Jurisprudentie

Hof: benadeelde moet bewijs leveren van arbeidsongeschikt en gesloten arbeidsovereenkomst

  • Hof Den Bosch
  • 27 juni 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:2888
  • 200.194.131_01

Ongeval 2009. Schade wegens verlies van arbeidsvermogen door ongeval? 1. Het hof oordeelt dat op basis van de beschikbare gegevens niet kan worden geoordeeld dat appellant zodanig gewond is geraakt bij het verkeersongeval dat hij daardoor arbeidsongeschikt is geraakt. Het hof draagt appellant op zijn huisartsendossier over 2009-2010 over te leggen. 2. Het hof oordeelt dat appellant met de ondertekende arbeidsovereenkomst vooralsnog voldoende heeft onderbouwd dat hij in 2009 als chauffeur bij transportbedrijf NV in dienst zou treden. De betwisting dat een dergelijke arbeidsovereenkomst is gesloten, is echter voldoende serieus te nemen. Zo roept het onder meer vragen op dat de overeenkomst kennelijk na het ongeval pas is ondertekend. Het hof laat appellant toe te bewijzen dat hij met transportbedrijf NV een arbeidsovereenkomst had gesloten.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: werkgever niet aansprakelijk voor ongeval tijdens woon-werkverkeer

  • Hof Den Bosch
  • 20 juni 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:2802
  • 200.137.578_01

Werknemer in dienst van tankstation is onderweg van zijn werk naar huis op de fiets is aangereden en heeft letsel opgelopen. 1. Het hof oordeelt dat er geen causaal verband is tussen het verstrekken van onjuiste informatie door de werkgever en de weigering van de uitkering door de ongevallenverzekeraar. 2. Het hof acht de werkgever niet aansprakelijk ex art. 7:658 BW en art. 7:611 BW. Werknemer heeft geen bijzondere feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een dermate nauw verband bestaat tussen het ongeval en de uit te voeren werkzaamheden dat de werkgever aansprakelijk kan worden gehouden voor de gevolgen. De omstandigheden dat de werkzaamheden op onregelmatige tijden verricht moesten worden en dat de arbeidsplaats niet met het openbaar vervoer of te voet bereikbaar was zijn daartoe niet voldoende.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: toedracht waterski-ongeval bewezen –behoudens tegenbewijs-, comparitie gelast

  • Hof Den Bosch
  • 23 mei 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:2271
  • 200.172.274/01

Benadeelde gaat op boot van buurman meevaren en waterskiën. Hij loopt –als onervaren waterskiër- ernstig letsel op als hij tijdens het waterskiën uit de bocht vliegt en op de stenen terecht komt. Benadeelde acht de buurman aansprakelijk, omdat hij onrechtmatig heeft gehandeld, door een gevaarlijke manoeuvre uit te halen door tijdens een grote ronde de waterkant te snel en te dicht te naderen, waardoor hij is ‘gekatapulteerd’. De buurman stelt dat het incident het gevolg is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden en heeft plaatsgevonden in een – recreatieve – sport- en spelsituatie. 1. Het hof acht op grond van verklaringen voorshands – behoudends tegenbewijs – bewezen dat benadeelde letsel heeft opgelopen doordat hij met zijn lichaam op of tegen de waterkant is geklapt. 2. Het hof gelast, alvorens verder te oordelen, een comparitie om te spreken over eventueel tegenbewijs, de vraag of sprake is van een onrechtmatige daad of van een sport- en spelsituatie, eigen schuld en de schade.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: deskundigenbericht over afsluiten behoorlijke verzekering (art 7:611 BW) onvoldoende controleerbaar

  • Hof Den Bosch
  • 9 mei 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:2028
  • 200.108.360_01 en 200.123.595_01

Vervolg HR 19 december 2008 (art 7:611 BW; behoorlijke verzekering). Arrest na deskundigenbericht waarin aan de deskundige was gevraagd welke mogelijkheden er in 1998 waren voor de werkgever (ambulancedienst) om een behoorlijke verzekering af te sluiten voor ongevallen in het verkeer. De deskundige heeft diverse mensen uit de branche geïnterviewd. Volgens de deskundige is het beeld voldoende representatief voor de gehele markt, maar het hof stelt vast dat dit op geen enkele wijze controleerbaar is. Het hof komt tot de slotsom dat het deskundigenbericht onvoldoende gegevens bevat om de bevindingen, gedachtegang en conclusies van de deskundige te kunnen volgen en controleren. De stelling van werknemer dat een deskundigenbericht als het onderhavige niet mogelijk is juist lijkt te zijn, aldus het hof. Het hof gelast een comparitie om met partijen te spreken over de gevolgen van het terzijde leggen van het rapport.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: studievertraging na seksueel misbruik toegerekend, behoudens tegenbewijs

  • Hof Den Bosch
  • 25 april 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:1847
  • 200.186.862_01

Benadeelde vordert schade, waaronder studievertraging – na seksueel misbruik. Appellant betwist het causaal verband. Het hof overweegt dat het een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik tot aanzienlijke schadelijke gevolgen – zowel lichamelijk als geestelijk – voor het slachtoffer kunnen leiden. Die schade moet in beginsel als gevolg van het handelen van appellant aan hem worden toegerekend, tenzij appellant aannemelijk maakt dat de schade ook zonder het seksueel misbruik zou zijn ontstaan. Daaraan doet niet af een eventuele vóór het incident bestaande bijzondere lichamelijke of geestelijke kwetsbaarheid (predispositie). Het hof laat appellant toe tot bewijslevering, maar gelast hieraan voorafgaand een comparitie.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: rapport neuroloog niet consistent, partijen hieraan niet gebonden

  • Hof Den Bosch
  • 21 maart 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:1103
  • 200.182.121_01

Causaal verband tussen in 1975 opgelopen hersenletsel en decompensatie in 2008?
Op gezamenlijk verzoek van partijen heeft deskundigenonderzoek door neuroloog en neuropsycholoog plaatsgevonden. Het hof oordeelt dat de conclusie van de neuroloog dat de decompensatie in 2008 ook zonder ongeval zou zijn opgetreden, (te) veel vraagtekens op. Het rapport van de neuroloog beantwoordt naar het oordeel van het hof niet aan de daaraan te stellen eisen van consistentie, inzichtelijkheid en logica. Naar het oordeel van het hof is dan ook nader/nieuw onderzoek naar dat verband nodig en kunnen partijen niet worden aan de uitkomsten van het rapport van de neuroloog en het daarmee samenhangende rapport van de neuropsycholoog. Het nieuwe deskundigenonderzoek dient in het kader van de beoordeling van het integrale geschil tussen partijen te worden verricht en dus in de procedure ten principale.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof (kort geding): immateriële belang vader bij indienen klacht onvoldoende voor inzage in medisch dossier

  • Hof Den Bosch
  • 7 maart 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:942
  • 200.204.157_01

Vader vraagt inzage in medisch dossier van dochter die zelfmoord heeft gepleegd in psychiatrische instelling ter voorbereiding van een klacht tegen de behandelend psychiater.
Het hof is voorshands van oordeel dat als regel nabestaanden van een overleden patiënt er een rechtens te respecteren belang bij hebben om een klacht te kunnen indienen tegen een behandelaar van de overleden patiënt, wegens een vermeend door die behandelaar gemaakte medische fout. In dit geval speelt daarbij geen materieel belang nu de vergoeding van de overlijdensschade minnelijk tussen partijen is geregeld. Het immateriële, emotionele, belang van de vader bij het kunnen indienen van een klacht vormt geen dusdanig zwaarwegend belang voor inzage in het medisch dossier, dat daarvoor het – algemeen maatschappelijke – belang van geheimhouding zou moeten wijken.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: cessie BGK- vordering rechtsgeldig; omvang BGK niet redelijk, aantal uren gematigd

  • Hof Den Bosch
  • 14 maart 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:1012
  • 200.187.843_01

Belangenbehartiger vordert niet betaalde BGK van € 8.010,98 van zijn cliënt (benadeelde) en van de WAM-verzekeraar; door verzekeraar was reeds € 2.668,55 betaald. 1. Het hof oordeelt dat de vordering ter zake de door belangenbehartiger te maken buitengerechtelijke kosten rechtsgeldig door de cliënt aan de belangenbehartiger is gecedeerd. (r.o. 3.5.1). 2. De rechtbank stelt dat de declaraties betrekking hebben op de vaststelling van de omvang van de geleden schade en die werkzaamheden niet onredelijk waren. Voor zover de op de specificatie opgenomen werkzaamheden niet zijn gedocumenteerd, heeft belangenbehartiger niet aangetoond dat zij zijn verricht. Daarnaast laat het hof een aantal werkzaamheden buiten beschouwing die in redelijkheid niet rechtvaardigen dat daar nog eens 6 minuten tijd volgens het uurtarief van belangenbehartiger voor wordt berekend (zoals het zeer kort antwoorden op een ingekomen e-mail en het redigeren van een begeleidend briefje bij het toesturen van ontvangen correspondentie). Het hof overweegt voorts dat het kan voorkomen dat – achteraf – blijkt dat de omvang van de schade niet zo hoog is als oorspronkelijk werd vermoed. Dat doet echter niet af aan het feit dat kosten tot het vaststelling van de omvang van de schade zijn gemaakt. Een in dat geval bestaande wanverhouding tussen de BGK en de uiteindelijke schade levert dan geen grond op om de BGK te matigen. (r.o 3.8). Het hof acht het uurtarief van € 300,- hoog, maar niet ongebruikelijk. Het hof wijst een bedrag van € 5.025,13 toe.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: mishandelingen binnen katholieke kerk: beroep op absolute verjaring niet onaanvaardbaar

  • Hof Den Bosch
  • 21 februari 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:584
  • 200 178 285_01

Benadeelde heeft in 2010 de Confederatie van de Vlaamse en Nederlandse Provincie van de Congregatie van de Priesters van het Heilig Hart van Jezus aansprakelijk gesteld voor de schade door mishandelingen gedurende zijn verblijf in een jongensinternaat in de periode 1964-1971. Het hof toetst aan de zeven gezichtspunten die de Hoge Raad heeft ontwikkeld in het arrest 28 april 2000 LJN: AA5635 (Van Hese/de Schelde). Niet is komen vast te staan dat sprake is van verborgen schade. Eiser is 20 jaar later in de periode 1990-1993 onder behandeling geweest van een psychiater voor klachten wegens de gebeurtenissen tijdens verblijf in het jongensinternaat.. Hij heeft vervolgens de Congregatie pas in 2010 aansprakelijk gesteld. Op grond de gezichtspunten (a) tot en met (g) uit het arrest Van Hese/De Schelde in onderling verband en samenhang bezien, komt het hof tot de conclusie dat het beroep op verjaring van de Congregatie niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: geen causaal verband tussen medische fouten en CVA

  • Hof Den Bosch
  • 31 januari 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:311
  • 200.134.547_01

Door een medische fout krijgt benadeelde na operatie geen antistolling toegediend; 9 dagen later treedt CVA (beroerte) op. 1. Het hof concludeert op basis van deskundigenbericht dat er een fout is gemaakt, maar dat er in de concrete situatie van dit geval geen enkele aanwijzing dat het CVA negen dagen later in enig oorzakelijk verband tot deze fout zou kunnen staan. 2. Informed consent. Het hof concludeert dat het weliswaar als een fout moet worden aangemerkt dat benadeelde niet op de hoogte is gebracht van de verhoogde risico’s welke in haar geval met het nemen van een biopt gepaard konden gaan, maar dat er geen begin van bewijs voorhanden is dat het nemen van dit biopt in enig oorzakelijk verband staat tot het CVA 9 dagen later.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: bewijsnood benadeelde door vernietiging ongevalsladder leidt niet zonder meer tot toewijzing vordering

  • Hof Den Bosch
  • 10 januari 2017
  • ECLI:NL:GHSHE:2017:31
  • 200.170.709_02

Productaansprakelijkheid. Benadeelde valt in 2008 van geknikte uitschuifbare ladder en raakt arbeidsongeschikt. Zij stelt de producent aansprakelijk. Het hof stelt dat o.g.v. art 6:188 BW de benadeelde het gebrek, de schade en het causaal verband daartussen moet bewijzen. Wel geldt de zgn. res ipsa loquitur-leer (bij normaal gebruik wordt het product vermoed gebrekkig te zijn.) De producent kon volstaan met het ontzenuwen van het vermoeden dat de ongevalsladder gebrekkig was. Hierin is hij naar het oordeel van het hof geslaagd. Nu het gebrek in dit stadium niet is komen vast te staan, is het aan benadeelde om dat gebrek te bewijzen. De producent heeft de ongevalsladder echter vernietigd. Benadeelde is door toedoen van de producent in bewijsnood gebracht. Het feit dat contra-expertise door toedoen van de producent niet meer mogelijk is, voor rekening en risico van de producent. Dat leidt echter niet zonder meer tot toewijzing van de vorderingen. Het hof benoemt een deskundige die ter beantwoording van de vraag of, indien de ongevalsladder nog beschikbaar zou zijn geweest relevant onderzoek aan de ongevalsladder had en waartoe dit zou hebben geleid.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: hoofd-, nekpijn en stress geen gevolg van ongeval van 1996

  • Hof Den Bosch
  • 27 september 2016
  • ECLI:NL:GHSHE:2016:4280

Whiplash, ongeval 1996. In tussenarrest van 2015 heeft het hof geoordeeld dat de rechtbank terecht de looptijd van de schadevergoedingsverplichting van de verzekeraar heeft beperkt tot vijf jaar vanwege uit preexistente schizofrenie voortvloeiende beperkingen. Het hof gelastte een deskundigenbericht, omdat de lichamelijke gevolgen van het ongeval (hoofd- en nekpijn) mogelijk onderbelicht waren gebleven. Het hof komt nu op basis van het tot het oordeel dat niet gezegd kan worden dat een alternatieve oorzaak voor de nek- en hoofdpijnklachten van] ontbreekt. Daarbij is van belang dat de deskundige wijst op het tijdsverloop (onderzoek 20 jaar na ongeval). De deskundige spreekt over nekklachten, die niet hun oorzaak vinden in het ongeval, maar die samenhangen met de karakterstructuur en psychiatrische problematiek van benadeelde, de schizofrenie. Ook is sprake van stress. Gelet op het tijdsverloop tussen deze klachten en het ongeval kan t.a.v. deze stressklachten evenmin worden gezegd dat deze hun oorzaak vinden in het ongeval.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: vragen aan deskundige zonder overleg buiten beschouwing, rechter vrij in waardering partij-deskundige

  • Hof Den Bosch
  • 9 augustus 2016
  • ECLI:NL:GHSHE:2016:3619
  • 200.182.121_01

Ongeval 1975, hersenletsel; causaal verband tussen beperkingen in 2008 en ongeval? In het hoger beroep (na deelgeschil) gaat het om de vraag of benadeelde (appellant) gebonden is aan het rapport neuroloog 2 en/of de verzekeraar uit dient te gaan van de rapportage van neuropsycholoog 2 dan wel dient mee te werken aan een nieuw deskundigenbericht. 1. Het hof laat -evenals de rechtbank- de antwoorden die neuropsycholoog 2 aan appellant heeft gegeven op de zonder overleg met verzekeraar gestelde nadere vragen, buiten beschouwing. Naar het oordeel van het hof dient dergelijke (op deze wijze verkregen) informatie in beginsel buiten beschouwing te worden gelaten. 2.Indien het standpunt van een door een partij geraadpleegde deskundige afwijkt van dat van de door de rechter benoemde deskundige, behoeft de rechter zijn beslissing om de zienswijze van de laatstgenoemde deskundige te volgen in het algemeen niet verder te motiveren dan door te overwegen dat de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend overkomt. Wel zal de rechter moeten ingaan op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door de rechter benoemde deskundige. Naar het oordeel van het hof geldt dit ook in de situatie, waarin het standpunt van een door een partij geraadpleegde deskundige afwijkt van dat van een op gemeenschappelijk verzoek van partijen rapporterende deskundige. (r.o.3.8.3). Het hof is vrij in de waardering van de uitgebrachte rapportage. 3. Het hof acht zich onvoldoende voorgelicht en wenst nadere toelichting op rapport neuroloog en neuropsycholoog door deze deskundigen en gelast daartoe een meervoudige comparitie.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: meubelmaker niet geslaagd in bewijs dat sprake was van arbeidsovereenkomst; geen rechtsvermoeden ex art. 7:610a BW, geen situatie ex art. 7:658 lid 4 BW

  • Hof Den Bosch
  • 19 juli 2016
  • ECLI:NL:GHSHE:2016:3080
  • 200.151.359/01

Meubelmaker loopt letsel op en stelt het meubelbedrijf aansprakelijk ex art 7:658 BW. Het meubelbedrijf betwist dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank de meubelmaker opgedragen te bewijzen dat dat ten tijde van het ongeval in 2007 sprake was van (het rechtsvermoeden van) een arbeidsovereenkomst dan wel van een situatie als bedoeld in art. 7:658 lid 4 BW. (In art. 7:610a BW is bepaald dat hij die ten behoeve van een ander tegen beloning door die ander gedurende drie opeenvolgende maanden, wekelijks dan wel gedurende ten minste twintig uren per maand arbeid verricht, wordt vermoed deze arbeid te verrichten krachtens arbeidsovereenkomst.) Het hof komt na het horen van verschillende getuigen tot de conclusie dat de meubelmaker geen beroep kan doen op het rechtsvermoeden van art. 7:610a BW en dat hij niet heeft bewezen dat het meubelbedrijf hem arbeid heeft laten verrichten als bedoeld in art. 7:658 lid 4 BW.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: werkgever aansprakelijk ex art 7:658 BW wegens onvoldoende toezicht op werkplek door chef-monteur

  • Hof Den Bosch
  • 26 juli 2016
  • ECLI:NL:GHSHE:2016:3167
  • 200 174 825_01

Hoger beroep deelgeschil; ongeval 2009. destijds 23 jarige werknemer van installatiebedrijf knipt stroomdraad door die onder spanning blijkt te staan. Hij moet zich losrukken, valt daarbij van ladder en raakt arbeidsongeschikt. Het hof acht–anders dan de kantonrechter- de werkgever aansprakelijk ex art 7:658 BW. Het hof weegt daarbij de volgende factoren: het gaat om een jonge, nog niet zeer ervaren monteur, die buiten het eigen bedrijf onder leiding van een zeer ervaren chef-monteur werkte die elders op die locatie werkzaam was. Hoewel hij een duspol bij zich had heeft hij deze niet gebruikt om de spanning te controleren. Werknemer heeft, door niet met de duspol te controleren of de spanning eraf was, een domme fout gemaakt. Dat geldt zelfs indien er geen instructie zou zijn gegeven om dat altijd te controleren, maar dit levert nog geen opzet of bewuste roekeloosheid op. Het hof oordeelt dat de werkgever niet al het redelijkerwijs mogelijke gedaan om te voorkomen dat aan werknemer een ongeval zou overkomen. Met name ontbrak het aan toezicht op de werkplek zèlf, terwijl dat toezicht wel uitgevoerd had kunnen worden nu er een ervaren collega in de buurt was. Werkgever diende haar bedrijfsvoering aldus in te richten dat op de feitelijke werkplek zelf werd toegezien op de noodzaak om vooraf de spanning te meten, ook als de werknemer meende dat de spanning eraf was gehaald.
Concreet: de chef-monteur kon niet volstaan met de vraag of werknemer de spanning van de installatie had gehaald, hij had ook moeten zeggen dat werknemer dat nog wel op de plaats waar de werkzaamheden werden uitgevoerd diende te controleren (zie r.o 3.5.14 ev) .

Lees verder