Voordeelstoerekening van uitkeringen uit arbeidsongeschiktheidsverzekeringen bij letselschade uit hoofde van art. 6:100 BW: (on)redelijk?

Samenvatting:

Voordeelstoerekening van uitkeringen (on)redelijk? – (beter worden van) onrechtmatige daad …
Het Hof Den Bosch2 heeft zich op 11 februari 20143 uitgelaten over het antwoord op de vraag of een uit­kering uit hoofde van een particuliere arbeids­ongeschiktheidsverzekering als voordeel in mindering mag worden gebracht op de schadevergoeding bij een letselschadeclaim. De beschikking van het hof is tot op heden de eerste uitspraak in hoger beroep sinds het arrest dat de Hoge Raad over deze materie heeft gewezen op 1 oktober 20104. Daarom verdient de beschikking bespreking5.

Feiten

Het volgende was het geval. Op 13 juli 2007 raakte een zzp’er gewond als gevolg van een ongeval op een bouwplaats. Hij was daar als zzp’er werkzaamheden aan het verrichten als klusjesman. Zzp’er stelde zijn opdrachtgever aansprakelijk voor de schade die hij als gevolg van het ongeval leed. Opdrachtgever had zijn aansprakelijkheidsrisico verzekerd. De aansprakelijkheidsverzekeraar erkende aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval en deed uit hoofde daarvan een aantal voorschotbetalingen tot een bedrag van ongeveer € 163.000. Zzp’er had tevens voor eigen rekening een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij een andere verzekeraar. Hij maakte aanspraak op uitkeringen krachtens die polis en ontving deze uitkeringen ook. Zzp’er en de aansprakelijkheidsverzekeraar waren het er op zichzelf wel over eens dat deze (arbeidsongeschiktheids)verzekering was te betitelen als “sommenverzekering” (art. 7:964 BW).

In essentie hield partijen echter verdeeld of de aansprakelijkheidsverzekeraar bij de afwikkeling van de letselschade uit hoofde van art. 6:100 BW mocht overgaan tot verrekening van de uitkeringen die zzp’er genoot op grond van de arbeidsongeschiktheidsverzekering die hij zelf had afgesloten. In het licht van het arrest van de Hoge Raad van 1 oktober 2010 dienden de uitkeringen op grond van deze verzekering, gezien de in die uitspraak geformuleerde gezichtspunten in het kader van een voordeelstoerekening, buiten beschouwing te worden gelaten nu de verzekering een sommenverzekering was. De aansprakelijkheidsverzekeraar betwistte dat standpunt, door erop te wijzen dat de uitkering immers geheel of voor een belangrijk gedeelte de inkomensschade dekte die zzp’er had geleden en nog steeds leed. Ook de arbeidsongeschiktheidsverzekering was met dat doel afgesloten, aldus de aansprakelijkheidsverzekeraar die het aldus in strijd met de redelijkheid achtte dat de zzp’er één schadepost aldus twee keer vergoed zou krijgen. Dat wil zeggen enerzijds uit hoofde van een (sommen)verzekering die specifiek ter dekking van dat risico was afgesloten en anderzijds via de aansprake­lijkheid van de opdrachtgever voor de gevolgen van het ongeval dat zzp’er was overkomen.

De kantonrechter deelde het standpunt van de zzp’er en wees verrekening van de uitkeringen uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van de hand. De aansprakelijkheidsverzekeraar tekende appel aan. Dat leidde tot de beschikking van het Hof Den Bosch van 11 februari 20146. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 20087 stelde het hof voorop dat een verzekeringsovereenkomst volgens art. 7:925 lid 1 BW een schade­verzekering is of een sommenverzekering. Om te vervolgen: “Daarmee heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat de wet slechts twee categorieën van verzekering kent, zij het dat niet is uitgesloten dat een overeenkomst deels schade-, deels sommenverzekering is”.

Het hof overweegt vervolgens dat de arbeids­onge­schikt­heids­verzekering tot uitkering komt bij arbeids­onge­schikt­heid. Van die situatie is sprake, indien de verzekerde tenminste voor 25% ongeschikt is tot het verrichten van werkzaamheden verbonden aan zijn op het polisblad vermelde beroep, zoals dat voor deze beroeps­werkzaamheden in de regel en redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. Daarbij wijst het hof er voorts op dat enige relatie met inkomensschade in de polis niet gelegd wordt. Wel heeft de polis tot doel om uitkering te verlenen bij derving van inkomen ten gevolge van de arbeidsongeschiktheid. Zowel bij de totstandkoming van de verzekering, als bij de bepaling van de hoogte van de uitkering, heeft het inkomen echter geen kenbare rol gespeeld. De omvang van de uitkering is uitsluitend gekoppeld aan de mate van arbeidsongeschiktheid. En niet aan de hoogte van de inkomensderving. Het hof merkt deze verzekering dan ook aan als een “zuivere” sommenverzekering. De aansprakelijkheidsverzekeraar voerde vooral aan dat de strekking van art. 6:100 BW eraan in de weg stond dat de benadeelde beter wordt van een schadevoorval. Het doel van de in dat artikel neergelegde voordeelsverrekening is nu juist, dat de aansprakelijke persoon concreet geleden schade (in dit geval de schade wegens het wegvallen van inkomen die na aftrek van de verkregen uitkeringen resteert) volledig vergoedt. En niet dat de benadeelde in een financieel betere positie komt te verkeren.

Zzp’er had verklaard dat hij de arbeidsongeschiktheids­ver­zekering had gesloten met het oog op het risico dat hij vanwege arbeidsongeschiktheid geen dak meer boven zijn hoofd zou hebben en niet meer zou kunnen beschikken over voldoende gelden voor een normaal levensonderhoud. De aldus verzekerde jaarrente, zo vervolgt het hof, is op die (tamelijk basale) eisen afgestemd en niet gerelateerd aan een bepaald jaarlijks genoten of te genieten inkomen. Om te vervolgen: “Niettemin gaat het hof ervan uit dat de betreffende verzekering op de eerste plaats is gesloten met het oog op het (mogelijke) inkomensverlies dat uit arbeidsongeschiktheid gerelateerd aan een bepaald beroep (in dit geval klusjesman) voortvloeit. Deze intentie van X wordt ook vertaald in artikel 2 van de voorwaarden, waarin de strekking van de verzekering wordt benoemd. Daarmee kan ook gevoeglijk worden aangenomen dat de uitkering er in beginsel mede toe strekt dat (deels) dezelfde schade wordt vergoed als die waarvoor de partij die zich op de voordeelstoerekening beroept aansprakelijk is. Er is derhalve sprake van een schadevergoedingselement.”

Vervolgens overweegt het hof dat aantekening verdient dat de vraag of zich een inkomensverlies en een daarmee samen­hangende schade voordoet, niet bepalend is voor een uitkering uit deze arbeidsongeschiktheidsverzekering. Dat is en blijft immers de mate van arbeidsongeschiktheid die is gerelateerd aan een bepaald beroep, aldus het hof.

Het hof overweegt voorts dat de stelling van de aansprakelijkheidsverzekeraar dat het gegeven dat de uitkering uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering feitelijk deels dezelfde schade dekt als die de aansprakelijkheidsverzekeraar uit hoofde van art. 7:658 BW moet vergoeden in beginsel tot verrekening zou moeten leiden, elke nuancering mist. Het hof wijst erop, dat de Hoge Raad in zijn arrest van 1 oktober 2010 aangaf dat de enkele vaststelling dat de uitkering er feitelijk toe strekt (deels) dezelfde schade te vergoeden als die waarvoor de partij die zich op de voordeeltoerekening beroept aansprakelijk is onvoldoende is om aan te nemen dat dus ook voordeelstoerekening plaatsvindt. Op zichzelf terecht wijst het hof erop dat ook acht moet worden geslagen op een aantal andere gezichtspunten. Zo komt verrekening in het algemeen niet in aanmerking ingeval van een sommenverzekering die door benadeelde zelf is gesloten en betaald. Dat was in dit geval zo. Het afsluiten van een dergelijke verzekering is immers een zuiver individuele en persoonlijke beslissing. Zowel voor wat betreft de vraag of men een dergelijke verzekering zou afsluiten, als voor wat betreft de vraag voor welke bedragen men zich wenst te verzekeren en welke premie men in dat verband bereid is daarmee te betalen (c). De aansprakelijkheid van de opdrachtgever was gedekt door een verzekering. De Hoge Raad neemt tot gezichtspunt dat verrekening van een uitkering ingevolge een sommenverzekering in het algemeen dan niet in overeenstemming zal zijn met de redelijkheid (e). Voorts bestaat voor verrekening in het algemeen eerder aanleiding bij risicoaansprakelijkheid, dan wanneer de aansprakelijkheid is gebaseerd op schuld (f). Alles overwegende is het hof aldus van oordeel dat de aansprakelijkheidsverzekeraar geen beroep op verrekening met de uitkeringen uit de arbeidsongeschiktheidsverzekering toekomt.

Bespreking

De ene (sommen)verzekering is de andere niet. Ik benadruk dat, omdat niet uit het oog te verliezen is dat er een essentieel verschil schuilt in de casus die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 1 oktober 2010 en deze beschikking van het Hof Den Bosch van 11 februari 2014. De Hoge Raad oordeelde in zijn arrest over verrekening van een uitkering uit hoofde van een collectieve ongevallen­verzekering, terwijl het hof in deze zaak oordeelt over ­verrekening van een uitkering krachtens een arbeids­ongeschiktheidsverzekering.

Het komt mij voor dat het hof de daarmee samenhangen­de essentiële verschillen onvoldoende in acht heeft genomen. Vooral omdat ongevallenverzekeringen nimmer strekken tot vergoeding van inkomensschade. En dus ook geen verlies aan arbeidsvermogen plegen op te vangen. Dus komt men evenmin toe aan beantwoording van de vraag of een ongevallenverzekering dezelfde schadepost pleegt te vergoeden als het verlies aan arbeidsvermogen. Het hof hinkt naar mijn overtuiging dan ook op twee gedachten, door veel aandacht te schenken aan het feit dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering “op de eerste plaats is gesloten met het oog op (mogelijk) inkomensverlies” en “gevoeglijk kan worden aangenomen dat de uitkering er in beginsel mede toe strekt dat (deels) dezelfde schade wordt vergoed”. Maar aan de andere kant acht het hof dat enkele feit vervolgens (toch) kennelijk weer van onvoldoend gewicht om welk voordeel dan ook toe te rekenen.

De Hoge Raad heeft in meergenoemd arrest van 1 oktober 2010 overwogen dat voor iedere schadepost afzonderlijk moet worden beoordeeld of verrekening redelijk is8. Zie ik het goed, dan heeft het Hof Den Bosch op zichzelf wel onderkend dat zzp’er verlies aan arbeidsvermogen claimde en ontving. En aldus tevens (voor diezelfde schade) een uitkering uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontving. Het moge zo zijn dat gezichtspunt (a) slechts één van de zes elementen is die de Hoge Raad bespreekt; de opsomming van de gezichtspunten vangt niet voor niets met juist dit element aan. Hoewel de Hoge Raad  dat dus kennelijk een essentieel element vindt, ben ik ervan overtuigd  dat de opsomming niet willekeurig is gekozen. Door daaraan bij de weging van de andere gezichtspunten vervolgens in het uiteindelijke oordeel geen enkele aandacht te schenken, lijkt het wel alsof sprake is van een alles of niets beginsel zoals dat geldt voor arbeidsongevallen uit hoofde van een bepaling art. 7:658 BW of het destijds geldende art. 251 K (Oud) dat gold voor schending van de mededelingsplicht bij verzekeringsovereenkomsten. Daarvan is echter geen sprake, nu de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen om de rechter een ruime beoordelingsvrijheid te laten om te beslissen of verrekening van voordeel in een concreet geval redelijk is9. Net zoals dat het geval is bij de nadere concrete inkleuring van (bijvoorbeeld) een beoordeling van de mate van eigen schuld in de zin van art. 6:101 BW.

Terecht wijst Hartlief er in zijn noot onder het arrest van 1 oktober 201010 op dat niet genoeg kan worden benadrukt dat de overgrote meerderheid van de gevallen niet verder komt dan de vraag en het antwoord dat in principe geen toerekening plaatsvindt van de uitkering uit sommen­verzekering, als de aansprakelijkheid van de aangesproken persoon door een verzekering gedekt is. Echter geeft hij in één adem aan, dat de meest reële uitzondering de sommenverzekering vormt die aanleiding geeft tot periodieke uitkeringen die in feite strekken tot vergoeding van inkomensschade. Welnu, die situatie doet zich dus precies ook in deze casus voor. Door daaraan in de uiteindelijke beoordeling geen aandacht te schenken, ontstaat een resultaat dat mij niet erg aanspreekt.

Inkomenscompensatie is factor van ‘bijzonder gewicht’

Terecht stelt de rechtbank Den Haag in de beschikkingen van 27 juni 2012 en 6 juli 201211 voorop dat in dat geval (net zoals hier) sprake was van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, terwijl in het door de Hoge Raad gewezen arrest een collectief afgesloten ongevallenverzekering aan de orde was die een eenmalige uitkering bood ingeval van blijvende invaliditeit als gevolg van een ongeval. De rechtbank was van oordeel dat het redelijk was om tot verrekening over te gaan12. Zij nam daarbij in overweging dat de polis (net zoals in dit geval) voorzag in een periodieke uitkering die strekt tot vergoeding van inkomensschade van verzekerde, welke inkomensschade (net als zoals in dit geval) ook daadwerkelijk door verzekerde was geleden. Tevens hecht de rechtbank waarde aan het feit dat de wetgever bij beantwoording van de vraag of verrekening op zijn plaats is als een factor van “bijzonder gewicht” de mate waarin de betrokken sommenverzekering voorziet in een compensatie voor inkomstenderving. Daartoe citeert de rechtbank met recht op de Conclusie van A-G Spier. Spier wijst in zijn conclusie voor het arrest van 1 oktober 201013 onder 2.2.3. en 2.2.4 met verwijzing naar de Parlementaire Geschiedenis expliciet op art. 6:100 BW. In het licht van het feit dat:

I   verzekerde de verzekering (net zoals hier het geval is) zelf heeft afgesloten en betaald;

II  de aansprakelijkheid – net zoals hier – is gedekt door een aansprakelijkheidsverzekering; en

III  sprake is van een ernstige mate van schuld (75%) (waarvan in dit geval niet blijkt) naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gewicht in de schaal legt.

Daargelaten dat dit oordeel wellicht wat uitgebreider had kunnen worden gemotiveerd, acht ik de beslissing terecht. In lijn met het voorgaande, kan ik (ook) de uitkomst van de procedure bij de rechtbank Rotterdam – geen verrekening van uitkering uit AOV – in de beschikking van 6 januari 201414 billijken. Daar overwoog de rechtbank immers dat de desbetreffende arbeidsongeschiktheids­verzekering geen verzekering was die feitelijke inkomensschade dekte15. Gesteld, noch gebleken was voorts dat de polis dekking bood van de schadeposten die verzekerde als slachtoffer leed. Evenmin was als voorwaarde in de polis opgenomen dat sprake moest zijn van derving van inkomen als gevolg van arbeidsongeschiktheid.

Gelet op die componenten acht ik het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk, omdat dan dus geen sprake is van een sommenverzekering die in een bepaalde mate voorziet een compensatie voor inkomensderving. En dat is nu juist ‘een factor van bijzonder gewicht’. In zekere zin grenst die situatie dan aan het bestaan van een schade­verzekering. En daarvan is de Hoge Raad blijkens zijn arrest van 1 oktober 2010 van oordeel dat verrekening in beginsel op haar plaats zal zijn, nu de verzekeraar tot het beloop van het doorbetaalde in de rechten van de benadeelde subrogeert en de aansprakelijke partij voor dat bedrag dus door de verzekeraar kan worden aangesproken16.

Tot slot

Zoals gezegd, heb ik moeite met de uitkomst van de procedure bij het hof. Het resultaat van de weging is immers uiteindelijk eigenlijk niet anders dan de strakke leer van de Hoge Raad sinds het arrest van 28 november 196917. En het is nu juist die leer die hij met zijn arrest van 1 oktober 2010 heeft verlaten, door zes factoren te benoemen. Daarvan is de inkomenscompensatie dus een factor van “bijzonder gewicht”. Ik blijf er dan ook bij dat de Hoge Raad daarmee recht heeft gedaan aan de (op zichzelf niet helemaal onterechte) kritiek van annotator Bloembergen die er in zijn noot onder het arrest uit 1969 al op wees, dat hij de redelijkheid van de door de Hoge Raad toen ingezette koers niet kon vatten. Daarbij wees Bloembergen er op dat de benadeelde op die manier gemakkelijker beter kon worden van een onrechtmatige daad en achtte dat moeilijk verdedigbaar met de beginselen die ten grondslag liggen aan het schadevergoedingsrecht. Dat was18 en blijf ik aldus volkomen met hem eens.

  1. Mr. Wervelman is advocaat bij Verschoof Wagenaar Wervelman Advocaten te Utrecht, specialisten in arbeidsrecht en arbeidsongeschiktheid.
  2. Het hof oordeelde in hoger beroep over een deelbeschikking van de Ktr. Den Bosch van 17 oktober 2012, NJF 2013, 51.
  3. Bij het ter perse gaan van deze editie nog ongepubliceerd en vooralsnog te vinden op www.stichtingpiv.nl.
  4. NJ 2013, 81 m.nt. T. Hartlief.
  5. Vgl. over deze problematiek voorts: A.J. Rijsterborgh, ‘Een zelfde gebeurtenis in art. 6:100 BW’, AV&S 2012/6; S.D. Lindenbergh, AV&S, ‘Wie komt het voordeel toe?”, AV&S 2010, 27; E.J. Wervelman, ‘Voordeelsverrekening bij letselschade van uitkeringen uit hoofde van particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen’, TVP 2010, p. 7-16; A. Bolt, ’Sommenverzekering, schadevergoeding en redelijkheid’, VR 2008, p. 299-302.
  6. HD 200.125.641/01 (n.g.).
  7. NJ 2009, 80.
  8. Vgl. HR 17 december 1976, NJ 1977, 351.
  9. Vgl. PG boek 6, p. 1278-1280 en 1308-1309.
  10. NJ 2013, 81.
  11. L&S 2012, 324 en 325.
  12. Zie in gelijke zin: Hof Arnhem 4 november 2008, VR 2009, 73 en Rb. Arnhem 7 juni 2006, JA 2006, 105. Anders: Hof Den Haag 27 september 2005 (tussenarrest) en 16 oktober 12007 (eindarrest), VR 2009, 7.
  13. NJ 2013, 81.
  14. ECLI:NLRBROT:2014:167.
  15. Vgl. voor afwijzing van verrekening van uitkeringen uit ongevallenverzekering voorts: Hof Den Bosch 2 juli 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:2726; Hof Den Haag 22 november 2011, LJN BU 7536.
  16. Vgl. Rb. Midden-Nederland 15 januari 2014 ECLI:NL:RBMNE:2014:372; Rb. Den Haag 8 januari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:421.
  17. NJ 1970, 172.
  18. E.J. Wervelman, Voordeelsverrekening bij letselschade, TVP 2010, p. 114-118.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey