ZA/De Greef II

Samenvatting:

PIV-Bulletin 2014-2

Zwolsche Algemeene/De Greef II – … het vervolg – Een rechter past soms terughoudendheid

Mevrouw mr. M.S.E. van Beurden – Van Benthem & Keulen Advocaten


Het arrest Zwolsche Algemeene/De Greef van de Hoge Raad van 8 januari 20011 is het standaard arrest als het gaat om niet objectiveerbare klachten na een (verkeers)ongeval. Als is voldaan aan bepaalde criteria kunnen klachten die in beginsel niet objectiveerbaar zijn toch in juridisch causaal verband tot het ongeval staan. In de schadestaatprocedure die volgde op het arrest uit 2001 werd door de rechtbank in eerste aanleg een naar de toekomst berekende schade op basis van 50% arbeids­ongeschiktheid toegewezen. In hoger beroep oordeelde het hof dat de schade niet op basis van 50%, maar op basis van 25% arbeidsongeschiktheid berekend diende te worden. De Hoge Raad heeft zich – opnieuw – over de zaak mogen uitlaten en wees op 20 december 2013 arrest in de schadestaatprocedure 2.

Arrest 20 december 2013
Dit arrest gaat over de verhouding tussen de beslissing van de rechter in de hoofdzaak en de beslissing van de rechter in de schadestaatprocedure.
In de hoofdzaak had het hof in zijn eindarrest overwogen dat De Greef gedurende enige tijd, en op dat moment (19 april 1999) voor de helft van de tijd (dus voor 50%), niet tot het verrichten van zijn normale werkzaamheden, noch tot het verrichten van andere betaalde arbeid in staat kon worden geacht. In de schadestaatprocedure had (inmiddels) Allianz bewijs geleverd van het feit dat De Greef, naast zijn werk als buschauffeur, andere betaalde werkzaamheden had verricht en dus meer verdienvermogen had (twee transportbedrijven en lasbedrijf met zijn zoon). Het hof in de schadestaatprocedure heeft vervolgens een arbeidsdeskundige benoemd die tot de conclusie was gekomen dat De Greef voor 75% arbeidsgeschikt was3
.
Het hof beoordeelde de schade van De Greef in de schade­staatprocedure op grond van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25%.

In cassatie stelt De Greef dat het hof in de schadestaat­procedure met het uitgangspunt van de schadeberekening dat De Greef 75% arbeidsgeschikt is voor het werk van buschauffeur, heeft miskend dat in het eindarrest in de hoofdzaak onherroepelijk is beslist dat De Greef als gevolg van het ongeval gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geworden, niet meer dan halve dagen als chauffeur kan werken en niet tot andere arbeid in staat is. Volgens De Greef was het hof in de schadestaatprocedure gebonden aan deze beslissing in de hoofdzaak.


De Hoge Raad oordeelt dat het hof in de schadestaatprocedure de overweging van het hof in de hoofdzaak zo heeft uitgelegd dat niet vaststond dat De Greef geheel en blijvend arbeidsongeschikt zou zijn en dat dit oordeel slechts betrekking had op de periode tot 20 april 1999. Het hof heeft dan over de periode vanaf 20 april 1999 terecht het oordeel kunnen geven over de arbeidsgeschiktheid van De Greef. Wat betreft de periode tot en met 19 april 1999 had het hof in de schadestaatprocedure wel tot uitgangspunt moeten nemen dat De Greef 50% arbeidsongeschikt was omdat in het oordeel van het hof in de hoofdzaak de vaststelling van dit uitgangspunt besloten lag en het hof in de schadestaatprocedure daaraan gebonden was.
Gezien de formulering van de beslissing van het hof in de hoofdzaak, hoeft de Hoge Raad in zijn arrest niet, anders dan in algemene bewoordingen, in te gaan op de vraag in hoeverre de rechter in de schadestaatprocedure is gebonden aan de beslissingen in de hoofdprocedure. Daarbij geldt niet dat de rechter in de schadestaatprocedure alle oordelen en beslissingen in de hoofdprocedure in absolute zin als vaststaand uitgangspunt moet nemen. De rechter in de schadestaatprocedure kan van zulke oordelen en beslissingen terugkomen, als deze naar zijn oordeel op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berusten. De gebondenheid is derhalve een uitvloeisel van de leer van de bindende eindbeslissing4. Dat is slechts anders voor zover die oordelen
en beslissingen in de hoofdprocedure de grondslag van de aansprakelijkheid betreffen, nu die grondslag bij uitsluiting in de hoofdprocedure dient te worden vastgesteld5.

Arrest 8 januari 2001
De uitkomst van het recente arrest zal waarschijnlijk weinig invloed hebben op de nog altijd veel gevoerde discussie over niet objectiveerbare klachten na een (verkeers)ongeval. Een discussie die wordt gevoed door de overwegingen van de Hoge Raad uit het arrest van 2001 (althans, door de Hoge Raad in stand gelaten overwegingen van het hof).

Deze overwegingen komen we in de praktijk en in de rechtspraak nog steeds met regelmaat tegen. Ondanks het feit dat een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten ontbreekt, kunnen subjectieve klachten worden aangenomen wanneer objectief kan worden vastgesteld dat de klachten aanwezig, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. In dat geval kunnen aan het aannemen van het causaal verband tussen het verkeersongeval en de gezondheidsklachten geen hoge eisen worden gesteld. Hierbij dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de situatie met ongeval en de situatie zonder ongeval. Indien komt vast te staan dat de benadeelde de klachten vóór het ongeval niet had, deze op zich door het ongeval kunnen worden veroorzaakt en een alternatieve verklaring ontbreekt, is het bewijs van het causaal verband veelal geleverd.


De invulling van bovengenoemde regels door rechtbank of hof kan sterk verschillen. Niet alle rechters lijken even zwaar te tillen aan het aannemen van (subjectief beleefde) klachten en daarmee aan het aannemen van een causaal verband tussen die klachten en het ongeval. Dit geldt echter niet in alle gevallen. Een voorbeeld is een recente uitspraak van Rechtbank Den Haag waarin een benadeelde stelde whiplashklachten te hebben tengevolge van een verkeersongeval6
. Uit de stukken bleek dat de impactsnelheid van het ongeluk niet meer dan 15 km/u was. De rechtbank oordeelde dat conform de Richtlijn Whiplash 2008 er sterke aanwijzingen zijn dat een dergelijke impactsnelheid geen letsel veroorzaakt en dat benadeelde onvoldoende had onderbouwd dat aan het criterium dat de klachten door het ongeval konden zijn veroorzaakt was voldaan. Het causaal verband tussen de klachten en het ongeval kon door de rechtbank derhalve niet worden vastgesteld.
Ook Rechtbank Midden-Nederland heeft in een deelgeschilprocedure geoordeeld dat het causaal verband tussen de door verzoeker gestelde klachten en het verkeersongeval niet kon worden vastgesteld. De rechtbank overwoog dat de gestelde klachten, ondanks het feit dat een neurologisch substraat ontbreekt, in causaal verband kunnen staan met het ongeval. Echter, de inhoud van de beschikbare deskundigenrapporten bood onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat de ernst van de door benadeelde gestelde klachten reëel was. De rechtbank was dan ook niet in staat om de mate waarin de benadeelde de subjectieve klachten beleefde vast te stellen met als gevolg dat het causaal verband tussen de gestelde gezondheidsklachten en het ongeval ontbrak7.
Interessant is ook hoe de rechter omgaat met de vraag of de (subjectieve) klachten resulteren in beperkingen die aan het ongeval kunnen worden toegeschreven (en die uiteindelijk kunnen leiden tot schade). In het arrest Zwolsche Algemeene/De Greef II gaat de Hoge Raad op deze vraag niet in.

Hof Den Bosch heeft begin 2013 geoordeeld dat substraatloze klachten niet in de weg staan aan het aannemen van beperkingen8
. Ook raadsheer mr H. de Hek van het Hof Arnhem/Leeuwarden heeft zich op persoonlijke titel uit­gelaten over deze vraag9. Hij is van mening dat subjectieve klachten beperkingen kunnen opleveren, óók als deze beperkingen niet door een medisch specialist zijn vast­gesteld. In dezelfde lijn hebben ook rechtbank Arnhem en rechtbank Midden-Nederland in 2013 geoordeeld dat beperkingen die werden ervaren op grond van de (subjectieve) klachten als gevolg van het ongeval konden worden toegerekend.10 Echter, dit is in de rechtspraak zeker geen vaste lijn. De afgelopen jaren zijn immers ook veel uitspraken gedaan waarin de rechters hebben overwogen dat uit het bestaan van klachten niet zonder meer het bestaan van beperkingen volgt en dat van beperkingen nog niet zonder meer gezegd kan worden dat zij leiden tot schade11. Zo ook recent nog door Rechtbank Midden-Nederland12.

Conclusie
De zaak Zwolsche Algemeene/De Greef II laat goed zien dat wanneer is voldaan aan de Zwolsche Algemeene/De Greef I criteria, waarmee het causaal verband tussen de gestelde klachten en het ongeval in beginsel kan worden aangenomen, daarmee nog niets is gezegd over de (mate van de) beperkingen, de duur daarvan en de (hoogte van de) schade die daaruit zou kunnen voortvloeien.
Van een rechter mag dan ook verwacht worden dat hij zich enigszins terughoudend opstelt bij een tussentijdse toe­wijzing van schade uitvoerbaar bij voorraad. In de zaak Zwolsche Algemeene/De Greef I heeft De Greef in eerste aanleg een naar de toekomst berekende schade ontvangen waarvan hij bijna tien jaren later een aanmerkelijk deel moet terugbetalen. Dat is voor alle partijen een on­wen­selijke situatie.

1 NJ 2001, 433.
2 ECLI:NL:HR:2013:2138.
3 De arbeidsdeskundige kwam zelfs tot de conclusie dat De Greef voor 100% arbeidsgeschikt was, maar gezien de leeftijd en gebrek aan affiniteit met de geopperde administratieve functie werd de arbeidsgeschiktheid op 75% voor buschauffeur gezet.
4 De rechter die in een tussenuitspraak over geschilpunten uit­drukkelijk en zonder voorbehoud beslist is in het verdere verloop van het geding hieraan gebonden.
5 HR 16 mei 2008, NJ 2008, 285 (r.o. 3.5.3.). Zie ook T.F.E. Tjong Tjin Tai, De Schadestaatprocedure (2012), p. 77-83.
6 Rb. Den Haag 22 oktober 2013, www.stichtingpiv.nl.
7 Rb. Midden-Nederland 12 juni 2013, JA 2013, 135.
8 Hof Den Bosch 12 februari 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ2030.
9 “Whiplash – observaties van een rechter”, TVP 2011, 2 en “Duel of duet”, in PIV-Bulletin 2012, 7.
10      Zoeken. Rb. Midden-Nederland 24 april 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ8632 en Rb. Oost-Nederland 13 maart 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:CA0284.
11      Rb Rotterdam 27 maart 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:BZ5996, Rb. Rotterdam 16 april 2013, JA 2013, 95, Rb. Midden-Nederland 12 juni 2013, JA 2013, 135.
12      Rb Midden-Nederland, 18 december 2013 ECLI:NL:RBMNE:2013:7649.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey