Rb: werkgever en havenbedrijf hoofdelijk aansprakelijk voor letsel matroos door losgeschoten meerdraad  

Samenvatting:

Matroos loopt ernstig letsel op, als bij het aanmeren de meerdraad terugspringt en tegen hem aankomt. 1. De rechtbank acht de werkgever wegens schending zorgplicht ex art. 7:658 BW. Werknemer had de instructie gekregen om niet in de gevarenzone te blijven staan. De rechtbank oordeelt dat enkel instrueren of waarschuwen in beginsel onvoldoende is. Een werkgever moet ook controleren of op een veilige wijze wordt gewerkt. Dat had in dit geval ook eenvoudig gekund door ofwel werknemer in het oog te houden ofwel via de portofoon te vragen of hij al buiten de gevarenzonde stond. Door deze eenvoudige controlemaatregel niet na te leven, heeft werkgever haar in art. 7:658 BW bedoelde zorgplicht geschonden. 2. De rechtbank acht het havenbedrijf hoofdelijk aansprakelijk ex art 6:162 BW.  Vast is komen te staan dat de bolder is afgebroken doordat die als gevolg van slijtage en ouderdom ongeschikt was voor het gebruik dat ervan werd gemaakt.

 

 

ECLI:NL:RBROT:2020:4462

 

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak

13-05-2020

Datum publicatie

19-05-2020

Zaaknummer

C/10/535920 / HA ZA 17-926

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – meervoudig

Inhoudsindicatie

Letselschade matroos; hoofdelijke aansprakelijkheid werkgever wegens schending zorgplicht ex art. 6:758 BW en erfpachter en huurder van de kade wegens ondeugdelijkheid afmeervoorzieningen ex art. 6:162 BW.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

 

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

 

 

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

 

Vonnis in gevoegde zaken van 13 mei 2020

 

in de zaak met zaak- / rolnummer: C/10/535920 / HA ZA 17-926 van

 

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. P.A.J. Raaijmaakers te Amsterdam,

 

tegen

 

  1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GEBR. KRAMER HANDEL EN SCHEEPVAART B.V.,

gevestigd te Zaandam,

gedaagde,

advocaat mr. J.F. Bienfait te Capelle aan den IJssel,

 

  1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HKS SCRAP METALS B.V.,

gevestigd te ‘s-Gravendeel,

gedaagde,

advocaat mr. R. Gruben te Voorburg,

 

  1. de naamloze vennootschap

HAVENBEDRIJF AMSTERDAM N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam,

 

en in de zaak met zaak- / rolnummer C/10/510952 / HA ZA 16-943 van

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GEBR. KRAMER HANDEL EN SCHEEPVAART B.V.,

gevestigd te Zaandam,

eiseres,

tevens verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.F. Bienfait te Capelle aan den IJssel,

 

tegen

 

  1. de naamloze vennootschap

HAVENBEDRIJF AMSTERDAM N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

tevens eiseres in reconventie,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam,

 

  1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HKS SCRAP METALS B.V.,

gevestigd te ‘s-Gravendeel,

gedaagde,

advocaat mr. R. Gruben te Voorburg.

 

Partijen zullen hierna [eiser] , Kramer , HKS, en het Havenbedrijf genoemd worden.

 

1.

Het verloop van de procedure

in de zaak 535920

1.1.

In deze zaak is op 31 januari 2018 een vonnis uitgesproken waarbij op vordering van HKS en het Havenbedrijf de zaak is gevoegd met de zaak 510952, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het voegingsincident. Daarnaast is in dit vonnis op haar vordering aan het Havenbedrijf toegestaan om HKS in vrijwaring op te roepen, met aanhouding van de beslissing omtrent de kosten van het vrijwaringsincident tot het eindvonnis is de hoofdzaak. Voor het verloop van de procedure tot dan toe wordt verwezen naar dat vonnis. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

de conclusie van antwoord van HKS van 28 februari 2018, met producties;

de conclusie van antwoord van het Havenbedrijf van 28 februari 2018, met producties;

de conclusie van antwoord van Kramer van 25 april 2018, met producties;

de akte houdende overlegging producties van het Havenbedrijf van 20 november 2018 met productie HbA 12;

het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 16 april 2019, en de bij die gelegenheid door de advocaten voorgedragen spreekaantekeningen;

de brief van mr. Gruben voornoemd van 8 mei 2019, met opmerkingen over het proces-verbaal;

de brief van mr. Bienfait voornoemd van 9 augustus 2019, met een productie (productie 13 in deze zaak);

de brief van mr. Bienfait voornoemd van 9 augustus 2019, met een productie (productie 14 in deze zaak);

de akte overlegging producties van [eiser] van 22 augustus, met twee producties (productie 31 en productie 32);

de akte houdende overlegging producties t.b.v. de voortzetting van de comparitie van partijen van 22 augustus 2019 van het Havenbedrijf, met producties (producties 13 en 14);

de akte houdende overlegging producties t.b.v. de voortzetting van de comparitie van partijen van 22 augustus 2019 van het Havenbedrijf, met producties (producties 14 herstel en 15);

de akte houdende overlegging producties t.b.v. de voortzetting van de comparitie van partijen van 22 augustus 2019 van HKS, met een productie (productie 3);

het proces-verbaal van comparitie gehouden op 22 augustus 2019;

de rolberichten van partijen van 27 november 2019 waarbij partijen hebben laten weten dat zij niet tot een minnelijke regeling zijn gekomen en vonnis hebben gevraagd.

in de zaak 510952

1.2.

In deze zaak is op 4 januari 2017 een vonnis uitgesproken, waarbij op vordering van HKS aan haar is toegestaan om het Havenbedrijf in vrijwaring op te roepen, met aanhouding van de beslissing omtrent de kosten. Daarnaast is op 26 april 2017 een vonnis uitgesproken, waarbij op vordering van het Havenbedrijf aan haar is toegestaan om HKS in vrijwaring op te roepen, met aanhouding van de beslissing omtrent de kosten. Voor het verloop van de procedure tot dan toe wordt verwezen naar die vonnissen. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

– de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van het Havenbedrijf van 7 juni 2017, met producties;

– de akte in conventie en reconventie houdende verzoek tot aanhouding, tevens overlegging producties van het Havenbedrijf van 24 januari 2018, met producties;

– de akte houdende wijziging van eis, tevens overlegging producties, tevens (inzake gedaagde 1) conclusie van antwoord in reconventie van Kramer van 8 februari 2018, met producties;

– de akte houdende overlegging producties van het Havenbedrijf van 20 november 2018, met producties;

het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 16 april 2019, en bij die gelegenheid door de advocaten voorgedragen spreekaantekeningen;

de brief van mr. Gruben voornoemd van 8 mei 2019, met opmerkingen over het proces-verbaal;

de brief van mr. Bienfait voornoemd van 9 augustus 2019, met een productie (productie 22 in deze zaak);

de brief van mr. Bienfait voornoemd van 9 augustus 2019, met een productie (productie 23 in deze zaak);

de akte houdende overlegging producties t.b.v. de voortzetting van de comparitie van partijen van 22 augustus 2019 van het Havenbedrijf, met producties (productie 19 en 20);

de akte houdende overlegging producties t.b.v. de voortzetting van de comparitie van partijen van 22 augustus 2019 van het Havenbedrijf, met producties (productie 20 herstel en productie 21);

de akte houdende overlegging producties t.b.v. de voortzetting van de comparitie van partijen van 22 augustus 2019 van HKS, met een productie (productie 3);

het proces-verbaal van comparitie gehouden op 22 augustus 2019;

de rolberichten van partijen van 27 november 2019 waarbij partijen hebben laten weten dat zij niet tot een minnelijke regeling zijn gekomen en vonnis hebben gevraagd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald in de gevoegde zaken. De incidenten tot vrijwaring hebben geen vervolg gekregen in verband met een forumkeuzebeding in de huurovereenkomst tussen HKS en het Havenbedrijf.

 

2.

De feiten

in beide zaken

2.1.

[eiser] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 januari 2014 in dienst getreden van Kramer in de functie van dekmatroos. Kramer exploiteert een aantal binnenschepen, waaronder de duwboot ‘ [naam vaartuig 1] ’ (hierna: ook de duwboot) waarmee zij vletwerk in de Amsterdamse haven verricht. Het Havenbedrijf is erfpachter en verhuurster van kadevoorzieningen in de Bosporushaven te Amsterdam. HKS exploiteert een onderneming in de handel en opslag van schroot. Zij heeft een vestiging in de Bosporushaven en huurt daar een kade met afmeervoorzieningen (bolders) van het Havenbedrijf.

 

2.2.

Op 20 maart 2015 rond 19:42 uur heeft [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Kramer ernstig lichamelijk letsel opgelopen. De duwboot was bemand door [naam persoon 1] , kapitein (tevens bestuurder van Kramer ; hierna ook aangeduid als [naam persoon 1] ), [naam persoon 2] , stuurman, en [eiser] , matroos. De duwboot was twee duwbakken beladen met ieder 1500 ton (dus in totaal 3.000 ton) kolen aan het vletten. Bij het aanmeren van de duwcombinatie aan de kade bij het bedrijf van HKS is de meerdraad teruggesprongen en tegen [eiser] aangekomen. [eiser] is sindsdien volledig arbeidsongeschikt. Het dienstverband tussen [eiser] en Kramer is per 31 december 2015 geëindigd.

 

2.3.

De politie heeft op 21 maart 2015 een mutatierapport opgemaakt. Dat rapport houdt onder meer in:

“ T.p. spraken wij met betrokkene [naam persoon 1] en diens broer. Betr. [naam persoon 1] vertelde dat hij vanochtend ontdekte dat de bolder aan de kade, waar de bewuste kabel aan vast zat, weg was. Het verhaal van betr. [naam persoon 1] was dat hij als schipper van de duwboot [naam vaartuig 1] gisteravond ging draaien. Hierbij maakte hij gebruik van een staalkabel om de bolder. Hierdoor zal een draai versnellen en blijft het schip op zijn plaats. Volgens betr. [naam persoon 1] is de kabel niet losgeschoten, zoals hij eerder had gedacht maar dat de bolder was afgebroken. Door de grote kracht die op de kabel stond is de bolder afgebroken. De kabel is daardoor als een “zweep” gaan werken en is tegen het slachtoffer aangekomen. De bolder is waarschijnlijk in het water terecht gekomen aangezien het nergens op de kade was te vinden. De afgebroken bolder was niet opgemerkt op de avond van het ongeval. (…);”

 

2.4.

Op 26 maart 2015 heeft Expertise- en Taxatiebureau Verweij Hoebee Groep (hierna: Verweij Hoebee) in opdracht van (de verzekeraars van) Kramer onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval. Het rapport van Verweij Hoebee van 22 mei 2015 houdt onder meer in:

“(…)

We Inspected the bollard on 26 March 2015 in the presence of Mr [naam persoon 3] , branch manager of HKS Metals Amsterdam.

(…)

For reference we inspected bollard no. 19, which was said to be identical to no. 20.

(…)

At the time of the inspection it was noted that bollard no. 19 was in a damaged and decrepit condition. The vertical pipe section was dented and the heads of the bolts securing the ground plates were partly corroded away. Inside the bollard a layer of dirt and debris was present.

 

Of the bollard no. 20 only the ground plate remained, the vertical section was sheared off and was lost in the water.

Close inspection showed that the vertical section had sheared off at the weld. Most of the crack was of older date.

Apparently the vertical pipe section had been welded to the ground plate with a single corner weld at the outside circumference. There were no signs of a corner weld at the inside.

(…)

We received a copy of a quotation for the renewal of the bollard no. 20. The renewal costs were calculated at EUR 2.350,- (excluding VAT).

From the work description it could be concluded that the lost bollard would be replaced by a bollard with a maximal load of 23 tons, and therefore three times as strong as the original one.

 

“SUMMARY AND CONCLUSIONS

(…)

Summarizing we concluded that the bollard no. 20 was not strong enough for the purpose of mooring inland barges. The strength of the bollard which was already of a relatively light design, was reduced to great extent by its poor and neglected condition.

(…)”

 

2.5.

Als bijlage bij dit rapport is een offerte gevoegd van IJbouw B.V. (hierna IJbouw) aan het Havenbedrijf van 8 april 2015 voor een nieuwe bolder met een trekkracht tot ca. 23 ton voor € 2.350,00 excl. btw.

 

2.6.

Op 26 maart 2015 heeft ook Halyard Survey B.V. (hierna Halyard Survey) in opdracht van het Havenbedrijf onderzoek gedaan naar de schade aan de bolder. Het rapport van Halyard Survey van september 2015 houdt onder meer in:

“(…)

BEVINDINGEN

Schadeopname en rapportage betreft alleen de schade aan een stalen meerbolder.

(…)

Buispaal is gelast op een stalen fundatieplaat welke verankerd is op de kade. Maximaal toegestane trekkracht 7 ton.

(…)

Van bolder nr. 4 [de rechtbank begrijpt: de bolder die op de kade nummer 20 heeft] de buispaal losgebroken ter plaatse van de aanhechtingslas op de fundatieplaat en de buispaal met pin niet meer aanwezig.

(…)

De bolders zijn berekend op een maximale horizontale trekkracht van 7 ton. In september 2015 [de rechtbank leest: 2014] is door EversPartners een statistische berekening van deze bolders aan de betreffende kade gemaakt (zie bijlage 1).

Na het ongeval op 20 maart 2015 zijn de overige (identieke) bolders op de kade in opdracht van Havenbedrijf Amsterdam ter plaatse van de lassen getest op 30 april door Materiaal Metingen Testgroep (bijlage 2).

(…)

Uit zowel de rapportage als de test van Materiaal Metingen testgroep blijkt niet dat de bolders niet geschikt zijn voor hun taak en van bolder nr. 4 zien wij geen reden van deze bevindingen af te wijken.

Wij nemen ook aan dat bij het aanmeren van het koppelverband een te grote kracht op de bolders is uitgeoefend door het koppelverband. Dit zou kunnen doordat er nog beweging in het beladen koppelverband zat op het moment dat de meerdraden onder spanning zijn gekomen.

(…)

 

2.7.

Bijlage 1 bij het rapport van Halyard Survey betreft een sterkteberekening van EversPartners van 15 september 2014 ter bepaling van de maximale horizontaalkracht van de bolderconstructie aan de kade van HKS. Die berekening houdt onder meer in:

“(…)

In de huidige toestand is de stalen voetplaat van de voetplaat maatgevend en is de maximale horizontaal kracht 71 kN.

 

Wanneer de bolder wordt verstevigd door deze plaat met de onderliggende plaat vast te lassen, wordt de gecombineerde plaat maatgevend en wel het op druk belaste deel. De maximale horizontaalkracht wordt 347 kN.

 

Wanneer de bolder wordt verstevigd door onder de plaat beton te storten en ankers in te storten, worden de ingestorte ankers maatgevend. De maximale horizontaalkracht wordt 199 kN.

 

Wanneer echter bovenstaande verstevigingen worden gecombineerd zijn de ankers niet meer maatgevend en ook niet het op druk belaste deel van de stalen plaat (maar wel het op trek belaste onderdeel). De maximale horizontaalkracht wordt dan bepaald door de capaciteit van de koker en die is 500 kN.

(…)”

 

2.8.

De sterkteberekening van EversPartners is bij e-mail van IJbouw van 16 september 2014 (productie 26 dgv) ter kennis van het Havenbedrijf gebracht.

 

2.9.

Bijlage 2 bij het rapport van Halyard Survey betreft een rapport van Materiaal Metingen Testgroep B.V. (hierna Materiaal Metingen Testgroep) van 1 mei 2015. Daarin wordt verslag gedaan van een onderzoek op 30 april 2015 van de buitenkant van de lassen van de (in dat rapport genummerde) bolders 1 t/m 15 met uitzondering van bolder 4. Het rapport bevat foto’s van de afzonderlijke bolders en van sporen van de afgebroken bolder nummer 4. Dit rapport is bij e-mail van IJbouw van 11 mei 2015 ter kennis van het Havenbedrijf gebracht. Die e-mail houdt onder meer in:

“(…)

Wij hebben wel geconstateerd dat zowel de lassen als de bolderbuis bij enkele bolders zwaar uitgesleten zijn en hierdoor de staaldikte aanzienlijk verminderd is. wij adviseren jullie om te beschouwen of niet meer bolders aan vervanging toe zijn. Kunnen wij de factuur voor het lasonderzoek ad € 3.600,- versturen?

Het vervangen van de ene bolder wordt waarschijnlijk vandaag uitgevoerd, hier konden we tot nu toe niet bij.

(…)”

 

2.10.

Als productie 3 bij de conclusie van antwoord van Kramer is een onderhoudsdocument van de bolders overgelegd. Dat document houdt onder meer in:

– dat de bolders dateren van 1960;

– dat de technische levensduur van de bolders was geëindigd in 2010;

– dat in 2013 de degeneratie van de bolders in lijn was met de technische levensduur.

 

2.11.

Het proces-verbaal van eindoplevering van 28 augustus 2013 behorende bij de huurovereenkomst tussen het Havenbedrijf en HKS houdt onder meer in:

“(…)

  1. Verschillende lichte bolders zijn beschadigd en/of in slechte staat. Zie foto 27 in bijlage.

(…)”

 

2.12.

In het Advies Richtlijn Afmeervoorzieningen van november 2014 en de Richtlijnen Vaarwegen 2011, beide van Rijkswaterstaat, wordt voor vaartuigen van klasse I en II een trekkracht aanbevolen van 150 kN, voor klasse III en IV van 200 kN en voor klasse Va en Vb van 250 kN. Voor de (zwaardere) vaartuigen van klasse VI dienen deze aanbevelingen ter indicatie.

 

2.13.

Expertise- en Schaderegelingsbureau Tijbout B.V. heeft op 10 maart 2016 in opdracht van [eiser] een schadestaat opgemaakt die uitkomt op een bedrag van € 665.000,00. Sedgwick Nederland B.V. adviseert in een rapport van 12 juni 2019 een bedrag van tussen de € 400.000 en € 450.000 ter afdoening van de schade van [eiser] in het kader van een minnelijke regeling.

 

2.14.

Ten tijde van de voortzetting van de comparitie op 22 augustus 2019 was er nog altijd niets aan [eiser] betaald.

 

3.

Het geschil

in de zaak 535920

3.1.

[eiser] vordert in dit geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

 

I PRIMAIR:

te verklaren voor recht dat Kramer aansprakelijk is voor de volledige (materiële en immateriële) schade zoals deze door [eiser] als gevolg van het ongeval op 20 maart 2015 is en nog zal worden geleden, zulks nader op te maken bij staat, met veroordeling van Kramer in de kosten van de procedure, het (na)salaris van de advocaten daarbij inbegrepen;

 

II SUBSIDIAIR:

te verklaren voor recht dat Kramer , HKS en het Havenbedrijf, voor het geheel, dan wel voor het aan hen toe te rekenen deel, aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden en nog te lijden (materiële en immateriële) schade als gevolg van het ongeval op 20 maart 2015, nader op te maken bij staat, met veroordeling van Kramer , HKS en het Havenbedrijf in de kosten van de procedure, het (na)salaris van de advocaten daarbij inbegrepen;

 

ZOWEL PRIMAIR ALS SUBSIDIAIR:

III gedaagden te veroordelen tot integrale vergoeding, althans vergoeding van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, van de kosten van deskundigen als zijnde kosten en schade zoals geleden door [eiser] ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid.

 

3.2.

Kramer , HKS en het Havenbedrijf hebben de vordering gemotiveerd bestreden en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – van [eiser] in de kosten, wat betreft Kramer met nakosten en rente.

 

in de zaak 510952

in conventie

3.3.

Kramer vordert – na vermeerdering van eis – dat de rechtbank:

 

voor recht verklaart dat het Havenbedrijf en HKS hoofdelijk, althans het Havenbedrijf, althans HKS, aansprakelijk zijn tot betaling van de sub a. tot en met c. gevorderde bedragen op de rechtsgrond van onrechtmatige daad ex art. 6:162 BW;

 

en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

 

het Havenbedrijf en HKS hoofdelijk veroordeelt, des dat de een betalende de ander is bevrijd tot:

 

  1. a) betaling aan haar van € 11.292,77, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 januari 2016, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van algehele voldoening;
  2. b) betaling aan haar van al hetgeen zij aan [eiser] of zijn rechtsopvolger(s) is of zal zijn verschuldigd op grond van een gerechtelijk oordeel en/of minnelijke regeling;
  3. c) betaling aan haar van al hetgeen zij aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) althans de overheid, is of zal zijn verschuldigd op grond van het verhaal ex art. 52a ZW (of andere wettelijke bepaling) in verband met de ziektewet uitkering verstrekt aan [eiser] ;
  4. d) betaling aan haar van de buitengerechtelijke kosten ad € 887,92, althans een in redelijkheid vast te stellen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening,

 

met veroordeling van het Havenbedrijf en HKS in de kosten van de procedure, met nakosten

en rente over de kosten en nakosten.

 

3.4.

Het Havenbedrijf en HKS hebben ieder voor zich de vordering gemotiveerd bestreden en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – van Kramer in de kosten.

 

in reconventie

 

3.5.

Het Havenbedrijf vordert dat de rechtbank – uitvoerbaar bij voorraad – :

 

voor recht verklaart dat Kramer gehouden is het Havenbedrijf te vrijwaren ter zake enige vordering van derden, waaronder begrepen HKS en [eiser] , op het Havenbedrijf voortvloeiend uit of in verband met het ongeval op 20 maart 2015 tijdens het aanmeren van de duwcombinatie;

 

en

 

Kramer veroordeelt tot betaling van al hetgeen het Havenbedrijf gehouden is om aan derden, waaronder begrepen HKS en [eiser] , in verband met het ongeval op 20 maart 2015 tijdens het aanmeren van de duwcombinatie te betalen,

 

met veroordeling van Kramer in de kosten van het geding.

 

3.6.

Kramer heeft de vordering gemotiveerd bestreden en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van het Havenbedrijf in de kosten, met nakosten en rente.

 

4.

De beoordeling

in de zaak 535920

4.1.

De rechtsbetrekking tussen [eiser] en Kramer wordt beheerst door art. 7:658 BW. Dat betekent dat Kramer jegens [eiser] aansprakelijk is, tenzij zij aantoont dat zij haar zorgplicht is nagekomen of dat nakoming van die zorgplicht het ongeval niet had voorkomen. Niet is immers in geschil dat het ongeval [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Kramer is overkomen.

 

4.2.

Uit de eigen stellingen van Kramer (cva van Kramer onder 2.12 en de verklaring van [naam persoon 1] (kapitein en bestuurder van Kramer ) in het proces-verbaal van de comparitie van 16 april 2019, valt omtrent de meer precieze toedracht van het ongeval het volgende af te leiden. Toen de combinatie met de stuurboordbak gebekt tegen de kade lag, is de stuurman op de kade gestapt en heeft hij de tros om een bolder gelegd. [eiser] heeft vervolgens de draad op de lier handmatig aangetrokken. Toen de draad strak stond, heeft [eiser] via de portofoon aan [naam persoon 1] doorgegeven dat de duwbak achter bijgedraaid kon worden. Deze heeft daarop de motor van de duwboot stationair in zijn vooruit laten draaien. Bij deze manoeuvre – nog voordat de bak gestrekt langs de kade lag – is de meerdraad teruggesprongen en tegen [eiser] aangekomen. Het was toen donker buiten. Bij het aanmeren had [naam persoon 1] aanvankelijk de schijnwerpers aan en kon hij [eiser] en de stuurman zien. Toen [eiser] aan [naam persoon 1] had doorgegeven dat de bak vast lag en hij kon bijdraaien, heeft [naam persoon 1] de schijnwerpers uitgezet omdat hij anderen niet in de ogen wilde schijnen. [naam persoon 1] kon [eiser] niet (meer) zien vanaf de plaats waar hij stond. Tijdens het uitvoeren van de manoeuvre had [naam persoon 1] derhalve geen zicht op [eiser] .

 

4.3.

[eiser] moet tijdens het ongeval binnen de reikwijdte van de draad hebben gestaan. Dat is een gevarenzone die binnen de zeevaart bekend staat als de snap back-zone. Een zeeschip heeft een verschansing met kluizen waarmee de draad wordt vastgezet. De afstand tussen de bolder op de kade en de kluis is de gevarenzone. Op zeeschepen is die zone op het dek roodgekleurd. Duwbakken hebben geen verschansing en daarmee geen officiële snap back zone. Die term is in de binnenvaart ook niet bekend, “het idee echter wel”, aldus [naam persoon 1] ter comparitie. “ [eiser] was geïnstrueerd dat hij niet in die zone moest blijven staan. Hoe groot die zone is, hangt af van de specifieke omstandigheden. In dit geval zal dat zo’n 5 á 6 meter zijn geweest”, oftewel – zo begrijpt de rechtbank – de afstand tussen de lier op de kop van de duwbak en de bolder.

 

4.4.

De namens Kramer zelf geschetste toedracht laat geen andere uitleg toe dan dat [naam persoon 1] het bijdraaien van de combinatie had ingezet – en daarmee het verder op spanning zetten van de meerdraad – terwijl [eiser] nog in de gevarenzone stond. Verder kan gevoeglijk ervan worden uitgegaan dat indien [eiser] buiten de gevarenzone had gestaan het ongeval zich niet had voorgedaan; de draad was dan te kort geweest om tegen hem aan te komen. Daarmee is het de vraag of Kramer een verwijt treft van het feit dat [eiser] nog in de gevarenzone stond toen [naam persoon 1] met bijdraaien begon. Die vraag wordt bevestigend beantwoord. In de toedracht van het ongeval ligt besloten dat het ongeval met een eenvoudige maatregel voorkomen had kunnen worden, namelijk wachten met bijdraaien – en daarmee het verder op spanning zetten van de draad – totdat [eiser] uit de gevarenzone was gestapt. Voor zover Kramer heeft bedoeld te betogen dat zij erop heeft vertrouwd dat dit het geval was – omdat immers [eiser] op enig moment de instructie had gekregen om niet in de gevarenzone te blijven staan – kan haar dat niet baten. Enkel instrueren of waarschuwen is in beginsel onvoldoende. Een werkgever moet ook controleren of op een veilige wijze wordt gewerkt. Dat had in dit geval ook eenvoudig gekund door ofwel [eiser] in het oog te houden (met de schijnwerpers aan) ofwel via de portofoon aan [eiser] te vragen of hij al buiten de gevarenzonde stond. Door deze eenvoudige controlemaatregel niet na te leven, heeft Kramer haar in art. 7:658 BW bedoelde zorgplicht geschonden, terwijl nakoming het ongeval had voorkomen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het afbreken van een bolder – anders dan Kramer wil doen geloven – niet zo uitzonderlijk is dat Kramer daarmee geen rekening hoefde te houden. Uit het door Kramer zelf ingeroepen Advies Richtlijn Afmeervoorzieningen van Rijkswaterstaat van 30 november 2004 en Richtlijnen Vaarwateren 2011 kan worden afgeleid dat het (risico van) bezwijken van bolders een bekend en serieus probleem is; kennelijk daarom bevatten dat Advies en die Richtlijnen aanbevelingen voor een minimale trekkracht van bolders.

 

4.5.

Nu Kramer bedoelde controlemaatregel niet heeft nageleefd en naleving van die maatregel het ongeval had voorkomen is aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid van Kramer op de voet van art. 7:658 BW voldaan. De primaire vordering ligt voor toewijzing gereed, met dien verstande dat begroting van de gevorderde vergoeding van de kosten van deskundigen ook naar de schadestaat zal worden verwezen, nu daarvoor geen concreet bedrag is genoemd. Aan de subsidiaire vordering wordt niet toegekomen. Kramer wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten aan de zijde van [eiser] begroot op € 97,31 dagvaarding, € 287,00 griffiegeld en (2,5 punten x € 3.099 =) € 7.747,50 voor salaris advocaat, met nasalaris.

 

in de zaak 510952

 

in conventie

 

4.6.

Krachtens het bepaalde in artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een eiser, zolang nog geen eindvonnis is gewezen, zijn eis veranderen of vermeerderen. Nu daar geen bezwaren tegen zijn ingediend en de rechtbank de eiswijziging ook ambtshalve niet strijdig met de eisen van goede procesorde acht, zal op de gewijzigde eis van Kramer worden rechtgedaan.

4.7.

Volgens Kramer is de oorzaak van het terugschieten van de draad gelegen in het afbreken van de bolder. Zij stelt dat de bolder is afgebroken doordat die niet voldeed aan de daaraan in redelijkheid te stellen eisen van sterkte en deugdelijkheid voor gebruik door de beroepsvaart (vaartuigen van klasse V en zeevaart). Zij houdt het Havenbedrijf en HKS daarvoor aansprakelijk primair op grond van onrechtmatige daad ex art. 6:162 BW omdat zij niet ervoor hebben gezorgd dat de bolders wel voldeden aan de redelijk te stellen eisen van strekte en deugdelijkheid en zij daarmee een gevaarlijke situatie in het leven hebben geroepen en/of hebben laten voortbestaan terwijl het Havenbedrijf en HKS bekend waren, dan wel bekend hadden moeten zijn met de ondeugdelijke bolders. Daarnaast verwijt Kramer het Havenbedrijf en HKS dat zij de op hen rustende waarschuwingsplicht hebben geschonden door de gebruikers van de bolders niet te waarschuwen voor de ondeugdelijke bolders.

 

4.8.

Het Havenbedrijf en HKS hebben betwist dat de bolder bij het aanmeren van de duwcombinatie op 20 maart 2015 is afgebroken. Niet in geschil is echter dat de bolder ís afgebroken en gesteld noch gebleken is op welk ander moment en door welke andere oorzaak bolder 20 dan wel zou zijn afgebroken. Er zijn geen aanwijzingen dat er een andere oorzaak voor het terugschieten van de meerdraad is, zoals een gebroken meerdraad of een gebroken lier. Het afbreken van de bolder vindt ook steun in het rapport van Verweij Hoebee dat over de vloerplaat van bolder 20 inhoudt: “the larger part of the crack was of an older date”; dit impliceert dat een kleiner deel van de breuk van recente datum was. Bij dit alles komt dat Kramer heeft uitgelegd dat en waarom hij bij bolder 20 wilde aanmeren, namelijk omdat daarvoor aan de bolders 21 tot en met 24 de duwbak ‘ [naam vaartuig 2] ’ was aangemeerd die hij de volgende ochtend (in opdracht van HKS) moest vletten. Het is niet aannemelijk dat de matroos de tros om een reeds afgebroken bolder heeft gelegd. Die moet er op dat moment dus nog zijn geweest, terwijl de volgende ochtend is geconstateerd dat dit niet meer het geval was. Bij de verdere beoordeling dient dan ook tot uitgangspunt dat bolder 20 op 20 maart 2015 bij het aanmeren van de duwcombinatie is afgebroken.

 

4.9.

Dat de bolder niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen voor gebruik door de beroepsvaart is genoegzaam komen vast te staan. Dit volgt reeds uit de door EversPartners gemeten trekkracht van 71 kN afgezet tegen de in november 2004 en 2011 door Rijkswaterstaat voor klasse V aanbevolen trekkracht van 250 kN. Het Havenbedrijf en HKS betwisten de toepasselijkheid van de Richtlijn Vaarwegen 2011, omdat de richtlijn is geschreven voor overnachtingshavens en de kade waar de duwcombinatie werd aangemeerd geen overnachtingshaven is. De Richtlijn Vaarwegen 2011 mag dan weliswaar niet rechtstreeks van toepassing zijn op de Bosporushaven, maar uit de Richtlijn Vaarwegen 2011 kan, los van het soort haven waar wordt aangemeerd, met zekerheid worden afgeleid dat een trekkracht van 71 kN te weinig is voor het gebruik door de beroepsvaart. In het proces-verbaal van eindoplevering bij de huurovereenkomst tussen het Havenbedrijf en HKS d.d. 28-8-2013 worden diverse gebreken vermeld, waaronder: “Verschillende lichte bolders zijn beschadigd en/of in slechte staat.” Verder spreken de aangehaalde citaten uit het rapport van Verweij Hoebee voor zich. Hetzelfde geldt voor de constatering in de e-mail van IJbouw van 11 mei 2015 dat enkele bolders zwaar uitgesleten zijn en hierdoor de staaldikte aanzienlijk verminderd is. Het rapport van Halyard Survey rechtvaardigt geen ander oordeel. Dat rapport gaat uit van sterktemetingen van Materiaal Metingen Testgroep. Niet is in geschil dat de bolders na het ongeval van nieuwe lassen zijn voorzien. Het Havenbedrijf en HKS hebben geen antwoord gegeven op de vraag of de metingen van Materiaal Metingen Testgroep van daarvoor zijn of daarna. De rechtbank verbindt daaraan de conclusie die haar geraden voorkomt, namelijk dat de metingen van daarna zijn. Dat ligt ook het meest voor de hand omdat de sterkte van de bolders voor het ongeval al bekend was uit de berekeningen van EversPartners. Bovendien laten de foto’s bij het rapport van Materiaal Metingen Testgroep ringen zien rond de lasnaden van de bolders die ernstig doen vermoeden dat het daarbij om nieuwe lasnaden gaat.

 

4.10.

Het standpunt dat de bolder niet geschikt hoefde te zijn voor de beroepsvaart en VI en dat voor zover het Havenbedrijf weet HKS de bolders nooit heeft gebruikt om duwcombinaties als waar het hier om gaat aan af te meren, valt niet te rijmen met de door Kramer in het geding gebrachte foto’s van de kade. Die bieden voldoende steun voor het betoog van Kramer dat aan de bolders 10 tot en met 24 duwbakken van standaard 76 x 11,40 en groter (tot 110 meter) werden en worden afgemeerd om te laden en te lossen, alsmede kraanschepen en coasters soms naast elkaar aan een en dezelfde bolder. De bolders dienden dus wel degelijk geschikt te zijn voor vaarklasse V en zwaarder en waren dat vanwege hun geringe trekkracht, door ouderdom en slijtage onmiskenbaar niet.

 

4.11.

Ter comparitie is door [naam persoon 4] , hoofd beheer van het Havenbedrijf, verklaard dat onderhoud van de kade de verantwoordelijkheid was van het Havenbedrijf. Dit gegeven vindt ook steun in de contacten tussen het Havenbedrijf en IJbouw over toestand, herstel en versterking van de bolders. Het Havenbedrijf was verder bekend met de ouderdom, slijtage en geringe belastbaarheid van de bolders, laatstelijk uit de berekeningen van EversPartners. Het Havenbedrijf had terstond na kennisneming van het rapport van EversPartners – zo al niet veel eerder – maatregelen moeten treffen ter verbetering van de bolders. Het nalaten daarvan is maatschappelijk onbetamelijk en daarmee onrechtmatig jegens de gebruikers van de bolders, zoals Kramer en zijn bemanning, onder wie [eiser] . Daarbij wordt in aanmerking genomen:

– dat Kramer en zijn bemanning op de ongeschiktheid van de bolders niet bedacht hoefden te zijn, zulks gelet op het kennelijk onbelemmerde en veelvuldig gebruik ervan;

– de aanmerkelijke kans dat door de ongeschiktheid ongevallen ontstaan, te meer in het licht van de aard en mate van ongeschiktheid van de bolder, zoals uit het voorgaande genoegzaam blijkt;

– de ernst van de gevolgen daarvan, zoals de letselschade waar het hier om gaat;

– de geringe bezwaarlijkheid van de veiligheidsmaatregelen die getroffen hadden kunnen worden, zoals vervanging van de bolders voor € 2.350 excl. btw per stuk, het eenvoudigweg afsluiten van de kade voor gebruik, of minst genomen het plaatsen van verbods- en waarschuwingsborden.

 

4.12.

Het Havenbedrijf heeft ter afwering van aansprakelijkheid betoogd dat Kramer geen toestemming had van HKS om aan te meren en dat daarom de geschonden norm niet strekt ter bescherming van de in geding zijnde schade. Kramer heeft dat betoog genoegzaam weerlegd door overlegging van een toegangspasje van HKS waarmee – zo is niet betwist – de bemanning van de [naam vaartuig 1] te allen tijde (24/7) toegang had tot de poort van HKS en dus ook buiten werktijden aan kon aanmeren en voor de nacht van boord kon. Daaruit kan worden afgeleid dat Kramer toestemming had van HKS om haar kade te gebruiken. Dat ligt ook voor de hand waar – zo is niet in geschil – Kramer veelvuldig bij HKS moest zijn om in haar opdracht vletwerkzaamheden te verrichten en zo ook de ochtend na het ongeval om de duwbak [naam vaartuig 2] te vletten.

 

4.13.

Vervolgens is het de vraag of de ongeschiktheid van de bolder als oorzaak van het afbreken van de bolder kan worden aangemerkt. Die vraag wordt bevestigend beantwoord reeds omdat dit een logisch gevolg is van de aard en mate van ongeschiktheid zoals daarvan is gebleken. Bovendien is het door het Havenbedrijf en HKS geschetste alternatieve scenario dat Kramer in strijd met de regels van goed zeemanschap de bolder zou hebben gebruikt om aan te draaien en/of op af te remmen niet aannemelijk geworden. Dat scenario is gebaseerd op de door de politie in het mutatierapport opgenomen verklaring van [naam persoon 1] . Voldoende aannemelijk is echter dat in die verklaring met draaien is bedoeld bijdraaien om ook de achterzijde van het koppelverband naar de kade te brengen. De rechtbank volgt hiermee de lezing van Kramer én de schriftelijke verklaring van stuurman [naam persoon 2] over de wijze van bijdraaien in plaats van hetgeen de gemachtigde van [eiser] het e-mailbericht van 14 september 2016 aan mr. Bienfait heeft geschreven. Bovendien heeft Kramer voldoende toegelicht en onderbouwd dat er geen ruimte was om te draaien in de door het Havenbedrijf en HKS bedoelde zin. Verder valt het gestelde remmen en stoppen op de bolder niet te rijmen met het feit dat – zo is niet in geschil – de stuurman op de kade is gestapt om de tros om de bolder te leggen; de combinatie moet voordat de tros om de bolder werd gelegd (vrijwel) stil hebben gelegen om op de kade te kunnen stappen. Ook hier rechtvaardigt het rapport van Halyard Survey geen ander oordeel omdat de opmerking in dit rapport over het vaargedrag van Kramer enkel gestoeld lijkt op de verklaring van [naam persoon 1] in het mutatierapport en dus niets toevoegt in dit verband.

 

4.14.

Resumerend is tot zover komen vast te staan dat de meerdraad is teruggeschoten doordat de bolder is afgebroken en dat de bolder is afgebroken doordat die als gevolg van slijtage en ouderdom ongeschikt was voor het gebruik dat ervan werd gemaakt.

 

4.15.

Met het voorgaande is aansprakelijkheid van het Havenbedrijf op grond van art. 6:162 BW gegeven. De situatie van HKS is in zoverre anders dat niet vastgesteld is dat zij bekend was met de sterkteberekeningen van EversPartners. Het proces-verbaal van oplevering bij de huurovereenkomst had voor haar echter evenzeer aanleiding kunnen en moeten zijn om zich de staat van onderhoud van de bolders en de veiligheid van de gebruikers en hun bemanning aan te trekken, te meer waar zij bij uitstek bekend was met het gebruik ervan door de beroepsvaart. Zij heeft dat kennelijk nagelaten en daarmee is ook haar aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW gegeven.

 

4.16.

Het Havenbedrijf heeft ter afwering van aansprakelijkheid nog een beroep gedaan op een exoneratiebeding in haar algemene voorwaarden. Het beroep op dit exoneratiebeding is in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar gelet op de mate van schuld die het Havenbedrijf heeft ten aanzien van het laten voortduren van de gevaarzettende situatie, met in dit geval ernstig letsel voor [eiser] als gevolg. Kramer is zich daarnaast bij het registreren van haar persoonlijk account niet bewust geweest van de vergaande strekking van dit exoneratiebeding. Het account en de algemene voorwaarden zien immers met name op de wijze van het heffen en voldoen van de binnenhavengelden.

 

4.17.

In de zaak 535920 is Kramer jegens [eiser] voor de volledige schade aansprakelijk geacht. In deze zaak doet zich de situatie voor dat op het Havenbedrijf en HKS op grond van artikel 6:162 BW de verplichting rust tot vergoeding van dezelfde schade als waartoe Kramer in de andere zaak is gehouden; de schade van Kramer bestaat uit de schade die [eiser] lijdt en blijkens het voorgaande zijn het Havenbedrijf en HKS mede aansprakelijk jegens [eiser] . Dit betekent dat de schade onderling moet worden verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade van [eiser] hebben bijgedragen. De rechtbank ziet in die omstandigheden aanleiding om ieders bijdrage aan de schade gelijk te waarderen, ieder voor een derde deel. Partijen hebben ook geen andere verdeling bepleit.

 

4.18.

Op de voet van art. 6:10 BW kan Kramer het deel dat ieder van hen aangaat verhalen op het Havenbedrijf en HKS. Niet is in geschil dat Kramer het loon tot het einde van het dienstverband van [eiser] heeft doorbetaald en dat daarmee een netto bedrag van € 11.292,77 is gemoeid. Kramer kan daarvan € 3.746,25 verhalen op respectievelijk het Havenbedrijf en HKS. Zij heeft voorts recht op verhaal op elk van hen van telkens een derde deel van hetgeen zij op grond van een rechterlijk oordeel aan [eiser] verschuldigd is of zal zijn; een minnelijke regeling biedt alleen grond voor verhaal als het Havenbedrijf en HKS daarbij partij zijn, waarvan niet is gebleken. Verder is niet aannemelijk geworden dat Kramer in verband met het ongeval door het UWV, althans de overheid aansprakelijk is gesteld of zal worden. Dat is kennelijk na al die jaren niet gebeurd en bovendien is van de daarvoor vereiste opzet of bewuste roekeloosheid niet gebleken. Onderdeel C van de vordering van Kramer zal derhalve worden afgewezen. De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, door HKS betwist, is door Kamer door overlegging van de urenstaat deugdelijk onderbouwd. De vordering van Kramer om het Havenbedrijf en HKS hoofdelijk te veroordelen wordt afgewezen, nu de rechtbank ieders bijdrage aan de schade op een derde deel heeft vastgesteld.

 

4.19.

De slotsom is dat de vordering van Kramer , als overigens niet betwist, met de gevorderde rente en het gevorderde bedrag van € 887,92 voor buitengerechtelijke kosten, het Havenbedrijf en HKS ieder voor een derde deel, als na te melden zal worden toegewezen, met uitzondering van onderdeel C. Partijen zijn in gelijke mate in het ongelijk gesteld. De rechtbank ziet daarin aanleiding de kosten te compenseren in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt.

 

in reconventie

 

4.20.

De vordering van het Havenbedrijf op Kramer is gebaseerd op een vrijwaringsbeding in haar algemene voorwaarden. Ook daarvoor geldt dat met het beding niet bedoeld kan zijn dat het Havenbedrijf wordt gevrijwaard van aanspraken uit eigen onrechtmatig handelen, althans dat Kramer dat niet hoefde te begrijpen. Daarenboven geldt ook hier dat het beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. De vordering zal als ongegrond worden afgewezen met veroordeling van het Havenbedrijf in de kosten aan de zijde van Kramer , gelet op de samenhang met de conventie begroot op nihil.

 

in beide zaken voorts

 

4.21.

De proceskosten in de vrijwaringszaken worden over en weer gecompenseerd, zodat ieder de eigen kosten draagt, nu voor beide partijen geldt dat zij die nodeloos hebben gemaakt.

 

5.

De beslissing

De rechtbank

 

in de zaak 535920

 

5.1.

verklaart voor recht dat Kramer aansprakelijk is jegens [eiser] voor de volledige materiële en immateriële schade zoals deze door [eiser] als gevolg van het ongeval op 20 maart 2015 is en nog zal worden geleden, met inbegrip van de kosten van deskundigen ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, zulks nader op te maken bij staat;

 

5.2.

veroordeelt Kramer in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eiser] gevallen tot op heden begroot op € 97,31 dagvaarding, € 287,00 griffiegeld en (2,5 punten x € 3.099,00 =) € 7.747,50 voor salaris advocaat;

 

5.3.

veroordeelt Kramer in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Kramer niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 74,00, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over deze kosten met ingang vanaf 14 dagen na het wijzen van het vonnis indien en voor zover deze kosten niet binnen deze termijn zijn voldaan;

 

5.4.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

 

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af;

 

in de zaak 510952

 

tegen het Havenbedrijf

 

in conventie

 

5.6.

veroordeelt het Havenbedrijf tot betaling aan Kramer van 1/3 x € € 11.292,77 = € 3.746,25 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 januari 2016, tot de dag van algehele voldoening;

 

5.7.

veroordeelt het Havenbedrijf tot betaling aan Kramer van een derde deel van al hetgeen Kramer op grond van een gerechtelijk oordeel aan [eiser] is of zal zijn verschuldigd;

 

5.8.

veroordeelt het Havenbedrijf tot betaling van 1/3 x € 887,92 = € 295,97 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 19 september 2016;

 

5.9.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

 

5.10.

compenseert de proceskosten tussen Kramer en het Havenbedrijf in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt;

 

5.11.

wijst het meer of anders gevorderde af;

 

in reconventie

 

5.12.

wijst het gevorderde af;

 

5.13.

veroordeelt het Havenbedrijf in de kosten aan de zijde van Kramer gevallen tot op heden begroot op nihil;

 

tegen HKS

 

5.14.

veroordeelt HKS tot betaling aan Kramer van 1/3 x € 11.292,77 = € 3.746,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 januari 2016, tot de dag van algehele voldoening;

 

5.15.

veroordeelt HKS tot betaling aan Kramer van een derde deel van al hetgeen Kramer op grond van een gerechtelijk oordeel aan [eiser] is of zal zijn verschuldigd;

 

5.16.

veroordeelt HKS tot betaling van 1/3 x € 887,92 = € 295,97, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 september 2016;

 

5.17.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

 

5.18.

compenseert de proceskosten tussen Kramer en HKS in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt;

 

5.19.

wijst het meer of anders gevorderde af.

 

in de incidenten tot vrijwaring

 

in beide zaken

 

5.20

compenseert de proceskosten in dier voege dat het Havenbedrijf en HKS ieder de eigen kosten dragen.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Arnold, mr. C. Sikkel en mr. A. Wijsman-van Veen en door mr. J.F. Koekebakker, rolrechter, ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2020.

 

3179/1573/2990

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey