Rb: werkgeversaansprakelijkheid, werknemer niet geslaagd in bewijs van ongeval tijdens werk

Samenvatting:

Werknemer stelt werkgever aansprakelijk ex art 7:658 BW voor val van trap. Bij eerder tussenvonnis is eiser opgedragen te bewijzen dat hij tijdens zijn werk van een trap is gevallen. De rechtbank oordeelt dat eiser niet geslaagd is in het bewijs. Eiser heeft zichzelf niet onder ede doen horen en zijn twee getuigen zijn niet bij het ongeval aanwezig geweest en zijn bovendien bekenden van eiser. Vordering afgewezen.

 

 

 

ECLI:NL:RBAMS:2020:2391

 

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak

20-04-2020

Datum publicatie

12-05-2020

Zaaknummer

CV 16-14535

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

bedrijfsongeval, 7:658 BW, schadevergoeding, hoger beroep van deelgeschil door hof afgewezen, in bodem bewijsopdracht aan werknemer, getuigenverhoor, onvoldoende bewijs, vordering afgewezen, proceskosten deelgeschil afgewezen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

 

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

 

Afdeling privaatrecht

 

zaaknummer: 5051850 CV EXPL 16-14535

vonnis van: 20 april 2020

fno.: 811

 

vonnis van de kantonrechter

 

I n z a k e

 

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

nader te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. A. Quispel, voorheen mr. P.E. Schuchmann-Mooijman,

 

t e g e n

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

nader te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. R. Gruben.

 

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE

 

– het tussenvonnis van 14 oktober 2019, waarbij [eiser] een bewijsopdracht heeft gekregen;

– een akte overlegging producties van [eiser] met producties;

– het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 18 december 2019;

– de conclusie na enquête van [eiser] met producties;

– de antwoordconclusie na enquête van [gedaagde] .

 

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

 

BEOORDELING

 

  1. Bij tussenvonnis van 14 oktober 2019 (hierna: het tussenvonnis) is [eiser] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat hij op 18 februari 2013 tijdens zijn werk van een trap is gevallen.

 

  1. Ter uitvoering van dit vonnis heeft [eiser] een akte genomen en daarbij vijf producties overgelegd, te weten:

– twee verwijsbrieven van de huisarts van [eiser] van 6 december 2013 met daarin een beschrijving van de klachten van [eiser] vanaf 19 februari 2013 en/of vermelding van de medicatie en een verwijsbrief van 5 februari 2015;

– een verwijsbrief van de huisarts van 7 november 2019 met daarin een beschrijving van de klachten van [eiser] vanaf 17 mei 2010 tot en met 30 januari 2014 en vermelding van medicatie;

– een brief van een orthopedisch chirurg van 7 oktober 2013 die [eiser] op

26 september 2013 heeft gezien, waarin onder meer is vermeld dat [eiser] op

14 juni 2013 van een ladder is gevallen;

– een arbeidsdeskundig rapport van UWV in het kader van de beoordeling WIA van 2 oktober 2019, waarbij [eiser] 100% arbeidsongeschikt is verklaard;

– met de handgeschreven en ondertekende verklaringen van 3 september 2017 van [naam 1] , de zoon van [eiser] , en van 31 augustus 2017 van [naam 2] .

 

  1. Deze laatste twee heeft [eiser] onder ede als getuige laten horen.

 

  1. [naam 2] heeft voor zover van belang, kort en zakelijk weergegeven, verklaard dat:

– hij al van begin af aan bij deze zaak is betrokken om [eiser] te helpen;

– hij bij de inhoud van zijn verklaring van 31 augustus 2017 blijft;

– hij er op de dag van het ongeval binnen 10 minuten was nadat [eiser] gebeld had;

– hij in 2014 [eiser] begon te helpen bij het opstarten van deze procedure;

– [eiser] toen tegen hem had gezegd dat de datum van het ongeval 19 februari 2013 was;

– hij begonnen is [eiser] te helpen toen hij bij hem kwam en aangaf dat hij last van zijn schouder had;

– dat in 2013/2014 zal zijn geweest;

– hij denkt dat het ongeval op een maandag was;

– hij denkt dat [eiser] hem om 14.00 uur belde;

– [eiser] hem toen vertelde dat hij van een ladder was gevallen en vroeg of hij hem wilde helpen;

– [eiser] zijn leidinggevende niet kon bereiken;

– hij de woning waar [eiser] werkte gewoon kon binnenlopen;

– de deur open was;

– [eiser] pijn had aan zijn schouder en schaafwonden aan zijn hoofd;

– [eiser] vertelde dat hij van de ladder was gevallen met het schilderen;

– [eiser] vertelde dat de ladder al langer stuk was en dat hij stress had omdat de leidinggevende zei dat hij snel zijn werk moest afmaken;

– hij die irritaties met de leidinggevende van [eiser] vaak heeft meegemaakt;

– hij weet dat de leidinggevende niet behulpzaam is;

– de trap waarvan [eiser] is gevallen in de slaapkamer lag;

– [eiser] het plafond van de slaapkamer aan het schilderen was toen hij viel;

– de trap op zijn zijkant lag;

– in het Turks één woord bestaat voor trap en ladder;

– de trap volgens hem 3 of 4 treden had;

– hij besloten heeft om [eiser] naar huis te brengen;

– hij de spullen heeft opgeruimd en het gereedschap in de auto heeft gezet;

– hij een foto heeft gemaakt van de trap achter de auto;

– hij de bedrijfsauto van [eiser] daar heeft achtergelaten;

– hij later heeft gehoord dat de zoon en vrouw van [eiser] de bedrijfsauto hebben opgehaald;

– hij drie schriftelijke verklaringen heeft afgelegd in 2014, 2017 en 2018;

– hij samen met [eiser] op zoek is gegaan naar een advocaat en zij samen de voormalig gemachtigde van [eiser] hebben gevonden;

– hij de communicatie met de voormalig gemachtigde heeft gedaan omdat hij beter Nederlands spreekt;

– hij de dag van het ongeval rond 14.15 uur bij [eiser] was;

– hij daarna rond 15.15 uur bij het huis van [eiser] aankwam;

– hij voor het verhoor het dossier heeft doorgenomen en nagekeken.

 

  1. I. [eiser] heeft voor zover van belang, zakelijk en kort weergegeven, verklaard dat:

– hij bij zijn schriftelijke verklaring van 3 september 2017 blijft;

– hij zich de dag van het ongeval nog kan herinneren;

– zijn vader thuis kwam met verwondingen aan zijn schouder;

– het een maandag was;

– hij en zijn moeder thuis waren;

– zijn vader pijn had;

– zijn vader fulltime werkte overdag;

– zijn vader toen hij thuis kwam vertelde dat hij van de ladder was gevallen;

– zijn vader boos was dat hij niemand van het bedrijf aan de lijn kon krijgen;

– zijn vader pijn aan zijn linkerschouder had en blauwe plekken en schaafwonden op zijn hoofd;

– zijn vader boos was;

– hij vrij snel nadat zijn vader thuis kwam met zijn moeder de bedrijfsauto heeft opgehaald;

– hij denkt dat dat tussen 16.00 en 17.00 uur is geweest;

– zij de bedrijfsauto in een zijstraat hebben geparkeerd;

– zijn moeder die avond moest werken en hij die avond met zijn moeder aan de Johan Huizingalaan is gaan werken;

– hij in de avond met de bedrijfsauto naar het werk van zijn moeder is gereden;

– hij na het werk van zijn moeder met de auto naar hun huis is gegaan;

– hij wist dat zijn vader daarna ziek was gemeld.

 

  1. Bij conclusie na enquête heeft [eiser] nog een brief namens de aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde] van 30 september 2014 overgelegd, waarin zij de aansprakelijkheid van [gedaagde] voor eventuele schade afwijst. Verder heeft hij nog de volgens hem juiste rittenstaat van zijn bedrijfsauto van 18 februari 2013 overgelegd.

 

  1. [gedaagde] concludeert dat [eiser] niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de verklaringen van [naam 2] en de zoon van [eiser] niet consistent zijn. Ook ten aanzien van eerdere verklaringen, komen de genoemde data en tijden niet met elkaar, noch met de rittenstaat overeen. Verder zijn deze getuigen niet onpartijdig, volgens [gedaagde] .

 

  1. Vooropgesteld zij, dat de omstandigheid dat de genoemde data en tijden van het gestelde ongeval en de rijbewegingen van de bedrijfsauto niet precies overeenkomen met de uiteindelijk gestelde datum van het ongeval en de originele rittenstaat van de bedrijfsauto, gelet op het tijdsverloop en de gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal van [eiser] , geen doorslaggevende betekenis heeft in deze. Hetgeen [eiser] aan bewijs heeft bijgebracht, is echter ook los daarvan onvoldoende zwaarwegend om tot bewezenverklaring te komen. Nu [eiser] stelt alleen te zijn geweest toen hij van de trap viel, had het voor de hand gelegen hem zelf onder ede te laten horen. Hij had immers kunnen verklaren dat en hoe hij van de trap is gevallen en de kantonrechter en de gemachtigde van [gedaagde] hadden hem daarover kunnen bevragen en zich over het waarheidsgehalte van zijn verklaring kunnen beraden. De omstandigheid dat [eiser] gebrekkig Nederlands spreekt had eenvoudig kunnen worden opgelost met een tolk. Nu [eiser] niet als getuige is gehoord, moet worden afgegaan op de overgelegde bewijsstukken en twee verklaringen van getuigen die er niet bij waren.

 

  1. Zoals ook in het tussenvonnis is overwogen is getuige [naam 2] bovendien geen onafhankelijke getuige. Ook onder ede heeft [naam 2] verklaard dat hij een vriend is van [eiser] en van begin af aan al samen met [eiser] in dit proces is opgetrokken. Hij heeft verklaard dat hij op de hoogte was van de stress die [naam 2] al vóór 18 februari 2013 van zijn werk ervaarde en dat de leidinggevende van [eiser] niet behulpzaam was. Los daarvan volgt uit zijn verklaring dat [naam 2] niet heeft gezien dàt [eiser] tijdens het werk van de trap is gevallen. Hij heeft slechts verklaard dat [eiser] dit tegen hem heeft gezegd. Dat [naam 2] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [eiser] pijn aan zijn schouder en schaafwonden aan zijn hoofd had toen hij hem op zijn werk kwam ophalen, is gelet op de overige omstandigheden onvoldoende. Vaststaat immers dat [eiser] ruim vóór 2013 een medische ingreep heeft moeten ondergaan aan zijn linkerschouder en dat dit sindsdien een fysiek zwakke plek is (zie 1.17 van het tussenvonnis). Dat [naam 2] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [eiser] die dag pijn had aan zijn schouder, bewijst daarom nog niet dat hij pijn aan zijn schouder heeft gekregen door een val van de trap op zijn werk. Ook de overgelegde foto van de trap en de verklaring van [naam 2] dat hij deze (kapotte) trap die dag op het werk van [eiser] heeft gezien, legt onder de gegeven omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal.

 

  1. De zoon van [eiser] is vanwege de nauwe familieband evenmin een onafhankelijke getuige. Los daarvan heeft ook hij niet gezien dat zijn vader van de trap is gevallen tijdens het werk. Hij heeft enkel verklaard dat hij van zijn vader heeft gehoord dat dit is gebeurd. Het feit dat hij heeft verklaard dat zijn vader toen hij werd thuisgebracht pijn aan zijn linkerschouder en blauwe plekken en schaafwonden op zijn hoofd had, is, zonder meer, zoals hiervoor overwogen, onvoldoende om te kunnen concluderen dat [eiser] tijdens het werk voor [gedaagde] van de trap is gevallen.

 

  1. De verder ingebrachte schriftelijk (medische) stukken brengen geen bewijs bij van de stelling dat [eiser] op 18 februari 2013 tijdens zijn werk van de trap is gevallen, maar slechts dat hij vanaf 19 februari 2013 pijn heeft gehad aan zijn linkerschouder, dat hij daarvoor medicatie heeft gekregen en enige tijd ziekgemeld en arbeidsongeschikt is geweest. Dat in verschillende medische stukken is opgenomen dat [eiser] van een trap is gevallen is het gevolg van zijn eigen mededeling daarover en niet zozeer van de (objectieve) vaststelling van een arts dan wel andere deskundigen en draagt dan ook niet (voldoende) bij aan het bewijs dat [eiser] dient te leveren om zijn vordering te kunnen laten slagen.

 

  1. Conclusie van het voorgaande is dat [eiser] niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht. Zijn vordering op de betreffende onderdelen wordt daarom afgewezen.

 

  1. Voor wat betreft de gevorderde kosten van de eerder gevoerde deelgeschilprocedure geldt dat in de beschikking van 22 december 2015 geen expliciete beslissing is genomen op de door [eiser] gevraagde kosten ex artikel 1019aa Rv. De kantonrechter (in die procedure) heeft bij brief van 14 januari 2016 laten weten dat de beschikking op dat punt niet zou worden verbeterd of aangevuld. In de beschikking is overwogen dat de deelgeschilprocedure niet de aangewezen procedure was. Dat komt erop neer dat [eiser] de procedure ten onrechte heeft geëntameerd. In afwijking van artikel 1019aa Rv is in dat geval geen plaats voor een kostenveroordeling van [gedaagde] . Ook dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.

 

  1. [eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, waarbij uitgegaan wordt van 4 punten vermenigvuldigd met, gelet op de inkomsten van [eiser] en de overige omstandigheden, een beperkt tarief van € 150,00 per punt.

 

BESLISSING

 

De kantonrechter:

 

wijst de vorderingen af;

 

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde] tot op heden begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde;

 

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 60,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;

 

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

 

 

Aldus gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey