Rb: werkgever aansprakelijk wegens onvoldoende toezicht op gebruik heftruck, BGK voor 50% redelijk

Samenvatting:

Ongeval werknemer met heftruck, die niet op heftruck mocht rijden. Bij eerder tussenvonnis is aan werkgever opgedragen te bewijzen dat zij aan haar zorgplicht van art. 7:658 BW. 1. De rechtbank oordeelt dat de werkgever onvoldoende heeft kunnen aantonen dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan, bijvoorbeeld door adequaat toezicht te houden op het gebruik van de heftruck. Ondanks de met het werk gemoeide gevaren en risico’s lagen de sleutels van de heftruck onbewaakt in de heftruck zodat daar zonder toezicht gebruik van kon worden gemaakt. 2. BGK: werkzaamheden onvoldoende onderbouwd. De rechtbank gaat over tot een schatting conform het bepaalde in artikel 6:97 BW en oordeelt daarbij dat 50% van de gevorderde BGK redelijk zijn.

 

ECLI:NL:RBROT:2019:10585

 

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak

20-12-2019

Datum publicatie

24-01-2020

Zaaknummer

7083954 CV EXPL 18-30418

Rechtsgebieden

Arbeidsrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

arbeidsongeval, 7:685 BW, eindvonnis na bewijslevering, werkgever aansprakelijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

 

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7083954 / CV EXPL 18-30418

 

uitspraak: 20 december 2019

 

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

 

in de zaak van

 

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

gemachtigde: mr. N.M. Fakiri, advocaat te ‘s-Gravenhage,

 

tegen

 

de vennootschap onder firma

  1. [naam gedaagde 1]

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde] ,

  1. [naam gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

vennoot van gedaagde sub 1,

  1. [naam gedaagde 3] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 3] ,

vennoot van gedaagde sub 1,

gedaagden,

gemachtigde: mr. Z. Yeral, advocaat te Roosendaal.

 

Partijen worden hierna ‘ [naam eiser] ’ respectievelijk (gedaagden gezamenlijk, in enkelvoud)

‘ [naam gedaagde 1] ’, dan wel de vennoten ieder afzonderlijk ‘ [naam gedaagde 2] ’ en ‘ [naam gedaagde 3] ’.

 

1

Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

het tussenvonnis van 26 juli 2019;

het proces-verbaal van de op 11 oktober en 26 november 2019 gehouden enquête.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

 

2

De verdere beoordeling

2.1.

In voornoemd tussenvonnis is [naam gedaagde 1] toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat zij ten aanzien van het arbeidsongeval op 14 november 2017 aan haar zorgplicht ex artikel 7:658 lid 1 BW heeft voldaan;

 

2.2.

Daarop heeft [naam gedaagde 1] in enquête een drietal getuigen laten horen, te weten de beiden vennoten, [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] , alsmede een werknemer (tevens familielid van de vennoten), de heer [naam getuige] (hierna te noemen: ’ [naam getuige] ’).

 

2.3.

Beide partijen hebben afgezien van het nemen van een conclusie na enquête.

 

2.4.

De getuige [naam gedaagde 2] heeft (samengevat weergegeven) verklaard dat hij, voordat [naam eiser] in dienst kwam, hem mondeling heeft gewaarschuwd dat hij geen gevaarlijk werk mocht doen en evenmin op de heftruck mocht rijden. Tijdens vergaderingen wordt tegen de werknemers gezegd dat alleen [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] op de heftruck mogen rijden. Verder verklaart hij dat hij op 14 november 2017 ten tijde van het ongeval niet aanwezig was op de werkvloer. Hij heeft [naam eiser] die dag wel aangegeven welke werkzaamheden hij moest verrichten. Later hoorde hij van [naam getuige] dat [naam eiser] vaker op de heftruck reed. Hij was daarvan niet op de hoogte.

 

2.5.

De getuige [naam gedaagde 3] heeft (samengevat weergegeven) verklaard dat de werknemers tijdens vergaderingen worden gewezen op de gevaren van het werk en wat zij wel of niet mogen doen. [naam eiser] beschikt niet over een heftruckcertificaat en zelfs niet over een rijbewijs. Hij mag niet op de heftruck rijden.

Verder verklaart hij dat hij op de dag van het ongeval, 14 november 2017, niet aanwezig was op de werkvloer.

 

2.6.

De getuige [naam getuige] heeft (samengevat weergegeven) verklaard dat hij op de dag van het arbeidsongeval aanwezig was op de werkvloer. Hij heeft gezien dat [naam eiser] op de heftruck zat die dag. [naam eiser] reed vaker op de heftruck. [naam getuige] heeft ook vaker op de heftruck gereden, waarbij hij stenen verplaatste. Dit deden zij buiten medeweten van [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] . Zij mochten dat eigenlijk niet doen.

Hij verklaarde voorts dat hij zelf heeft gezien en gehoord dat [naam eiser] uitleg kreeg (van een van de vennoten) hoe hij een steen moest oppakken.

 

2.7.

Op basis van bedoelde getuigenverklaringen, bezien ook in het licht van de door partijen in het geding gebrachte processtukken, komt de kantonrechter tot de conclusie dat [naam gedaagde 1] niet is geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs. Zij heeft onvoldoende kunnen aantonen dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan, bijvoorbeeld door adequaat toezicht te houden op het gebruik van de heftruck. Het tegendeel is gebleken. Ondanks de met het werk gemoeide gevaren en risico’s lagen de sleutels van de heftruck onbewaakt in de heftruck zodat daar zonder toezicht gebruik van kon worden gemaakt, zoals ook is gebeurd getuige de verklaringen hiervoor.

