Jurisprudentie

Hof: blootstelling aan asbest niet aannemelijk gemaakt, werkgever niet aansprakelijk

  • Hof Amsterdam
  • 6 juni 2017
  • ECLI:NL:GHAMS:2017:2121
  • 200.184.617/01

Werknemer is in 2014 overleden aan mesothelioom. Zijn erfgename stelt de werkgever aansprakelijk. 1. Het hof volgt appellante niet in haar stelling dat zij in het kader van bewijslevering kon volstaan met het aannemelijk maken dat werknemer aan asbest is blootgesteld, in die zin dat hij werkzaam is geweest in gebouwen of schepen waarin asbest was verwerkt. appellante zal in voldoende mate aannemelijk moeten maken, dat hij in aanraking is geweest met asbesthoudende vezels. 2. Het hof oordeelt dat de omkeringsregel niet van toepassing is, aangezien deze niet ziet op de schadeveroorzakende gebeurtenis maar slechts op de bewijslast ten aanzien van de causaliteit. 3. Appellante heeft naar het oordeel van het hof niet bewezen dat werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan asbest.

Lees verder

Jurisprudentie

Hoge Raad: geen falend toezicht Arbeidsinspectie bij asbest, Staat niet aansprakelijk voor mesothelioom

  • Hoge Raad
  • 2 juni 2017
  • ECLI:NL:HR:2017:987
  • 16/02223

Werknemer is van 1977 tot jaren 90 bij werkzaamheden blootgesteld aan asbest; na faillissement werkgever heeft hij de Staat aansprakelijk gesteld wegens falend toezicht. De Hoge Raad oordeelt dat geen sprake is van regelgevings- en toezichtsfalen bij de Arbeidsinspectie zodat de Staat niet aansprakelijk is voor het ontstaan van mesothelioom. De Hoge Raad overweegt dat van onrechtmatig handelen wegens onvoldoende toezicht door de Arbeidsinspectie met name sprake kan zijn indien de schade van de werknemer in een concreet geval voor de Arbeidsinspectie voorzienbaar was en haar in redelijkheid had moeten nopen tot het nemen van maatregelen. Het gaat er om of er voor de Arbeidsinspectie voldoende ernstige en concrete aanwijzingen bestonden om overtreding van de regel en het daaruit voortvloeiende risico op schade aan te nemen en dat risico en die schade moeten dan ook naar aard en omvang voldoende ernstig zijn. Het niet plaatsvinden van toezicht of controle waarin geen concrete aanwijzingen bestaan voor mogelijke overtredingen kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden tot aansprakelijkheid leiden (zie r.o. 3.4.4). Werknemer heeft onvoldoende aangetoond dat de Arbeidsinspectie wist of had moeten weten dat de werkgever het asbestverbod in de relevante periode overtrad, of hiervoor aanwijzingen had.

Lees verder

Jurisprudentie

Hoge Raad: verjaringstermijn voor asbestslachtoffers niet in strijd met EVRM

  • Hoge Raad
  • 24 maart 2017
  • ECLI:NL:HR:2017:494
  • 15/05837

De Hoge Raad schets allereerst het verjaringsregime in asbestzaken: een rechtsvordering i.v.m. schade als gevolg van blootstelling aan asbest vóór 1 februari 2004 verjaart ingevolge art. 3:310 lid 2 BW na dertig jaar. In HR 28 april 2000 heeft de Hoge Raad geoordeeld, dat de verjaringstermijn van dertig jaar o.g.v. art. 6:2 lid 2 BW buiten toepassing kan blijven (onder meer) wanneer de schade haar aard verborgen is gebleven en pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken. De Hoge Raad oordeelt nu: “Gelet op de duur van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 2 BW en het met de verjaring beoogde belangrijke doel van de rechtszekerheid, alsmede gelet op de mogelijkheid die verjaring met toepassing van art. 6:2 lid 2 BW buiten toepassing te laten, is sprake van een beperking van het recht op toegang tot de rechter die met art. 6 lid 1 EVRM verenigbaar is. Of toepassing van de verjaringstermijn van dertig jaar na de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, moet met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval worden beoordeeld aan de hand van de in het arrest van 28 april 2000 vermelde gezichtspunten. In dit stelsel hebben mesothelioomslachtoffers die (voor het laatst) vóór 1 februari 2004 aan asbest zijn blootgesteld en bij wie de ziekte zich meer dan dertig jaar na die blootstelling openbaart, niet in algemene zin zekerheid dat zij een aanspraak op schadevergoeding kunnen verwezenlijken. Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval(…). Het arrest van het EHRM in de zaak Howald Moor c.s./Zwitserland geeft geen aanleiding die beperking van het recht op toegang tot de rechter niet langer met art. 6 lid 1 EVRM verenigbaar te achten.”

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: BV niet aansprakelijk voor schade directeur/groot aandeelhouder door blootstelling aan asbest

  • Rechtbank Midden-Nederland
  • 13 juli 2016
  • ECLI:NL:RBMNE:2016:3838
  • C/16/408803 / HAZA 16-90 LH/1040

RECTIFICATIE: In de nieuwsbrief van 24 juli 2016 was een verkeerde samenvatting opgenomen bij deze uitspraak. Hierbij nogmaals de uitspraak, nu met de goede samenvatting. Excuses.
Benadeelde is vanaf 1977 directeur/groot aandeelhouder (DGA) van loodgietersbedrijf. In 2012 is bij hem mesothelioom vastgesteld en heeft hij de BV aansprakelijk gesteld ex art 7:658 BW wegens blootstelling aan asbest. 1. Verjaring. De rechtbank oordeelt dat de vordering t.a.v. gebeurtenissen die plaats hebben gevonden vóór 1982 (30 jaar vóór de aansprakelijkheidsstelling) is verjaard. De rechtbank toetst vervolgens aan de gezichtspunten van HR 28 april 2000 NJ 2000, 430 (/De Schelde) en concludeert dat een beroep op verjaring niet in strijd is met de redelijkheid. 2. T.a.v. de periode ná 1982 oordeelt de rechtbank dat de schuldaansprakelijkheid die art 7:658 BW voor de werkgever jegens zijn werknemers in het leven roept zich moeilijk laat denken in een geval als het onderhavige, waarin de gelaedeerde werknemer, die tevens feitelijk leidinggevende de hoogste beleidsbepaler is, zijn werkgever aansprakelijk houdt voor schade die hij heeft geleden doordat niet de redelijkerwijs van deze te vergen veiligheidsmaatregelen zijn getroffen. Waar algemeen wordt aangenomen dat de werkgever geen verwijt kan worden gemaakt indien de – ervaren en geïnstrueerde – werknemer er welbewust voor kiest om geen gebruik te maken van door de werkgever ter beschikking gestelde veiligheidsvoorzieningen, klemt zulks temeer in de situatie van benadeelde, die zelf in zijn kwaliteit van beleidsbepaler de werkomstandigheden bepaalde en daarop moest toezien. Het ligt in het onderhavige geval niet in de rede om rekening te houden met het ervaringsfeit dat het dagelijks werken in een gevaarlijke werkomgeving gemakkelijk met zich mee kan brengen dat niet alle voorzichtigheid in acht wordt genomen. De rechtbank oordeelt dat het bovendien in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid die een directeur/ grootaandeelhouder jegens de vennootschap in acht dient te nemen, dat benadeelde zijn vennootschap aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt doordat hijzelf zijn taak als bestuurder niet naar behoren heeft uitgevoerd. (zie r.o. 4.10). Vordering afgewezen.

Lees verder

Vaknieuws

Instituut Asbestslachtoffers (IAS) behandelt recordaantal aanvragen

  • Instituut Asbestslachtoffers
  • 28 april 2016

Het Instituut Asbestslachtoffers (IAS) heeft in 2015 een recordaantal van 753 aanvragen voor een schadevergoeding van asbestslachtoffers afgerond. Sinds 2014 kunnen ook asbestslachtoffers met de ziekte asbestose een beroep op het instituut doen en daardoor is het aantal aanvragen gestegen. In totaal hebben 544 slachtoffers een tegemoetkoming ontvangen en ontvingen 181 een volledige schadevergoeding van de voormalige werkgever.

Lees verder

Vaknieuws

Ontwikkelingen in de asbestjurisprudentie – Gezichtspunten

  • PIV-bulletin
  • 1 februari 2016
  • Mevrouw mr. V. (Veneta) Oskam – Van Traa Advocaten

In dit artikel1 beoog ik een overzicht2 te geven van de recente lijnen en ontwikkelingen in de asbestjurisprudentie en daarbij bespreek ik de (mogelijke) knelpunten waar partijen mee te maken kunnen krijgen (in en buiten de rechtszaal). Hierbij beperk ik mij tot de letselschadepraktijk, dus de aansprakelijkstellingen namens de benadeelde bij de ziekte mesothelioom, welke vordering gezien de korte en fatale ziekteperiode in de praktijk veelal wordt voortgezet door de erfgenamen. De aansprakelijkstelling van de (oud) werkgever wordt meestal snel opgevolgd door bemiddeling door het Instituut Asbest Slachtoffers (IAS). Hierbij stelt het IAS een onderzoeksrapport op waarin de arbeidsanamnese bij de betrokkene wordt afgenomen en verslag wordt gedaan (voor zover nog te achterhalen) van de destijds geldende arbeidsomstandigheden. Zo mogelijk worden ook verklaringen van (oud) collega’s in dit onderzoek betrokken. Vervolgens wordt advies uitgebracht waar het de meest gerede aansprakelijke partij betreft, indien in het arbeidsverleden van de betrokkene meerdere periodes met mogelijke blootstelling aan asbestkunnen worden aangewezen. De betreffende (oud)werkgever wordt aangeschreven en er wordt geprobeerd overeenkomstig de hiertoe vastgestelde normbedragen3 tot een overeenkomst te komen. Hierbij kan een inmiddels verstreken verjaringstermijn een groot struikelblok vormen.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: gemeente aansprakelijk voor mesothelioom echtgenote van brandweerman

  • Rechtbank Midden-Nederland
  • 28 oktober 2015
  • ECLI:NL:RBMNE:2015:8742
  • C/16/378461/HAZA 14-793

Eiser heeft van 1976 tot 2001 bij brandweer in de gemeente Ede gewerkt. In 2009 is bij zijn echtgenote mesothelioom vastgesteld, waaraan zij in 2010 is overleden. De rechtbank acht de gemeente aansprakelijk ex art 7:658 BW. De rechtbank stelt vast dat dat er in de oude brandweerkazerne sprake was van directe asbestblootstelling bij de bezoeken van benadeelde aan de kazerne. Daarnaast heeft het asbeststof in de kazerne zich ook aan de dagelijkse (uniform)kleding en het schoeisel van benadeelde kunnen hechten, waardoor ook van een indirecte blootstelling sprake is geweest. De rechtbank is van oordeel dat de gemeente m.b.t. het vrijkomen van asbeststof in de werkplaats veiligheidsmaatregelen had kunnen en moeten treffen teneinde blootstelling en verspreiding in de werkplaats en in de kazerne te voorkomen. De Gemeente heeft dienaangaande haar zorgplicht geschonden. Causaal verband tussen blootstelling en schade van de echtgenote wordt aangenomen. Door de Gemeente Ede is onvoldoende gesteld om tot bewijslevering van het tegendeel te worden toegelaten. Voorschot van € 60.000,- toegewezen.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: mesothelioom, beroepsfout advocaat, beroep op verjaring na toetsing aan gezichtspuntencatalogus niet onaanvaardbaar

  • Rechtbank Midden-Nederland
  • 4 september 2015
  • ECLI:NL:RBMNE:2013:8022
  • 316899

Advocaat heeft beroepsfout gemaakt door asbestzaak na verwijzing door Hoge Raad niet tijdig bij het hof aan te brengen. In deze procedure is de vraag aan de orde of het hof geoordeeld zou hebben dat het beroep op verjaring van de werkgever naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn geweest. Na verwijzing naar het hof zou leidend zijn geweest de zgn. gezichtspuntencatalogus uit Van Hese/De Schelde. Het hof komt na de afweging van deze gezichtspunten tot de conclusie dat het beroep van werkgever op verjaring niet onaanvaardbaar zou zijn geacht. Het hof oordeelt dat de erven hun vordering tegen de werkgever niet binnen redelijke termijn hebben ingesteld, en daaraan komt in dit geval zeer groot gewicht toe ten nadele van doorbreking van de verjaringstermijn. Vóór doorbreking van de verjaringstermijn pleiten weliswaar de gezichtspunten b (uitkeringen uit anderen hoofde), d (rekening houden met aansprakelijkheid), e (mogelijkheid van verweer) en f (verzekering), maar aan deze gezichtspunten gezamenlijk komt onvoldoende gewicht toe tegenover de omstandigheid dat de erven hun vordering niet binnen een redelijke termijn hebben ingesteld (g) en dat op zijn hoogst sprake is geweest van enige mate van schuld (c).

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: mesothelioom, beroep op verjaring na toetsing aan gezichtspuntencatalogus niet onaanvaardbaar

  • Hof Den Haag
  • 15 september 2015
  • ECLI:NL:GHDHA:2015:2438
  • 200.155.535/01

Werknemer is van 1953 tot 1969 werkzaam geweest bij werkgever; in 2010 is diagnose mesothelioom gesteld, 2 maanden later is werknemer overleden, in 2011 hebben de nabestaanden de werkgever aansprakelijk gesteld. 1. Het hof wijst het verzoek tot het stellen prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, n.a.v. EHRM Moor c.s/Zwitserland af. 2. Het hof komt na toetsing aan de gezichtspunten, ontleend aan HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635 Van Hese/Schelde, tot het oordeel dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Behoudens t.a.v. de voortvarende aansprakelijkstelling van de werkgever pleiten alle overige kenmerken die volgens de gezichtspuntencatalogus van de Hoge Raad van belang zijn, tegen doorbreking van het beroep op verjaring. Daarbij weegt voor het hof met name zwaar het gebrek aan informatie over de exacte gang van zaken destijds, van welk gebrek werkgever geen verwijt kan worden gemaakt, en de omstandigheid dat werkgever geen ernstig verwijt gemaakt kan worden van het ontstaan van de schade.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: garage bekend met gevaar wit asbest, beroep op verjaring onaanvaardbaar

  • Rechtbank Rotterdam
  • 17 juli 2015
  • ECLI:NL:RBROT:2015:5084
  • 3519752 CV EXPL 14-50268

De automonteur is in de garage na 1965 aan asbest blootgesteld aan de gevolgen waarvan hij na aansprakelijkstelling van de werkgever is overleden. De gemeente is mogelijk mede aansprakelijk door het opleggen van een verplichting in zijn woning asbesthoudend materiaal aan te brengen. Dat vermindert de aansprakelijkheid van de werkgever door art. 6:99 BW niet. Het verweer dat het gevaar van het gebruik van wit asbest niet bekend was baat de werkgever niet. Nooit is aangetoond dat wit asbest (chrysotiel) ongevaarlijk was, terwijl al vanaf het begin van de twintigste eeuw door wetenschappelijk onderzoekers is vastgesteld dat zowel wit, blauw als bruin asbest gevaarlijk was en tot gezondheidsschade kon leiden. Door geen maatregelen ter voorkoming van schade te nemen is de kans dat de werknemer een tot een mesothelioom leidend asbestkristal zou binnenkrijgen, in aanmerkelijke mate verhoogd (HR 25 juni 1993, LJN: AD1907). Voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van artikel 7:658 BW geldt de verjaringstermijn van 30 jaren als bedoeld in artikel 3:310 lid 2 BW (HR 2 oktober 1998, LJN: ZC2720). Deze termijn begint te lopen na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, in dit geval de laatste blootstelling aan asbest. In 1979 was de laatste blootstelling aan asbest. De verjaring was voltooid in 2009. Aan de hand van de zeven gezichtspunten die de Hoge Raad heeft ontwikkeld in het arrest 28 april 2000 (Van Hese/De Schelde; LJN: AA5635) komt de kantonrechter tot het oordeel dat een beroep op verjaring onaanvaardbaar is op grond van redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter sluit aan bij het normbedrag voor smartengeld dat het Instituut Asbestslachtoffers IAS hanteert voor slachtoffers van mesothelioom.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: asbest, beroep op verjaring niet in strijd met EVRM en niet onaanvaardbaar

  • Rechtbank Midden-Nederland
  • 10 november 2014
  • ECLI:NL:RBMNE:2014:5507
  • 2337592

Werknemer is van 1956 tot 1970 in dienst geweest bij werkgever en daarbij blootgesteld aan asbest. In 2011 is mesothelioom vastgesteld; in 2013 heeft hij werkgever aansprakelijk gesteld en is hij overleden. Werkgever beroep zich op verjaring. 1. De kantonrechter oordeelt dat een beroep op verjaring niet in strijd is met art. 6 lid 1 EVRM; uit beantwoording Kamervragen n.a.v. EHRM 11 maart 2014 (Moor/Zwitserland) blijkt dat Nederlandse wetgeving niet strijdig is met het EVRM. 2. Beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Toetsing aan gezichtspunten van HR 28 april 2000 (Van Hese/De Schelde). Alle gezichtspunten, behalve de gezichtspunten b en d, vallen in het voordeel van werkgever uit; gezichtspunten b en d leggen onvoldoende gewicht in de schaal.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: blootstelling aan asbest ná 1979 niet bewezen, voor periode vóór 1979 beroep op verjaring niet onaanvaardbaar

  • Hof Den Bosch
  • 27 mei 2014
  • ongepubliceerd
  • HD 200.110.667/02

Asbest. Bij tussenarrest heeft het hof aan appellante (weduwe/erfgename) opgedragen te bewijzen dat de overleden werknemer tijdens zijn werkzaamheden bij werkgever na 1979 blootgesteld is geweest aan asbest. Het hof oordeelt dat appellante niet is geslaagd in bewijslevering; slechts één getuige heeft een verklaring heeft afgelegd over de periode na 1979. Deze verklaring is echter te vaag en innerlijk tegenstrijdig. Ten aanzien van de periode vóór 1979 komt het hof aan de hand van de gezichtspuntencatalogus, ontleend aan HR 28 april 2000 (Van Hese/De Schelde), tot het oordeel dat het beroep van de werkgever op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Alle gezichtspunten, behalve gezichtspunt g, vallen in meer of mindere mate in het voordeel uit van werkgever.

Lees verder

Vaknieuws

Eén op 15 werknemers heeft arbeidsongeval

  • Centr. Bureau voor Statistiek
  • 22 juli 2014

In 2013 liepen 458 duizend werknemers lichamelijk letsel of geestelijke schade op door een ongeval tijdens het werk. Dat komt overeen met 1 op de 15 werknemers in Nederland. Bijna de helft van de slachtoffers verzuimde hierdoor één dag of langer. De meeste arbeidsongevallen deden zich voor in de horeca. Ongeveer 70 procent van de werknemers met een arbeidsongeval liep lichamelijk letsel op, zoals een wond, botbreuk, verstuiking of verbranding. Ruim 20 procent liep uitsluitend geestelijke schade op, zoals psychische schade door bedreiging of agressief gedrag.

Lees verder

Vaknieuws

Beantwoording kamervragen over uitspraak EHRM over verjaringstermijn asbestzaken

  • Tweede Kamer
  • 1 mei 2014

Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie beantwoordt kamervragen over de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de verjaringstermijn van civiele vorderingen van asbestslachtoffers en de toegang tot het recht. Hij geeft aan dat de Nederlandse wet- en regelgeving verschilt van de Zwitserse en wél in overeenstemming is met het EVRM. In Nederland geldt een langere verjaringstermijn en geldt vanaf 2004 een speciale regeling voor verborgen personenschade. Daarnaast kent Nederland een IAS-uitkering en heeft de Hoge Raad gezichtspunten opgesteld aan de hand waarvan kan worden bepaald of een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Lees verder