Regres: hoe staat het nu? – Subrogatie (nog) anders dan eigen recht

Samenvatting:

De afgelopen paar jaar zijn er op het gebied van regres diverse ontwikkelingen in de rechtspraak geweest. De vraag rijst daarmee wat de huidige stand van zaken is. In dit artikel brengen wij de ontwikkelingen uit de rechtspraak in kaart en geven wij een praktisch overzicht van de regresposities van de particuliere verzekeraar, de werkgever en het UWV2.

Regres door de particuliere verzekeraar

Partijen die schade van een benadeelde hebben vergoed, zullen proberen deze bij een ander neer te leggen. Voor hoofdelijk aansprakelijke partijen – partijen die aansprakelijk zijn voor dezelfde schade – volgt uit art. 6:10 jo. 6:102 BW dat zij het deel van de door een medeaansprakelijke partij veroorzaakte en aan de benadeelde vergoede schade op die ander kunnen verhalen. De vaststelling, welk aandeel de medeaansprakelijke partijen in hun interne verhouding in de schade hebben te dragen, geschiedt op basis van dezelfde regel als het vaststellen van het percentage eigen schuld van de benadeelde: gekeken dient te worden naar de mate waarin ieder van de partijen aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen, met de mogelijkheid het resultaat van deze causale afweging bij te stellen op grond van de billijkheid3. De medeaansprakelijke partij komt dezelfde verweermiddelen toe als die hij jegens de benadeelde kon inroepen4. Voor het verjaringsverweer ligt dit anders. De medeaansprakelijke partij kan zich er jegens de regreszoekende partij namelijk niet op beroepen dat de vordering van de benadeelde op hem inmiddels is verjaard, tenzij zowel hijzelf als de regreszoekende partij jegens de benadeelde een succesvol beroep op verjaring had kunnen doen op het tijdstip waarop de benadeelde schadeloos werd gesteld. Met betrekking tot de verjaringstermijn van hoofdelijke regresvorderingen heeft de Hoge Raad op 6 april 2012 beslist dat de verjaringstermijnen van art. 3:310 lid 1 BW van toepassing zijn, waarbij de vijfjaarstermijn pas aanvangt indien de regreszoekende partij meer schade aan de benadeelde heeft vergoed dan hem in zijn onderlinge verhouding tot de medeaan-sprakelijke partij aangaat5.

In zaken waarin de aansprakelijkheid is verzekerd, wordt het regres niet uitgeoefend door de (mede) aansprakelijke partij zelf, maar door diens verzekeraar. De aansprakelijke partij lijdt immers zelf geen schade6. In een dergelijk geval kan de verzekeraar de vorderingen van de benadeelde of de verzekerde op derden tegen betaling van de schade via een cessieovereenkomst overnemen. De vorderingen die de verzekerde op een medeaansprakelijke partij heeft kunnen ook bij wijze van subrogatie op de verzekeraar overgaan.7 Dit gebeurt zodra de verzekeraar een uitkering doet aan de benadeelde of aan zijn verzekerde voor de schade die de benadeelde lijdt, aldus art. 7:962 BW. Een aantal vorderingen gaat echter niet bij wijze van subrogatie op de verzekeraar over.

Dit zijn de vorderingen van de verzekerde op:

–   de verzekeringnemer,

–   een medeverzekerde,

–   de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of de geregistreerde partner,

–   de andere levensgezel van de verzekerde,

–   de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn,

–   een werknemer,

–   de werkgever,

–   degene die in dienst staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde8.

Dit verbod geldt ook voor de overgang van vorderingen van de verzekerde op derden krachtens cessie9.

Het regres van de particuliere verzekeraar wordt op grond van de Tijdelijke regeling verhaalsrechten van art. 6:197 BW verder beperkt voor een aantal risicoaansprakelijkheden uit boek 6 BW en een aantal artikelen uit boek 8 BW10. De vorderingsrechten uit die artikelen zijn niet vatbaar voor subrogatie en cessie. Dit is echter anders indien sprake is van hoofdelijke medeaansprakelijkheid. De verzekeraar subrogeert dus wel in de vorderingsrechten van de verzekerde op een derde met wie hij hoofdelijk verbonden is op grond van art. 6:102 BW. De gedachte hierachter is dat het anders in de verhouding tussen de medeschuldenaren verschil zou uitmaken in welke volgorde zij door hun schuldeiser (de benadeelde of de medeschuldenaar) worden aangesproken11.

 

Ontwikkelingen subrogatie

In de afgelopen jaren heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de vraag in hoeverre de particuliere verzekeraar sub-rogeert in dezelfde schuldverdeling als die tussen zijn verzekerde en de aansprakelijke partij geldt, over de reikwijdte van het subrogatieverbod in arbeidsverhoudingen en over de vraag in hoeverre het subrogatieverbod kan worden omzeild.

De vraag naar de gelijke doorwerking van de schuldverdeling tussen de aansprakelijke partij en de benadeelde kwam aan de orde in het arrest Achmea/Menzis van 10 juli 201512.

Het betrof een ongeval tussen een taxibusje en een bromfietser, waarbij de bromfietser een hoge dwarslaesie opliep. De ziektekostenverzekeraar van de bromfietser sprak uit hoofde van subrogatie de WAM-verzekeraar van het taxibusje aan tot vergoeding van de gemaakte zorgkosten.

Het hof oordeelde dat op grond van de causale verdeling 40% van de schade voor rekening van Achmea als WAM verzekeraar kwam. Daarbovenop was een billijkheidscorrectie van 25% volgens het hof gerechtvaardigd, vanwege de ernst van het letsel en de jonge leeftijd van de brom­fietser. In cassatie boog de Hoge Raad zich over de vraag of deze subjectieve omstandigheden aan de zijde van de benadeelde bromfietser in het kader van de billijkheid­correctie in de verhouding tussen Achmea en de gesubrogeerde ziektekostenverzekeraar aan de orde kunnen komen.

Deze vraag moet worden bezien tegen de achtergrond van het arrest Terminus/ZAO van 5 december 1997, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de 50%- en 100%-regel niet doorwerken in regresvorderingen van verzekeraars. Regresnemende verzekeraars vallen terug op het normale eigen schuld-regime van art. 6:101 BW, waarbij de billijkheidscorrectie doorgaans slechts tot een beperkte impact zal leiden: “Zoals in de arresten van 2 juni 1995 is overwogen, leidt dit ertoe dat na de door dit artikel primair geëiste causaliteitsafweging ook de daarin opgenomen billijkheidscorrectie nog aan de orde kan komen en dat zulks – anders dan het middel voorstaat – niet beperkt is tot ‘uitzonderlijke omstandigheden’. Rekening moet hier derhalve worden gehouden met alle relevante omstandigheden zowel aan de zijde van de bestuurder als aan de zijde van het verkeersslachtoffer, waaronder zowel de ernst van ieders fout als de mate waarin zijn gedragingen hem kunnen worden verweten. Het gewicht dat in dit verband aan dergelijke omstandigheden aan de zijde van het slachtoffer toekomt, is evenwel van geheel andere orde dan het zeer zware, onderscheidenlijk zware gewicht dat voor vorderingen van het slachtoffer zelf tot de 100%-regel, onderscheidenlijk de 50%-regel heeft geleid. De billijkheidscorrectie zal in de onderhavige gevallen doorgaans slechts tot een bijstelling van beperkte omvang van het resultaat van de causaliteitsafweging kunnen leiden.”13

Hartlief heeft in 2010 bepleit dat hieruit volgt dat voor regresnemers wel degelijk een bijzonder regime aan de orde is. De billijkheidscorrectie zou in zijn optiek bij regresvorderingen van verzekeraars beperkt moeten blijven tot objectieve factoren, zoals de uiteenlopende ernst van de over en weer gemaakte fouten en de mate van verwijtbaarheid van ieders gedrag14. Regresnemers zouden volgens hem niet dienen te profiteren van subjectieve factoren zoals de ernst van de gevolgen voor de benadeelde.

De Hoge Raad oordeelt in Achmea/Menzis echter anders. De billijkheidscorrectie werkt in de verhouding tussen een gesubrogeerde verzekeraar en de (verzekeraar van de) aansprakelijke partij op gelijke wijze door: “Art. 7:962 lid 1 BW bepaalt dat vorderingen tot vergoeding van schade van de verzekerde overgaan op de verzekeraar voor zover deze laatste die schade vergoedt. Uitgangspunt moet dan zijn dat de billijkheidscorrectie van art. 6:101 lid 1 BW doorwerkt in de (regres)verhouding tussen verzekeraars op gelijke wijze als deze zou gelden in de verhoudingen tussen de verzekerden (vgl. HR 5 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2517, NJ 1998/400 (Terminus/ZAO), rov. 3.7). Dat geldt ook indien de billijkheidscorrectie verband houdt met subjectieve omstandig­heden aan de zijde van de verzekerde.” Onderscheid tussen subjectieve en objectieve factoren hoeft voor de billijkheidscorrectie in de verhouding tussen een gesubrogeerde verzekeraar en de (verzekeraar van de) aansprakelijke partij dus niet te worden gemaakt. Wel dient te worden opgemerkt dat de Hoge Raad spreekt over “uitgangspunt”. Dit laat in theorie ruimte om in een specifiek geval anders te oordelen.

In zijn arrest Anderzorg/London van 28 november 2014 gaf de Hoge Raad duidelijkheid over de vraag welke arbeidsverhoudingen nu precies worden beschermd door het subrogatieverbod15. In dit arrest had Anderzorg de ziektekosten van haar verzekerde vergoed, die als inzittende letsel had opgelopen bij een eenzijdig verkeersongeval. De auto werd bestuurd door een van het uitzendbureau ingeleende collega van de verzekerde. In cassatie was de vraag aan de orde of het subrogatieverbod ook in materiële arbeidsverhoudingen geldt.

Volgens de Hoge Raad is dat niet het geval. Het subrogatieverbod ten aanzien van vorderingen op de werkgever of een collega van de verzekerde geldt alleen als sprake is van een formele arbeidsverhouding. De Hoge Raad baseert zich hiervoor op de wetsgeschiedenis waaruit volgt dat de wetgever de voorkeur heeft gegeven aan een limitatieve opsomming van duidelijk afgebakende uitzonderings­categorieën die onder het subrogatieverbod vallen. Gelet daarop heeft de wetgever volgens de Hoge Raad een formeel-juridisch begrip ‘werkgever’ voor ogen gestaan. Dit ­begrip is immers scherp omlijnd en ziet op relaties die in het algemeen duurzaam zijn. De Hoge Raad wijst erop dat hieraan niet in de weg staat dat de wetgever zich bij deze bepaling heeft laten leiden door de vrees dat arbeidsverhoudingen verstoord kunnen raken als gevolg van verhaal van de ver­zekeraar. Deze beweegreden heeft geleid tot het scheppen van een uitzonderingspositie voor werknemers van dezelfde werkgever en rechtvaardigt niet om die uitzondering ruim uit te leggen zodat daaronder ook arbeidsverhoudingen ­vallen die naar hun aard minder duurzaam zijn. De Hoge Raad vervolgt: “Anders dan het [hof] vervolgens heeft over­wogen, zou het als ‘werknemer’ aanmerken van ingeleend personeel als hier aan de orde (…) niet passen bij de strekking van art. 7:962 lid 3 BW. Aangenomen moet immers worden dat ondernemingen kiezen voor een zodanig inlenen van personeel – en voor verwante figuren zoals het inschakelen van zogenoemde zzp’ers – in plaats van het aangaan van arbeidsovereenkomsten, omdat zij juist geen duurzame relatie met dit personeel willen aangaan. Bij dergelijke rechtsfiguren past daarom niet om ze voor de toepassing van art. 7:962 lid 3 BW op een lijn te stellen met de op een ­arbeidsovereenkomst berustende verhouding tussen werkgever en werknemer.” De Hoge Raad sluit af met de opmerking dat tegenwoordig anders dan ten tijde van de totstandkoming van art. 7:962 lid 3 BW meer werkzaamheden worden verricht op flexibele basis. Voor zover deze ontwikkeling een uitbreiding van het subrogatieverbod wenselijk maakt, is het volgens de Hoge Raad aan de wetgever om daarin te voorzien. Kortom, voorlopig genieten alleen de ‘formele’ werk­gever en collega bescherming onder het subrogatieverbod.

Tenslotte verdient het Hendriksen/Menzis arrest bespreking, waarin de Hoge Raad grenzen heeft gesteld aan het omzeilen van het subrogatieverbod16. In deze zaak was sprake van een verkeersongeval met twee aansprakelijke personen, van wie één werd beschermd door het subrogatieverbod. Deze persoon was namelijk vader en echtgenoot van de benadeelden die ten tijde van het verkeersongeval bij hem in de auto zaten. De ziektekostenverzekeraar van de benadeelden zocht voor 100% verhaal op de andere aansprakelijke automobilist, die niet door het subrogatieverbod werd beschermd. In cassatie was de vraag aan de orde of de zorgverzekeraar de schade voor 100% kon verhalen op de medeaansprakelijke automobilist, of alleen onder aftrek van het aandeel van de vader/echtgenoot in zijn interne verhouding tot de partij op wie verhaal werd gezocht. De Hoge Raad oordeelt dat dit laatste geldt. De ziektekostenverzekeraar kan niet ook het aandeel van de vader/echtgenoot op de medeaansprakelijke partij verhalen, alleen diens eigen aandeel in de schade. Zou de schade immers wel voor 100% verhaald kunnen worden, dan zou de situatie ontstaan dat de medeaansprakelijke partij weer regres neemt op de vader/echtgenoot voor diens aandeel in de schade. In deze verhouding wordt het nemen van regres immers niet geblokkeerd door het subrogatieverbod. De vader/echtgenoot zou dan alsnog betrokken worden in een regresactie en geniet in wezen geen bescherming van het subrogatieverbod. Daarom strookt het niet met de strekking van art. 7:962 lid 3 BW als volledig verhaal kan worden gezocht: “Indien zou worden geoordeeld dat Menzis de schade volledig op Hendriksen zou kunnen verhalen, zou dat immers meebrengen dat deze – op grond van art. 6:102 lid 1 in verbinding met art. 6:101 BW – voor het deel van de schade dat hem in zijn verhouding jegens [vader/echtgenoot] niet aangaat, regres zou kunnen nemen op [vader/echtgenoot](…), waardoor langs deze indirecte weg alsnog het resultaat zou worden bereikt dat de wetgever met art. 7:962 lid 3 BW beoogde te voorkomen. Hierbij past dat art. 7:962 lid 3 BW het verhaalsrecht van Menzis tegen overige medeschuldenaren, in dit geval Hendriksen, dienovereenkomstig beperkt.” Kortom, het omzeilen van het subrogatieverbod kent zijn grenzen. De medeaansprakelijke partij die niet door het subrogatieverbod wordt beschermd kan alleen worden aangesproken voor het deel van de schade waarvoor hij in zijn interne verhouding tot de wel door het subrogatieverbod beschermde medeaansprakelijke partij draagplichtig is.

Algemene opmerkingen over regres door de werkgever en het UWV

De werkgever en het UWV, die loon respectievelijk uitkeringen aan de benadeelde werknemer hebben (door)betaald, hebben een andere positie dan medeaansprakelijke partijen en gesubrogeerde verzekeraars. Zij zijn door toedoen van een aansprakelijke partij in de situatie gebracht dat zij loon respectievelijk uitkeringen dienen (door) te betalen. De werkgever heeft op grond van art. 6:107a BW een zelfstandig verhaalsrecht voor het aan zijn benadeelde werknemer doorbetaalde loon op de aansprakelijke partij.

Aan het UWV is in diverse sociale wetten een zelfstandig verhaalsrecht toegekend. Is de werkgever eigen risicodrager voor de Ziektewet (ZW) of de Wet Gedeeltelijk Arbeids­ongeschikten (WGA) dan gaat het regresrecht van het UWV op de werkgever over.

Ondanks het feit dat van subrogatie geen sprake is, liggen aan zelfstandige verhaalsrechten dezelfde gedachten ten grondslag. In de eerste plaats gaat het hierbij om de gedachte dat de aansprakelijke partij niet moet kunnen profiteren van de omstandigheid dat een werkgever of het UWV bepaalde schadevergoedingen betaalt. In de tweede plaats de gedachte dat het verhaal niet zo ver mag gaan dat de aansprakelijke partij meer zou moeten voldoen aan de werkgever of het UWV dan aan de arbeidsongeschikte werknemer als het recht op doorbetaling van loon/uitkering niet zou bestaan. Om die laatste reden worden de vorderingen van de werkgever en het UWV begrensd door het zogenaamde civiel plafond, hetgeen meebrengt dat het verhaal zich in beginsel beperkt tot netto bedragen.

De aansprakelijke partij kan ten opzichte van de werkgever en het UWV dezelfde verweermiddelen voeren als tegen de benadeelde. Dit geldt, anders dan bij hoofdelijke medeaansprakelijkheid, ook voor het verjaringsverweer. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 januari 2007 bevestigd dat de verjaringstermijn van zelfstandige regresrechten vanwege het civiel plafond aanvangt zodra de benadeelde bekend is met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Of de werkgever en het UWV dan al bekend zijn met de schade en de aansprakelijke persoon is niet relevant. Het komt voor hun rekening en risico als deze bekendheid pas na de verstrijking van de voor de aansprakelijkheid geldende verjaringstermijn aanwezig is17. In de Tijdelijke regeling Verhaalsrechten van art. 6:197 BW is het verhaalsrecht van de werkgever en het UWV verder begrensd. Op grond van dit artikel zijn diverse risicoaansprakelijkheden uit boek 6 BW en een aantal artikelen uit boek 8 BW niet voor regres vatbaar18. Het regres zal in die gevallen op andere grondslagen, zoals onrechtmatige daad (art. 6:162 BW), gegrond moeten worden.

Of de billijkheidscorrectie tussen de aansprakelijke partij en de benadeelde op gelijke wijze doorwerkt bij de regresvordering van de werkgever en het UWV, kan met het eerder besproken Achmea/Menzis arrest in onze optiek niet worden gezegd. Dit arrest ziet immers alleen op de doorwerking van de billijkheidscorrectie bij subrogatie. Over de vraag of de billijkheidscorrectie tussen de aansprakelijke partij en de benadeelde op gelijke wijze doorwerkt voor zelfstandige verhaalsrechten is nog niet door de Hoge Raad geoordeeld.

Regres door de particuliere werkgever voor doorbetaald loon19

Op grond van art. 7:629 lid 1 BW rust op een werkgever de plicht om gedurende de eerste twee jaar van arbeids­ongeschiktheid het loon van de arbeidsongeschikte werknemer door te betalen20. Art. 6:107a lid 2 BW regelt het regresrecht van de werkgever voor het doorbetaald loon en de door de werkgever gemaakte re-integratiekosten. Nu het regresrecht van art. 6:107a lid 2 BW zich beperkt tot schadeposten waarop de arbeidsongeschikte werknemer zelf aanspraak had kunnen maken, is het regres beperkt tot het netto doorbetaalde loon en komen de kosten van een vervangende arbeidskracht niet voor vergoeding in aanmerking21.

Het in art. 6:107a BW verankerde regresrecht van de werkgever omvat ook de situatie waarin de formele werkgever van een arbeidsongeschikt geraakte werknemer regres neemt op de materiële werkgever die voor deze arbeidsongeschiktheid aansprakelijk kan worden gehouden. Dit kwam aan de orde in het HBG/Bouwpoint arrest van het Hof Den Haag. In deze zaak was de door hoofdaannemer HBG ingeleende werknemer een ongeval overkomen op een bouwplaats waar HBG werkzaamheden verrichtte. Onderaannemer Bouwpoint vorderde als formeel werkgever het door haar aan de werknemer doorbetaalde loon van HBG. HBG verweerde zich tegen deze vordering met het standpunt dat Bouwpoint zelf – net als HBG – aansprakelijk was voor de door de werknemer geleden schade, en daarom niet kon worden aangemerkt als ‘een ander’ in de zin van art. 6:107a BW. Dit verweer werd door het Hof Den Haag ter zijde geschoven: “Naar het oordeel van het hof verzet de tekst van artikel 6:107a BW zich er niet tegen dat Bouwpoint als formele werkgever vergoeding van doorbetaald loon vordert, ook al wordt in die bepaling niet van ‘mede’ aansprakelijk gesproken. Uit de (…) wetsgeschiedenis blijkt evenmin dat de ratio van de bepaling zich tegen toepassing daarvan in een dergelijk geval verzet.”22

De materiële werkgever wordt in de relatie met de formele werkgever ter zake van doorbetaald loon dus wel als derde aangemerkt, op wie regres in beginsel mogelijk is23. De omvang van het regres hangt af van de mate waarin de aan ieder van de hoofdelijke aansprakelijke werkgevers toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen24. Voor de onderlinge bijdrageplicht dient aldus te worden vastgesteld wat het gewicht is van de schendingen van de zorgplicht van de formele en de materiële werkgever in hun onderlinge verhouding25. De materiële en formele werkgever kunnen bij overeenkomst afspraken maken over de situatie waarin zij beiden ex art. 7:658 BW aansprakelijk zijn. Het volledig uitsluiten van deze regresmogelijkheid zal door de formele werkgever vermoedelijk niet vaak geaccepteerd worden en zal derhalve niet vaak voorkomen.

Het regresrecht van de werkgever wordt in lid 4 van art. 6:107a BW beperkt ten aanzien van collega’s. Regres op een collega is slechts mogelijk indien de ongeschiktheid het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van die collega26. Uit de parlementaire geschiedenis van lid 4 blijkt dat de wetgever met dit artikel verstoring van bestaande arbeidsverhoudingen wenst te voorkomen. Daarnaast is de beperking van het regres ten opzichte van collega’s ingegeven door het feit dat dagelijkse omgang op de werkplek met werktuigen en gereedschappen ertoe kan leiden dat de werknemer niet altijd alle voorzichtigheid in acht neemt die ter voorkoming van ongevallen noodzakelijk is, en het rechtvaardig is de daaruit voortvloeiende schade voor rekening van de werkgever te laten27. Hoewel uit de parlementaire stukken blijkt dat de wetgever bij de regresbeperking ten opzichte van collega’s, collega’s van dezelfde werkgever voor ogen heeft gehad, zijn de woorden van de bepaling daartoe niet beperkt. Lid 4 spreekt immers van ‘een werknemer’ en verbindt hieraan niet de voorwaarde dat het een werknemer van ‘dezelfde werkgever’ moet zijn28. Het collega-verweer gaat echter niet zo ver dat het ook kan worden ingeroepen door een inlenende werkgever wiens werknemer een werknemer van de formele werkgever arbeidsongeschikt heeft doen worden, ook al werkten de gewonde werknemer en de schadeveroorzakende werknemer van de inlener samen als ware zij collega’s29.

Volgens vaste jurisprudentie is regres verder niet mogelijk op aansprakelijke gezinsleden van de arbeidsongeschikte werknemer, net zoals bij subrogatie. Dit heeft te maken met het feit dat de arbeidsongeschikte werknemer zelf over het algemeen niet zou overgaan tot het aanspreken van het betreffende gezinslid. Verder is ‘gezinsrust’ een belangrijk argument om regres uit te sluiten30. De gedachte achter de beperking is voorts dat door regres toe te staan via de achterdeur wordt afgepakt wat via de voordeur is binnengekomen. Het te verhalen bedrag zal in de regel immers worden betaald uit de gezamenlijke inkomsten, waar het doorbetaalde loon deel van is gaan uitmaken. Zonder deze regresbeperking zou de arbeidsongeschikte werknemer in feite verstoken blijven van zijn loon31.

Heeft de (formele) werkgever voor het risico op arbeidsongeschiktheid een verzuimverzekering afgesloten en voldoet deze verzekeraar uitkeringen aan een werknemer wegens arbeidsongeschiktheid, dan kan deze verzekeraar de rechten die de (formele) werkgever op grond van art. 6:107a BW heeft uitvoeren. In een dergelijk geval is de subrogatieregeling van art. 7:962 BW op de verzuimverzekering van overeenkomstige toepassing32. De inlenende materiële werkgever kan zich tegen de verzuimverzekeraar niet verweren met een beroep op het verhaalsverbod van 7:962 BW, omdat de verzuimverzekeraar niet subrogeert in de rechten van de arbeidsongeschikte werknemer ten opzichte van de materiële werkgever, maar in de rechten van de formele werkgever ten opzichte van de materiële werkgever. Daarnaast is de door de formele werkgever gesloten verzuimverzekering niet mede in het belang van de materiële werkgever gesloten, maar in het belang van de formele werkgever en, in het verlengde daarvan, de arbeidsongeschikte werknemer33. Dit nog daargelaten dat in het Anderzorg/London-arrest is bepaald dat het subrogatieverbod zich niet uitstrekt tot materiële arbeidsverhoudingen.

Regres door het UWV en de eigenrisicodrager voor gedane uitkeringen34

Niet altijd is sprake van een loondoorbetalingsverplichting. Dit is bijvoorbeeld niet het geval bij uitzendkrachten die werkzaam zijn op basis van een uitzendovereenkomst met uitzendbeding. Dergelijke overeenkomsten eindigen bij het intreden van arbeidsongeschiktheid35. Ook werknemers zonder ‘gewoon’ arbeidscontract zoals thuiswerkers en stagiairs, en sommige categorieën oproepkrachten van wie het arbeidscontract eindigt tijdens ziekte vallen niet onder het bereik van art. 7:629 lid 1 BW. Als geen loondoorbetalingsplicht bestaat voor de werkgever is de werknemer aangewezen op een uitkering onder de ZW. De Ziektewet­uitkering duurt maximaal twee jaar, en bedraagt op grond van art. 29 lid 7 ZW 70% van het dagloon. Is de werknemer na twee jaar nog steeds arbeidsongeschikt dan kan hij onder omstandigheden in aanmerking komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). De WIA bestaat uit twee regelingen, de Werkhervatting gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) en de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA).

Heeft het UWV uitkeringen gedaan op basis van de ZW of de WIA dan geven art. 52a lid 1 ZW en art. 99 lid 1 WIA het UWV een verhaalsrecht op degene die in verband met het veroorzaken van de arbeidsongeschiktheid jegens de arbeidsongeschikte werknemer aansprakelijk is. Dit regresrecht omvat mede gemaakte re-integratiekosten36. Het regresrecht van het UWV toont grote overeenkomsten met het regresrecht van de particuliere werkgever. Zo geldt net als bij art. 6:107a BW dat het regres van het UWV op aansprakelijke gezinsleden is uitgesloten37. Verder wordt ook het regresrecht van het UWV in beginsel beperkt door het civiel plafond. Dit is echter anders in situaties waarop het Convenant Verhaalsrecht van toepassing is38. In dit tussen het UWV en het Verbond van Verzekeraars gesloten convenant zijn afspraken gemaakt over de omvang van het verhaalsrecht van het UWV op deelnemende aansprakelijkheidsverzekeraars.

Dit om discussie hierover, hetgeen in het verleden tot grote vertraging in de afwikkeling en extra kosten leidde, te voorkomen. Op basis van het convenant wordt bij regres van het UWV voor (onder meer) betaalde ZW- en WIA-uitkeringen de bruto-uitkering aan het UWV betaald, verminderd met een forfaitaire korting39. Hierbij kunnen zowel het UWV als de deelnemende aansprakelijkheidsverzekeraars verweer blijven voeren ten aanzien van schuld, toerekening, medische causaliteit en verjaring40.

De werkgever betaalt voor het uitvoeren van de ZW en de WIA premies aan het UWV. De hoogte van deze premies verschilt per sector. Zo zijn de premies voor de uitzendbranche bijvoorbeeld veel hoger dan de premies voor andere sectoren, onder meer omdat in deze branche veel vaker gebruik wordt gemaakt van de ZW. Een groot deel van de uitzendkrachten wordt bij ziekte immers meteen (na twee wachtdagen) betaald uit de Ziektewetpremies, en niet – zoals werknemers in andere sectoren – door het bedrijf waar ze werkzaam zijn41. Gelet op deze omstandigheden is het met name voor werkgevers in de uitzendbranche aantrekkelijk om eigenrisicodrager te worden. De te betalen premies worden in dat geval namelijk een stuk lager. Een werkgever kan zowel voor de ZW als voor de WGA eigenrisicodrager worden. Een eigenrisicodrager is zelf verantwoordelijk voor de betaling van de uitkering aan de werknemer; in het geval van de ZW maximaal twee jaar de Ziektewetuitkering, in het geval van de WGA maximaal tien jaar de WGA-uitkering42. Naast het betalen van de uitkeringen, is de eigenrisicodrager verantwoordelijk voor de begeleiding en betaling van het re-integratietraject43. Vrijwel alle eigenrisicodragers hebben het risico dat een werknemer arbeidsongeschikt raakt verzekerd bij een private verzekeraar44. Is een werkgever eigen risicodrager voor de ZW of de WGA, dan komt het verhaalsrecht uit deze wetten niet het UWV maar de eigenrisicodrager toe45.

Beperking van het regresrecht van het UWV en de eigenrisicodrager

Het verhaalsrecht dat het UWV respectievelijk de eigen­risicodrager toekomt, wordt door art. 52b ZW en 100 WIA beperkt. Deze artikelen bepalen dat het UWV respectievelijk de eigenrisicodrager op de werkgever van de arbeidsongeschikte werknemer of een collega van de arbeidsongeschikte werknemer die naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, slechts verhaal kan nemen als de ongeschiktheid tot werken is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van die werkgever of collega46. Dit verweer wordt ruim uitgelegd, en kan ook gevoerd worden wanneer de schadeveroorzakende gebeurtenis buiten de dienstbetrekking heeft plaatsgevonden47. ‘Werkgever’ in de zin van deze artikelen kan zowel een natuurlijk persoon als een rechtspersoon zijn, met dien verstande dat de bescherming in dit laatste geval tevens geldt voor de (bestuurder van de) rechtspersoon die bestuurder is van de werkgever/rechtspersoon48. Voorts wordt op grond art. 52b lid 2 ZW en 100 WIA ook de inlenende materiële werkgever als werkgever beschouwd op wie verhaal niet mogelijk is49.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de beperking van het verhaalsrecht van het UWV ten opzichte van de werkgever van de arbeidsongeschikte is ingegeven door het feit dat deze werkgever (en indirect: de collega’s van de arbeidsongeschikte) zelf door middel van premies aan de verzekering bij het UWV meebetaalt: “De raad wil geen verhaalsrecht geregeld zien op personen, die bij de verzekering betrokken zijn en de schade niet opzettelijk of bewust roekeloos hebben veroorzaakt. De Raad gaat er daarbij vanuit, dat de kring van bij de verzekering betrokkenen zekere risico’s overdraagt op het sociale verzekeringsorgaan, dat daarvoor de premie ontvangt. De Raad acht het gewenst, als onder de risico’s die overgedragen worden ook begrepen is het risico aangesproken te worden door het sociale verzekeringsorgaan. (…) De vraag rijst thans of het uitvoeringsorgaan in alle gevallen regres dient te hebben op de aansprakelijke persoon. De onder­getekende meent deze laatste vraag ontkennend te moeten beantwoorden. Hij is van oordeel, dat het uitvoeringsorgaan geen verhaal dient te hebben in de gevallen, waarin de voor de arbeidsongeschiktheid aansprakelijke persoon de werk­gever van de gelaedeerde is. Deze werkgever betaalt immers zelf aan de arbeidsongeschiktheidsverzekering mee, juist (mede) omdat de gelaedeerde in zijn dienst werkzaam is.”50

De beperking van het verhaalsrecht ten opzichte van de werkgever (en collega’s) van de arbeidsongeschikte werknemer is dus ingegeven door de onderlinge solidariteit van de betrokken bedrijfsgenoten: zowel schadelijder als aansprakelijke persoon behoren tot dezelfde kring van premiebetalers en worden geacht daardoor het risico te dekken dat zij elkaar schade berokkenen. Ook het voor­komen van verstoring van de arbeidsrelatie wordt in dit kader als argument aangevoerd51.

Het is de vraag of deze argumenten in dezelfde mate voor de inlenende werkgever gelden. Door de wetgever is geen (uitgebreide) toelichting gegeven op art. 52b lid 2 ZW en 100 lid 2 WIA die bepalen dat ook op de inlenende werkgever geen verhaal mogelijk is: “Zoals deze beperkingen thans luiden geldt de beperking slechts voor de formele werkgever, niet voor de materiële. Aangezien de arbeid echter niet wordt verricht bij de formele werkgever, schieten de bepalingen in hun huidige tekst hun doel voorbij in de gevallen waarin de werknemer door de formele werkgever wordt tewerkgesteld bij de materiële. Er is geen reden de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de materiële werkgever onbeperkt te laten voortbestaan, daar de bij hem tewerkgestelde werknemer in dit opzicht immers in dezelfde situatie verkeert als zijn overige personeel. (…) Overeenkomstig het advies van de Sociale Verzekeringsraad is daarom voorgesteld ook voor de materiële werkgever de burgerrechtelijke aansprakelijkheid te beperken, welke ingevolge de hiervoor geciteerde wetten voor de formele werkgever geldt.”52

De ratio van de beperking van de verhaalsmogelijkheden op de inlener lijkt gevonden te moeten worden in het feit dat de materiële werkgever op grond van art. 34 van de Invorderingswet – waar in art. 52b lid 2 ZW en 100 lid 2 WIA naar wordt verwezen – hoofdelijk medeaansprakelijk is voor de loonbelasting, omzetbelasting en sociale verzekeringspremies53 die verschuldigd zijn door de formele werkgever. Deze medeaansprakelijkheid is ingegeven door het feit dat “vele uitleenbedrijven nauwelijks een loonadministratie voeren, soms even snel verdwijnen als zij opgekomen zijn en meer dan eens geen verhaal bieden, [hetgeen] betekent (…) dat in tal van gevallen niet veel van premiebetaling terechtkomt”.54 De inlener wordt pas aansprakelijk gesteld als de uitlener de loonheffingen niet heeft betaald55. Aansprakelijkheid kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als de formele werkgever failliet gaat56. Of ook daadwerkelijk premies zijn afgedragen door de materiële werkgever lijkt voor de toepasbaarheid van het regresverbod niet relevant. Gelet op het risico dat de inlenend werkgever loopt om aansprakelijk gehouden te worden op grond van art. 34 Invorderingswet, zou gezegd kunnen worden dat ook de inlenend werkgever in zekere zin tot dezelfde kring van premiebetalers behoort.

Op grond van art. 52b lid 1 jo lid 2 ZW en art. 100 lid 2 WIA is de materiële werkgever dus immuun voor verhaal van het UWV respectievelijk een eigenrisicodrager ter zake betaalde uitkeringen en/of ziekengeld57. Hier bestaat een belangrijk verschil met het regresrecht van art. 6:107a lid 2 BW waarbij regres op de materiële werkgever juist wel mogelijk is. In zaken waarin regres wordt genomen door een formele werkgever op een materiële werkgever is dus van belang om na te gaan of regres wordt genomen voor doorbetaald loon of voor ziekengeld. In het eerste geval is regres wel mogelijk, in het tweede geval niet. Voorts bestaat hier een belangrijk verschil met het eerder besproken subrogatieverbod, waarvoor de Hoge Raad in het Anderzorg/London arrest bepaalde dat dit zich beperkt tot formele arbeidsverhoudingen.

De regel uit het eerder besproken Hendriksen/Menzis arrest is ook in zaken waarin regres wordt genomen door het UWV (of de eigen risicodrager) van toepassing. Dit is al in 1984 bepaald in het BVO/Brok arrest58. Uit dit arrest volgt dat de derde-aansprakelijke zich jegens de sociale verzekeraar kan beroepen op vermindering van de omvang van het verhaalsrecht in evenredigheid met het aandeel (in de veroorzaking van het ongeval) van de persoon wiens aansprakelijkheid is uitgesloten59. In die zin kwam de uitspraak van de Hoge Raad in het Hendriksen/Menzis arrest niet geheel onverwachts, hetgeen ook Mendel in zijn noot bij het Hendriksen/Menzis arrest opmerkt60.

Tenslotte vervalt de immuniteit van de (inlenend) werk­gever en collega van de benadeelde wanneer diens schade is veroorzaakt door opzet of bewuste roekeloosheid van deze werkgever of collega61. Aan een geslaagd beroep op opzet of bewuste roekeloosheid worden – net als bij art. 6:107a lid 4 BW – gezien het uitzonderingskarakter van deze bepaling echter hoge eisen gesteld62. De omstandigheid dat de werkgever op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk is, brengt op zichzelf niet mee dat op hem regres kan worden genomen63. Verder wordt de immuniteit van de werkgever niet doorbroken wanneer het ongeval dat tot arbeidsongeschiktheid heeft geleid is veroorzaakt door opzet of bewuste roekeloosheid van een collega van de arbeidsongeschikte werknemer. Alleen eigen opzet of bewuste roekeloosheid van de werkgever kan dit tot gevolg hebben64.

Afronding

Regres door een particuliere verzekeraar staat niet op gelijke voet met de zelfstandige regresrechten van de werkgever en het UWV. In de kern bevatten zij weliswaar overeenkomsten, echter het blijven verschillende typen regresposities met ieder hun eigenaardigheden. Het Anderzorg/Menzis arrest laat dit bijvoorbeeld duidelijk zien, door het subrogatieverbod te beperken tot formele arbeidsverhoudingen, terwijl de beperking van de zelfstandige regresrechten van de werkgever en het UWV zich wel tot materiële verhoudingen lijkt uit te strekken. Toekomstige jurisprudentie zal moeten uitwijzen of de regresposities van de particuliere verzekeraar, de werkgever en het UWV meer of minder overeenkomsten met elkaar gaan vertonen.

1  Janneke Kruijswijk Jansen en Lotte Veendrick zijn advocaat bij Kennedy Van der Laan te Amsterdam.

2  Wij merken vooraf op dat over het onderwerp regres heel veel te schrijven valt, wat niet in één artikel valt te bespreken. Wij gaan daarom alleen op bepaalde facetten in.

3  Zie art. 6:102 jo. 6:101 BW.

4  Zie art. 6:11 BW.

5  HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784 (Van Aart en ASR/Achmea). Dat neemt niet weg dat indien de hoofdelijke regres­vordering nog niet is verjaard, het instellen van die vordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn, dan wel dat de regreszoekende partij zijn rechten kan hebben verwerkt, op grond van feiten en omstandigheden die (mede) hebben plaatsgevonden voordat de regresvordering is ontstaan. De Hoge Raad noemt als voorbeeld de omstandigheid dat de regreszoekende partij al voordien bekend was met het feit dat de regresvordering zou ontstaan maar de voor hem kenbare belangen van degene op wie hij later regres wil nemen, op onaanvaardbare wijze heeft veronachtzaamd.

6  Met uitzondering van het deel van de schade dat onder het eigen risico valt.

7  Het gaat dan niet om vorderingen uit hoofde van een andere verzekeringspolis.

8  Zie art. 7:962 lid 3 BW.

9  Kamerstukken II 1985/1986, 19529, nr. 3 (MvT), p. 34.

10        Het gaat om de art. 6:165, 6:166, 6:171, 6:173, 6:174, 6:175, 6:176, 6:177 en 6:185 BW alsook afdeling 4 van titel 6, afdeling 4 van titel 11, afdeling 1 van titel 14 en afdeling 4 van titel 19 van boek 8 BW.

11        NvW, Parl. Gesch. InvW 6, p. 1407.

12        HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1873 (Achmea/Menzis).

13        HR 5 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2517.

14        T. Hartlief, ‘Positie regresnemer’, TVP 2010/4, p. 119-125.

15        HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3461 (Anderzorg/London).

16        HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5880 (Hendriksen/Menzis).

17        HR 26 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4566. Voor verzekeraars die zich hebben ingetekend op het Convenant met UWV inzake verjaring en de regeling van enkele discussiepunten, dat het UWV met het Verbond van Verzekeraars heeft gesloten, geldt een afwijkende verjaringsregeling. De verjaring van de zelfstandige verhaalsrechten van het UWV op grond van de ZW, WAO, WAZ en WIA vangt één jaar na de datum van het ongeval aan, tenzij de vordering van de verzekerde van het UWV op het moment dat het UWV de vordering indient reeds meer dan vijf jaar definitief is afgewikkeld, waaronder begrepen de situatie dat de verzekerde van het UWV bij de aansprakelijkheidsverzekeraar geen vordering heeft ingediend. Zie het betreffende convenant: https://www.verzekeraars.nl/overhetverbond/zelfregulering/Documents/Convenanten/Convenant%20inzake%20verjaring%20met%20UWV/Convenant_UWV_inzake_verjaring.pdf.

18        Het gaat om de art. 6:165, 6:166, 6:171, 6:173, 6:174, 6:175, 6:176, 6:177 en 6:185 BW alsook afdeling 4 van titel 6, afdeling 4 van titel 11, afdeling 1 van titel 14 en afdeling 4 van titel 19 van boek 8 BW.

19        Het regresrecht van de overheidswerkgever dat is opgenomen in de Verhaalswet Ongevallen Ambtenaren gaat het bestek van dit artikel te buiten.

20        70% van het vastgestelde loon dient te worden doorbetaald. Indien dit tot een lager bedrag dan het voor de werknemer geldende minimumloon leidt, wordt gedurende het eerste jaar tenminste het minimumloon doorbetaald.

21        J.H. Nieuwenhuis, C.J.J.M. Stolker, W.L. Valk, Tekst en Commentaar Burgerlijk Wetboek, Deventer 2013, p. 2975, aantekening 3 bij art. 6:107a BW. Om dezelfde reden komen de door de werkgever ter uitoefening van zijn verhaalsrecht gemaakte buitengerechtelijke kosten slechts voor vergoeding in aanmerking indien en voor zover deze kosten – als zij door de arbeidsongeschikte werknemer waren gemaakt – onder art. 6:96 lid 2 sub b BW zouden vallen21. Deze kosten moeten de dubbele redelijkheidstoets dus kunnen doorstaan.

22        Hof ’s-Gravenhage 4 maart 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AS3575, gepubliceerd in VR 2005, 9.

23        Zie ook Groene Serie Privaatrecht, A.T. Bolt, aantekening 5 bij art. 6:107a lid 2 BW, Het regresrecht van de werkgever.

24        Art. 6:101 en 6:102 BW.

25        Rb. 21 december 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BU9397. In de zaak HBG/Bouwpoint brachten de omstandigheden een verdeling van 65-35% met zich.

26        Voor het aannemen van opzet of bewuste roekeloosheid worden zware eisen gesteld. Hiervoor is bijvoorbeeld vereist dat de collega zich van de ernst van de fouten bewust is geweest.

27        Parl. Gesch. Nota n.a.v. Verslag, Kamerstukken II, 1995/96, 24 326, nummer 7, p. 10 en Nadere MvA, Kamerstukken I, 2007/2008, 31 087 D, p. 2.

28        Zie J.H. Nieuwenhuis, C.J.J.M. Stolker, W.L. Valk, Tekst en Commentaar, Aantekening 5 bij art. 6:107a BW en W.W.Y. Cheng, De reikwijdte van het regresrecht van de werkgever ex art. 6:107a BW, TAP, nr. 8, november 2012, p. 375. Anders W.H. van Boom, Verhaalsrechten van verzekeraars en risicodragers, W.E.J. Tjeenk Willink, Deventer, 2000, p. 82.

29        Hof ’s-Gravenhage 4 maart 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AS3575, gepubliceerd in VR 2005, 9 en Rb. Leeuwarden 21 november 2012, ECLI:NL:RBLEE:2012:BY6954.

30        C.C. Jongens, F.M. Ruitenbeek, Handboek Personenschade, 4100.4.3, Groepen uitgesloten van regres.

31        HR 2 februari 1973, ECLI:NL:HR:1973:AD8005, NJ 1973, 225, HR 26 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5632, NJ 1988, 536 en HR 25 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0121, NJ 1992, 706 en Rb. Arnhem 3 maart 2004, ECLI:NL:RBARN:2004:AR4012, NJF 2004, 541.

32        Hof Amsterdam, 10 februari 2009, nr. 106.007.163/01 (De Amersfoortse/London), raadpleegbaar via www.stichtingpiv.nl. Zie over dit arrest E.F.D. Engelhard, ‘Voorbij de grenzen van het wettelijk regresrecht van werkgevers en sociale risicodragers’, AV&S 2011, 20.

33        Rb. Zutphen, 3 maart 2010, ECLI:NL:RBZUT:2010:BL8065.

34        Gelet op het bestek van dit artikel worden de regresrechten van het UWV en de eigenrisicodrager niet uitputtend behandeld. Naast de ZW en de WIA bevatten onder meer de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ) en de Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Jonggehandicapten (WAJONG) regresregelingen voor het UWV. Hier gaan wij niet nader op in.

35        Dit volgt onder meer uit art. 33 van de cao voor uitzendkrachten (ABU-Cao). Deze cao is door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid algemeen verbindend verklaard, en de bepalingen uit deze cao zijn dus op alle betrokken werkgevers en werknemers in de uitzendbranche van toepassing. Als de overeenkomst van een uitzendkracht tijdens arbeidsongeschiktheid eindigt, eindigt in beginsel op dat moment ook de loonbetalingsplicht van het uitzendbureau, zie art. 30 ABU-cao.

36        Art. 52a lid 3 ZW.

37        Zie HR 26 juni 1987, NJ 1988, 536 en HR 25 januari 1991, NJ 1992, 706, Groene Serie Schadevergoeding; 72.3 Ruime uitleg werkgevers- en collegaverweer bij: Burgerlijk Wetboek Boek 6, Artikel 6:108 BW, W.H. van Boom, T. Hartlief, J. Spier; en Regresrechten, W.E.J. Tjeenk Willink 1996, Deventer, p. 21.

38        Dit convenant ziet op verhaal door het UWV voor uitkeringen onder de ZW, de WIA, de WAO, de WAZ en de WAJONG.

39        Zie convenant Verhaalsrechten 2015, raadpleegbaar op https://www.verzekeraars.nl/overhetverbond/zelfregulering/Documents/Convenanten/Convenant%20UWV%20inzake%20verhaalsrecht%20Ziektewet,%20WAO,%20WAZ,%20Wajong%20en%20WIA/Convenant%20UWV%20inzake%20verhaalsrecht%20Ziektewet,%20WAO,%20WAZ,%20Wajong%20en%20WIA.pdf

40        Zie art. 3 van het Convenant Verhaalsrechten 2015.

41        M. Lammers, L. Kok en C. Tempelman, ‘Effecten van invoering loondoorbetaling bij ziekte door uitzendbureaus’, onderzoek in opdracht van de Algemene Bond Uitzendondernemingen, Amsterdam, maart 2012, hoofdstuk 2, p. 4.

42        Website UWV: http://www.uwv.nl/Werkgevers/ik_wil_eigenrisicodrager_worden_wga/eigenrisicodrager_worden/wat_ is_eigenrisicodragen_voor_WGA.aspx.

43        Website UWV: http://www.uwv.nl/Werkgevers/ik_wil_eigenrisicodrager_worden_wga/eigenrisicodrager_worden/ verantwoordelijkheden_en_verplichtingen.aspx en http://www.uwv.nl/Werkgevers/eigenrisicodrager_worden_ZW/eigenrisicodrager_worden/verantwoordelijkheden_en_verplichtingen.aspx.

44        M. Lammers, L. Kok en C. Tempelman, ‘Effecten van invoering loondoorbetaling bij ziekte door uitzendbureaus’, onderzoek in opdracht van de Algemene Bond Uitzendondernemingen, Amsterdam, maart 2012, hoofdstuk 2, p. 5.

45        52a lid 2 ZW, 99 lid 3 WIA. Het regresrecht van de eigenrisico­drager is in 2001 in de ZW opgenomen, zie Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 27873, nr. 3.

46        Om met succes een beroep te kunnen doen op deze regresbeperking, moet sprake zijn van een dienstbetrekking in de zin van de betreffende sociale verzekeringswet. Hof ’s-Gravenhage 22 juni 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AT8489, VR 2005, 71. Zie art. 9 jo., art.l 6 ZW en art. 11 WIA.

47        Groene Serie Schadevergoeding, 72.3 Ruime uitleg werkgevers- en collegaverweer bij: Burgerlijk Wetboek 6, art. 6:108 BW. Zie ook HR 7 november 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB4078, NJ 1976, 332.

48        HR 20 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0326, NJ 1988, 1032.

49        Zie verder E.J. Kronenburg-Willems, Module Arbeids­ongeschikt­heid, Commentaar bij: ZW, artikel 52b, aantekening 1.2 en aantekening 1.4 bij artikel 100 WIA. Er zijn meer sociale wetten die een dergelijke bepaling bevatten, zie onder meer de WAO (art. 90 en 91), en de Algemene Nabestaandenwet (art. 61 en 62).

50        Zitting 1962-1963, Kamerstukken 7171, MvT, nr. 3, p. 21. Zie verder Zitting 1964-1965, Kamerstukken 7171, MvA, nr. 15, p. 11 en W.H. van Boom, Verhaalsrechten van verzekeraars en risicodragers, Deventer, 2000, p. 80.

51        T. Hartlief en R.P.J.L. Tjittes, Verzekering en aansprakelijkheid, Kluwer: Deventer, 1999, p. 98 en W.H. van Boom, Verhaalsrechten van verzekeraars en risicodragers, Deventer, 2000, p. 79.

52        Nadere wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en enige andere sociale verzekeringswetten, MvT, Zitting 1959-1960, nr. 5865, onder nummer 3.

53        Premies Volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen, Inkomensafhankelijke bijdrage op grond van de Zorgverzekeringswet, zie http://download.belastingdienst.nl/belastingdienst/docs/aansprakelijkheid_loonheffing_inlening_personeel_al5281z4fd.pdf.

54        Nadere wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en enige andere sociale verzekeringswetten, MvT, Zitting 1959-1960, nr. 5865, onder nummer 3.

55        Zie http://download.belastingdienst.nl/belastingdienst/docs/aansprakelijkheid_loonheffing_inlening_personeel_al5281z7fd.pdf. Voor verzekeraars die zich hebben ingetekend op het convenant met UWV inzake verjaring en de regeling van enkele discussiepunten, dat het UWV met het Verbond van Verzekeraars heeft gesloten, geldt een afwijkende verjaringsregeling. De verjaring van de zelf­standige verhaalsrechten van het UWV op grond van de ZW, WAO, WAZ en WIA vangen één jaar na de datum van het ongeval aan, ­tenzij de vordering van de verzekerde van het UWV op het moment dat het UWV de vordering indient reeds meer dan vijf jaar definitief is afgewikkeld, waaronder begrepen de situatie dat de verzekerde van het UWV bij de aansprakelijkheidsverzekeraar geen vordering heeft ingediend. Zie: https://www.verzekeraars.nl/overhetverbond/ zelfregulering/Documents/Convenanten/Convenant%20inzake% 20verjaring%20met%20UWV/Convenant_UWV_inzake_verjaring.pdf

56        Zie als voorbeeld HR 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5048.

57        Deze immuniteit geldt ook als de materiële werkgever voor het risico van aansprakelijkheid verzekerd is. E.F.D. Engelhard, Regres, Kluwer: Deventer 2003, p. 360, W.H. van Boom, Verhaalsrechten van verzekeraars en risicodragers, Deventer, 2000, p. 81, en HR 7 november 1975, NJ 1976, 332. De verzekeraar kan in dat geval het werkgeversverweer voeren.

58        HR 20 mei 1983, NJ 1984/649.

59        W.H. van Boom, Hoofdelijke verbintenissen, W.E.J. Tjeenk Willink, 1999, p. 204.

60        Zie zijn noot bij HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5880.

61        Zie art. 52b lid 2 ZW en art. 100 lid 2 WIA.

62        W.H. van Boom, Verhaalsrechten van verzekeraars en risicodragers, Deventer, 2000, p. 79, HR 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0073, NJ 1991, 596 en Rb. Zutphen 26 maart 1987, ECLI:NL:RBZUT:1987:AC3144, NJ 1988, 719.

63        HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7832.

64        W.H. van Boom, Verhaalsrechten van verzekeraars en risicodragers, Deventer, 2000, p. 79, HR 4 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0352, NJ 1992, 410, HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7832.

[i] Janneke Kruijswijk Jansen en Lotte Veendrick zijn advocaat bij Kennedy Van der Laan te Amsterdam.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey