen. Voor de beoordeling van de vraag in welke mate de aan appellant toe te rekenen gedragingen tot het ontstaan van de schade hebben bijgedragen, dient naar het oordeel van het hof vastgesteld te worden wat de precieze toedracht van het ongeval is geweest. De vuurwerkhandelaar, op wie in dit kader stelplicht en bewijslast rust, wordt te dien aanzien tot het leveren van bewijs toegelaten.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

 

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

 

 

 

 

locatie Leeuwarden

 

 

 

 

afdeling civiel recht

 

 

 

 

zaaknummer gerechtshof 200.087.964/01

 

(zaaknummer rechtbank Assen 76020 / HA ZA 09-809)

 

 

 

 

arrest van de eerste kamer van 12 mei 2015

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

[appellant],

 

wonende te [woonplaats 2],

 

appellant in het principaal hoger beroep,

 

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

 

in eerste aanleg: eiser,

 

hierna: [appellant],

 

advocaat: mr. A. Kolder, kantoorhoudend te Emmen,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

[geïntimeerde],

 

wonende te [woonplaats 1],

 

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

 

appellant in het incidenteel hoger beroep,

 

in eerste aanleg: gedaagde,

 

hierna: [geïntimeerde],

 

advocaat: mr. L. Sandberg, kantoorhoudend te Groningen.

 

 

 

 

1 Het geding in eerste aanleg

 

 

 

 

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 3 maart 2010 en 2 maart 2011 van de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank).

 

 

 

 

2 Het geding in hoger beroep

 

 

 

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

 

– de dagvaarding in hoger beroep d.d. 23 mei 2011,

 

– de memorie van grieven (met productie),

 

– de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel hoger beroep (met producties),

 

– de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

 

 

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

 

 

2.3

 

De vordering van [appellant] luidt:

 

“(…) dat het Uw Gerechtshof behage te vernietigen het vonnis d.d. 2 maart 2011 door de Rechtbank te Assen uitgesproken tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde, de onderhavige kwestie zelf af te doen en opnieuw rechtdoende, zonodig onder aanvulling en/of verbetering van gronden, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

  1. te verklaren voor recht dat geïntimeerde jegens appellant aansprakelijk is voor al zijn geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het vuurwerkongeval d.d.

1 januari 2008;

  1. geïntimeerde te veroordelen om aan appellant te vergoeden de reeds begrote schade van € 58.852,28 ten gevolge van het appellant overkomen ongeval, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag ad € 35.000,00 (smartengeld) vanaf 1 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening en te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag ad € 6.471,00 vanaf de datum van de inleidende dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede de overige schade, zoals schade ten titel van verlies van zelfwerkzaamheid, verlies van arbeidsvermogen, welke schade nader bij staat dient te worden opgemaakt en vereffend volgens de wet;

III. geïntimeerde te veroordelen tot het verstrekken van een deugdelijke fiscale garantie;

  1. geïntimeerde te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.”

 

 

 

2.4

 

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] gevorderd:

 

“In principaal appel:

het het Gerechtshof te Leeuwarden moge behagen het vonnis van de rechtbank Assen van 2 maart 2011 (…) in stand te laten en [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, dan wel de vorderingen af te wijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.

 

 

 

 

In incidenteel appel:

het het Gerechtshof te Leeuwarden moge behagen het vonnis van de rechtbank Assen van 2 maart 2011 (…) te vernietigen, althans haar gronden te corrigeren en [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, dan wel de vorderingen af te wijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.”

 

 

 

 

3 De feiten

 

 

3.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.5) van het vonnis van 2 maart 2011 is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, luiden als volgt.

 

 

3.2

In de nacht van 31 december 2007 op 1 januari 2008 is [appellant] het slachtoffer geworden van een vuurwerkgerelateerd ongeval. Tijdens de viering van oud en nieuw is een stuk vuurwerk ontploft terwijl [appellant] dit vuurwerk aanstak.

 

 

3.3

Ten gevolge van dit ongeval is [appellant] ernstig gewond geraakt. Zijn rechteroog is verloren gegaan en hij heeft een tweetal fracturen aan zijn jukbeen opgelopen.

 

3.4

Het ontplofte stuk vuurwerk was door [geïntimeerde] en zijn partner in een tweetal zakken (tassen) meegenomen naar [wijk], een wijk in [woonplaats 2], waar op het [plein] oud en nieuw werd gevierd en waar een vreugdevuur brandde.

 

 

3.5

[appellant] heeft uit een van die zakken een vuurwerkpot gepakt en deze aangestoken, waarna deze vuurwerkpot direct is ontploft.

 

 

3.6

[geïntimeerde] was vuurwerkhandelaar en de desbetreffende (sier)vuurwerkpot was niet afkomstig uit zijn reguliere verkoopassortiment; het was niet voorzien van commerciële reclame en/of afbeeldingen van afgaand vuurwerk. De middag van die oudejaarsdag had [geïntimeerde] een zelfde sierpot aangestoken die zodanig sneller afging dan gebruikelijk dat [geïntimeerde] daarom een sms bericht heeft gestuurd naar zakenrelaties die een zelfde sierpot in het bezit hadden met de waarschuwing voorzichtig te handelen.

 

 

 

4 De vordering in eerste aanleg en de beslissing daarop

 

 

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg, na wijziging van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd dat de rechtbank:

  1. zal verklaren voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is jegens [appellant] voor de geleden en nog te lijden schade op grond van artikel 6:162 BW, alsmede;
  2. [geïntimeerde] zal veroordelen om aan [appellant] te betalen de reeds begrote schade van € 58.852,28, ten gevolge van het hem overkomen ongeval in de nacht van 31 december 2007 en 1 januari 2008, voor welk ongeval [geïntimeerde] aansprakelijk is, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag ad € 35.000,- (smartengeld) vanaf 1 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening, en te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag ad € 6.471,- (overige materiële schade), vanaf de datum van de inleidende dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede;

III. [geïntimeerde] zal veroordelen aan [appellant] te betalen de overige schade, zoals schade ten titel van verlies en zelfwerkzaamheid, verlies van arbeidsvermogen, welke schade nader bij staat dient te worden opgemaakt en te vereffenen volgens de wet, alsmede;

  1. [geïntimeerde] zal veroordelen tot het verstrekken van een deugdelijke fiscale garantie, alsmede;
  2. met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, en – voor het geval voldoening binnen genoemde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede voor nakosten met een bedrag volgens het gebruikelijke liquidatietarief.

 

 

4.2

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

 

 

4.3

De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Het vonnis is voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

 

 

 

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

Inleiding

 

 

5.1

[appellant] heeft in principaal appel vier grieven opgeworpen. [geïntimeerde] heeft in incidenteel appel één grief opgeworpen. Met de grieven is het geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd. Het hof ziet hierin aanleiding de grieven gezamenlijk te bespreken.

 

 

5.2

[appellant] vordert een verklaring voor recht, dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de door hem, [appellant], geleden en nog te lijden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] in de oudejaarsnacht van 2007/2008. In de memorie van grieven heeft [appellant] aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] in strijd met Nederlandse regelgeving (in het bijzonder het op artikel 24 Wet Milieugevaarlijke stoffen gebaseerde Vuurwerkbesluit, Stb. 2002, 33, hierna: het Vuurwerkbesluit) heeft gehandeld door illegaal vuurwerk in het verkeer te brengen, alsmede dat [geïntimeerde] gevaarzettend heeft gehandeld hetgeen in strijd is met maatschappelijke zorgvuldigheidsnormen. Ter ondersteuning van zijn stelling voert [appellant], in het kort, het volgende aan:

– [geïntimeerde] had, als ervaren vuurwerkhandelaar en met zijn specifieke kennis van het gevaar van de vuurwerkpot, de illegale vuurwerkpot niet mee mogen brengen naar het (naar haar aard) chaotische en onoverzichtelijke oudejaarsfeest, waar [geïntimeerde] pas om half twee ’s nachts arriveerde en waarbij hij zich bij een gezelschap zou voegen dat in een uitgelaten sfeer zou verkeren waarbij reeds de nodige alcohol genuttigd zou zijn;

– indien [geïntimeerde] ervoor koos het betreffende vuurwerk toch mee te brengen, had [geïntimeerde] de tas met daarin de vuurwerkpot niet door zijn partner moeten laten dragen maar had hij deze tas zelf moeten dragen zodat hij het stuk vuurwerk (rechtstreeks) onder controle had kunnen houden;

– [geïntimeerde] had zich dienen te verzetten tegen het overnemen door [appellant] van de tas die gedragen werd door zijn partner, met daarin de gevaarlijke vuurwerkpot;

– [geïntimeerde] had, nadat [appellant] de tas met daarin de vuurwerkpot van zijn partner had overgenomen, voldoende gelegenheid om in te grijpen en [appellant] van het afsteken van de vuurwerkpot te weerhouden, hetgeen hij ten onrechte heeft nagelaten;

– [geïntimeerde] had [appellant] concreet en op indringende wijze moeten waarschuwen voor het hem bekende gevaar van directe ontploffing van de vuurwerkpot.

Als gevolg van het meebrengen van de gevaarlijke illegale vuurwerkpot, het niet voldoende onder controle houden van de tas waarin dit vuurwerk zich bevond en het niet concreet en indringend waarschuwen voor het gevaar van directe ontploffing van het vuurwerk, heeft [geïntimeerde] het gevaar voor een ongeval (mede) in het leven geroepen, hetgeen jegens [appellant] onrechtmatig is, aldus [appellant].

 

 

5.3

[geïntimeerde] betwist dat hij onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld. Ter ondersteuning van zijn verweer voert hij, eveneens samengevat, het volgende aan:

– de meegebrachte vuurwerkpot betrof geen illegaal vuurwerk;

– [geïntimeerde] en zijn partner waren voornemens het door hen, als privé personen, meegebrachte vuurwerk zelf af te steken en behoefden niet te vermoeden dat [appellant] de tas met daarin de vuurwerkpot zou afpakken;

– [geïntimeerde] wist niet dat er een dergelijke grote groep mensen op het oudejaarsfeest aanwezig zou zijn, dat het feest midden in een woonwijk op straat zou plaatsvinden en dat het grootste deel van de groep, waaronder [appellant], zich in een beschonken en opgewonden toestand zou bevinden;

– [appellant] heeft de tas met daarin de vuurwerkpot van de partner van [geïntimeerde] afgepakt en zich daarmee op onrechtmatige wijze het vuurwerk toegeëigend; op [geïntimeerde] rustte dientengevolge geen waarschuwingsplicht ten aanzien van het aan het vuurwerk klevende gevaar;

– zo er op [geïntimeerde] al een waarschuwingsplicht zou hebben gerust bestond er voor hem geen gelegenheid [appellant] adequaat te waarschuwen voor het gevaar op snelle(re) ontploffing van het vuurwerk, nu [appellant] nadat hij de tas met vuurwerk had afgepakt, hiermee is weggerend en [geïntimeerde] hem pas weer in het zicht kreeg op het moment dat [appellant] al doende was het vuurwerk af te steken; [geïntimeerde] heeft [appellant] op dat moment alleen nog kunnen waarschuwen voor de gevaren die hij direct constateerde (te weten dat [appellant] niet met zijn hoofd boven de vuurwerkpot moest hangen en het vuurwerk met een sigaret aan moest steken);

– [appellant] heeft de vuurwerkpot op ongecontroleerde wijze aangestoken zonder zich er daarbij te van vergewissen of het vuurwerk illegaal was en zonder daarbij de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen (zoals het aansteken met een aansteeklont, het voldoende afstand houden en het dragen van een vuurwerkbril) in acht te nemen.

 

 

5.4

In de onderhavige procedure gaat het in eerste plaats om de vraag of [geïntimeerde] jegens [appellant] aansprakelijk kan worden gehouden voor de door hem, [appellant], geleden en de te lijden schade doordat [geïntimeerde] een gebrekkig product in het verkeer heeft gebracht, dan wel doordat hij onrechtmatig heeft gehandeld. Bij een bevestigend antwoord op die vraag komt vervolgens de vraag aan de orde of [appellant] – zoals [geïntimeerde] betoogt – op grond van eigen schuld de gehele, althans een gedeelte, van de schade voor eigen rekening zal dienen te nemen. Het hof zal deze geschilpunten achtereenvolgens bespreken.

Productaansprakelijkheid

 

 

5.5

[appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde] aansprakelijk kan worden gehouden voor de door hem geleden en te lijden schade doordat hij een gebrekkig product in het verkeer heeft gebracht. Reeds door willens en wetens een gevaarlijk illegaal stuk vuurwerk in het verkeer te brengen, heeft [geïntimeerde] naar de mening van [appellant] onrechtmatig gehandeld.

Voor zover [appellant] met deze stelling heeft betoogd dat op [geïntimeerde] een risico-aansprakelijkheid rust op grond van het bepaalde in artikel 6:185 BW, verwerpt het hof deze stelling, nu de vuurwerkpot niet door [geïntimeerde] als producent in het verkeer is gebracht.

Aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad

 

 

5.6

Het hof stelt bij de beoordeling van de vraag of [geïntimeerde] jegens [appellant] aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van hem overkomen ongeval in de oudejaarsnacht van 2007/2008 op grond van onrechtmatige daad, voorop dat de vraag of de veroorzaking van schade door het in het leven roepen of laten voortbestaan van een gevaar onrechtmatig is, niet uitsluitend kan worden beantwoord aan de hand van de vraag of schade is ingetreden, dan wel of sprake is van een ongeval, maar dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval (HR 9 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1576, en HR 6 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6934), waaronder de grootte van de kans op ongevallen, de ernst van de gevolgen van een ongeval, de bezwaarlijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen en de grootte van de kans dat een potentieel slachtoffer niet de vereiste oplettendheid zal betrachten.

 

 

5.7

Tussen partijen is vooreerst in geschil of de door [geïntimeerde] meegebrachte vuurwerkpot illegaal vuurwerk betrof. [appellant] heeft, onder verwijzing naar het Vuurwerkbesluit, betoogd dat dit het geval is. [geïntimeerde] heeft betwist dat de vuurwerkpot illegaal vuurwerk betrof.

Het hof overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de desbetreffende vuurwerkpot niet, zoals het overige door [geïntimeerde] meegebrachte vuurwerk, afkomstig was uit het reguliere verkoopassortiment van [geïntimeerde], maar dat [geïntimeerde] de vuurwerkpot via een vriend had verkregen. Vast staat voorts dat de vuurwerkpot niet was voorzien van reclame en dat hierop geen afbeelding van afgaand vuurwerk was weergegeven.

Op grond van artikel 2.1.3 lid 1 van het Vuurwerkbesluit dient consumentenvuurwerk (vuurwerk dat geschikt is voor particulier gebruik) onder meer te zijn voorzien van een vermelding of een afbeelding van de soort van het vuurwerk waaruit duidelijk blijkt wat de te verwachten effecten tijdens het functioneren zijn, alsmede van de naam, de handelsnaam of het handelsmerk en de naam en plaats van vestiging van de fabrikant en de importeur of handelaar. Nu tussen partijen vaststaat dat de vuurwerkpot noch van reclame, noch van afbeeldingen van afgaand vuurwerk was voorzien, constateert het hof dat de door [geïntimeerde] meegebrachte vuurwerkpot niet voldeed aan de voornoemde in het Vuurwerkbesluit aan consumentenvuurwerk gestelde eisen.

Ten tijde van het ongeval gold voorts de op het Vuurwerkbesluit gebaseerde Regeling Nadere eisen aan vuurwerk 2004, waarin in artikel 5 lid 1 is opgenomen dat consumentenvuurwerk voorzien van een lont, een ontsteekvertraging van tenminste drie en ten hoogste acht seconden dient te hebben. Tussen partijen is niet in geschil dat de onderhavige vuurwerkpot onmiddellijk na het aansteken daarvan tot ontploffing is gekomen. Zulks is ook door diverse getuigen in hun schriftelijke verklaringen bevestigd: “Op het moment dat [naam] naar voren buigt om het vuurwerk aan te steken gaat deze binnen 1 seconde af” ([X]), “Op het moment dat hij [[appellant]] de sigaret bij de “sierpot” hield knalde de “sierpot” direct uit elkaar” ([Y]), “Toen ik een vonk zag verschijnen hing hij boven het vuurwerk. Toen hoorde ik direct wat knallen in de lucht en zag [naam] wegrennen met zijn handen voor zijn gezicht” ([Z]).

In het licht van deze verklaringen, staat het naar het oordeel van het hof voorshands voldoende vast dat het vuurwerk geen ontstekingsvertraging van tenminste drie seconden had en dientengevolge niet voldeed aan de in de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk gestelde criteria. Nu [geïntimeerde] heeft gesteld dat het onmiddellijk afgaan van het vuurwerk gelegen is in de gedragingen van [appellant] zelf, doordat hij het vuurwerk op onvoorzichtige wijze heeft aangestoken, zal hij tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands geleverd geachte bewijs worden toegelaten.

 

 

5.8

In het geval [geïntimeerde] niet slaagt in het leveren van het onder rechtsoverweging 5.7 bedoelde tegenbewijs, overweegt het hof dat [geïntimeerde], door buiten voornoemde regelgeving om vuurwerk voor handen te hebben en mee te brengen naar een oudejaarsfeest, hij het aldaar aanwezige publiek heeft blootgesteld aan de (aanmerkelijk grotere) kans op letsel door (ondeskundig) gebruik van dat vuurwerk, welk risico zich in het onderhavige geval ook heeft verwezenlijkt.

 

 

5.9

In het onderhavige geval is voorts vast komen te staan dat [geïntimeerde] als detaillist handelde in consumentenvuurwerk, waardoor hij op de hoogte was, althans op de hoogte behoorde te zijn, van de productveiligheidseisen waaraan consumentenvuurwerk dient te voldoen. Ten aanzien van de specifieke vuurwerkpot heeft daarbij te gelden dat [geïntimeerde] in de middag voorafgaand aan de bewuste oudjaarsavond, een vergelijkbare vuurwerkpot, afkomstig uit de serie vuurwerkpotten die hij van een vriend had gekregen, heeft aangestoken waarbij het vuurwerk eerder dan gebruikelijk tot ontploffing is gekomen. [geïntimeerde] heeft weliswaar gesteld dat daarmee niet reeds vast is komen te staan dat de vuurwerkpot die hij mee heeft gebracht naar het oudejaarsfeest door een eigenschap van het vuurwerk zelf onmiddellijk tot ontploffing is gekomen, maar het hof stelt vast dat zijn ervaring met het afsteken van de vuurwerkpot die middag voor [geïntimeerde] in ieder geval reden is geweest een waarschuwend sms-bericht te zenden naar de zakenrelaties aan wie hij eerder die oudejaarsdag een dergelijke vuurwerkpot ter beschikking had gesteld, waarbij deze waarschuwing (blijkens de verklaring van [X]) voor in ieder geval een van deze relaties reden is geweest de vuurwerkpot met een stok met aan het uiteinde een lont verbonden, aan te steken.

 

 

5.10

Naast het voorshands aangenomen feit dat [geïntimeerde] op grond van de in het Vuurwerkbesluit neergelegde regelgeving de onderhavige vuurwerkpot niet voor handen had mogen hebben, stelt het hof op grond van het vorenstaande dan ook vast dat [geïntimeerde] bekend was met een aan de desbetreffende vuurwerkpot klevend bijzonder gevaar, dat uitstijgt boven het gevaar dat aan (het afsteken van) vuurwerk in het algemeen verbonden is. [geïntimeerde] wist immers dat de ontstekingstijd van de vuurwerkpot kort was en in dat opzicht een gevaar schiep, waarvoor hij anderen heeft gewaarschuwd.

 

 

5.11

Het hof overweegt voorts dat [geïntimeerde], die (naar de door hem in het geding gebrachte schriftelijke verklaring van zijn partner) op dat moment ‘broodnuchter’ was, eerst om half twee ’s nachts op het oudejaarsfeest arriveerde, zodat hij had kunnen vermoeden dat het gezelschap waarbij hij zich zou voegen in een uitgelaten feeststemming zou verkeren, waarbij reeds de nodige alcohol zou zijn genuttigd. Daar komt bij dat de oud en nieuwviering plaatsvond op een relatief drukke en chaotische locatie, rond een vreugdevuur midden in een woonwijk in [woonplaats 2], waarbij door buurtbewoners en andere belangstellenden gezamenlijk oud en nieuw werd gevierd, terwijl bovendien de omgeving als gevolg van een extreem dichte mist onoverzichtelijk was. In een dergelijke setting had [geïntimeerde] zich, naar het oordeel van het hof, bewust dienen te zijn van de kans dat potentiële slachtoffers (in verhoogde mate) onoplettend en onzorgvuldig zouden kunnen gedragen. Door onder deze omstandigheden vuurwerk dat – naar voorshands is bewezen – niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen en ten aanzien waarvan hij bekend was met een specifiek aan dat vuurwerk klevend gevaar, mee te brengen naar het oudejaarsfeest, heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid gehandeld. Dat [geïntimeerde] voornemens was het vuurwerk zelf af te steken, doet hier niet aan af. Voor [geïntimeerde] had, als vuurwerkhandelaar en mede gelet op zijn eerdere ervaringen met de vergelijkbare vuurwerkpot, duidelijk moeten zijn dat de omgang met dergelijk vuurwerk onder de vooromschreven omstandigheden op allerlei manieren tot letsel zou kunnen leiden, terwijl voorts voorzienbaar was dat de ernst van het letsel en de schade die bij ongevallen met dit type vuurwerk kunnen ontstaan (zeer) groot is.

 

 

5.12

Het hof neemt voorts in aanmerking dat in het onderhavige geval het treffen van adequate voorzorgsmaatregelen weinig bezwaarlijk was te achten. De meest voor de hand liggende voorzorgsmaatregel was geweest om de desbetreffende vuurwerkpot niet mee te brengen naar het oudejaarsfeest. Doch ook in het geval dat [geïntimeerde] de vuurwerkpot toch mee zou brengen naar het oudejaarsfeest, had hij voorzorgsmaatregelen kunnen treffen teneinde te voorkomen dat (onwetende) derden met het vuurwerk in aanraking zouden kunnen komen. Naar het oordeel van het hof had het in ieder geval op de weg van [geïntimeerde] gelegen rechtstreeks de controle over de tas waarin het gevaarlijke vuurwerk zich bevond, te behouden. Op die wijze had [geïntimeerde] immers, in het niet ondenkbeeldige geval dat de vuurwerkpot in handen van derden zou (dreigen te) vallen, direct in kunnen grijpen. [geïntimeerde] heeft zulks echter nagelaten door de tas met daarin de vuurwerkpot door zijn partner (die niet op de hoogte was van het specifieke aan de vuurwerkpot verbonden gevaar) te laten dragen. Zodoende was het voor [geïntimeerde] moeilijk(er) adequaat in te grijpen toen [appellant] de tas met vuurwerk eenmaal in handen had en is de kans op het ontstaan van ongevallen met dit vuurwerk vergroot.

 

 

5.13

Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] – indien hij niet slaagt in het leveren van het onder rechtsoverweging 5.7 bedoelde tegenbewijs – door het meebrengen van de gevaarlijke vuurwerkpot naar het oudejaarsfeest en het vervolgens onvoldoende onder controle houden van de tas waarin dit vuurwerk zich bevond, tekort is geschoten in de zorgvuldigheid die van hem kon worden gevergd. Onder deze omstandigheden kan de vraag of op [geïntimeerde] al dan niet een waarschuwingsplicht rustte die door hem niet dan wel onvoldoende is nagekomen, in het kader van de aansprakelijkheidsvraag onbesproken blijven.

Causaal verband

 

 

5.14

Gezien de devolutieve werking van het hoger beroep bespreekt het hof thans tevens reeds het verweer van [geïntimeerde] inhoudende dat geen sprake is van causaal verband tussen de gedragingen van [geïntimeerde] en het ontstaan van de schade. [geïntimeerde] stelt hiertoe dat het enkele ter beschikking stellen van het vuurwerk aan zijn partner, met de bedoeling dit zelf af te steken, in een te ver verwijderd verband staat met de schade die [appellant] uiteindelijk heeft geleden.

 

 

5.15

Het hof onderschrijft dit verweer van [geïntimeerde] niet. De schending van zijn zorgplicht bestaat er immers juist in dat [geïntimeerde], wetend dat een vergelijkbare vuurwerkpot die middag eerder dan gebruikelijk tot ontploffing is gekomen en wetend of behorend te weten dat het desbetreffende vuurwerk – naar voorshands is bewezen – niet voldeed aan de daaraan gestelde productveiligheidseisen, het op het oudejaarsfeest aanwezige publiek heeft blootgesteld aan de (aanmerkelijk grotere) kans op letsel door (ondeskundig) gebruik van dat vuurwerk, terwijl hij daarbij onvoldoende rekening heeft gehouden met de kans dat potentiële slachtoffers zich onoplettend en onzorgvuldig zouden gedragen. Het feit dat [appellant] – onwetend van het aan de vuurwerkpot klevende gevaar – het vuurwerk op eigen initiatief in handen heeft gekregen en dit zelf (al dan niet onvoorzichtig) heeft afgestoken, volstaat dan niet om het causaal verband tussen de schending van die zorgplicht en het ontstaan van de schade te doorbreken.

Relativiteit

 

 

5.16

[geïntimeerde] heeft voorts gesteld dat, indien hij al een norm heeft geschonden, deze norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals [appellant] die heeft geleden.

 

 

5.17

Het hof overweegt als volgt. Voor het geval [geïntimeerde] niet slaagt in het leveren van het onder rechtsoverweging 5.7 bedoelde tegenbewijs, heeft het hof reeds overwogen dat de door [geïntimeerde] meegebrachte vuurwerkpot niet voldeed aan de bij het Vuurwerkbesluit en de daarop gebaseerde regelgeving aan voor particulier gebruik bestemd vuurwerk gestelde eisen, terwijl het buiten deze regelgeving om voorhanden hebben van vuurwerk gelet op het bepaalde in artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit verboden is.

Het hof acht daarbij van belang de volgende, in de Nota van Toelichting bij het Vuurwerkbesluit, opgenomen passages:

“Het doel van dit besluit is betere waarborgen te scheppen voor de bescherming van mens en milieu tegen de mogelijke effecten die het opslaan, bewerken en afsteken van vuurwerk kunnen veroorzaken. Het gaat in dit verband zowel om de bescherming van de bevolking in de omgeving van een inrichting waar vuurwerk aanwezig is, de bescherming van toeschouwers die aanwezig zijn bij een evenement of voorstelling waarbij professioneel vuurwerk wordt afgestoken, de bescherming van mensen bij het afsteken van vuurwerk tijdens de jaarwisseling, als om de bescherming van personen die werkzaam zijn bij een bedrijf waarin handelingen worden verricht met professioneel vuurwerk.

(…)

Vuurwerk dat bestemd is voor particulier gebruik (consumentenvuurwerk) dient te voldoen aan welomschreven productveiligheidseisen (Regeling Nadere eisen aan vuurwerk). Vuurwerk dat niet voldoet aan deze productveiligheidseisen mag niet voor consumentendoeleinden binnen het grondgebied van Nederland worden gebracht, vervaardigd, toegepast, voorhanden worden gehouden, aan een ander ter beschikking worden gesteld, worden opgeslagen of bewerkt.”

 

 

5.18

 

Blijkens de hiervoor weergegeven passages uit de Nota van Toelichting strekt het Vuurwerkbesluit en de daarop gebaseerde regelgeving (onder meer) tot bescherming van mensen tegen de mogelijke effecten die het afsteken van vuurwerk bij de jaarwisseling kan veroorzaken en beoogt de regelgeving derhalve (juist) enige vorm van veiligheid te scheppen bij het uitvoeren van een op zichzelf reeds gevaarlijke activiteit. Nu voorts de zorgvuldigheid die het maatschappelijk verkeer betaamt meebrengt dat nagelaten dient te worden vuurwerk dat niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen en waarvan de houder bekend is met een specifiek aan dat vuurwerk klevend gevaar, mee te brengen naar een gezelschap dat in uitgelaten stemming op een onoverzichtelijke en chaotische locatie oud & nieuw viert, is de relativiteit daarmee gegeven.

 

 

Eigen schuld

 

 

5.19

Het hof gaat vervolgens over tot beantwoording van de vraag of, voorshands uitgaande van de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] op grond van artikel 6:162 BW, [appellant] de gehele schade dan wel een deel daarvan, voor eigen rekening zal dienen te nemen. Bij de beantwoording van de vraag of de schadevergoedingsplicht van [geïntimeerde] dient te worden verminderd in verband met ‘eigen schuld’ aan de zijde van [appellant], stelt het hof het volgende voorop.

Op grond van de eerste in artikel 6:101 lid 1 BW genoemde maatstaf wordt, wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Het causaal verband tussen de fout van [geïntimeerde] en de schade is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen gegeven. Aan de orde is nog de vraag of die schade mede een gevolg is van een aan [appellant] toe te rekenen omstandigheid en, zo ja, tot welke causale verdeling dat leidt.

Vervolgens dient te worden bezien of de tweede in artikel 6:101 lid 1 BW genoemde maatstaf, de zogenaamde billijkheidscorrectie, tot een andere verdeling noopt of dat de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, een en ander wegens de uiteenlopende ernst en de mate van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval, zoals de ernst van het letsel.

 

 

5.20

[geïntimeerde], op wie ter zake van de aanwezigheid van aan [appellant] toe te rekenen feiten en omstandigheden die hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade, de stelplicht en bewijslast rust, stelt zich op het standpunt dat de aan [appellant] toe te rekenen gedragingen de schade nagenoeg geheel veroorzaakt hebben. [geïntimeerde] voert in dat kader de volgende feiten en omstandigheden aan:

  1. a) [appellant] heeft zonder toestemming van [geïntimeerde] en zijn partner de tas met daarin de vuurwerkpot van de partner van [geïntimeerde] afgepakt;
  2. b) [appellant] heeft zich vervolgens met deze tas richting het vreugdevuur begeven;
  3. c) [appellant] is ondanks de waarschuwingen van [geïntimeerde] overgegaan tot het aansteken van het vuurwerk;
  4. d) [appellant] heeft daarbij, in beschonken toestand, het vuurwerk op zeer onzorgvuldige wijze aangestoken, door met zijn lichaam boven de vuurwerkpot te hangen, de lont van het vuurwerk geheel bloot te leggen en een aansteker te gebruiken, zonder dat hij daarbij de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen, zoals het dragen van een vuurwerkbril en het aansteken met een aansteeklont in acht heeft genomen.

 

 

5.21

[appellant] heeft vooreerst betwist dat er sprake is van aan hem toe te rekenen gedragingen die aan het ontstaan van de schade hebben bijgedragen. Volgens hem ontbreekt het conditio sine qua non verband tussen deze gedragingen en het ontstaan van de schade, zodat van een vermindering van de schadevergoedingsplicht op grond van

artikel 6:101 lid 1 BW geen sprake kan zijn. [appellant] stelt daartoe dat, nu [geïntimeerde] als gevaarzetter steeds rekening heeft te houden met een zekere onoplettendheid van (onwetende) potentiële slachtoffers, het niet aangaat die eventuele onoplettendheid een slachtoffer als [appellant] in het kader van artikel 6:101 BW als eigen schuld aan te wrijven. [appellant] verwijst ter onderbouwing van deze stelling naar het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2005 (ECLI:NL:HR:2005: AU4042 – Skeelerarrest).

 

 

5.22

Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog. De omstandigheid dat [geïntimeerde] in het onderhavige geval rekening had dienen te houden met een zekere onoplettendheid van potentiële slachtoffers op het oudejaarsfeest, maakt naar het oordeel van het hof niet dat de gedragingen van [appellant] in het geheel niet aan het ontstaan van de schade kunnen hebben bijgedragen. De door [appellant] gemaakte vergelijking met het genoemde Skeelerarrest gaat naar het oordeel van het hof niet op, alleen al nu er in dat geval sprake was van een professionele organisatie die cursussen organiseerde waaraan het slachtoffer deelnam, terwijl in het onderhavige geval sprake is van een informele samenkomst tussen vrienden op een oudejaarsfeest, waarbij [geïntimeerde] geenszins had te gelden als professionele organisator van dat oudejaarsfeest.

 

 

5.23

Bezien dient derhalve te worden in welke mate de omstandigheden aan de zijde van [geïntimeerde] en de omstandigheden aan de zijde van [appellant] zelf, tot het ongeval hebben bijgedragen, waarbij de vraag in hoeverre die gedragingen verwijtbaar zijn buiten beschouwing dient te blijven, nu die laatste vraag eerst in het kader van de reeds genoemde billijkheidscorrectie aan de orde zal komen. Het hof overweegt dat het handelen van [geïntimeerde], te weten het meebrengen van het bewuste stuk vuurwerk en het vervolgens onvoldoende onder controle houden van dit vuurwerk, weliswaar in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het gevaar voor het ontstaan van het ongeval, doch dat ook aan de zijde van [appellant] sprake is van omstandigheden die in meer of mindere mate aan het ontstaan van het ongeval hebben bijgedragen.

 

 

5.24

[geïntimeerde] heeft zich er in dat kader op beroepen dat [appellant] de tas met vuurwerk zonder (expliciete) toestemming uit de handen van zijn partner heeft gegrist en hiermee naar het vreugdevuur is gerend. Vervolgens heeft [appellant] volgens [geïntimeerde] het lont van het vuurwerk volledig blootgelegd en heeft hij de vuurwerkpot op ongecontroleerde wijze in het zand rondom het vreugdevuur heen en weer geschoven. Ondanks daartoe strekkende waarschuwingen van [geïntimeerde] heeft [appellant] daarop, met zijn lichaam boven de vuurwerkpot hangend, het vuurwerk met een aansteker aangestoken.

[appellant] heeft weliswaar erkend dat hij “op bepaalde punten mogelijk niet een volmaakte voorzichtigheid en oplettendheid heeft betracht”, maar de door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken wordt door hem betwist.

Voor de beoordeling van de vraag in welke mate de aan [appellant] toe te rekenen gedragingen van [appellant] zelf tot het ontstaan van de schade hebben bijgedragen dient naar het oordeel van het hof vastgesteld te worden wat de precieze toedracht van het ongeval is geweest. Nu [geïntimeerde], op wie zoals gezegd in dit kader stelplicht en bewijslast rust, een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan betreffende zijn voornoemde stellingen, zal het hof hem toelaten tot bewijslevering door het horen van getuigen.

 

 

5.25

De verdere behandeling van de grieven zal worden aangehouden in afwachting van de (tegen)bewijslevering.

 

 

 

De beslissing

 

Het gerechtshof:

 

 

 

 

alvorens verder te beslissen:

 

 

 

 

laat [geïntimeerde] toe tot het in rechtsoverweging 5.7 omschreven tegenbewijs;

 

 

 

 

draagt [geïntimeerde] op te bewijzen (feiten en omstandigheden waaruit volgt) dat tijdens het oudejaarsfeest in de nacht van 31 december 2007 en 1 januari 2008:

 

  1. [appellant] zonder toestemming van [geïntimeerde] en zijn partner de tas met daarin de vuurwerkpot van de partner van [geïntimeerde] heeft afgepakt;

 

  1. [appellant] met de tas met daarin de vuurwerkpot richting het vreugdevuur is gerend;

 

  1. [appellant] ondanks waarschuwingen van [geïntimeerde] is overgegaan tot het aansteken van het vuurwerk;

 

  1. [appellant] daarbij, in beschonken toestand, het vuurwerk op zeer onzorgvuldige wijze heeft aangestoken, door met zijn lichaam boven de vuurwerkpot te hangen, de lont van het vuurwerk geheel bloot te leggen en een aansteker te gebruiken;

 

 

bepaalt dat, indien [geïntimeerde] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. H. de Hek, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

 

 

 

bepaalt dat [geïntimeerde] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum van dinsdag

9 juni 2015, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) vaststelt;

 

 

 

 

bepaalt dat [geïntimeerde] overeenkomstig artikel 170 Rv de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

 

 

 

 

houdt iedere verdere beslissing aan.

 

 

 

 

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. L. Groefsema en mr. D.H. de Witte en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 12 mei 2015.