Jurisprudentie

Raad van Discipline: schorsing advocaat na excessief declareren in letselzaak

  • Raad van Discipline
  • 25 september 2017
  • ECLI:NL:TADRARL:2017:159
  • 16-1014

De Raad van Discipline oordeelt: Door aanspraak te maken op een resultaatgerelateerd honorarium van 30% van het behaalde resultaat, een ongelimiteerd urenhonorarium en op vergoeding van buitengerechtelijke kosten door de verzekeraar heeft de advocaat volgens eigen zeggen in deze zaak recht op een totaalbedrag van € 33.276,12. Door de verzekeraar is aan klaagster vergoed een bedrag van € 26.250,- aan schade. De vermeende aanspraken van de advocaat staan derhalve in geen verhouding tot het belang van de zaak en overstijgt het belang van de zaak dus ruimschoots: dit is circa 125 % van de schadevergoeding van € 26.250,-. De raad oordeelt dat deze wijze van declareren excessief is. In verhouding tot de door klaagster ontvangen schadevergoeding is dan geen sprake meer van een ‘redelijk salaris’ waarover Gedragsregel 25 spreekt. Naar het oordeel van de raad is een voorwaardelijke schorsing van 13 weken passend.

Lees verder

Jurisprudentie

Raad van Discipline: advocaat geschorst wegens excessief declareren in whiplashzaak

  • Advocatie.nl, Raad van Discipline
  • 28 februari 2017
  • ECLI:NL:TADRAMS:2017:46
  • 16-670/A/A

De Raad van Discipline heeft een advocaat 26 weken geschorst – waarvan 13 weken voorwaardelijk – geschort voor het overtreden van de regels omtrent het maken van een resultaatgerichte prijsafspraak in een letselschadezaak uit 2010. Door de verzekeraars was een schadevergoeding van € 100.000,- betaald; hiervan ging bijna € 35.000,- naar de advocaat. De Raad oordeelt dat de advocaat een resultaat gerelateerde afspraak heeft gemaakt, die niet voldoet aan de geldende regels. Daarnaast heeft hij geen gedetailleerde urenspecificatie verstrekt. De raad stelt vast dat sprake is van excessief declareren.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: “dubbel declareren” is in strijd met de goede zeden

  • Rechtbank Noord-Holland
  • 2 november 2016
  • ECLI:NL:RBNHO:2016:9078
  • 4978539/CV EXPL 16-3023

Belangenbehartiger vordert van zijn cliënt betaling van “succes-fee” van 25%. Door de WA-verzekeraar zijn de redelijke kosten reeds rechtstreeks vergoed. De kantonrechter oordeelt dat “dubbel declareren” in een situatie waarbij de aansprakelijkheid reeds door de verzekeraar reeds is erkend, onzedelijk is. Voor dit oordeel wijst de kantonrechter naar objectieve aanknopingspunten bestaande uit de inhoud van de GBL, het persbericht van het Verbond van Verzekeraars en het PIV en het antwoord van de Minister van Financiën op Kamervragen. De Letselschade Raad noemt het dubbel declareren onetisch en onaanvaardbaar. Het Verbond en het PIV spreken zelfs over oplichting; deze mening werd gedeeld door de Minister van Financiën. Daarnaast wijst de kantonrechter op de maatschappelijke discussie over de “graaicultuur” waarbij veel mensen zich verzetten tegen bovenmatige beloningen. De kantonrechter acht het artikel in de overeenkomst tussen belangenbehartiger en cliënt waarvan de belangenbehartiger nakoming vordert, in strijd is met de goede zeden en derhalve nietig.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: ‘no cure no pay’-overeenkomst niet in strijd met goede zeden, geen misbruik van omstandigheden, geen dwaling

  • Hof Amsterdam
  • 20 juli 2016
  • ECLI:NL:GHAMS:2016:2899
  • 200.160.258/01

Ongeval 1998. Benadeelde (appellant) gaat, omdat hij niet tevreden is over het resultaat van zijn belangenbehartiger naar andere belangenbehartiger (geïntimeerde) en sluit in 2005 een ‘schaderegelingsovereenkomst’ op basis van ‘no cure no pay’. De tweede belangenbehartiger houdt een honorarium van € 45.458,- (20%) in op de schade-uitkering. 1. Het hof acht de schaderegelingsovereenkomst niet nietig wegens strijd met de goede zeden en de goede openbare orde ex art. 3:40 lid 1 BW. De omstandigheid dat verzekeraar aan de eerste advocaat heeft laten weten bereid te zijn de zaak te regelen voor € 200.000,- leidt niet tot een ander oordeel. Niet is immers komen vast te staan dat de tweede belangenbehartiger daarmee bekend was. Het hof verwerpt het verweer dat de tweede belangenbehartiger haar zou hebben moeten uitleggen dat indien hij er niet in zou slagen de slotuitkering hoger te krijgen dan € 200.000,-, zij er per saldo flink op achteruit zou gaan (zie r.o. 3.5). 2. Het hof oordeelt dat
de schaderegelingsovereenkomst niet vernietigd behoeft te worden wegens misbruik van omstandigheden als in art. 3:44 lid 3 BW bedoeld. Benadeelde stelt dat zij onervaren was; een nadere toelichting heeft zij echter niet gegeven (zie r.o. 3.6). 3. Het beroep van benadeelde op dwaling faalt eveneens.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: vordering tot vergoeding BGK en succesfee afgewezen, misbruik van procesrecht

  • Rechtbank Oost-Brabant
  • 3 december 2015
  • ECLI:NL:RBOBR:2015:6910
  • 4114134 / 417

Belangenbehartiger vordert (met machtiging van cliënte) vergoeding van de BGK van de WAM-verzekeraar en betaling van succesfee van zijn cliënte. De kantonrechter oordeelt dat belangenbehartiger onvoldoende heeft aangetoond dat het totaal gedeclareerde bedrag van € 10.679,53 in evenredige verhouding staat tot de werkzaamheden die hij verricht heeft.
Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat van een ingewikkelde zaak geen sprake is, nu de aansprakelijkheid erkend is, er niet of nauwelijks een inhoudelijke discussie heeft plaatsgevonden over de omvang van de schade; de schade relatief gering is en de omstandigheid dat de belangenbehartiger voor álle werkzaamheden, inclusief die van eenvoudig administratieve aard en waarvan een aantal door zijn secretaresse is verricht, een specialistentarief van rekent met tijdseenheden van minimum zes minuten. De succesfee wordt afgewezen nu cliënte reeds een bedrag heeft betaald. Vordering afgewezen. Belangenbehartiger wordt veroordeeld tot betaling van de werkelijke proceskosten wegens misbruik van procesrecht.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: door belangenbehartiger gevorderde succes fee afgewezen

  • Rechtbank Midden-Nederland
  • 24 juni 2015
  • ECLI:NL:RBMNE:2015:4392
  • 3775280 UC EXPL 15-684 CTH/1032

In de onderhavige procedure spreekt belangenbehartiger de aansprakelijkheidsverzekeraar van de aansprakelijk arts en de arts zelf aan voor vergoeding van succes fee van 25% (no cure no pay). Verzekeraar heeft door tussenkomst van belangenbehartiger een regeling van € 80.000,- aangeboden. Benadeelde is hier niet mee akkoord gegaan, heeft overeenkomst met belangenbehartiger opgezegd en zelfstandig regeling getroffen met verzekeraar. Belangenbehartiger heeft benadeelde in rechte aangesproken voor succes fee, welke vordering gedeeltelijk is afgewezen. Door beroepsfout van de advocaat van belangenbehartiger is te laat appel ingesteld. De kantonrechter wijst de vordering tegen de arts en diens verzekeraar af. Beroep op redelijkheid en billijkheid ex art 6:248 BW afgewezen. Vorderingen van belangenbehartiger ex art 6:96 BW wordt eveneens afgewezen; art 6:96 BW kent alleen vorderingsrecht aan benadeelde toe, niet aan belangenbehartiger.

Lees verder

Jurisprudentie

Rb: belangenbehartiger heeft geen recht op misgelopen succesfee, nu inspanningen niet tot hogere vergoeding hebben geleid

  • Rechtbank Midden-Nederland
  • 15 juli 2015
  • ECLI:NL:RBMNE:2015:4924
  • 3771224 UC EXPL 15-629

Belangenbehartiger vordert van cliënte succes fee van 25% naast BGK op basis van de tussen hen gesloten overeenkomst. In overeenkomst is bepaald dat belangenbehartiger bij eerdere beëindiging van de overeenkomst recht heeft op vergoeding voor ‘de misgelopen succes fee’. De rechtbank verwerpt het beroep op dwaling en acht dubbel declareren niet per definitie onaanvaardbaar. Wanneer de succes fee gezien moet worden als een beloning voor een risico, lijkt het de kantonrechter niet onaanvaardbaar om die in rekening te brengen, naast een uurloon via de BGK. In de onderhavige zaak was echter reeds aansprakelijkheid erkend, toen de overeenkomst was gesloten. ‘Men kan zich afvragen of het in zo’n situatie – waarin de belangenbehartiger feitelijk geen risico liep dat zijn kosten onbetaald zouden blijven – redelijk was om een succes fee in rekening te brengen.’ Als andere complicatie noemt de kantonrechter dat het recht op de misgelopen succesfee bij eerdere beëindiging van de overeenkomst geschreven lijkt voor de situatie dat de belangenbehartiger de zaak behandeld heeft van het begin tot kort voor het einde, waarbij het resultaat behaald is door zijn inspanningen. In het onderhavige geval was dat niet het geval. De succes fee zou berekend moeten worden over het verschil tussen het begin- en eindbod. Bij vergelijking van begin- en eindbod is het onduidelijk of belangenbehartiger werkelijk een verbetering heeft bewerkstelligd. De kantonrechter concludeert dat de belangenbehartiger onvoldoende heeft onderbouwd dat hij aanspraak mag maken op de succes fee. Vordering afgewezen.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: no cure no pay, vaststelling redelijk loon belangenbehartiger na voortijdige beëindiging opdracht

  • Hof Den Haag
  • ECLI:NL:GHDHA:2014:4573
  • 200.104.431/01

Belangenbehartiger behandelt letselschadezaak op basis van no cure no pay (15%). Benadeelde beëindigt tussentijds de opdracht, omdat hij ontevreden is over aanbod verzekeraar. Belangenbehartiger vordert zijn honorarium. De rechtbank heeft € 45.000,- toegewezen, aangezien als gevolg van de inspanningen van belangenbehartiger het voorstel van verzekeraar was verhoogd van € 500.000,- naar € 800.000,-; de rechtbank achtte het redelijk om 15% van dit verschil van € 300.000,- , als loon toe te kennen (minus reeds ontvangen BGK ad € 23.211,60). Het hof volgt de rechtbank niet; wanneer een honorarium moet worden vergoed dat is gebaseerd op het verworpen aanbod, zou dit de keuzevrijheid van benadeelde om de opdracht te beëindigen kunnen beïnvloeden. Het hof stelt vast dat tussen partijen is niet in geschil dat belangenbehartiger bij een voortijdig einde van de opdracht ex art. 7:411 lid 1 BW recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Het hof weegt mee o.a. mee a. dat het beëindigen van de opdracht geheel aan benadeelde is toe te rekenen, b. dat belangenbehartiger gedurende 1 ½ jaartijd tijd heeft besteed aan de schaderegeling heeft, c. dat belangenbehartiger heeft onderhandeld over de uitgangspunten, d. dat hij een aanbod van de verzekeraar heeft bewerkstelligd dat ruimschoots lag boven de eerdere berekeningen en e. dat het aannemelijk is dat het uiteindelijk door de opvolgend rechtshulpverlener behaalde resultaat mede het gevolg is van de inspanningen van belangenbehartiger (uiteindelijk is een slotbetaling van € 900.000,- gedaan). Het hof acht een loon van € 60.000,- , zoals subsidiair door belangenbehartiger gevorderd, redelijk.

Lees verder

Vaknieuws

No cure no pay en de dubbele redelijkheidstoets

  • PIV-bulletin
  • Mevrouw mr. L. Veendrick

No cure no pay en de dubbele redelijkheidstoets – HR 26 september 20141 – Uurtje-factuurtje heeft zijn voordelen …. Mevrouw mr. L. Veendrick – Kennedy Van der Laan Advocaten   Op 26 september 2014 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in de procedure van X tegen Stichting Scheper Ziekenhuis. In deze procedure lag de vraag […]

Lees verder

Vaknieuws

No cure no pay en de dubbele redelijkheidstoets, HR 26 september 2014[1]

  • PIV-bulletin
  • 1 december 2014
  • Mevrouw mr. L. Veendrick, Kennedy Van der Laan Advocaten
  • ECLI:NL:HR:2014:2797

Op 26 september 2014 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in de procedure van X tegen Stichting Scheper Ziekenhuis. In deze procedure lag de vraag voor of het honorarium – dat X op basis van een no cure no pay afspraak aan zijn rechtsbijstandverlener verschuldigd was – via art. 6:96 lid 2 onder b en c BW voor vergoeding door het Scheper Ziekenhuis in aanmerking kwam. De Hoge Raad oordeelde dat de enkele omstandigheid, dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt op basis van een no cure no pay afspraak, niet tot uitsluiting van vergoeding van deze kosten onder 6:96 lid 2 BW kan leiden. Wel moeten deze kosten om voor vergoeding in aanmerking te komen voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets. Het arrest X/Scheper Ziekenhuis betreft een belangrijke uitspraak voor de praktijk, waarin steeds vaker resultaat gerelateerde beloningsafspraken voorkomen. In dit artikel ga ik – na een bespreking van de feiten en rechtsoverwegingen uit het arrest – in op de beoordeling van resultaatsgerichte beloningsafspraken aan de hand van de dubbele redelijkheidstoets.

Lees verder

Jurisprudentie

Hof: door belangenbehartiger aan benadeelde in rekening gebracht loon niet redelijk, geen bijbetaling boven redelijke BGK

  • Hof Den Bosch
  • ongepubliceerd
  • HD_2.00.134.877/01

Benadeelde heeft aanvankelijk machtiging ondertekend waarin is bepaald dat belangenbehartiger percentage van het schadebedrag in rekening brengt. Na erkenning aansprakelijkheid wordt de afspraak gewijzigd: belangenbehartiger declareert uren rechtstreeks bij verzekeraar “zonder dat u hierbij enig risico loopt”. Benadeelde gaat naar andere belangenbehartiger, die de schade regelt voor een slotbetaling van € 65.000 (boven voorschot van € 20.000 via eerste belangenbehartiger). De eerste belangenbehartiger brengt voor zijn werkzaamheden € 33.253,64 in rekening; verzekeraar heeft € 15.500 vergoed. Het hof neemt als uitgangspunt dat aan belangenbehartiger een beloning toekomt op basis van art. 7:405 BW. Voor het vaststellen van een redelijk loon acht het hof onder meer van belang de aard en omvang van de verrichte werkzaamheden en het gebruik in de branche. Niet is gebleken van ingewikkelde juridische vraagstukken; aansprakelijkheid is vrijwel direct door de verzekeraar is erkend. Het hof overweegt dat de in rekening gebrachte vergoeding bijna 39% uit van de totale uitkering van € 85.000. Zelfs als de werkzaamheden van belangenbehartiger in belangrijke mate hebben bijgedragen aan de schade-uitkering, acht het hof een dergelijk loon niet redelijk. Het hof acht begroot een redelijk loon in op het door de verzekeraar betaalde bedrag ad € 15.500 (plus onbetwist bedrag ad € 2975). Het hof laat de exacte samenstelling van dit bedrag in het midden, nu aan de bepaling van een redelijk loon ex art. 7: 405 BW geen nauwkeurige berekening ten grondslag kan worden gelegd.

Lees verder

Jurisprudentie

HR: kosten no cure no pay kunnen redelijke kosten ex art 6:96 BW zijn

  • Hoge Raad
  • ECLI:NL:HR:2014:2797
  • 13/04192

De Hoge Raad oordeelt dat het cassatiemiddel tegen het oordeel van het hof, dat art. 6:96 BW geen grondslag biedt voor een kostenberekening op basis van een no cure no pay-overeenkomst en dat het aantal door de belangenbehartiger gewerkte uren en het uurtarief tot uitgangspunt moeten worden genomen, slaagt. Het hof oordeelde dat niet de no-cure-no-pay-afspraak tot uitgangspunt worden genomen, maar het aantal gewerkte uren en het uurtarief, ook al was de keuze van de benadeelde voor no cure no pay redelijk. De Hoge Raad stelt vast dat het hof niet is ingegaan op de door benadeelde genoemde omstandigheden van het geval (aansprakelijkheid afgewezen, shocktoestand en financiële situatie na overlijden echtgenote, hoogte kosten – 15%- in overeenstemming met PIV-staffel).
Als het hof dit niet heeft gedaan omdat het van oordeel was dat art. 6:96 BW geen grondslag kan bieden voor een kostenberekening op basis van een overeenkomst als de onderhavige, is het van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Als het hof van oordeel was dat voor een zodanige kostenberekening in het onderhavige geval onvoldoende grond bestond, is dit oordeel onvoldoende gemotiveerd. Volgt verwijzing naar ander hof.

Lees verder

Vaknieuws

No cure no pay…méér dan een experiment (waard)?

  • PIV-bulletin
  • 1 oktober 2013
  • Mevrouw mr. N.M. Jansen - Marree en Dijxhoorn Advocaten

No cure no pay… méér dan een experiment (waard)? – Twijfels bij een experiment … Mevrouw mr. N.M. Jansen – Marree en Dijxhoorn Advocaten De afgelopen jaren is er veel gezegd en gezwegen over het zogenaamde no cure no pay beginsel; bejubeld en verguisd. In Het Parool van zaterdag 22 mei 2010 voorspelde wijlen mr. […]

Lees verder