• Jurisprudentie
  • Bron: Hof Den Haag
  • ECLI:NL:GHDHA:2014:4530
  • Zaaknummer: 200.099.680/01

Hof: botsing scooter en tegemoetkomende fietser: fout fietser is niet vast komen te staan

Botsing tussen benadeelde op scooter en tegemoet komende fietser. Benadeelde is door botsing in de sloot beland. De fietser had vóór het ongeval drie naast elkaar rijdende fietsers had ingehaald. Onduidelijk is echter gebleven of hij hierbij op het voor het tegemoet komende verkeer bestemde gedeelte van de 3,5 meter breedte weg is geraakt. Het hof oordeelt op basis van getuigenverklaringen dat niet is komen vast te staan dat de fietser jegens de scooterrijder onrechtmatig heeft gehandeld.

ECLI:NL:GHDHA:2014:4530
Instantie: Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak: 02-09-2014
Datum publicatie: 08-04-2015
Zaaknummer: 200.099.680/01
Rechtsgebieden: Civiel recht
Bijzondere kenmerken: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Botsing van scooter met fietser. Niet bewezen dat deze botsing een gevolg was van een fout van de fietser
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl

Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer: 200.099.680/01
Zaak-rolnummer rechtbank: 1005710 / CV EXPL 10-3292

Arrest d.d. 2 september 2014

in de zaak van

[appellant],
wonende te [woonplaats 1],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. O.P. Kuit te [plaats 1],

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats 2],
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. M.J. Snijder te Alphen aan den Rijn.

Het geding
[appellant] is bij exploot van 15 december 2011, in samenhang gelezen met de memorie van grieven, in hoger beroep gekomen tegen de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank ’s Gravenhage, sector kanton, locatie [woonplaats 2], van 7 juli 2011 en 10 november 2011. Bij tussenarrest van 10 april 2012 is een comparitie van partijen gelast die niet heeft plaatsgevonden. [appellant] heeft tegen voormelde vonnissen grieven aangevoerd, die [geïntimeerde] bij memorie van antwoord heeft bestreden. Vervolgens hebben partijen stukken overgelegd voor arrest.

De beoordeling van het hoger beroep
1. In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan.
a. Op 27 februari 2009 heeft omstreeks 21.48 uur een aanrijding plaats gevonden tussen [geïntimeerde], rijdende op een scooter, en [appellant], rijdende op een fiets. [geïntimeerde] reed op de [straatnaam] te [plaats 1] in de richting van [plaats 2]. [appellant] reed op dezelfde weg in tegenovergestelde richting.
b. [geïntimeerde] is bij deze aanrijding in een naast de [straatnaam] gelegen sloot terecht gekomen. [geïntimeerde] is op diezelfde avond met een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. Op 28 februari 2009 is [geïntimeerde] uit het ziekenhuis ontslagen.
c. In het kader van een rapportage ten behoeve van justitie is [geïntimeerde] op 2 maart 2009 door de GGD onderzocht. Als uitwendig letsel werd geconstateerd:
1. donker gekleurde wond aan de binnenzijde van de bovenlip, ongeveer 1 bij 2 cm.
2. korstvorming op het voorhoofd links, op diverse verticale lijntjes binnen een gebied van ongeveer 3 bij 3 cm.
3. roodheid en enigszins oneffenheid van de huid op de wangen.
d. Bij vonnis van de politierechter van 21 september 2009 is [appellant] veroordeeld wegens overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a en van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

2. In dit geding gaat het om de vraag of [appellant] aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] gestelde schade. [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat [appellant] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld als gevolg waarvan [geïntimeerde] door toedoen van [appellant] materiële en immateriële schade heeft geleden. [appellant] heeft zowel het gestelde onrechtmatig handelen als de door [geïntimeerde] gestelde schade betwist. Het hof stelt voorop dat het op de weg van [geïntimeerde] lag om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en in geval van betwisting te bewijzen die kunnen leiden tot de conclusie dat [appellant] jegens [geïntimeerde] aansprakelijk is.

3. Partijen zijn verdeeld over de feitelijke toedracht. Vast staat tussen partijen wel dat [geïntimeerde] en [appellant], op 27 februari 2009 in tegenovergestelde richting rijdende over de [straatnaam], met elkaar in botsing zijn gekomen. Als aangevoerd door [appellant] en niet betwist door [geïntimeerde] staat ook vast dat [geïntimeerde], kort voordat hij in botsing kwam met de fiets van [appellant], – in elk geval – drie in dezelfde rijrichting als [geïntimeerde] naast elkaar rijdende fietsers had ingehaald.

4. Onduidelijk is echter gebleven of [geïntimeerde] bij het inhalen van deze fietsers op het voor het tegemoet komende verkeer bestemde weggedeelte is geraakt. [appellant] voert op dit punt aan dat de weg zodanig smal is, slechts 3,5 meter breed, dat [geïntimeerde] tijdens de inhaalmanoeuvre van de drie fietsers vóór hem op het voor [appellant] bestemde weggedeelte gereden moet hebben waardoor aangenomen moet worden dat de aanrijding is veroorzaakt door een verkeerde inhaalmanoeuvre van [geïntimeerde].

5. [geïntimeerde] heeft niet de door [appellant] gestelde breedte van de weg betwist, maar wel bestreden dat hij bij het inhalen van de fietsers op de andere weghelft terecht is gekomen. Nu noch de door [geïntimeerde], noch de door [appellant] gestelde feitelijke toedracht op dit punt voldoende wordt ondersteund door één der door de politie gehoorde getuigen en het bovendien niet zonder meer ontoelaatbaar is bij het inhalen van overig verkeer om (kortstondig) op de andere weghelft te rijden, moet het hof het ervoor houden dat de inhaalmanoeuvre van [geïntimeerde] op zichzelf verantwoord was, zodat de aanrijding is veroorzaakt door [appellant], tenzij [geïntimeerde] de op de fiets naderende [appellant] tijdig had kunnen waarnemen.

6. [geïntimeerde] stelt op dit punt dat [appellant] geen licht voerde op zijn fiets. [appellant] heeft dit betwist. In een – door de verbalisant ondertekend – proces-verbaal van bevindingen is neergelegd dat verbalisant [naam], hoofdagent van politie Hollands Midden, op 23 april 2009 de fiets van [appellant] na het ongeval heeft onderzocht en dat daarbij heeft vastgesteld dat de dynamo van de fiets niet op de band zelf zat, dat de dynamo slechts met enige moeite tegen de band geplaatst kon worden en dat de bedrading van de verlichting kapot en de behuizing van de koplamp verroest was.

7. Het hof acht op dit punt van belang dat de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] enerzijds hebben verklaard dat zij een fietser zagen naderen en dat [getuige 1] en [getuige 3] anderzijds hebben verklaard dat de fiets onverlicht was, terwijl [getuige 2] volgens zijn verklaring eerst na de botsing zag dat de fiets onverlicht was. Nu de positie van [getuige 3], [getuige 2] en [getuige 1] – achterop de scooter van [geïntimeerde] respectievelijk bestuurder van een scooter rijdende achter de scooter waarop [geïntimeerde] reed en fietsend in gelijke richting als [geïntimeerde] – ten opzichte van de op de fiets uit de tegenover gestelde richting naderende [appellant] niet gunstiger was dan de positie van [geïntimeerde] ten opzichte van [appellant], moet het hof het ervoor houden dat [appellant] ook voor [geïntimeerde] waarneembaar was.

8. Het hof kan in het midden laten of de getuigen de naderende [appellant] hebben kunnen waarnemen doordat – in ieder geval volgens [getuige 3] – de straatverlichting brandde. Beslissend is immers niet of [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] door de straatverlichting dan wel als gevolg van het – volgens [appellant] – brandende fietslicht [appellant] zagen naderen. Nu gesteld noch gebleken is dat de getuigen [appellant] pas op een zo laat moment zagen aankomen dat [geïntimeerde] niet meer in staat kon worden geacht een reeds ingezette inhaalmanoeuvre af te breken, heeft [geïntimeerde] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te kunnen concluderen dat de aanrijding is veroorzaakt door [appellant].

9. Het vorenstaande wordt niet anders door de stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] slingerend over de weg reed. Deze stelling is door [appellant] betwist en de verklaringen van de getuigen zijn op dit punt niet eensluidend. Zo heeft [getuige 1], één van drie fietsers die door [geïntimeerde] werd ingehaald, niets verklaard, terwijl [getuige 2] alleen heeft verklaard dat [appellant] een “rare beweging” maakte. Alleen [getuige 3], diegene die bij [geïntimeerde] achterop de scooter zat, heeft verklaard te hebben gezien “dat er voor ons uit de richting van [plaats 2] een fietser aankwam slingeren. Het leek erop als of de fietser dronken was”. Nu deze verklaring door geen andere verklaringen voldoende wordt ondersteund, is het enkele feit dat de bij [appellant] uitgevoerde ademanalyse als resultaat 505 µg/l gaf, onvoldoende om als vaststaand te kunnen aannemen dat de botsing is veroorzaakt door slingerend rijden van [appellant].

10. Uit het vorenstaande volgt dat niet is komen vast te staan dat [appellant] jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld, zodat het hof niet kan concluderen tot aansprakelijkheid van [appellant] voor de door [geïntimeerde] gestelde schade. De stellingen van partijen ten aanzien van de gestelde schade, kunnen derhalve onbesproken blijven.

11. Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van [geïntimeerde], nu dit geen betrekking heeft op concrete, zich voor bewijslevering lenende feiten. De grieven slagen. De bestreden vonnissen van de rechtbank ‘s-Gravenhage zullen worden vernietigd.

12. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in zowel de kosten van de eerste aanleg, als ook in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [appellant], zoals gevorderd door [appellant] vermeerderd met de wettelijke rente, echter met ingang van de 15e dag na betekening van het te wijzen arrest.

Beslissing

Het hof:

vernietigt de vonnissen van de rechtbank ‘s-Gravenhage, sector kanton, locatie [woonplaats 2], van 7 juli 2011 en 10 november 2011;

en opnieuw rechtdoende:
wijst de vordering van [geïntimeerde] alsnog af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de eerste aanleg, tot aan het vonnis van 10 november 2011 aan de zijde van [appellant] begroot op € 768,= salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de 15e dag na de dag van betekening van dit arrest;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep en begroot deze kosten aan de zijde van [appellant] tot aan deze uitspraak op € 90,81 appelexploot, € 291,= vast recht en op € 632,= salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de 15e dag na de dag van betekening van dit arrest;

verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, J.H.W. de Planque en R.F. Groos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2014 in aanwezigheid van de griffier.