 

2.8.

Op basis van het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat [naam gedaagde 1] niet heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht ex art. 7:658 BW.

 

2.9.

Doordat [naam gedaagde 1] haar zorgplicht in de zin van artikel 7:658 BW heeft geschonden, is zij jegens [naam eiser] aansprakelijk voor de door hem geleden en nog te lijden schade die het gevolg is van het ongeval op 14 november 2017, nader op te maken bij staat.

De door [naam eiser] verzochte verklaring voor recht ligt in zoverre voor toewijzing gereed.

 

Buitengerechtelijke kosten

 

2.10.

[naam eiser] vordert voorts een bedrag van € 2.240,00 (excl. btw) aan buitengerechtelijke kosten en voert daarbij aan dat het gaat om redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade ex art. 6:96 lid 2 BW. Ter onderbouwing wordt verwezen naar een overzicht van werkzaamheden overgelegd als productie 14. In totaal gaat het om 8,96 uren aan gedeclareerde werkzaamheden tegen een uurtarief van € 250,00 (excl. BTW).

 

2.11.

De kantonrechter stelt ter zake voorop dat in een letselschadezaak als de onderhavige, uitgangspunt is dat op de voet van artikel 6:96 lid 2 sub b BW kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, waaronder expertisekosten en kosten van juridisch advies, als vermogensschade voor rekening van de aansprakelijke partij kunnen worden gebracht, mits voldaan is aan de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets. Die toets houdt in dat buitengerechtelijke werkzaamheden slechts voor vergoeding in aanmerking komen indien het in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs noodzakelijk was deze te verrichten én de ter zake gevorderde kosten naar hun aard en omvang redelijk zijn.

 

2.12.

Deze kosten moeten worden onderscheiden van de regeling rondom de proceskosten. Artikel 241 Rv bepaalt dat ter zake van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 Rv bedoelde kosten (lees: de proceskosten) een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, jegens de wederpartij geen vergoeding op grond van artikel 6:96 lid 2 kan worden toegekend.

De rechter zal van geval tot geval moeten bepalen of en zo ja welke kosten behoren tot die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, zo mede welke kosten kunnen worden toegeschreven aan werkzaamheden ter verkrijging van voldoening buiten rechte, en welke kosten daarbij binnen de ruimte van artikel 6:96 lid 2 BW als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen.

 

2.13.

In het licht van voornoemde uitgangspunten wordt overwogen dat op zichzelf genomen vaststaat dat de gemachtigde van [naam eiser] werkzaamheden heeft verricht, zoals ook uit het overgelegde overzicht blijkt, maar dat de omvang, de frequentie en daarmee ook de redelijkheid van de gestelde werkzaamheden onvoldoende onderbouwd is.

 

2.14.

De rechtbank acht het dan ook redelijk om over te gaan tot een schatting van deze schade ex artikel 6:96 BW conform het bepaalde in artikel 6:97 BW en oordeelt daarbij dat 50% van de gevorderde kosten van [naam eiser] wordt aangemerkt als redelijke kosten ter vaststelling van schade, aansprakelijkheid en verkrijging van voldoening buiten rechte. Die kosten dienen dan ook voor rekening van [naam gedaagde 1] te komen. De kantonrechter zal deze post vaststellen op een bedrag van € 1.120,00, te vermeerderen met 21 % BTW, derhalve 1.355,20 (incl. BTW).

 

Medische verschotten

 

2.15.

Uit de als productie 15 overgelegde declaraties blijkt dat voor in totaal een bedrag van

€ 554,41 aan medische kosten is gefactureerd. [naam eiser] heeft die kosten daarmee voldoende onderbouwd. Deze medische verschotten kunnen worden beschouwd als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ex art. 6:96 BW. Ook deze kosten dienen voor rekening van [naam gedaagde 1] te komen.

 

Beslagkosten

 

2.16.

[naam eiser] vordert daarnaast nog de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 793,80 voor verschotten en € 543,00 voor het gemachtigdensalaris.

 

Proceskosten en nakosten

 

2.17.

[naam gedaagde 1] zal tot slot -hoofdelijk- als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

 

2.18.

De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

 

3

De beslissing

De kantonrechter:

 

verklaart voor recht dat [naam gedaagde 1] op grond van art. 7:658 BW ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de materiële en immateriële schade die [naam eiser] als gevolg van het arbeidsongeval op 14 november 2017 heeft geleden en nog zal lijden, nader op te maken bij staat;

 

veroordeelt [naam gedaagde 1] hoofdelijk in de kosten ex art. 6:96 lid 2 BW, begroot op

€ 1.355,20 (incl. BTW) ter zake advocaatkosten en € 554,41 ter zake medische verschotten;

 

veroordeelt [naam gedaagde 1] hoofdelijk in de beslagkosten, begroot op € 793,80 voor verschotten en € 543,00 aan salaris voor de gemachtigde;

 

veroordeelt [naam gedaagde 1] hoofdelijk in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [naam eiser] vastgesteld op € 333,61 aan verschotten (waarvan € 226,00 aan griffierecht en

€ 107,61 aan dagvaardingskosten) en € 1.200,00 aan salaris voor de gemachtigde;

 

en indien [naam gedaagde 1] niet binnen veertien dagen na aanschrijving vrijwillig aan dit vonnis heeft voldaan, begroot op € 120,00 aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening. Indien van toepassing dienen beide bedragen te worden vermeerderd met btw. Ook is [naam gedaagde 1] de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over al deze bedragen verschuldigd vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van de algehele voldoening;

 

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.J. Smits en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

(741)

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey