Rb: werkgever aansprakelijk voor val ingeleende werknemer van ladder, niet voldaan aan en instructieplicht uit RI&E

Samenvatting:

Dakdekker valt van ladder; exacte toedracht staat niet vast. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever haar zorgplicht van art 7:658 BW heeft geschonden. Zij heeft niet voldaan aan de waarschuwings- en instructieplicht die is opgenomen in de uit RI&V geschonden. Daarin is het vallen van een ladder als specifiek beroepsrisico benoemd, het zorgen voor goede veiligheidsinstructies en toezien op naleving daarvan als een door de werkgever te nemen maatregel. Daarbij moet rekening worden gehouden met het ervaringsfeit dat regelmatig verkeren in werksituaties kan leiden tot minder voorzichtig handelen van werknemers.

 

ECLI:NL:RBNHO:2020:297

 

Instantie

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak

08-01-2020

Datum publicatie

22-01-2020

Zaaknummer

7821037 \ CV EXPL 19-4330

Rechtsgebieden

Arbeidsrecht

Bijzondere kenmerken

Op tegenspraak

Inhoudsindicatie

Artikel 7:658 BW. Arbeidsongeval. Dakdekker valt van ladder. Werkgever heeft niet aan zorgplicht voldaan. Verklaring voor recht aansprakelijkheid werkgever toegewezen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

 

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

 

Zaaknr./rolnr.: 7821037 \ CV EXPL 19-4330 BL

Uitspraakdatum: 8 januari 2020

 

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

 

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. P. Kowalczyk

 

tegen

 

de besloten vennootschap Pannenleggersbedrijf [naam 1] B.V.

gevestigd te Noord-Scharwoude

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. J.E.G. Joosten

 

1

Het procesverloop

 

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 28 mei 2019 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 21 november 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [gedaagde] bij brief van 13 november 2019 nog stukken toegezonden. [eiser] heeft ter zitting nog stukken overgelegd.

2

De feiten

 

2.1.

[gedaagde] houdt zich bezig met dakrenovatie en nieuwbouw van hellende daken. Per 19 februari 2018 is [gedaagde] ingezet bij een project inhoudende de dakrenovatie van 289 huurwoningen te Middelburg (verder: project Middelburg). Bouwbedrijf Schrijver B.V. was hoofdaannemer van project Middelburg en droeg zorg voor bouwmaterialen en steigerwerken. [gedaagde] leverde arbeidskrachten.

2.2.

[gedaagde] heeft voor project Middelburg, naast eigen personeel, ook ingeleend personeel van [naam 2] Personeelsmanagement ingezet, onder wie [eiser] als dakdekker. De leidinggevende van [eiser] op project Middelburg was [naam 3] (verder te noemen: [naam 3] )

2.3.

Op 4 juni 2018 was [eiser] werkzaam op het project te Middelburg. Die ochtend rond 10.00 uur is [eiser] tijdens het afdalen van een ladder gevallen en daarbij op zijn knie terechtgekomen.

2.4.

De ambulance is ter plaatse gekomen, [eiser] is onderzocht en het ambulancepersoneel heeft geen aanleiding gezien [eiser] mee te nemen voor verder onderzoek of behandeling. Later die dag is [eiser] met zijn leidinggevende [naam 3] naar een huisarts gegaan vanwege aanhoudende (pijn)klachten aan de knie. De huisarts heeft [eiser] doorverwezen voor het maken van röntgenfoto’s.

2.5.

Op 21 juni 2018 is [eiser] onderzocht door zorgverlener [naam 4] te Goes, op aanvraag van [naam 5] . [naam 4] schrijft in het onderzoeksverslag:

“Trauma twee weken geleden. Aanhoudende klachten van instabiliteit.

Verslag:

Ruptuur voorste kruisband.

Intacte posterieure kruisband.

Normale quadriceps en patellapees.

Impressiefractuur aan de posterieure zijde van lateraal tibiaplateau.

Impactie oedeem met mogelijk subchondraal fractuurtje in de laterale femurcondyl.

Hydrops.

Scheur in het retropatellair kraakbeen.

Intacte mediale meniscus.

Ruptuur van corpus en achterhoorn van de Beeld suggestief voor minstens partieel ruptuur van laterale collateraalband.

laterale meniscus.”

2.6.

[eiser] is na het ongeval ongeveer twee weken wegens arbeidsongeschiktheid thuis geweest. Vervolgens heeft [eiser] , met een brace om zijn knie, zijn werkzaamheden voor [gedaagde] te Middelburg hervat.

2.7.

Op maandagavond 9 juli 2018 meldt [eiser] zich opnieuw ziek, en schrijft in een e-mail aan [gedaagde] : “I want to inform you that I will not be at work tomorrow because my knee hurts a lot. I wish you a good holiday”.

2.8.

Nadien heeft [eiser] niet meer voor [gedaagde] gewerkt.

2.9.

[gedaagde] heeft geen intern ongevalsrapport opgemaakt en heeft het incident niet gemeld bij de Inspectie SZW.

2.10.

De gemachtigde van [eiser] heeft [gedaagde] bij brief van 23 juli 2018 aansprakelijk gesteld voor alle schade die [eiser] ten gevolge van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden.

2.11.

In een e-mail van 16 januari 2019 schrijft Achmea (de aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde] ) aan de gemachtigde van [eiser] :

“In de bijlage stuur ik u het rapport van het schuldvraagonderzoek. Volgens de getuige is uw cliënt bij het neerdalen van een ladder (niet van verzekerde) uitgegleden/misgestapt terwijl hij niets in zijn handen had. Ik zie geen bijzondere zorgplicht van verzekerde om instructies te geven voor het afdalen van een ladder en zie dan ook geen aansprakelijkheid.”

2.12.

De meegezonden bijlage betreft een rapport van Raasveld Expertise (verder: Raasveld) van 29 november 2018, dat in opdracht van Achmea is opgesteld. Het onderliggende toedrachtonderzoek is door Raasveld uitgevoerd op 9 november 2018. [eiser] is hierbij niet aanwezig geweest, niet gehoord of anderszins betrokken bij de totstandkoming van het expertiserapport.

3

De vordering

 

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [gedaagde] jegens [eiser] aansprakelijk is ter zake door [eiser] opgelopen letsel op of omstreeks 4 juni 2018, genoegzaam in het lichaam van de dagvaarding omschreven, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag. Voorafgaand aan het ongeval had [eiser] van [naam 3] opdracht gekregen om een ander dak op te gaan, en een rol vuilniszaken en stoffer en blik mee te nemen. Vervolgens is [eiser] tijdens het afdalen van de ladder met deze spullen in zijn handen gevallen. [gedaagde] heeft geen maatregelen genomen om dit ongeval te voorkomen en heeft [eiser] in onvoldoende mate geïnstrueerd. Nadat het ongeval had plaatsgevonden, heeft [gedaagde] geen intern ongevalsrapport opgesteld. Het pas in november 2018 verrichte toedrachtonderzoek is niet objectief, nu [eiser] niet is gehoord. Onzekerheid over de ongevalstoedracht komt voor risico van [gedaagde] . [eiser] hoeft alleen aan te tonen dat hij tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden schade heeft geleden, en dat staat vast.

4

Het verweer

 

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. De door [eiser] geschetste ongevalstoedracht is door niemand waargenomen en wordt door [gedaagde] bestreden. [gedaagde] betwist gemotiveerd dat het door [eiser] aan zijn vordering ten grondslag gelegde ongeval heeft plaatsgevonden, hetgeen met een getuigenverklaring van [naam 3] kan worden bewezen. Daarmee is toetsing van de op [gedaagde] rustende zorgplicht niet aan de orde. Ook de regel dat onduidelijkheid over de toedracht van een arbeidsongeval voor risico van de werkgever komt is zonder betekenis, nu geen sprake is van een dergelijke onduidelijkheid maar het ongeval op zichzelf wordt bestreden.

4.2.

[gedaagde] is wel bekend met een ander incident, waarvan [naam 3] getuige is geweest, te weten dat [eiser] bij het afdalen van de trap met zijn voet misstapte of weggleed, terwijl hij zijn handen vrij had. Voor dit ongeval is [gedaagde] niet aansprakelijk. Het afdalen van een deugdelijke trap is niet een zodanig risico dat de op [gedaagde] rustende zorgplicht meebrengt dat zij maatregelen had moeten treffen of aanwijzingen had moeten geven die redelijkerwijs nodig waren om ongevallen als het onderhavige te voorkomen.

4.3.

Mocht anders worden geoordeeld, dan heeft [gedaagde] aan haar zorgplicht voldaan. Conform het Veiligheids- & Gezondheidsplan (verder: V&G) voor project Middelburg is [eiser] voorzien van persoonlijke beschermmiddelen. Verder zijn voor het werken op hoogte bij project Middelburg allerlei veiligheidsmaatregelen getroffen, zoals het aanbrengen van val- en dakrandbeveiliging. Deze maatregelen en inrichting van de werkplek zijn door de inspecteur SWZ beoordeeld en goedgekeurd. Er is dus geen sprake van schending van de op de Arbeidsomstandighedenwet gebaseerde zorgplicht.

4.4.

Mocht sprake zijn van enige zorgplichtschending dan bestaat geen causaal verband tussen die schending en het ongeval, nu redelijkerwijs geen maatregelen te nemen zijn tegen het eenvoudig misstappen bij het afdalen van een ladder. Ook heeft [eiser] onvoldoende gesteld met betrekking tot het knieletsel als zodanig en betwist [gedaagde] dat eventuele klachten van [eiser] het gevolg zijn van enig incident op project Middelburg.

5

De beoordeling

 

5.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 7:658 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de werkgever aansprakelijk voor schade die de werknemer lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan zijn in lid 1 omschreven zorgplicht heeft voldaan, of dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Dit brengt mee dat de werknemer moet stellen, en bij betwisting bewijzen, dat hij schade heeft geleden tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. Dit betekent niet dat de werknemer ook moet bewijzen hoe het ongeval zich heeft voltrokken of wat daarvan de oorzaak is. Indien vast staat dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, dan rust vervolgens op de werkgever de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat aan de zorgplicht is voldaan, dan wel dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] in de ochtend van 4 juni 2018 een arbeidsongeval is overkomen, in die zin dat hij tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden bij het afdalen van een ladder is gevallen en op zijn knie terecht is gekomen. In die zin wijkt deze zaak af van het arrest van het gerechtshof Den Bosch waarnaar [gedaagde] uitdrukkelijk verwijst (ECLI:NL:GHSHE:2013:3963), waarin aan de werknemer bewijs is opgedragen ten aanzien van de vraag of de schade waarvan vergoeding werd gevorderd was geleden tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden. Dat staat hier niet ter discussie.

5.3.

Verder staat vast dat [eiser] later die dag samen met [naam 3] naar een huisarts is gegaan vanwege aanhoudende pijnklachten, en door de huisarts is doorverwezen voor nader onderzoek. Ook staat tussen partijen niet ter discussie dat [eiser] vervolgens twee weken niet heeft kunnen werken, en daarna met een brace om zijn knie zijn (aangepaste) werk voor [gedaagde] op project Middelburg heeft hervat. Hiermee staat naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vast dat [eiser] schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Daarbij is niet relevant wat de precieze omstandigheden zijn waaronder [eiser] van de ladder is gevallen. De door [gedaagde] overgelegde uitspraken van de rechtbank Rotterdam geven de kantonrechter geen aanleiding te oordelen dat, wanneer de door [eiser] geschetste ongevalstoedracht niet komt vast te staan, de vordering überhaupt niet toewijsbaar is. In die Rotterdamse zaak stelt de werknemer – kort gezegd – te zijn gevallen doordat de ladder die hij beklom brak, en stelt de werkgever dat werknemer met twee lange buizen over een steiger liep en tegen een staander is opgelopen terwijl hij op zijn mobiele telefoon keek. In de onderhavige zaak zijn partijen het erover eens dat [eiser] van de ladder is gevallen, waarmee het arbeidsongeval als zodanig vast staat. De ongevalstoedracht zou wel een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde] aan haar zorgplicht heeft voldaan.

5.4.

[gedaagde] betwist niet dat zij aansprakelijk is voor [eiser] als ingeleend personeel. Nu vast staat dat [eiser] een arbeidsongeval is overkomen en hij schade heeft geleden, is de aansprakelijkheid van [gedaagde] in beginsel gegeven. Niet is gesteld of gebleken dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van [eiser] . Daarmee ligt het op de weg van [gedaagde] om aan te tonen dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan, om aan aansprakelijkheid te ontkomen. Uit artikel 7:658 lid 1 BW volgt dat de zorgplicht van [gedaagde] inhoudt dat zij verplicht was de werkplek en gereedschappen zodanig in te richten en te onderhouden, en voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig om te voorkomen dat [eiser] in de uitoefening van zijn werk schade lijdt. De zorgplicht van dit artikel vereist een hoog veiligheidsniveau en bovendien diende [gedaagde] een op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht te houden op behoorlijke naleving van de door haar gegeven instructies.

5.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat de ladder waar [eiser] vanaf is gevallen op zichzelf deugdelijk is. Ook staat vast dat [eiser] ten tijde van het ongeval de voorgeschreven veiligheidsschoenen droeg. Partijen verschillen van mening over de omstandigheden waaronder het ongeval is gebeurd. [eiser] stelt gevallen te zijn toen hij in opdracht van [naam 3] met een rol vuilniszakken en stoffer en blik in zijn handen de ladder af ging. Volgens [gedaagde] is [eiser] misgestapt of weggegleden, terwijl hij met vrije handen de trap afdaalde. Zelfs indien de kantonrechter uitgaat van de door [gedaagde] gestelde feitelijke gang van zaken dan heeft [gedaagde] niet aan haar zorgplicht in bovenbedoelde zin voldaan. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

5.6.

[gedaagde] heeft overgelegd een Veiligheids- & Gezondheidsplan (verder: V&G) dat is opgesteld voor de samenwerking tussen Schrijver en [gedaagde] op project Middelburg. Dit bevat geen specifieke bepaling over valgevaar bij het gebruik van ladders. Verder heeft [gedaagde] overgelegd een risico-inventarisatie en -evaluatie (verder: RI&E) gedateerd 18 juli 2008. In de daarbij behorende bijlage 3 ‘Beroepsrisico’s dakdekker/pannenlegger’ worden als belangrijkste risico’s genoemd lichamelijke belasting, schadelijke stof en onveiligheid en valgevaar. Voor wat betreft dit laatste risico is meer specifiek benoemd dat de pannenlegger van een ladder, steiger of het dak kan vallen. Dit risico heeft zich in deze zaak verwezenlijkt. Onder de maatregelen voor de werkgever staat in genoemde bijlage onder meer “Zorg voor een goede veiligheidsinstructie voor de ploeg; zie toe op het naleven van de voorschriften”. Onder ‘samenvatting belangrijkste bevindingen’ staat in de RI&E (pagina 6): “Er is aandacht voor Arbo in de organisatie, er zijn nog wel enkele te verbeteren punten. Met name op gebied van instructie en aantoonbaarheid van instructie kan meer geregeld kunnen worden. De vervolgafspraken zoals aangegeven in hoofdstuk 6 zijn met het bedrijf besproken en zullen door [gedaagde] uitgewerkt worden in een eigen plan van aanpak. Dit plan van aanpak zal dan in een later stadium als bijlage aan dit rapport toegevoegd.” In hoofdstuk 6 ‘vervolgafspraken (voorstel plan van aanpak)’ van de RI&E staat vervolgens (onder meer): “Zorg dat medewerkers op de kritische gebieden (stof, werken op hoogte, werken met de kraan) aantoonbaar voorlichting hebben gehad”. Het plan van aanpak dat volgens de inhoudsopgave als bijlage 4 bij de RI&E hoort is door [gedaagde] niet in de procedure gebracht.

5.7.

Op de vraag of aan werknemers instructies worden gegeven ten aanzien van het gebruik van ladders, heeft [gedaagde] ter zitting uitdrukkelijk geantwoord dat zij het niet nodig vindt om een werknemer van 50 trapinstructies te geven. Op [gedaagde] rust echter wel degelijk een waarschuwings- en instructieplicht ten aanzien van het gebruik van de ladder, zo blijkt uit bovenomschreven passages uit de RI&V van [gedaagde] zelf. Daarin is immers het vallen van een ladder als specifiek beroepsrisico benoemd, het zorgen voor goede veiligheidsinstructies en toezien op naleving daarvan als een door [gedaagde] te nemen maatregel omschreven, en bovendien (aantoonbaarheid van) instructie als specifiek verbeterpunt voor [gedaagde] opgenomen. Daarmee kan [gedaagde] ook niet worden gevolgd in haar stelling dat het gebruik van een ladder een alledaagse handeling is met een huis-, tuin- en keukenkarakter. Verder heeft [gedaagde] niet duidelijk gemaakt waarom redelijkerwijs niet van haar gevergd kan worden dat zij de in de RI&V aanbevolen maatregelen treft. [gedaagde] heeft (kennelijk bewust) in het geheel geen invulling gegeven aan haar zorgplicht ten aanzien van het gebruik van ladders. Daarbij moet blijkens de rechtspraak ook rekening worden gehouden met het ervaringsfeit dat het regelmatig verkeren in bepaalde werksituaties er toe kan leiden dat de werknemer minder voorzichtig zal worden dan ter voorkoming van ongevallen raadzaam is.

5.8.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat niet is gebleken dat [gedaagde] alle redelijkerwijs te nemen maatregelen heeft getroffen om het ongeval te voorkomen. Het antwoord op de vraag of [eiser] op het moment van vallen in opdracht van [naam 3] met zijn handen vol de ladder afdaalde is daarbij niet relevant, zodat deze buiten verdere bespreking kan blijven.

5.9.

Nu [gedaagde] niet voldoende aan haar zorgplicht heeft voldaan is ook het causaal verband tussen de tekortkoming van [gedaagde] en het ongeval gegeven. Het vereiste causaal verband tussen de zorgplichtschending en de schade acht de kantonrechter eveneens aanwezig. De kantonrechter begrijpt [gedaagde] wanneer zij stelt dat het eenvoudig misstappen bij het afdalen van een ladder in de praktijk niet of nauwelijks te voorkomen is. Zoals hiervoor is uiteengezet had [gedaagde] echter eenvoudig instructies kunnen en moeten geven, en heeft zij dit om haar moverende redenen nagelaten. Gelet op de strenge rechtspraak op dit gebied is [gedaagde] als werkgever in algemene zin al zeer snel aansprakelijk voor schade die haar werknemers lijden bij het verrichten van hun gebruikelijke werkzaamheden.

5.10.

Voor zover [gedaagde] bedoelt te stellen dat nakoming van de zorgplicht het ongeval niet zou hebben voorkomen, heeft zij die stelling onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [gedaagde] heeft nagelaten direct na het ongeval onderzoek te (laten) doen naar de precieze toedracht daarvan.

5.11.

De conclusie is dat de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen.

5.12.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt.

6

De beslissing

 

De kantonrechter:

 

6.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] jegens [eiser] aansprakelijk is ter zake het door [eiser] opgelopen letsel op of omstreeks 4 juni 2018, zoals in het lichaam van de dagvaarding omschreven;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser] tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 81,83

griffierecht € 81,00

salaris gemachtigde € 240,00 ;

 

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.W.S. Kiliç en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

 

De griffier De kantonrechter

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey