Wmo – het gepuzzel met regres gaat door

Samenvatting:

Voetangels en klemmen …
Het regresrecht van de private en sociale verzekeraar kent vele klemmen en voetangels. Dat weet eenieder die professioneel betrokken is bij het nemen van regres, of bij het voeren van verweer daartegen. In de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015, die onlangs door de Eerste Kamer is goedgekeurd, wordt nu ook op dit onderdeel van de sociale zekerheid een regresrecht ingevoerd1. De verantwoordelijkheid hiervoor komt bij de individuele gemeente(n) te liggen. Te verwachten is dat dat gezien de aard van de voorzieningen die de Wmo biedt geen sinecure zal zijn. Dat wordt door de wijze waarop het regresrecht in de Wmo is geregeld, bepaald niet minder. Een simpele internetsearch leert dat de commercie staat te trappelen om gemeenten hierbij van dienst te zijn. De letselschademarkt dijt verder uit. In dit artikel wordt dieper ingegaan op de regeling in de wet en de daarbij te verwachten uitvoeringsproblemen.

Hoofdlijnen Wmo 2015
Het uitgangspunt van de wet is dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven, en dat van burgers mag worden verwacht dat zij elkaar naar ver- mogen daarin bijstaan. Om die reden wordt de overheidsverantwoordelijkheid voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie zo dicht mogelijk bij de burgers gelegd2. Die verantwoordelijkheid ligt dan ook bij gemeenten. Het mag duidelijk zijn dat die verantwoordelijkheid alleen maar toeneemt, nu een belangrijk deel van de aanspraken uit hoofde van de AWBZ naar de Wmo 2015 is overgeheveld3. De beleidsvrijheid van de gemeenten is aanzienlijk. De geboden voorzieningen kunnen van gemeente tot gemeente behoorlijk uiteenlopen.
De wet biedt voorzieningen op het gebied van de verbetering van zelfredzaamheid, participatie en van beschermd wonen en opvang. Men kan op die voorzieningen op grond van art. 1.2.1 terugvallen, indien men niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit de sociale omgeving in de behoefte daaraan kan voorzien. Deze voorzieningen kunnen bestaan uit algemene voorzieningen, maatwerkvoorzieningen en het persoonsgebonden budget. Hiervoor kan een eigen bijdrage verschuldigd zijn. Voor een inkomens- of vermogenstoets bestaat uitdrukkelijk geen ruimte4, maar de hoogte van het inkomen of het vermogen kan wel van belang zijn bij de bepaling van de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget (art. 2.1.4 lid 4 sub b). De gemeente dient de precieze behoefte te onderzoeken en moet maatwerk bieden. Art. 2.3.2 lid 4 bepaalt wat in dit verband moet worden onderzocht. Daaronder vallen onder meer de algemene voorzieningen waarvan gebruik kan worden gemaakt en de rol die zorgverzekeraars en zorgaanbieders kunnen spelen. Opvallend genoeg blijven eventuele aanspraken op andere derden onbesproken. Er is dus niet geregeld dat aanspraken op derden eerst benut moeten worden alvorens men kan terugvallen op voorzieningen uit hoofde van de wet.
Introductie regres in Wmo 2015
Anders dan de Wmo 2015 kent de huidige Wmo geen regresrecht. De gedachte hierachter was dat de Wmo geen sociale verzekering biedt, doch een sociale voorziening. Anders dan bij de sociale verzekeringen, die in beginsel een eenduidige aanspraak bieden, is bij dergelijke voorzieningen minder makkelijk een directe relatie te leggen met de oorzaak voor de situatie die heeft geleid tot de behoefte waarin de gevraagde voorziening beoogt te voorzien. Vermaat en Rijnhout5 leggen in dezen een parallel met de bijstand, ook een sociale voorziening waarvoor geen regresrecht bestaat. In dit verband halen zij het volgende citaat uit de parlementaire behandeling van de Wet werk en bijstand aan: “In tegenstelling tot een sociale verzekering als de WAO zal bij het verlenen van bijstand de directe oorzakelijke relatie tussen de noodzaak van bijstandsverlening en de actie van een derde vaak ontbreken. Bovendien zal daarbij sprake moeten zijn van aanspraken naar burgerlijk recht, hetgeen niet eenvoudig zal zijn vast te stellen. Dit houdt het risico in van omvangrijke juridische procedures met beperkte mogelijkheden op succes. Een regresrecht zal dan ook leiden tot een complexe uitvoeringspraktijk die haaks staat op de beoogde vermindering van uitvoeringslasten voor gemeenten. Het is derhalve zeer de vraag of het realiseren van een regresrecht tot enig financieel voordeel voor gemeenten zal leiden.”
Engelhard6 stelde al ten aanzien van de voorloper van de huidige Wmo – de Wet voorziening gehandicapten (Wvg) – dat een regresrecht wel degelijk betekenis zou kunnen hebben. Ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) meende dat er een regresrecht zou moeten komen7. Deze kritiek kan aanleiding zijn geweest om in het wetsvoorstel voor de Wmo 2015 wel een regresrecht op te nemen. Hierbij zal ongetwijfeld ook de overheveling van aanspraken uit hoofde van de AWBZ naar de Wmo 2015 een rol hebben meegespeeld. In de AWBZ is immers anders dan in de huidige Wmo een regresrecht opgenomen (art. 65a e.v. AWBZ)8.
Wie na lezing van het zojuist aangehaalde citaat over de bijstand een uitvoerige toelichting, waarom ervoor gekozen is een regresrecht in de Wmo te introduceren, zou hebben verwacht, komt bedrogen uit. De Memorie van Toelichting zwijgt over het nut en de noodzaak hiervan en gaat in het geheel niet in op de daarbij te verwachten uitvoeringsproblemen. In plaats hiervan wordt volstaan met de volgende onderbouwing: “Het regresrecht van de gemeente is de bevoegdheid om de kosten van een door hem verstrekte maatwerkvoorziening of daaraan gekoppeld persoonsgebonden budget te verhalen op degene die door zijn onrechtmatig handelen er de oorzaak van is dat de cliënt een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening of daaraan gekoppeld persoonsgebonden budget. In de eerste twee leden is dit regresrecht geregeld. De regeling is gelijkluidend aan de vergelijkbare maatregelen in de sociale verzekeringswetten. Het regresrecht is doorgaans beperkt tot gevallen van schuldaansprakelijkheid. Dat wil zeggen dat de gemeente de kosten van de aan de cliënte verstrekte maatwerkvoorziening of daaraan gekoppelde persoonsgebonden budget slechts kan verhalen indien het feit als gevolg waarvan de cliënt genoodzaakt werd ondersteuning van de gemeente in te roepen, als een onrechtmatige daad aan de veroorzaker kan worden toegerekend en deze daarvoor derhalve aansprakelijk is. Daarom blijven voor de vaststelling van het totale bedrag waarvoor aansprakelijkheid naar burgerlijk recht zou bestaan, de meeste artikelen betreffende wettelijke aansprakelijkheid buiten de schuld van degene die de schade veroorzaakt heeft (risicoaansprakelijkheid), buiten toepassing. Om dit te bewerkstelligen, wordt in artikel 197 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek een verwijzing naar artikel 2.4.3 opgenomen.”
De Raad van State heeft hierop forse kritiek uitgeoefend9. De Raad van State wijst erop dat bij de uitbreiding van het regresrecht in de sociale zekerheid – eerst kende alleen werknemersverzekeringen een regresrecht, later werd dit uitgebreid naar de daarvoor in aanmerking komende volksverzekeringen, met name de ANW en de AWBZ – uitgangspunt is geweest om in de collectieve sector tot een beter kostenbewustzijn te komen en om de kosten van maatschappelijke activiteiten te leggen waar zij veroorzaakt worden. De Raad van State vervolgt dan: “De Wmo biedt geen aanspraken op grond van een verzekering, maar verschaft een aanvullende voorziening die uitgaat van het leveren van ondersteuning op maat. De Wmo kent op dit moment een dergelijk verhaalsrecht dan ook niet. Indien beoogd wordt in een wettelijke regeling die het verstrekken van (maatwerk)voorzieningen ten doel heeft, toerekening van maatschappelijke kosten en aansprakelijkstelling van derden te regelen, kan een meer dragende motivering daarvoor niet worden gemist. Daarbij dient naar het oordeel van de afdeling betrokken te worden de vraag of het onder de voorgestelde regeling (in veel beperktere mate) in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening wel gepaard zal moeten gaan met de invoering van een regresrecht en derhalve proportioneel is met de situaties waarop deze wet nog niet van toepassing zal zijn. De afdeling geeft in overweging de toelichting toereikend te motiveren en het wetsvoorstel zo nodig aan te passen.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft hieraan echter uitdrukkelijk geen gevolg gegeven. In plaats hiervan meende de Staatssecretaris te kunnen volstaan met het volgende: “Hoewel dit wetsvoorstel niet behoort tot het stelsel van volksverzekeringen, gaat het ook hier om collectieve middelen en geldt, zeker in het licht van het gegeven dat de gemeenten over beperkte middelen beschikken, ook voor dit terrein dat het wenselijk is te komen tot een beter kostenbewustzijn en dat de kosten van de maatschappelijke activiteiten worden gelegd waar zij veroorzaakt worden.”
Principiële keuzes worden dan ook uit de weg gegaan. Dit geldt overigens ook voor de behandeling in het parlement: het regresrecht is geheel onbesproken gebleven. Het geeft te denken dat de wetgever kennelijk meent dat een wettelijk geregeld regresrecht nodig is om gemeenten kostenbewustzijn bij te brengen. Zou men werkelijk oog hebben voor dit aspect, dan zouden overwegingen ten aanzien van de directe en indirecte overheadkosten die verbonden zijn aan het nemen van verhaal, op zijn plaats zijn geweest. Die worden echter node gemist. Per saldo lijkt het tweede argument dan ook het meest zwaarwegend: het adagium “de vervuiler betaalt” telt kennelijk zo zwaar dat de voorheen geldende bezwaren van “omvangrijke juridische procedures” en “een complexe uitvoeringspraktijk” niet eens besproken hoeven te worden.
Regeling regres in Wmo 2015
Het regresrecht van de gemeente is neergelegd in art. 2.4.3 Wmo 2015. Het regresrecht richt zich tegen degene, die jegens de cliënt naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht in verband met het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget (lid 1). Het verhaal omvat de krachtens de wet gemaakte kosten (lid 2). Voor zover de geldswaarde van de maatwerkvoorziening niet kan worden vastgesteld, wordt deze bepaald op een geschat bedrag, waartoe nadere regels kunnen worden gesteld (lid 3). Evenals in de overige andere sociale zekerheidswetten wordt het verhaal begrensd door het civiel plafond (lid 2). Voorts is geen verhaal mogelijk op de werkgever of een collega van de cliënt (lid 4), waarbij onder de werkgever ook een inlener wordt verstaan (lid 5). Tenslotte voorziet de wet in de mogelijkheid van collectivisering van het regres: de Vereniging van Nederlandse Gemeenten kan met verzekeraars een overeenkomst sluiten op grond waarvan een afkoopsom voor de in de komende periode te verwachten schadelast wordt vastgesteld (art. 2.4.4).
Op het eerste gezicht klinkt dit alles bekend. Er wordt aansluiting gezocht bij de gangbare regresbepalingen uit de sociale zekerheid. Wat echter ontbreekt, is de verplichte voordeelstoerekening, die in alle andere regresbepalingen uit de sociale zekerheid is opgenomen. Daarin is immers telkens bepaald dat de rechter bij het vaststellen van de civielrechtelijke aanspraken van de benadeelde rekening dient te houden met de aanspraken van de benadeelde uit de desbetreffende sociale zekerheidswet10. Het is dan ook onjuist dat de Memorie van Toelichting het doet voor- komen alsof de voorgestelde wettekst “gelijkluidend” zou zijn aan de vergelijkbare regelingen in de sociale zekerheid. Onduidelijk is of hieraan een bewuste keuze van de wetgever aan ten grondslag heeft gelegen. Indien dat het geval is geweest, dan moet het ontbreken van iedere toelichting op deze in dat geval principiële koerswijziging als een nalatigheid worden beschouwd.
Bespreking van regresrecht Wmo 2015
Regres is mogelijk op degene, die jegens de cliënt naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht in verband met het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het verstrekken van de maatwerkvoorziening of het persoons- gebonden budget. Voor de kosten van algemene voorzieningen bestaat dus geen regresmogelijkheid.
Dat het moet gaan om een aansprakelijkheid naar burgerlijk recht spreekt voor zich en behoeft geen toelichting. In het hiervoor aangehaalde citaat uit de Memorie van Toelichting heeft de wetgever met zoveel woorden het oog – net als bij de andere regresbepalingen uit de sociale zekerheid – op gevallen van schuldaansprakelijkheid. Om dit te bewerkstelligen zal in art. 6:197 BW – de zogenoemde Tijdelijke Regeling Verhaalsrechten – een verwijzing naar art. 2.4.3 worden opgenomen. De term ‘schuldaansprakelijkheid’ is in dit verband weinig precies en mogelijk zelfs enigszins misleidend. Uit het citaat blijkt immers dat steeds regres mogelijk is indien sprake is van een onrechtmatige daad die aan de veroorzaker kan worden “toegerekend”. Art. 6:162 lid 3 BW bepaalt dat toerekening niet beperkt is tot gevallen van schuld. Er kan ook worden toegerekend indien de onrechtmatige daad te wijten is aan een oorzaak die krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van de dader komt. Met een beroep hierop zal dan ook buiten gevallen van schuld geprobeerd kunnen worden regres te nemen. Met het oog op de verhaalspraktijk was het wenselijk geweest indien de wetgever hierin nu eens een duidelijke keuze had gemaakt.
Een bron van onzekerheid schuilt in de woorden “… in verband met het feit dat aanleiding heeft gegeven tot”. Onduidelijk is waar het zwaartepunt moet worden gelegd: bij de woorden “in verband met” of de woorden “het feit”. “In verband met” impliceert immers dat ook allerlei ver verwijderde, indirecte gevolgen van enig feit tot regres kunnen leiden, terwijl de woorden “het feit” een concrete, directe en monocausale gebeurtenis lijken te vereisen, wil regres mogelijk zijn. De vraag dringt zich dan ook op of het enkele feit dat iemand ooit eens in zijn leven bij een ongeval, dat door een ander is veroorzaakt, betrokken is geweest, regres mogelijk maakt als dat ongeval maar in enig opzicht invloed heeft gehad op de levensloop van betrokkene en die betrokkene jaren later behoefte heeft aan enige ondersteuning uit hoofde van de Wmo 2015. Dat kan, zeker omdat het nu juist gaat om voorzieningen op maat, nog heel wat gepuzzel opleveren.
Regres is niet mogelijk op de werkgever of een collega van de benadeelde. De Memorie van Toelichting houdt op dit punt het volgende in: “Bij het ontbreken van een dergelijke bepaling zouden collega-werknemers in de gevallen waarin zij schuld zouden hebben aan een ongeval, door de verzekeraar van die collega’s kunnen worden aangesproken voor de kosten die ten behoeve van die collega’s zijn gemaakt. Waar mensen intensief samenwerken en ongelukken die aan iemands schuld te wijten zijn zich makkelijk kunnen voordoen, acht de regering een dergelijk regres – en de noodzaak zich daarvoor te moeten verzekeren – niet wenselijk. Vandaar dat via een uitzonderingsbepaling het regresrecht wordt beperkt tot de gevallen waarin sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Het risico van ondersteuningskosten bij normale bedrijfsongevallen komt daarmee voor rekening van de gemeente.”
Deze motivering is opmerkelijk te noemen. Deze uitsluiting van de mogelijkheid van regres komt ook voor in de andere regresbepalingen, en overigens ook in het subrogatieverbod van art. 7:962 lid 3 BW. De reden daarvoor is erin gelegen dat verstoring van de arbeidsrust moet worden voorkomen. Hier verschuift het perspectief echter naar de intensieve samenwerking en het zich makkelijk kunnen voordoen van ongelukken. Daarom is er bij normale bedrijfsongevallen geen ruimte voor regres. Dat kan alleen als er opzet of bewuste roekeloosheid in het spel is. Met dezelfde redenering zou regres bij normale verkeersongevallen ook uitgesloten kunnen worden: waar mensen intensief aan het verkeer deelnemen, kunnen zich makkelijk ongelukken voordoen die aan iemands schuld te wijten zijn. Opnieuw een aanwijzing dat het regresrecht, de kritiek van de Raad van State ten spijt, in deze wet niet de aandacht heeft gekregen, die het behoorde te krijgen. Ondertussen bestaat er geen aanleiding om te veronderstellen dat de op dit vlak reeds bestaande jurisprudentie over de vraag wanneer aangenomen kan worden dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid niet langer van toepassing zou zijn11. De overweging dat voor regres bij normale ongevallen geen ruimte is, kan niet zonder nadere toelichting, met een a contrario-redenering, aldus worden opgevat dat onder de Wmo 2015 al regres mogelijk zou zijn als het bedrijfsongeval niet als normaal te typeren valt.
De wet voorziet ook in de mogelijkheid van collectivisering van het regres. Een dergelijke collectivisering houdt in dat de mogelijkheid van regres in individuele gevallen wordt afgekocht door betaling van het collectief van verzekeraars van een afkoopsom ineens. Voor de AWBZ is door het Verbond van Verzekeraars met het College voor Zorgverzekeringen een dergelijk convenant gesloten12. Een dergelijk convenant zal nu met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gesloten moeten worden. Het zou goed zijn indien een dergelijk convenant tot stand komt. Het alternatief is dat in allerlei individuele gevallen door individuele gemeenten verhaalsacties worden ingesteld, bijvoorbeeld om de gevoelens van rechtvaardigheid van de plaatselijke politiek te bevredigen, zulks terwijl voorspelbaar is dat het verhaal tot aanzienlijke overheadkosten zal leiden en succes lang niet altijd verzekerd zal zijn. Hoe ondertussen die overeen te komen afkoopsom berekend zou moeten worden, en vervolgens door de VNG over de Nederlandse gemeenten verdeeld zou moeten worden, lijkt praktisch gesproken een welhaast onmogelijke opgave. In de eerste plaats zal rekening moeten worden gehouden met de beleidsvrijheid die aan gemeenten toekomt, hetgeen betekent dat de voorzieningen per gemeente nogal uiteen kunnen lopen. In de tweede plaats is bepaald niet ondenkbaar dat individuele gemeenten, indien er aansprakelijke derden in het spel zijn, om die reden aanleiding zien om niet thuis te geven indien om een voorziening wordt gevraagd. Het lijkt dan ook verstandig dat wanneer het daadwerkelijk tot een dergelijk convenant komt, daarin uitdrukkelijk wordt opgenomen dat aanspraken op derden, niet betrokken mogen worden bij de beoordeling van verzoeken om voorzieningen.
Civiel plafond; verplichte voordeelstoerekening
Het tweede lid bevat het civiel plafond. Wie het tweede lid goed leest, zal moeten constateren dat deze bepaling zinledig is. Het verhaal beloopt immers ten hoogste het bedrag, waarvoor de aansprakelijke persoon bij het ontbreken van de voorziening naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met het bedrag van de schadevergoeding waartoe de aansprakelijke persoon daadwerkelijk jegens de benadeelde is gehouden. Waar naar Nederlands schadevergoedingsrecht het beginsel van volledige schadevergoeding voorop staat, is die gehoudenheid altijd gelijk aan het bedrag waarvoor de dader door de benadeelde kan worden aangesproken, indien de desbetreffende voorziening wordt weggedacht. Het civiel plafond komt dan per saldo uit op nihil. Dat zal niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest.
Weliswaar komen identieke civiel plafondbepalingen ook in de andere regresregelingen voor, maar dan in combinatie met de verplichte voordeeltoerekening. Alleen in dat geval ontstaat een logisch sluitend geheel. De aanspraak van de benadeelde op de dader wordt dan immers gekort met de aanspraak uit hoofde van de desbetreffende wet, zodat het civiel plafond beperkt is tot het verschil tussen de aanspraak zonder wet en de aanspraak met wet. Wetstechnisch is het niet overnemen van de verplichte voordeelstoerekening dan ook bepaald ongelukkig te noemen. Maar ook overigens kan dit in letselzaken tot problemen leiden.
Praktische problemen
Denkbaar is dat de verplichte voordeelstoerekening in de Wmo 2015 is weggelaten opdat gemeenten aldus ruimte zouden hebben om aanspraken op derden te betrekken bij verzoeken om ondersteuning. De vraag in hoeverre hiertoe ruimte bestaat, is ook onder de huidige Wmo gerezen. De benadeelde die in verband met het door hem bij een ongeval opgelopen letsel behoefte heeft aan bepaalde voorzieningen, kan hiervoor alleen de gemeente; alleen de betrokken aansprakelijkheidsverzekeraar; alleen de aansprakelijke partij óf alle drie aanspreken. De gemeente en de aansprakelijkheidsverzekeraar zullen in dat geval allebei aanleiding kunnen zien om het primaat bij de ander te leggen. Voor de benadeelde kunnen er tal van redenen zijn om zich op de gemeente te concentreren. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als de aansprakelijkheid nog ter discussie staat, de precieze medische gevolgen van het ongeval nog niet vaststaan, maar bijvoorbeeld ook wanneer de aanspraken van de benadeelde zijn beperkt wegens eigen schuld of wegens insolventie van een niet- of ontoereikend verzekerde dader. Daarentegen kan de benadeelde er belang bij hebben om zich juist tot de betrokken aansprakelijkheidsverzekeraar te wenden, bijvoorbeeld om maar met één wederpartij van doen te hebben of omdat hij inschat dat de voorzieningen die de gemeente te bieden heeft minder ruim zijn dan waartoe diens wederpartij uit hoofde van het schadevergoedingsrecht gehouden is.
Onder de huidige Wmo is door de Centrale Raad van Beroep uitgemaakt dat het een gemeente vrijstaat, met een beroep op diens eigen verantwoordelijkheid, van de benadeelde te verlangen dat juist de aansprakelijkheidsverzekeraar voor de gevraagde voorziening wordt aangesproken13. Bijzonderheid in die zaak was dat de letselschadeclaim kort voor de aanvraag uit hoofde van de Wmo was afgewikkeld. Met de benodigde traplift was daarbij geen rekening gehouden. De benadeelde viel dus tussen wal en schip.
Onder de Wmo 2015 bestaat naar alle waarschijnlijkheid geen ruimte meer om de door de Raad uitgestippelde koers door te zetten. In de Memorie van Toelichting staat nadrukkelijke vermeld dat de manier waarop met het inkomen of het vermogen bij de vaststelling van de eigen bijdrage rekening kan worden gehouden, bij AMvB wordt geregeld. De toelichting voegt hier dan vervolgens aan toe: ”Dit is ook niet mogelijk met een beroep op de zelfredzaamheid van de aanvrager”14.
Maar daarmee zijn eventuele onduidelijkheden niet opgelost. Want er moet hoe dan ook maatwerk geleverd worden waarbij alle omstandigheden waarin de aanvrager verkeert van belang kunnen zijn. Het vergt weinig voorstellingsvermogen dat een eventueel schaderegelingstraject daarbij een rol van betekenis kan spelen. Maar welke rol precies is onduidelijk nu de vermogenspositie en zelfredzaamheid als zodanig buiten beschouwing moeten blijven, en dus niet kunnen worden ingeroepen om aanspraken op derden bij de beoordeling te betrekken. Het mag duidelijk zijn dat hierover in de praktijk heel wat onduidelijkheden kunnen ontstaan, en zich gemakkelijk de situatie kan voordoen dat gemeenten enerzijds en aansprakelijkheidsverzekeraars anderzijds naar elkaar blijven verwijzen. In elk geval heeft het argument dat de verzekeraar niet bevoordeeld mag worden door de voorzieningen die de wet biedt, veel van zijn kracht verloren, nu die immers hoe dan ook met het regresrecht van de gemeente kan worden geconfronteerd. Indien in de wet was opgenomen dat, evenals in de AWBZ bijvoorbeeld, ook hier verplichte voordeelstoerekening geldt, hadden deze afstemmingsproblemen vermeden kunnen worden. Dan kan de benadeelde ‘gewoon’ bij de gemeente terecht, en kan de gemeente vervolgens op zijn regresrecht terugvallen. Zoals eerder opgemerkt, verdient het aanbeveling dat vanwege de complexiteit en kosten van het regres enerzijds en de aard van de Wmo-voorzieningen anderzijds, daadwerkelijk een regresconvenant wordt gesloten, waarin alsnog wordt geregeld dat gemeenten bij het toekennen van gevraagde voorzieningen geen acht slaan op eventuele aanspraken op derden.
Afronding
Uit het voorgaande blijkt dat de introductie van het regresrecht in de Wmo 2015 zorgvuldiger voorbereid had kunnen worden. Begrijpelijk is dat dit onderdeel niet de voornaamste aandacht heeft gekregen. Met de overheveling van de taken uit de AWBZ naar de gemeenten zijn grote maatschappelijke belangen gemoeid. De regresproblematiek vormt daarin een klein, zo niet verwaarloosbaar onderdeel. Maar juist daarom had het onderwerp regres ook gerust kunnen blijven rusten totdat er eindelijk ten gronde zou zijn nagedacht over nut en noodzaak van het regres in de sociale zekerheid. De Tijdelijke Regeling Verhaalsrechten dateert van 1992. Sindsdien zijn er de nodige regresrechten bijgekomen, echter zonder dat nu eens systematisch in kaart was gebracht wat daarvan in financieel opzicht eigenlijk de opbrengsten zijn, en of het ‘de vervuiler betaalt’-principe werkelijk met het nemen van regres wordt gediend. Afgezien van dit bredere kader, vallen juist ook – nu het hier gaat om sociale voorzieningen in plaats van verzekeringen – in de praktijk onduidelijkheden te verwachten, waarvan te vrezen valt dat die zelfs zullen doorwerken in de wijze waarop gemeenten met aanvragen van benadeelden met aanspraken op derden, zullen omspringen. In voorkomend geval kan dat de letselschaderegeling bemoeilijken. Er zijn belangrijke nadelen aan het nemen van regres zijn verbonden: de kosten zijn hoog, de uitkomsten onzeker en dezelfde schade moet twee keer worden verzekerd. Het wordt tijd dat daarover nog eens fundamenteel wordt nagedacht. Tot dan moet de praktijk zich maar behelpen met wat er ligt. En wat er nu ligt, biedt onvoldoende houvast. Het lijkt dus wel zeker dat zowel de civiele als de bestuursrechter de nodige vragen over dit nieuwe regresrecht te beantwoorden zal krijgen.

  1. Wet van 9 juli 2014, Staatsblad 2014, nr. 280.
  2. Zie de considerans van de Wmo 2015, Staatsblad 2014, 280.
  3. Zie Vermaat, ‘De zorg op de schop: wat er over blijft’, PIV-Bulletin 2014, 2, p. 7.
  4. Zie voor de huidige Wmo: CRvB 25 november 2013, AB 2014/52, m.nt. A. Tollenaar.
  5. Vermaat en Rijnhout, ‘De toepassing van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning: wie zal dat betalen?’, TVP 2007, nr. 3, p. 74.
  6. E.F.D. Engelhard, Regres. Een onderzoek naar het regresrecht van particuliere sociale schadedragers, Deventer: Kluwer 2003, p. 115 e.v.
  7. VNG, brief van 2 mei 2007, BAOZW/U20070060.
  8. Hetzelfde geldt voor de langdurige zorg. Deze wordt met ingang van 2015 vanuit de AWBZ overgeheveld naar de Wet langdurige zorg (Wlz). Daarin zijn de regresbepalingen uit de AWBZ met wat wijzigingen van redactionele aard, één op één overgenomen (zie de art. 10.2.1 t/m 10.2.5 Wlz).
  9. Advies Raad van State d.d. 22 november 2013, kenmerk: 185027-115646-WJZ.
  10. Zie Van Boom en Storm, A&V 1995/6, p. 150: “Anders dan bij privaatrechtelijke verzekeringen is het recht van de gelaedeerde om van de aansprakelijke schadevergoeding te vorderen die tevens door de sociale verzekering is gedekt, wettelijk uitgesloten”.
  11. Zie HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7832 voor de hieraan te stellen eisen.

Het huidige convenant loopt tot ultimo 2014. Naar verluidt is dit inmiddels verlengd tot eind 2015. Waar de AWBZ aanzienlijk is uitgekleed, door de overheveling van taken naar de Wmo 2015 en de Wlz zal de afkoopsom vanzelfsprekend opnieuw moeten worden berekend en naar beneden worden bijgesteld.

  1. CRvB 19 juni 2013, AB 2013, 371, m.nt. A. Tollenaar.
  2. MvT, p. 44.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey