Rb: vrachtwagenchauffeur aansprakelijk voor achterop rijden voorbij invoegstrook

Samenvatting:

Verzoeker voegt met auto in op snelweg en wordt daarna van achteren aangereden door vrachtwagen. Als vaststaand kan worden aangenomen dat de aanrijding 200 meter na de invoegstrook heeft plaatsgevonden. Daarmee bestaat er geen aanleiding aan te nemen dat verzoeker dusdanig kort voor de vrachtwagen is ingevoegd dat de bestuurder geen mogelijkheden meer had om een aanrijding te voorkomen. Deze toedracht laat geen ruimte voor een andere conclusie dan dat de vrachtwagenbestuurder onvoldoende heeft geanticipeerd op weggebruikers met een lagere snelheid, zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast en onvoldoende afstand heeft gehouden.

 

 

ECLI:NL:RBAMS:2020:4709

 

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak

10-09-2020

Datum publicatie

21-10-2020

Zaaknummer

C/13/682627 / HA RK 20-123

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

deelgeschil, vrachtauto is van achteren op een personenauto gebotst, aansprakelijkheid bestuurder vrachtauto vastgesteld. veroordeling in de kosten deelgeschil

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

 

Afdeling privaatrecht

 

zaaknummer / rekestnummer: C/13/682627 / HA RK 20-123

 

Beschikking van 10 september 2020

 

in de zaak van

 

[verzoeker] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

verzoeker,

 

advocaat mr. I.E. Zwart te Amsterdam,

 

tegen

 

  1. de vennootschap naar buitenlands recht

 

PAŃSTWOWY ZAKŁAD UBEZPIECZEŃ (PZU),

 

statutair gevestigd te Polen,

 

  1. de vennootschap naar buitenlands recht

 

INTEREUROPE AG EUROPEAN LAW SERVICE,

 

gevestigd te Düsseldorf (Duitsland) en kantoorhoudende te Driebergen-Rijsenburg,

 

verweersters,

 

advocaat mr. A.A.M. Zeeman te Voorburg.

 

Partijen zullen hierna worden aangeduid als [verzoeker] , PZU en InterEurope. Verweersters zullen gezamenlijk worden aangeduid als PZU c.s.

1 De procedure

1.1.

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

 

het verzoekschrift met producties, ter griffie binnenkomen op 17 april 2020;

 

het verweerschrift met producties;

 

– de tussenbeschikking van 14 mei 2020, waarbij een mondelinge behandeling is gelast,

 

– het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 augustus 2020,

 

– de brief van mr. Zeeman van 26 augustus 2020 naar aanleiding van het proces-verbaal.

1.2.

 

De beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

 

Op 28 september 2017, omstreeks 13:00/13:30 uur, heeft op de verbindingsweg tussen de A8 en de A10 (hierna: de verbindingsweg) een aanrijding plaatsgevonden (hierna: het ongeval) tussen [verzoeker] als bestuurder van een Nissan Micra en de heer [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ) als (Poolse) bestuurder van een vrachtwagen van het merk DAF (hierna: de vrachtwagen) met een Pools kenteken. De door [bestuurder] bestuurde vrachtwagen was verzekerd bij PZU.

2.2.

 

[verzoeker] reed op de A8 komende vanuit [woonplaats] en is toen op de verbindingsweg richting de A10West ingevoegd. Na het invoegen reed [verzoeker] op de rechter hoofdrijbaan. [bestuurder] reed over de verbindingsweg, eveneens in zuidelijke richting. [bestuurder] heeft, nadat [verzoeker] op de verbindingsweg was ingevoegd, de auto van [verzoeker] van achteren geraakt en enkele meters opgeduwd, waarna de auto in de rechtervangrail tot stilstand is gekomen.

2.3.

 

Na het ongeval zijn twee verbalisanten van de Politie Amsterdam-Amstelland en een ambulance ter plaatse gekomen. De politie heeft een onderzoek ingesteld naar de toedracht van het ongeval en heeft daarvan een proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

 

“Toedracht

 

Het ongeval heeft plaatsgevonden op de A8 li verbindingsweg A10 li ter hoogte van 1.1.

 

De rijbaan bestaat daar uit 2 rijstroken, 1 invoegstrook en 1 rechtsgelegen vluchtstrook.

 

De vrachtauto voorzien van Pools kenteken (..) bestuurd door [bestuurder] bereed de hoofdrijbaan, de personenauto (..) bestuurd door [verzoeker] bereed de invoegstrook en voegde kort voor de vrachtauto in. Vermoeddelijk is de snelheid van de personenauto niet gelijk aan de snelheid van de vrachtauto. Verklaring [verzoeker] : “ik voegde in met ongeveer 50, daarna ging ik wel 60-70 rijden.”

 

Verklaring [bestuurder] : “Die auto ging opeens vlak voor mij invoegen, ik kon niks doen.”

 

[bestuurder] verklaarde dat de personenauto zo kort voor hem invoegde dat zij in botsing kwamen. (…)”

2.4.

 

[verzoeker] is per ambulance naar het ziekenhuis overgebracht.

2.5.

 

Het schadeformulier is samen met [bestuurder] ingevuld door verbalisant [naam 1] . Daarin is de volgende situatieschets gemaakt:

 

Om privacy redenen is de afbeelding verwijderd.

 

Op dit formulier is aan de zijde van [bestuurder] aangekruist “botste op achterzijde, in dezelfde richting en op dezelfde rijstrook rijdend”. Bij geen van beiden is aangekruist “veranderde van rijstrook”.

2.6.

 

Op 5 oktober 2017 heeft [verzoeker] het schadeformulier ingevuld, hierin heeft hij het volgende vermeld:

 

“(…) Verzekerde Tegenpartij

 

Met welke snelheid werd gereden? 80 km per uur 120 km per uur

 

(…)

 

Wie is naar uw mening aansprakelijk? Waarom meent u dat?

 

Voertuig B [ [bestuurder] ; de rb] Hij heeft mijn auto van achteren hard geraakt. (…)”

2.7.

 

Op 12 december 2017 heeft [getuige] (hierna: [getuige] ) een getuigenverklaring bij aanrijding afgelegd. Hierin heeft zij het volgende verklaard:

 

“Op 28 september 2017 reed ik ( [getuige] ) samen met mijn vriendin [naam vriendin] op weg naar het werk op Schiphol. Onderweg viel ons op dat er op de rechter rijbaan een kleine zilveren auto, die rechtdoor reed, van achteren werd geraakt door een grote witte vrachtwagen met een hoge snelheid vlakbij de Coentunnel. De witte vrachtwagen reed na de botsing door. Dat speelde zich af omstreeks 13:00 +-”

2.8.

 

Op 25 maart 2018 heeft [getuige] een (aanvullende) getuigenverklaring bij aanrijding afgelegd. Hierin heeft zij het volgende verklaard:

 

“Op 28 september 2017 omstreeks 13:00 reed ik ( [getuige] ) samen met mijn collega [naam vriendin] onderweg naar het werk op Schiphol. Onderweg op de snelweg A8, naderend de Coentunnel, viel mij op dat er een kleine zilveren auto, die rechtdoor reed, na een botsing werd aangeduwd door een grote witte vrachtwagen. Naar mijn inschatting ging het om een afstand van ongeveer 5 á 6 meter. Dit viel mij op omdat ik op de linkerbaan reed en dat was ongeveer 10 meter van de zilveren auto vandaan. Ik heb de grijze auto niet zien invoegen omdat hij op de rechter rijbaan rechtdoor aan het rijden was. De zilveren voertuig reed gemiddeld tussen de 70 en 80 km/uur. De witte vrachtwagen reed gemiddeld tussen de 80 en 90 km/uur. (…) Ik zelf: 100 km/uur.”

2.9.

 

Op 26 maart 2018 heeft [getuige] in een e-mail aan mr. Zwart het volgende geschreven:

 

“Hierbij stuur ik u de getuigenverklaring van het ongeval die heeft plaatsgevonden op 28/09/2018 van de heer [verzoeker] . Ik hoop dat de getuigenverklaring voldoet aan de bijbehorende punten die ik van meneer [verzoeker] heb ontvangen.

2.10.

 

Op 4 april 2018 heeft [naam vriendin] in een e-mail aan mr. Zwart de volgende getuigenverklaring gegeven:

 

“Ik [naam vriendin] , reed op 28 september 2017

 

Samen met mijn collega [getuige] in haar auto naar ons werk te schiphol.

 

Dicht bij de coentunnel op de snelweg A8 viel mijn op dat een klein zilveren auto rechtdoor reed op de rechterbaan.

 

Ineens zag ik een lange vrachtwagen die de zilveren auto van achteren aanreed op de zelfde rechterbaan , zodat de zilveren auto tegen de wangrail aankwam.

 

Ik zag dat de vrachtwagen harder reed dan

 

De zilveren auto en onze auto .

 

Conclusie:

 

Ik heb gezien dat de zilveren auto niet aan het invoegen was, en dat de vrachtwagen

 

De zilveren auto van achter aanreed.

 

De vrachtwagen duwde de zilveren auto tegen de vangrail en reed nog steeds door.”

2.11.

 

Op 5 oktober 2017 heeft [verzoeker] aan InterEurope een aansprakelijkstelling verzonden. InterEurope heeft de aansprakelijkheid niet (namens PZU) erkend.

2.12.

 

Op verzoek van [verzoeker] heeft de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 24 januari 2019 een voorlopig getuigenverhoor gelast. In het kader daarvan zijn op 6 maart 2019 [verzoeker] , [getuige] , en verbalisanten [naam 2] en [naam 1] als getuigen gehoord.

2.13.

 

[getuige] heeft als volgt verklaard, voor zover hier van belang:

 

“(…) Onder weg op de A8, op een aantal meter van de Coentunnel, heb ik gemerkt dat de vrachtauto tegen een kleine zilveren auto botste. De vrachtauto duwde de zilveren auto aan. Ik reed op de linkerbaan en dit gebeurde op de rechterbaan. Ik was achter de vrachtauto, en de voorkant van mijn auto was net ter hoogte van de achterkant van de vrachtauto. Zeg maar het begin van het inhalen. Het gebeurde schuin voor mij. Ik reed veel harder dan hen en haalde hen in. Daarbij zag ik dat de vrachtauto botste en de zilveren auto duwde.

 

(…)

 

U wijst mij op de foto’s van de snelweg. Het ongeval heeft in ieder geval niet bij de invoegstrook plaatsgevonden, waarschijnlijk bij de laatste foto. Ik heb de auto niet zien invoegen. Ik weet niet hoeveel meter de auto werd aangeduwd. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik later de auto tot stilstand komen. Ik weet niet meer precies waar dat was, ongeveer een aantal meter voor de Coentunnel. Ik reed veel sneller dus ik was vervolgens de Coentunnel ingegaan.

 

(…)

 

Ik verklaar dat ik onder een aantal meters versta 80-90 meter. (…) Nu de rechter deze verklaring voorhoudt, zie ik op de foto dat dit verder weg is dan vlak voor de Coentunnel. Op de nadere vraag van de rechter verduidelijk ik dat ik de Coentunnel in de voorruit zag op het moment dat ik in de achteruitkijkspiegel de zilveren auto op de vluchtstrook zag. (…)”

2.14.

 

Verbalisant [naam 2] heeft als volgt verklaard, voor zover hier van belang:

 

“(…) Ik weet nog dat er een ongeval had plaatsgevonden tussen een Poolse vrachtauto en een auto. Ik kwam ter plaatse toen het ongeval had plaatsgevonden. Toen ik aankwam zag ik de auto op de vluchtstrook en de vrachtauto verder bij de geluidsschermen. Ik schat de afstand tussen de vrachtauto en de auto tussen de 150 en 200 meter. Op enig moment kwam er iemand vanuit de vrachtauto richting mij lopen, voor zover ik mij kan herinneren. Ik hield mij vooral bezig met de vrachtauto, inhoudende dat ik naar de schade op zijn vrachtauto keek en het gesprek met die Poolse chauffeur voerde. Ik was ter plaatse met agent [naam 1] . De chauffeur sprak heel slecht Engels en geen Nederlands. Met handen en voeten probeerde hij uit te leggen wat er gebeurd was. Later heb ik hem op een andere locatie verhoord met een tolk via de tolkentelefoon. Dat was bij de eerst volgende afrit, S101. In de cabine van de vrachtauto vond dit verhoor plaats.

 

(…)

 

U wijst mij op het aanrijdingsformulier. Dit formulier is door mij ingevuld. Ik herken mijn handschrift. De tekening is ook van mij. De handtekening links onderin is van agent [naam 1] . Ik kan mij herinneren dat ik het heb ingevuld met de chauffeur. Ik zie dat het gedeelte met ‘zichtbare schade aan het voertuig’ door [naam 1] is ingevuld. Mogelijk heb ik vooral de persoonsgegevens ingevuld. Het kan ook zijn dat [naam 1] het formulier later heeft ondertekend.

 

U wijst mij op het proces-verbaal van de politie (…) waarin is opgenomen ‘Ik voegde in met 50, daarna ging ik wel 60-70 rijden.’ als verklaring van de heer [verzoeker] . Ik heb die verklaring opgenomen bij de heer [verzoeker] . Ik weet zeker dat ik de toedracht in het proces-verbaal heb geschreven, want dat is de wijze waarop ik dat altijd doe.

 

Blijkbaar heb ik meer contact gehad met de heer [verzoeker] dan ik mij aan het begin herinnerde en heb ik zijn verklaring opgenomen.

 

(…)

 

Ik las in het proces-verbaal dat het ongeval plaatsvond bij hectometerpaal 1.1. Ik herinner mij dat niet meer. In principe kijken wij ter plaatse altijd naar de hectometerpaal. De aanrijding was verspreid omdat de auto was doorgeschoten richting vluchtstrook/vangrail na het ongeval en de vrachtauto op een afstand stond.

 

U wijst mij op de foto’s van de weg. Ik verklaar dat ik de auto aantrof voorbij het einde van de invoegstrook. De vrachtauto stond uit het zicht als gevolg van de geluidsschermen en de bocht. (…)”

2.15.

 

Verbalisant [naam 1] heeft als volgt verklaard, voor zover hier van belang:

 

“(…) Wat ik nog weet is dat ik op de vluchtstrook een auto, een vrachtauto en twee chauffeurs aantrof.

 

(…)

 

Ik weet niet bij welke hectometerpaal het ongeval heeft plaatsgevonden. U wijst mij op de foto’s van de weg. Ik herken de foto’s inderdaad als de desbetreffende toerit. Ik kan mij niet herinneren waar de auto en de vrachtauto gepositioneerd waren. Ik weet dat ze op de vluchtstrook stonden.

 

De beschrijving van het proces-verbaal wordt opgemaakt aan de hand van wat wij ter plekke aantreffen. Ter plekke controleren wij ook de hectometerpaal. De hectometerpaalvermelding is meestal juist.

 

(…)

 

Ik zie dat het mijn handschrift is op het aanrijdingsformulier. Ik weet dat mijn collega met de vrachtauto chauffeur heeft gesproken met een tolk. Alles wat in het formulier is ingevuld is mijn handschrift. Links onderaan het formulier staat mijn handtekening. Dat is dus door de politie ingevuld. Wij doen dat als een soort van dienst omdat partijen dat zelf niet konden doen ter plaatse. (…)”

2.16.

 

[bestuurder] is in contra-enquête uiteindelijk niet als getuige gehoord.

3 Het verzoek

3.1.

 

[verzoeker] verzoekt – samengevat – de rechtbank om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

 

 

te verklaren voor recht dat PZU en/of InterEurope aansprakelijk is/zijn voor de gevolgen van het ongeval en dat zij de volledige door [verzoeker] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade aan hem dient/dienen te vergoeden;

 

de kosten van dit deelgeschil te begroten en PZU en/of InterEurope te veroordelen tot betaling van deze kosten.

 

3.2.

 

[verzoeker] legt het volgende aan zijn verzoek ten grondslag. [bestuurder] heeft artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) geschonden door onvoldoende te anticiperen op weggebruikers met een lagere snelheid en door onvoldoende afstand te houden op zijn voorgangers, waardoor hij het ongeluk heeft veroorzaakt.

3.3.

 

PZU c.s. voert het volgende tot haar verweer aan. Onder verantwoordelijkheid van het Nederlands Bureau Motorrijtuigverzekeraars verzorgt InterEurope bij een ongeval in Nederland als Nederlandse correspondent van diverse schadeverzekeraars, waaronder PZU, slechts de afwikkeling van de schade voor rekening van de buitenlandse verzekeraar(s). Zij kan als correspondent niet zelf in rechte worden aangesproken. Voor zover de verzoeken van [verzoeker] zich richten tot InterEurope dient [verzoeker] daarin dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard, althans dienen de verzoeken te worden afgewezen. PZU kan wel in rechte worden aangesproken, maar is niet aansprakelijk. De door [verzoeker] geschetste toedracht is niet juist en kan niet op de getuigenverklaringen worden gebaseerd. [bestuurder] heeft noch artikel 19 RVV noch enige andere verkeersregel geschonden. Tot slot is de verzochte vergoeding van de buitengerechtelijke kosten buitensporig. Het aantal in het kader van deze zaak bestede uren, dient te worden gematigd tot maximaal 12 uur, aldus PZU c.s.

3.4.

 

Op de standpunten van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

 

Rechtsmacht en toepasselijk recht

4.1.

 

Het onderhavige geschil heeft een internationaal karakter, omdat [verzoeker] in Nederland woont en PZU c.s. is gevestigd in Duitsland en Polen, zodat beoordeeld dient te worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.

4.2.

 

Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder: EEX-Vo Herschikt) die rechtstreeks verbindend en toepasselijk is in de lidstaten. PZU c.s. is door het dienen van een antwoord verschenen in deze procedure en heeft de bevoegdheid niet betwist. Op grond van artikel 26 lid 1 EEX-Vo Herschikt is daardoor de rechtbank te Amsterdam bevoegd.

 

Behandeling in een deelgeschilprocedure

4.3.

 

De deelgeschilprocedure is bedoeld voor de situatie waarin partijen in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase stuiten op geschilpunten die de voortgang van dat onderhandelingstraject belemmeren. Partijen kunnen de rechter vragen om een beslissing op die geschilpunten, zodat zij vervolgens verder kunnen met de onderhandelingen, met als doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv)). Verder is van belang dat ook in een deelgeschilprocedure de aansprakelijkheid aan de orde kan worden gesteld. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de verzochte beslissing omtrent aansprakelijkheid voldoende zal kunnen bijdragen aan de onderhandelingen buiten rechte. Deze zaak is dan ook geschikt voor behandeling als deelgeschil als bedoeld in artikel 1019w Rv.

 

InterEurope

4.4.

 

Naar aanleiding van het verweer dat InterEurope bij een ongeval in Nederland als Nederlandse correspondent van diverse schadeverzekeraars, waaronder PZU, slechts de afwikkeling van de schade voor rekening van de buitenlandse verzekeraar(s) verzorgt en zij als correspondent niet zelf in rechte kan worden aangesproken, heeft [verzoeker] tijdens de comparitie verklaard dit verweer niet te bestrijden en dat zijn vorderingen zich uitsluitend nog tot PZU richten. [verzoeker] zal, gelet hierop, in zijn vordering jegens InterEurope niet-ontvankelijk worden verklaard.

 

Aansprakelijkheid [bestuurder] /PZU

4.5.

 

Tussen partijen is in geschil wat de toedracht van het ongeval is geweest. [verzoeker] heeft omtrent de toedracht – kort samengevat – naar voren gebracht dat hij enkele honderden meters nadat hij de invoegstrook had verlaten van achter werd aangereden door [bestuurder] en daardoor tegen de vangrail is beland. PZU betwist deze toedracht en voert aan dat de aanrijding plaatsvond doordat [verzoeker] met te lage snelheid vlak voor [bestuurder] invoegde, waardoor [bestuurder] niet meer tijdig kon remmen en tegen de auto van [verzoeker] aanreed.

4.6.

 

De stelplicht en bewijslast van de door [verzoeker] gestelde toedracht rusten op [verzoeker] . Ter onderbouwing van zijn stelling dat het ongeval niet heeft plaatsgevonden bij de invoegstrook, maar enkele honderden meters verderop, heeft [verzoeker] gewezen op de inhoud van de hiervoor weergegeven schriftelijke getuigenverklaringen van [getuige] en [naam vriendin] , het proces-verbaal van politie en processen-verbaal van getuigen die tijdens voorlopig getuigenverhoor bij de rechtbank Amsterdam over de toedracht van het ongeval hebben verklaard. Naast [verzoeker] zijn [getuige] en de verbalisanten [naam 1] en [naam 2] gehoord.

4.7.

 

Naar het oordeel van de rechtbank vindt de door [verzoeker] gestelde toedracht inderdaad steun in de afgelegde verklaringen en het proces-verbaal van politie. In dit kader wordt het volgende overwogen.

4.8.

 

Niet in geschil is dat de invoegstrook begint bij hectometerpaal 1.5 en eindigt bij 1.3, dat in het proces-verbaal van politie als ongevalslocatie hectometerpaal 1.1 staat vermeld en dat in elk geval het stuk weg tussen 1.5 en 1.1 in een bocht naar rechts gelegen is. Gezien de afstand tussen de hectometerpalen (100 meter) is de door de politie genoteerde ongevalslocatie dus gelegen op 200 meter na het einde van de invoegstrook. Getuige [getuige] heeft tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat zij heeft gezien dat [verzoeker] rechtdoor reed toen hij van achter werd aangereden en dat er geen sprake was van een invoegsituatie. Dit heeft ook [naam vriendin] schriftelijk verklaard. Daarnaast heeft verbalisant [naam 2] tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat zij de auto van [verzoeker] voorbij het einde van de invoegstrook heeft aangetroffen.

4.9.

 

PZU voert aan dat hectometerpaal 1.1 niet de locatie kan zijn geweest waar de auto in de vangrail is aangetroffen. In dit kader voert zij het volgende aan. Er moet vanuit worden gegaan dat de verbalisanten de locatie van de vrachtwagen als ongevalslocatie hebben genoteerd. Dit blijkt uit de verklaring van [naam 2] , inhoudende dat sprake was van een verspreide aanrijding en dat de vrachtwagen vanaf de auto niet zichtbaar was vanwege de geluidschermen in de bocht. Omdat vanaf hectometerpaal 1.1 de weg recht is, kan het niet zo zijn dat daar de auto stond, want dan zou de vrachtwagen wel te zien zijn geweest. Uit het proces-verbaal van politie blijkt bovendien dat [verzoeker] ter plaatse aan de politie heeft verklaard dat hij invoegde met een snelheid van 50 kilometer per uur en daarna 60-70 is gaan rijden en dat [bestuurder] heeft verklaard dat het ongeval bij het invoegen heeft plaatsgevonden. Dit blijkt ook uit de situatieschets op het aanrijdingsformulier. Verder kan aan de verklaringen van [getuige] geen waarde worden gehecht, omdat zij als collega van [verzoeker] niet onafhankelijk en neutraal is, zij vanuit haar positie helemaal niet kan hebben gezien dat de vrachtwagen de auto aanduwde en omdat de verklaring voor wat betreft de door haar genoemde afstanden niet klopt en strijdig is met die van [verzoeker] . Aan de verklaring van [naam vriendin] kan geen waarde worden gehecht, omdat die veel te weinig informatie bevat en niet onder ede is afgelegd en omdat ook zij, als collega van [verzoeker] , niet onafhankelijk is, aldus steeds PZU.

4.10.

 

In reactie hierop heeft [verzoeker] betoogd dat hij nooit tegen de politie heeft gezegd dat hij invoegde met 50 kilometer per uur en daarna 60-70 ging rijden en dat hij, toen hij het proces-verbaal onder ogen kreeg, meerdere pogingen heeft ondernomen om het proces-verbaal gewijzigd te krijgen, maar dat dit niet is gelukt. De situatieschets kan niet als bewijs van de toedracht gelden, omdat die alleen met [bestuurder] is ingevuld en daarom slechts een weergave is van de door [bestuurder] gestelde toedracht. Daarnaast heeft [verzoeker] aangevoerd dat [getuige] en [naam vriendin] weliswaar collega’s waren, maar dat hij in totaal zo’n 300 collega’s had, dat hij geen vriendschappelijk band met hen had en hun verklaring daarom wel als onafhankelijk heeft te gelden, aldus steeds [verzoeker] .

4.11.

 

De rechtbank is van oordeel dat PZU niet kan worden gevolgd in haar betoog dat aan de getuigenverklaring van [getuige] geen waarde kan worden gehecht. Het klopt dat de door haar geschatte afstanden evident onjuist zijn, maar de afstanden zijn van onderschikt belang. Het gaat er om of er sprake was van een invoegsituatie en daarover is [getuige] zowel in haar schriftelijke verklaringen als in haar verklaring onder ede duidelijk: [verzoeker] was niet aan het invoegen. Voor de rechtbank is er geen reden om aan de juistheid van dit deel van de verklaring te twijfelen dan wel om aan haar verklaring geen waarde te hechten. De enkele omstandigheid dat [getuige] een collega is van [verzoeker] geeft daartoe, mede gezien de door [verzoeker] gegeven toelichting op zijn verhouding tot [getuige] als collega en de manier waarop zij moet hebben uitgevonden dat [verzoeker] degene is geweest die zich in de aangereden auto bevond, geen aanleiding. Daarnaast heeft de politie als ongevalslocatie hectometerpaal 1.1 vermeld. PZU voert weliswaar aan dat de verbalisant eerst naar de vrachtwagen zou zijn gelopen om pas daar de ongevalslocatie vast te leggen, maar voor die lezing biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt. [naam 2] en [naam 1] hebben daarentegen juist verklaard dat bij hun aankomst de vrachtwagenchauffeur naar de auto toe kwam lopen dan wel dat ze bij de auto de twee chauffeurs aantroffen. Het ligt dus in de rede om aan te nemen dat hectometerpaal 1.1 de locatie van de auto was.

4.12.

 

Uit het voorgaande volgt dat PZU, in het licht van de zich in het dossier bevindende stukken en verklaringen, de door [verzoeker] gestelde locatie van de auto, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Nu daarmee vaststaat dat de auto bij hectometerpaal 1.1 is geëindigd en niet in geschil is dat de vrachtwagen de auto van [verzoeker] slechts enkele meters vooruit heeft geduwd, kan voorts als vaststaand worden aangenomen dat de aanrijding vlak voor hectometerpaal 1.1, dus iets minder dan 200 meter na de invoegstrook, heeft plaatsgevonden. Daarmee is de ongevalslocatie dusdanig ver van het einde van de invoegstrook verwijderd, dat er – in lijn met de door [getuige] , [naam vriendin] en [verzoeker] (schriftelijke en/of onder ede) afgelegde verklaringen op dit punt – geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat [verzoeker] dusdanig kort (en langzaam) voor de vrachtwagen is ingevoegd dat [bestuurder] geen mogelijkheden meer had om een aanrijding te voorkomen. Het punt waar [verzoeker] uiterlijk had kunnen invoegen, was immers, gezien de locatie van de aanrijding, al ruimschoots gepasseerd toen [bestuurder] ’s vrachtwagen de auto van [verzoeker] raakte.

4.13.

 

Dat de situatieschets een andere toedracht weergeeft, namelijk een aanrijding ter hoogte van de invoegstrook, geeft geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De inhoud van het formulier laat zich verklaren doordat dit formulier met [bestuurder] , in afwezigheid van [verzoeker] , is ingevuld en derhalve slechts de weergave van [bestuurder] van de toedracht behelst.

4.14.

 

De door [verzoeker] gestelde toedracht van het ongeval, welke op grond van het voorgaande als vaststaand wordt aangenomen, laat geen ruimte voor een andere conclusie dan dat [bestuurder] onvoldoende heeft geanticipeerd op weggebruikers met een lagere snelheid, zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast en onvoldoende afstand heeft gehouden van [verzoeker] , waardoor hij tegen [verzoeker] is aangereden. [bestuurder] heeft daarmee onrechtmatig jegens [verzoeker] gehandeld en is daarmee aansprakelijk voor de dientengevolge ontstane schade van [verzoeker] . Met de aansprakelijkheid van [bestuurder] staat de gestelde aansprakelijkheid van PZU in haar hoedanigheid van verzekeraar als niet weersproken vast. De verzochte verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen.

 

Kosten deelgeschil

4.15.

 

[verzoeker] heeft de rechtbank verzocht om de kosten van het deelgeschil, inclusief het voorbereiden, bijwonen en nabespreken van de zitting, te begroten op:

 

 

24 uur x € 230 € 5.520,00

 

btw 21% € 1.159,20

 

griffierecht € 83,00

 

Totaal € 6.762,20

4.16.

 

De kosten van het deelgeschil dienen op grond van het bepaalde in artikel 1019aa Rv te worden begroot. Hierbij geldt de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW, in die zin dat het redelijk dient te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en dat de hoogte van die kosten eveneens redelijk is.

4.17.

 

PZU voert hiertegen aan dat deze zaak juridisch weinig complex is en acht de aan de zaak bestede uren bovenmatig. [verzoeker] heeft hierop een specificatie van de uren overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat in de gegeven situatie het door [verzoeker] gespecificeerde tijdsbestek van in totaal 24 uur ter voorbereiding, opstelling van het onderhavige verzoekschrift en bespreking met cliënt, voldoet aan de dubbele redelijkheidstoets. De kosten zullen dan ook worden begroot als is verzocht.

5 De beslissing

 

De rechtbank

5.1.

 

verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen jegens InterEurope,

5.2.

 

verklaart voor recht dat PZU aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden schade en nog te lijden schade ten gevolge van het ongeval;

5.3.

 

begroot de kosten van dit deelgeschil aan de zijde van [verzoeker] op € 6.762,20 en veroordeelt PZU tot betaling daarvan aan [verzoeker] .

 

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Bongers-Scheijde, rechter, bijgestaan door mr. S.A.M. Groot, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2020.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey